Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/11.3.3
11.3.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS587140:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor nr. 660.
Zie hiervoor nr. 245 e.v.
Vgl. r.o. 4.2.1, HR30oktober2009, NJ 2010,96 (Hammq.q./ABN Amro), m.nt. F.M.J. Verstijlen.
Bij de koop van een recht van vruchtgebruik volgt de verplichting uit art. 7:9 lid 1 jo 7:47BW.
Zie voor verplichtingen tot teruggave van het goed, hierna nr. 680.
Zie M.v.A. II, Pari. Gesch. Boek 3, p. 788-789.
Zie HR 30 oktober 2009, NJ2010, 96 (Hamm q.q./ABN Amro ), m.nt. F.M.J. Verstijlen.
Zie r.o. 4.2.1 en 4.2.2, HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96 (Hamm q.q./ABN Amro), m.nt. F.M.J. Verstijlen. Zie de discussie over het recht van informatie voor dit arrest, o.a. Molkenboer & Verdaas 2002; A. van Hees 2002; Verdaas 2002; Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 207; Vermunt 2006; Bartels 2007, p. 976 (nr. 4); Verstijlen 2007b, p. 165-168; Verdaas 2008a, nr. 256 t/m 258; en Biemans 2009e, par. 4. Vgl. ook de conclusie van A-G Wuisman voor HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96 (Hamm q.q./ABN Amro), m.nt. F.M.J. Verstijlen. Zie voor een uitvoerige analyse van het arrest, Struycken & Van Zanten 2010; en zie voorts over dit arrest o.a. Verstijlen in zijn noot onder het arrest; W.J.M. van Andel in zijn noot onder HR 30 oktober 2009, JOR 2009/341 (Hamm q.q./ABN Amro); Van Mierlo 2009, p. 917; Vonck 2010; en Tuil 2010.
Het Hof had de vordering van de pandhouder wel toegewezen op grond van art. 3:15j, aanhef en onder d BW. Zie Hof 's-Gravenhage 25 september 2007, JOR 2007/287 (Hamm q.q./ABN Amro), m.nt. W.J.M. van Andel. Zie over de tekortkomingen van deze grondslag, Biemans 2009e, par. 4.
Zie r.o. 4.2.1 en 5.1 van het arrest.
Vgl. Verdaas 2008, p. 204; Struycken & VanZanten 2010, p. 63.
De regel van het arrest Hamm q.q./ ABN Amro leent zich voor overeenkomstige toepassing op de vereffening van een nalatenschap. Art. 4:223 lid 1 BW verklaart art. 57 en 58 lid 2 Fw van overeenkomstige toepassing.
Zie daarover Pari. Gesch. Boek 3, p. 311 en 840 en art. 3:274 lid 4 BW. Zie voor het oude recht Pitlo/Brahn 1987, p. 462; Stein 1986, p. 132; en vgl. Hof 's-Gravenhage 13 oktober 1930, NJ 1931, p. 460. Vgl. ook art. 3:274 BW (hypotheek). De verplichting rust dus ook op de inningsbevoegde vruchtgebruiker, tenzij het tenietgaan van het pandrecht niet jegens hem geldt, vgl. art. 3:81 lid 3 BW, art. 6:161 BW, M.v.A. II, Pari. Gesch. Boek 3, p. 788-789.
Vgl. ook voor diens echtgenoot art. 105 lid 2 Fw en voor de bestuurders van een rechtspersoon, art. 106 Fw.
Zie over de informatiebevoegdheid van gerechtsdeurwaarders en de opgavenverplichting van uitkeringsverstrekkers, werkgevers en banken, in geval van derdenbeslag, Beekhoven van den Boezem & Verhoeven 2009.
Zie voor vereffening, art. 4:206 lid 6 BW, en voor faillissement, art. 14 lid 3 Fw en art. 19-19b Fw. Zie over de publicatie en registratie van insolventiebeschikkingen, Wessels 2009. Vergelijk ook hiervoor nr. 583.
