Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/11.3.1
11.3.1 Verplichtingen
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS585963:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Het uitoefenen van deze bevoegdheden door de nieuwe schuldeiser zijn bezitsdaden. Vgl. Biemans 2007b, par. 3.
De rechtsgrond (causa) voor de machtsverschaffing en de publiciteit is de overgang van de vordering dan wel de toekenning van bevoegdheden. Vgl. Nieuwenhuis 1980, p. 13-48.
Zie Biemans 2009e, par. 2 en par. 3. Ook het doen van mededeling aan de schuldenaar behoort tot het zich verschaffen van de macht over de vordering. Vgl. W. Snijders 1999, p. 559.
Zie Biemans 2009e, par. 4 met verdere literatuurverwijzingen.
Vgl. bij op afstand gesloten consumentenkoopovereenkomsten, art. 7:46c BW en art. 7:46d BW. Art. 7:46c lid 1 en 2 BW geven een gedetailleerde opsomming van de gegevens die de verkoper aan de koper moet verstrekken. Deze gegevens betreffen onder meer de identiteit en het adres van de verkoper (art. 7:46c lid 1 sub a BW) en diens bezoekadres (art. 7:46c lid 2 sub c BW), alsmede gegevens over de verkochte zaak, de inhoud van de overeenkomst en de rechten van de koper (art. 7:46c lid 1 sub b t/m i BW en art. 7:46c lid 2 sub b, d en e BW).
Aspecten van toezichtswetgeving, zoals privacywetgeving, blijven buiten beschouwing.
Vgl. bij de verkrijgende verjaring van vorderingen, het vereiste van bezit (art. 3:99 lid 1 en 3:105 BW) en bij de overgang van vorderingen ex art. 7:420 BW, de verklaring aan de lasthebber en de wederpartij.
Vgl. het onbevoegd beschikken bij overdracht (art. 3:86, 3:88 BW) en bij vestiging van beperkte rechten (art. 3:238, 3:239 lid 4 jo 3:88 BW); registergoederen (art. 3:23-24 BW); onbevoegd in ontvangst nemen van betalingen (art. 6:34 BW); onbevoegd verrichte rechtshandelingen na einde volmacht (art. 3:76 BW); onbevoegd verrichte rechtshandelingen bij bewind (art. 4:168 BW); en onbevoegd verrichte rechtshandelingen bij privatieve last (art. 7:423 BW).
661. Degene (schuldeiser of derde) die (weer) inningsbevoegd wordt ten aanzien van een vordering, dient dit naar de schuldenaar (en derden) toe kenbaar te kunnen maken en dient voorts ook in staat te worden gesteld om de aan hem toegekende bevoegdheden daadwerkelijk te kunnen uitoefenen.1 Deze aspecten kunnen worden benoemd als 'publiciteit' respectievelijk 'machtsverschaffing'.2 Beide aspecten kunnen worden onderscheiden, maar niet worden gescheiden. Machtsverschaffing impliceert publiciteit, en omgekeerd. Hieronder wordt op beide aspecten nader ingegaan. Over een vordering wordt de feitelijke macht verschaft door de benodigde informatie over de vordering te verschaffen en de bij de vordering behorende 'toebehoren' zoals schuldbekentenissen, correspondentie, (andere) bewijsstukken, executoriale titels, pand- en hypotheekakten, vuistpanden en borgtochtovereenkomsten en (vgl. art. 7:9 lid 1 jo 7:47, 6:48 lid 2, 6:143 lid 1 t/m 3 BW) af te leveren.3 Door het verschaffen van deze toebehoren kan de nieuwe inningsbevoegde persoon overgaan tot uitoefening van de vordering en de daaraan verbonden nevenrechten, bijvoorbeeld door de parate executie van een vuistpand of de tenuitvoerlegging van een executoriale titel. Het verschaffen van de benodigde informatie over de vordering wordt in de faillissementsrechtelijke literatuur aangeduid als het 'recht op informatie'.4 De verplichting tot het verschaffen van informatie is (een onderdeel van) de verplichting tot machtsverschaffing van vorderingen op naam. De meeste informatie zal kunnen worden gevonden in de 'toebehoren' (art. 7:9 lid 1 BW) van de vordering, zoals schuldbekentenissen, correspondentie, (andere) bewijsstukken, executoriale titels, pand- en hypotheekakten en borgtochtovereenkomsten.
