HR, 25-06-2024, nr. 22/00832
ECLI:NL:HR:2024:896
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-06-2024
- Zaaknummer
22/00832
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:896, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑06‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:220
- Vindplaatsen
Uitspraak 25‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Zaak IJsberg. Profijtontneming, w.v.v. uit schuldwitwassen van bitcoins. 1. Voorwaardelijk middel van betrokkene. Middel a.b.i. wet? 2. Redelijke termijn (inzendtermijn) in cassatie. Ad 1. Als middel aangeduide klacht moet onbesproken blijven omdat die slechts strekt tot vernietiging van uitspraak in ontnemingszaak als middelen in samenhangende strafzaak (22/00485) gegrond zouden worden bevonden. HR merkt op dat o.g.v. art. 6:1:16.2 Sv uitspraak op ontnemingsvordering pas kan worden tenuitvoergelegd nadat en v.zv. veroordeling a.b.i. art. 36e Sr onherroepelijk is geworden en dat o.g.v. art. 511i Sv uitspraak op ontnemingsvordering van rechtswege vervalt doordat en v.zv. uitspraak als gevolg waarvan veroordeling a.b.i. art. 36e Sr achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat (vgl. HR:1998:ZD1016). Ad 2. Schriftuur klaagt verder enkel over redelijke termijn in cassatie. HR: art. 80a RO. Samenhang met 22/00391, 22/00406, 22/00470, 22/00484, 22/00485, 22/00487, 22/00488, 22/00729 P, 22/00787 P en 22/00896 P en met 22/00789 P en 22/00851 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00832 P
Datum 25 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 1 maart 2022, nummer 22-002416-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats ] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft L.C. de Lange, advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Alleen een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen kan als zo’n cassatiemiddel worden aangemerkt. De als cassatiemiddel 1 aangeduide klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven.De klacht strekt immers slechts tot vernietiging van de bestreden uitspraak in de ontnemingszaak voor het geval dat de cassatiemiddelen in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nummer 22/00485, gegrond zouden worden bevonden. Daarbij verdient nog opmerking dat op grond van artikel 6:1:16 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie tot oplegging van de verplichting een geldbedrag aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel pas kan worden tenuitvoergelegd nadat en voor zover de veroordeling als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) onherroepelijk is geworden. Verder vervalt op grond van artikel 511i Sv een uitspraak op een ontnemingsvordering van rechtswege doordat en voor zover de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte als bedoeld in artikel 36e Sr achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat (vgl. HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1016).
2.2
Nu de als cassatiemiddel 1 aangeduide klacht onbesproken moet blijven en de schriftuur verder enkel de klacht bevat dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, zal de Hoge Raad gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2024.