De executeur, de bewindvoerder en de vereffenaar kunnen ook door een notaris een verklaring van erfrecht Iaten opmaken, waarmee zij zich jegens de schuldenaar kunnen legitimeren bij het innen van vorderingen (art. 4:188 lid 1 aanhef en sub d BW). Zie Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 355 en 417; B.M.E.M. Schols 2007, p. 237. Onduidelijk is of een dergelijke verklaring in het boedelregister kan worden ingeschreven. V gl. Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 355 (bevestigend) en nr. 417 (ontkennend).
Zie M.v.A. II, Pari. Gesch. Boek 3, p. 788-789.
Vgl. ook de tweede zin voor een notariële volmacht, en het tweede lid, voor het geval dat na het einde van volmacht de vrees bestaat dat de gevolmachtigde van de volmacht gebruik blijft maken.
Dit geldt met name als de stille cessionaris niet voornemens is om de vordering aan een derde door te verkopen en over te dragen, hetgeen veelal het geval zal zijn.
Of omdat hij in een eventueel faillissement van de stille cedent geen bemoeienis met de curator wil hebben, of omdat hij voornemens is de vorderingen op een later moment te bezwaren of door te verkopen.
Een dergelijke inschrijving dient naar mijn mening niet te worden aangemerkt als een mededeling aan de schuldenaar.
Vgl. Biemans 2008, p. 452, nt. 49.
Zie Biemans 2009d, par. 6.5.
Zie HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96 (Hamm q.q./ ABN Amro), m.nt. F.M.J. Verstijlen.
675. Naast de verplichtingen van de stille cedent als oude schuldeiser/verkoper en de stille cessionaris als nieuwe schuldeiser/koper van de stil gecedeerde vordering, bestaan in hun rechtsverhouding tevens de verplichtingen van de stille cedent als lasthebber en de stille cessionaris als lastgever. Omdat de regeling van lastgeving, zoals gezegd,1 niet is toegesneden op de inning van vorderingen, worden deze verplichtingen uit hoofde van de lastgevingsovereenkomst hieronder nader ingevulde en ingekleurd aan de hand van een analyse van de vergelijkbare rechtsfiguren waarbij een derde andermans vordering int.
Als een derde inningsbevoegd wordt ten aanzien van andermans vordering en ook bevoegd wordt om de daaraan verbonden nevenrechten uit te oefenen, zoals de rechten van pand en hypotheek en executoriale titels, 2 dient hij de beschikking te verkrijgen over de voor de vordering van belang zijnde informatie, alsmede over op de vordering en nevenrechten betrekking hebbende bewijsstukken, de executoriale titels en vuistpanden, die hij nodig heeft om zijn bevoegdheden uit te oefenen. Zou de derde hierover niet de beschikking krijgen, dan blijven zijn bevoegdheden grotendeels denkbeeldig.3 Houdt de schuldeiser zelf belang bij een bewijsstuk of een executoriale titel, dan dient de derde een afschrift of uittreksel te verkrijgen waaruit met overeenkomstige bewijskracht als uit het oorspronkelijke stuk van de vordering blijkt, dan wei dient hij in gelegenheid te worden gesteld om de executoriale titel ten uitvoer te leggen.
676. Aangaande de wijze waarop de derde hierover de beschikking krijgt, dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de derde die met toestemming van de rechthebbende bevoegd is geworden en de derde die dat zonder diens toestemming is geworden.
Is een derde met toestemming van de schuldeiser bevoegd geworden tot uitoefening van de vordering, zoals bij pand, vruchtgebruik, beheersregeling bij gemeenschap, lastgeving en volmacht, dan rust de verplichting om de macht over de vordering te verschaffen op de schuldeiser. Art. 6:143 1 t/m 3 BW zijn van overeenkomstige toepassing. 4 Voor de inhoud van de verplichtingen wordt kortheidshalve naar de vorige paragraaf verwezen. Art. 6:143 lid 4 BW leent zich niet voor overeenkomstige toepassing, omdat de derde niet de rechthebbende van het recht van hypotheek wordt, en een overgang derhalve ook niet ingeschreven dient te worden.