De benodigde informatie over de vordering om vat de noodzakelijke gegevens over de persoon van de schuldenaar. Deze gegevens omvatten de naam van de schuldenaar, diens (bezoek- of postbus)adres en woonplaats (tezamen, de 'NAW-gegevens'), telefoonnummer(s), e-mailadres(sen), bankrekeningnummer(s) en, indien de schuldenaar een rechtspersoon is of een onderneming drijft, relevante bedrijfsinformatie, zoals het KvK-nummer.5 Als de schuldenaar onbekend is, hetgeen de overdracht van de vordering niet in de weg behoeft te staan (art. 3:94 lid 2 en lid 3 BW), is dit ook een relevant feit. Informatie over de betalingsgeschiedenis van de schuldenaar en informatie over diens solvabiliteitspositie, zoals BKR-gegevens, banksaldo-informatie en andere gegevens waaruit deze positie kan worden afgeleid, bijvoorbeeld de wijk waarin de schuldenaar woonachtig is, zijn betalingsgedrag, zijn koopgedrag, andere schulden bij hetzelfde bedrijf of bank of bij andere bedrijven en banken, zijn niet noodzakelijk voor machtsverschaffing.6 Gegevens over de kredietwaardigheid van de schuldenaar kunnen wel een rol spelen bij het antwoord op de vraag of de gecedeerde vordering conform de koop is. Dat is echter een andere kwestie. Het faillissement van de schuldenaar is als zodanig wél een relevant gegeven, omdat, net als bij het overlijden van de schuldenaar, de schuldeiser zich in deze gevallen voor betaling tot een ander persoon dan de schuldenaar dient te wenden. Naast de gegevens over de schuldenaar, zijn de gegevens van de curator van belang, en bij het overlijden van de schuldenaar de gegevens van de erfgenamen of van een aangestelde vereffenaar of executeur.
De benodigde informatie over de vordering omvat voorts de noodzakelijke gegevens over de inhoud van de vordering en de daarbij behorende nevenrechten, zoals de grondslag van de vordering, de opbouw en de oorspronkelijke hoogte van de vordering, reeds gedane betalingen en aflossingen, het openstaande bedrag, eventuele afspraken over uitstel van betaling, betaling in gedeelten, de wijze van betaling, de duur van de overeenkomst, de toerekening van de betaling, de valuta waarin betaald moet of mag worden, renteberekeningen, door de schuldenaar of derden verstrekte zekerheden, verstuurde aanmaningen en ingebrekestellingen, eventueel gevoerde procedures en mogelijke verweren die door de schuldenaar zijn opgeworpen en bevoegdheden die hij heeft uigeoefend of nog kan uitoefenen, zoals de bevoegdheid tot opschorting, ontbinding, opzegging of vernietiging.
De verplichting om publiciteit te (kunnen) geven, betekent dat naar derden toe, waaronder de schuldenaar, kenbaar wordt (of kan worden) gemaakt dat de nieuwe schuldeiser of de (nieuwe) inningsbevoegde derde in plaats van de (oorspronkelijke) schuldeiser gerechtigd tot de vordering is, dan wel bevoegd is om deze te innen. Door machtsverschaffing wordt de nieuwe inningsbevoegde persoon in staat gesteld om dit zelf kenbaar te maken. Hij kan met behulp van de informatie en de toebehoren bij de vordering zich tot de schuldenaar richten en daardoor bijvoorbeeld mededeling doen zoals bedoeld in art. 3:94 (jo 3:98) BW en art. 3:239 lid 3 jo 3:246 lid 1 BW. Aan de verplichting tot publiciteit kan echter ook op andere wijze worden voldaan. Bijvoorbeeld, de (oude) schuldeiser kan zelf mededeling doen aan de schuldenaar van de overgang of van de vestiging van het beperkte recht of de volmachtverlening. Publiciteit kan ook op andere wijze bewerkstelligd worden, bijvoorbeeld door het wijzen van een vonnis of een inschrijving in de openbaar registers.
Publiciteit is in voorkomende gevallen een doel op zich. Het kan ten eerste een vereiste zijn voor de overgang van de vordering of de toekenning van bevoegdheden aan een derde. Denk aan de openbare cessie (art. 3:94 lid 1 BW),7 het openbaar pandrecht (art. 3:94 lid 1 jo 3:236 lid 2 BW, art. 3:239 lid 3 BW en art. 3:246 BW), de aanstelling van een curator in faillissement (art. 14 lid 3, 19-19b Fw) en het derdenbeslag (art. 475 Rv). Publiciteit kan voorts een doel op zich zijn vanwege derdenbeschermingsbepalingen. Derden te goeder trouw worden in een aantal gevallen tegen het ontbreken van publiciteit beschermd.8 Aan de onbevoegd verrichte rechtshandeling wordt dan hetzelfde rechtsgevolg toegekend als wanneer deze rechtshandeling bevoegd zou zijn verricht, hetgeen in de regel nadelig uitpakt voor de bevoegde persoon. Publiciteit verhindert of vermindert een succesvol beroep dergelijke derdenbeschermingsbepalingen.