RBP 2025/55
Proceskostenveroordeling. Dat een door de rechtbank in eerste aanleg in het gelijk gestelde eiser in de vorm van een (voorwaardelijk) incidenteel appel verweer heeft gevoerd, mag er niet toe leiden dat verwerping daarvan hem op een kostenveroordeling in het incidenteel appel komt te staan.
HR 23-05-2025, ECLI:NL:HR:2025:801
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23 mei 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, T.H. Tanja-van den Broek, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma, K. Teuben
- Zaaknummer
24/01187
- Conclusie
A-G mr. T. Hartlief
- JCDI
JCDI:BSD20669:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Hoger beroep
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:801, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑05‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1346, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑12‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑08‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑03‑2024
- Wetingang
Art. 237 lid 1 Rv
Essentie
Proceskostenveroordeling. Incidenteel beroep.
Dat een door de rechtbank in eerste aanleg in het gelijk gestelde eiser in de vorm van een (voorwaardelijk) incidenteel appel verweer heeft gevoerd, mag er niet toe leiden dat verwerping daarvan hem op een kostenveroordeling in het incidenteel appel komt te staan.
Samenvatting
Eiseres in eerste aanleg heeft (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld tegen een vonnis waarin het door haar primair gevorderde werd toegewezen. Het hof vernietigt dat vonnis en oordeelt dat haar primaire, subsidiaire en meer subsidiaire vordering stranden. Vervolgens oordeelt het hof dat de meest subsidiaire grondslag slaagt. Het hof oordeelt ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.