De regelingen van pand, vruchtgebruik, volmacht enz. zelf bevatten geen bepalingen met verplichtingen die vergelijkbaar zijn met die in art.
6:143 BW.5 Uit de parlementaire geschiedenis kan het bestaan daarvan even wei worden afgeleid. Uit art. 3:256 BW volgt dat na het tenietgaan van de schuld waarvoor een goed in pand is gegeven, de pandhouder verplicht is het goed aan de pandgever terug te geven. In de parlementaire geschiedenis wordt vermeld dat de pandhouder mede gelet op art. 6:48 lid 2 en 6:141 BW verplicht is om de schuldbekentenis of een ander bewijsstuk aan de pandgever terug te geven.6 Uit deze wettelijke verplichting tot afgifte van de pandhouder bij het einde van het pandrecht op de vordering vloeit voort dat dezelfde verplichting ook op de pandgever rust bij de vestiging van het openbaar pandrecht dan wei bij het omzetten van een stil pandrecht in een openbaar pandrecht. De verplichting is dezelfde als genoemd in art. 6:143 lid 1 BW.
677. De genoemde verplichting volgt ook uit de rechtspraak. In het arrest Hamm q.q./ABN Amro7 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de curator, en buiten faillissement de pandgever, de uitoefening van de rechten van de pandhouder niet mag frustreren. De Hoge Raad oordeelt dat:
"de curator, zoals buiten faillissement de pandgever, de pandhouder op diens verlangen alle informatie verstrekt aangaande (de debiteuren van) de verpande vorderingen waarover hij de beschikking heeft en die de pandhouder nodig heeft teneinde de in art. 3:246 lid 1, tweede volzin, genoemde mededeling te doen en de inning van de betrokken vorderingen ter hand te nemen."
"De curator (en buiten faillissement de pandgever) dient de hiervoor bedoelde informatie te verschaffen door de stille pandhouder de nodige gegevens uit de administratie van de gefailleerde te verstrekken, dan wei door hem daarin genoegzaam inzage te geven."8
De Hoge Raad baseert zich voor zijn oordeel niet op art. 3:15j aanhef en sub d BW, dat bepaalt dat de schuldeisers in het geval van faillissement openlegging van tot de administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers kunnen vorderen voorzover zij daarbij een rechtstreeks en voldoende belang hebben. 9 Het recht van de pandhouder op informatie volgt reeds uit de aard en de strekking van het stil pandrecht, aldus de Hoge Raad.10
De Hoge Raad oordeelt dat de (curator van de gefailleerde) pandgever de pandhouder alle informatie cliënt te verstrekken aangaande de schuldenaar en de verpande vordering waarover hij de beschikking heeft en die de pandhouder nodig heeft om mededeling te kunnen doen en de vordering te kunnen innen. Deze overweging cliënt naar mijn mening zo te worden begrepen dat op de pandgever dezelfde verplichting rust als op de oude schuldeiser op grond van art. 6:143 lid 1 t/m 3 BW, of als op de verkoper van de vordering om alles in het werk te stellen dat de koper het recht ten volle kan uitoefenen.11 De pandgever cliënt aan de pandhouder de op de vordering en nevenrechten betrekking hebbende bewijsstukken, executoriale titels en vuistpanden te verstrekken voor zover de pandhouder deze nodig heeft om de vordering te kunnen innen.
De op de (curator van de) pandgever rustende verplichting kan volgens de Hoge Raad worden nagekomen door de nodige gegevens uit de administratie te verstrekken, dan wel door de pandhouder daarin genoegzaam inzage te geven. De verplichting tot het verstrekken van de nodige gegevens uit de administratie stemt overeen met de verplichting van de pandgever om de bewijsstukken aan de pandhouder af te geven. Met het aan de pandhouder inzage geven in de administratie kan naar mijn mening alleen worden volstaan als de pandhouder daardoor genoegzaam mededeling kan doen en de vordering kan innen. In andere gevallen zullen aan hem de bewijsstukken van de vorderingen moeten worden afgegeven. De (curator van de) pandgever zal van zijn verplichting gekweten zijn, als hij aan de pandhouder een afschrift of uittreksel verstrekt waaruit met overeenkomstige bewijskracht als uit het oorspronkelijke stuk van de vordering blijkt (vgl. art. 6:143 lid 1 BW).12
678. Art. 3:256 BW biedt voorts een aanknopingspunt dat (overeenkomstig art. 6:143 lid 3 BW) aan de vruchtgebruiker en de openbaar pandhouder de bij de vordering behorende vuistpanden dienen te worden afgegeven. Bij het tenietgaan van een pandrecht is de pandhouder, als schuld eiser, verplicht om te verrichten hetgeen zijnerzijds nodig is opdat de pandgever de hem toekomende feitelijke macht over het goed herkrijgt, en desverlangd aan de pandgever een schriftelijk bewijs te verstrekken dat het pandrecht geëindigd is. Is de vordering waarvoor het pandrecht tot zekerheid strekte met een beperkt recht bezwaard, dan rust een overeenkomstige verplichting op de beperkt gerechtigde, dus op degene met een recht van vruchtgebruik of een (openbaar) recht van pand op de vordering (art. 3:256 BW). De openbaar pandhouder en vruchtgebruiker kunnen alleen aan deze verplichting voldoen als zij ook (eerder) de beschikking hadden over de bij de vordering behorende pandrechten, waaronder vuistpanden. Hieruit volgt dat op de pandgever en de hoofdgerechtigde jegens de pandhouder respectievelijk de vruchtgebruiker dezelfde verplichting rust als genoemd in art. 6:143lid 3 BW.
Art. 3:256 BW (zie hiervoor) en art. 3:274 lid 1 BW bieden ten slotte aanknopingspunten dat aan de openbaar pandhouder en de vruchtgebruiker overeenkomstig art. 6:143 lid 1 BW ook (afschriften van) de pandakten en de hypotheekakten behorende bij de aan de vordering verbonden rechten van pand en hypotheek dienen te worden verstrekt. Wanneer een hypotheek is tenietgegaan, is de schuldeiser verplicht aan de rechthebbende op het bezwaarde goed op diens verzoek en op diens kosten bij authentieke akte een verklaring af te geven, dat de hypotheek is vervallen. Is de vordering waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt met een beperkt recht bezwaard, dan rust een overeenkomstige verplichting op de beperkt gerechtigde (art. 3:274lid 1 BW).13 Als geen (afschriften van) de pandakten en de hypotheekakten behorende bij de aan de vordering verbonden rechten van pand en hypotheek worden verstrekt, kunnen de openbaar pandhouder en de vruchtgebruiker zich ook niet kwijten van de aan hen opgelegde verplichting om een verklaring af te geven dat het pand- of hypotheekrecht geëindigd is. Hieruit volgt dat op de pandgever en de hoofdgerechtigde jegens de pandhouder respectievelijk de vruchtgebruiker de verplichting rust om de op de zekerheidsrechten betrekking hebbende bewijsstukken af te geven (vgl. art. 6:143 lid 1 BW). Het voorgaande geldt op dezelfde wijze voor de deelgenoot die krachtens een beheersregeling en voor de privatieve lasthebber die exclusief inningsbevoegd wordt.
679. In de gevallen waarin de schuldeiser zijn toestemming niet heeft verleend aan de uitoefening van de vordering door een derde, geeft de wet andere oplossingen. In faillissement bijvoorbeeld is de curator op grond van art. 92 tweede zin Fw bevoegd om onmiddellijk onder meer de bescheiden en andere gegevensdragers tegen ontvangstbewijs onder zich te nemen. Op grond van art. 99 lid 1 Fw is hij bevoegd om de post van de gefailleerde te openen. Uit art. 105 Fw volgt dat de gefailleerde verplicht is om voor de curator te verschijnen en deze alle inlichtingen te verschaffen, zo dikwijls hij daartoe wordt opgeroepen.14 Bij de regelingen van vereffening van nalatenschappen, executele en bewind dienen aan de vereffenaar, executeur en bewindvoerder vergelijkbare bevoegdheden te worden toegekend, als de gegevens niet desgevraagd aan hun worden aangeleverd. Indien de derde verplicht is tot boedelbeschrijving van de aan hem toevertrouwde goederen, volgt daaruit ook zijn bevoegdheid tot inzage in de tot de administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers. Bij derdenbeslag komen de benodigde gegevens van de schuldenaar van de beslagen vordering zelf. Kortheidshalve zij verwezen naar de regeling in art. 475g Rv en art. 476a-476b Rv.15
In het kader van derdenbescherming is mededeling aan de schuldenaar bij faillissement en de vereffening van een nalatenschap niet vereist, omdat openbaarmaking op andere wijze plaatsvindt, namelijk door inschrijving in een openbaar register en door publicatie in (onder meer) de Staatscourant.16 Bij bewind en executele ligt dat anders. Bij de onderbewindstelling van goederen rust op de bewindvoerder de verplichting tot inschrijving in de registers van zijn aanstelling, zo dergelijke registers voorhanden zijn (art. 4:160 lid 2 BW; vgl. art. 1:436 lid 3 BW en art. 3.6.1.4 lid 2 Ontw.BW). Deze verplichting is niet van toepassing op onder bewind gestelde vorderingen. Uit de ratio van de genoemde regeling voor registergoederen volgt naar mijn mening dat de bewindvoerder verplicht is om in het kader van zijn aanstelling aan de schuldenaar van een onder bewind gestelde vordering mededeling te doen van het bewind, als de schuldenaar nog niet op de hoogte is van het bewind en (al dan niet bevrijdend) aan de inningsonbevoegde rechthebbende dreigt te betalen.17 Hetzelfde geldt naar mijn mening voor de executeur.18 Bij derdenbeslag vindt betekening daarvan aan de schuldenaar plaats en wordt op die wijze publiciteit gegeven.
680. Bij de beëindiging van de bevoegdheden van de derde rust op hem de verplichting om de bij de vordering en nevenrechten behorende bewijsstukken en bescheiden, alsmede de executoriale titels en vuistpanden weer aan de schuldeiser terug te geven. Er is sprake van een 'restverplichting'. Bij vruchtgebruik volgt deze verplichting uit art. 3:225 BW; bij pand uit art. 3:256 BW;19 bij bewind uit art. 1:446 lid 2 BW en art. 4:165 lid 1 BW; bij de executele uit art. 4:150 lid 1 BW; bij de vereffening van nalatenschappen uit art. 4:226 lid 1 BW; en bij faillissement uit art. 193 lid 3 Fw. Art. 3:75 lid 1 eerste zin BW bepaalt dat na het einde van de volmacht de gevolmachtigde desverlangd de geschriften waaruit de volmacht blijkt, moet teruggeven of moet toestaan dat de volmachtgever daarop aantekent dat de volmacht is geëindigd.20 Bij lastgeving volgt de verplichting impliciet uit art. 7:412 BW, dat bepaalt dat de rechtsvordering tegen de lasthebber tot afgifte van de stukken die hij ter zake van de opdracht onder zich heeft gekregen door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag volgend op die waarop zijn bemoeiingen zijn geëindigd, verjaart. Voor de inhoud van de verplichting van de lasthebber kan worden aangesloten bij de hiervoor genoemde bepalingen.
681. Blijft de stille cedent na de stille cessie krachtens lastgeving bevoegd tot inning van de stil gecedeerde vordering en bevoegd tot uitoefening van de aan de vordering verbonden nevenrechten, dan cliënt hij daarover de feitelijke macht te behouden. Van de overdracht van de vordering (en de last tot inning) wordt bovendien geen mededeling gedaan aan de schuldenaar. Daaruit volgt dat, tenzij partijen anders overeenkomen, bij een stille cessie de verplichtingen ex art. 6:143 BW niet op het moment van de overgang van de vordering, maar op het moment van mededeling op de stille cedent rusten. De feitelijke machtsverschaffing aan de stille cessionaris van de bescheiden als genoemd in art. 6:143 lid 1 en lid 2 BW en de vuistpanden als genoemd in art. 6:143 lid 3 BW alsmede de publiciteit over de overgang (waaronder de inschrijving van de overgang van het hypotheekrecht als bedoeld in art. 6:143lid 4 BW en mededeling aan de schuldenaar van verpande vorderingen en mededeling aan de borg) worden uitgesteld tot het moment van mededeling. Dit is niet alleen nodig om de cessie stil te houden, maar ook om de stille cedent in staat te stellen zijn bevoegdheden uit (blijven) te oefenen. 21 Ook de inschrijving van de overgang van het hypotheekrecht in de registers en de mededeling aan de schuldenaren van de openbaar verpande vorderingen en de mededeling aan borgen worden tot dat moment uitgesteld. De verplichtingen zijn van verbintenisrechtelijke aard en zijn van regelend recht, en hoeven om die reden niet parallel te lopen aan de goederenrechtelijk overgang van de vordering en de nevenrechten.
De stille cedent en de stille cessionaris kunnen anders overeenkomen. De stille cessionaris kan bijvoorbeeld ten behoeve van zijn administratie alvast van de stille cedent informatie over de schuldenaar en de vordering verlangen. Hij kan ook om (afschriften van) de bewijsstukken en andere bij de vordering en nevenrechten behorende bescheiden vragen.22 Ook is denkbaar dat hij zekerheidshalve inschrijving van de overgang van het hypotheekrecht wenst.23 De stille cedent die krachtens lastgeving inningsbevoegd is, zal echter over voldoende bescheiden, vuistpanden, executoriale titels enz. dienen te beschikken om de vordering en de daaraan verbonden nevenrechten te kunnen uitoefenen.
Zo dit mag niet eerder is gebeurd, client de stille cedent op het moment van mededeling alsnog zijn verplichtingen op grand van art. 6:143 BW na te komen. Deze verplichtingen kunnen (ten dele) samenvallen met zijn 'restverplichting' als lasthebber om aan het einde van de lastgeving aan de lastgever (weer) de feitelijke macht verschaffen over de vordering en de daaraan verbonden nevenrechten, onder meer door de bij de vordering en de nevenrechten behorende bewijsstukken en bescheiden, alsmede de executoriale titels en vuistpanden aan de lastgever af te geven. Hij cliënt alle informatie te verstrekken aangaande de vordering en de daaraan verbonden nevenrechten waarover hij de beschikking heeft en die de nieuwe schuldeiser nodig heeft om aan de schuldenaar mededeling te doen en de vordering en nevenrechten te kunnen uitoefenen.
682. In het faillissement van de stille cedent rusten genoemde verplichtingen op de curator.24 De stil gecedeerde vordering behoort niet tot de faillissementsboedel. De stille cessionaris is als rechthebbende van de vordering bevoegd om deze van de curator op te eisen, op een vergelijkbare wijze zoals de eigenaar van een zaak die kan opeisen op grond van art. 5:2 BW (revindicatie ).25 Dit volgt ook uit het hiervoor genoemde arrest Hamm q.q./ ABN Amro.26 De rechtsvordering tegen de stille cedent als lasthebber tot afgifte van de stukken die hij ter zake van de opdracht onder zich heeft gekregen verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag volgend op die waarop zijn bemoeiingen zijn geëindigd (art. 7:412 BW). Blijft de stille cedent zich na de mededeling (op onrechtmatige wijze) voordoen als de schuldeiser van de vordering, dan is de verjaringstermijn tot opeising van de vordering twintig jaar (art. 3:314 jo 3:306 BW).