Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden, ’s- Gravenhage, 23 november 2007, Trb. 2011, 144.
HR, 22-12-2023, nr. 23/00054
ECLI:NL:HR:2023:1797
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-12-2023
- Zaaknummer
23/00054
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1797, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑12‑2023; (Cassatie, Beschikking)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2021:2947, Niet ontvankelijk
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:902, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2023:902, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑10‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1797, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑01‑2023
- Vindplaatsen
NJ 2024/65 met annotatie van L. Strikwerda
JPF 2024/19
JPF 2024/19
Uitspraak 22‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Internationaal privaatrecht. Erkenning en tenuitvoerlegging. Burgerlijk procesrecht. Verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging van Amerikaanse alimentatiebeslissingen. Samenloop van Haags Alimentatieverdrag 2007 en Verdrag NL-VS Levensonderhoud. Toepasselijke rechtsmiddeltermijnen. Ontvankelijkheid van cassatieberoep.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/00054
Datum 22 december 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats] , Verenigde Arabische Emiraten,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de man,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] , Verenigde Staten van Amerika,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de vrouw,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikkingen in de zaak C/13/677249 / KG RK 19-2206 van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2019 en 13 augustus 2020;
b. de beschikking in de zaak 200.285.111/01 van het gerechtshof Amsterdam van 14 september 2021;
c. de beschikking in de zaak C/13/713931 / HA RK 22-50 van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2022.
De man heeft tegen de beschikking van het hof en tegen de beschikking van de rechtbank van 10 november 2022 beroep in cassatie ingesteld.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep.
De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De man en de vrouw zijn op [datum] 2011 in New Orleans (Verenigde Staten van Amerika) met elkaar getrouwd. Bij beslissing van [datum] 2015 heeft de Civil District Court for the Parish of Orleans, State of Louisiana (hierna: de Amerikaanse rechtbank), de echtscheiding uitgesproken.
(ii) De man en de vrouw zijn de ouders van een minderjarige dochter. De dochter verblijft bij de vrouw in de Verenigde Staten.
(iii) Bij beslissing van 19 mei 2015 heeft de Amerikaanse rechtbank ten laste van de man een voorlopige bijdrage in de onderhoudskosten van de dochter en de vrouw vastgesteld van respectievelijk $ 5.000,-- en $ 15.000,-- per maand, met ingang van mei 2015.
(iv) Bij beslissing van 9 december 2015 heeft de Amerikaanse rechtbank onder meer als volgt beslist:
“IT IS (…) ORDERED, ADJUDGED AND DECREED that [the former wife’s] Rule to Extend Interim Spousal Support is hereby GRANTED. [The former husband’s] obligation to provide, and [the former wife’s] award of, interim spousal support shall be extended up through the time when a hearing on final spousal support shall take place.”
2.2
In deze procedure verzoekt de vrouw verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de hiervoor in 2.1 onder (iii) en (iv) genoemde beslissingen van 19 mei 2015 en 9 december 2015 (hierna gezamenlijk: de Amerikaanse beslissingen). Zij heeft daartoe een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Amsterdam.
De man heeft onder meer aangevoerd dat erkenning en tenuitvoerlegging van de Amerikaanse beslissingen in strijd is met de openbare orde.
2.3
De rechtbank heeft overwogen dat op het verzoek van de vrouw het Haags Alimentatieverdrag 20071.van toepassing is en dat op grond van art. 5 lid 1 van de daarbij behorende Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoud2.(hierna: Uw) de voorzieningenrechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam.
2.4
De voorzieningenrechter3.heeft verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van de Amerikaanse beslissingen, en heeft daartoe het volgende overwogen.
Het Haags Alimentatieverdrag 2007 is ingevolge art. 56 lid 3 slechts van toepassing op een deel van het verzoek van de vrouw, namelijk voor zover dat verzoek ziet op (i) de partneralimentatie die is verschuldigd voor de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van het verdrag voor de Verenigde Staten van Amerika, te weten 1 januari 2017, en (ii) de kinderalimentatie. (rov. 4.3)
Ingevolge art. 5 lid 1 Uw worden verzoeken die betrekking hebben op de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake levensonderhoud op grond van het Haags Alimentatieverdrag 2007, ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank, en zijn ten aanzien van de uitvoerbaarverklaring de art. 985-990 Rv niet van toepassing. (rov. 4.8)
Op de partneralimentatie die is verschuldigd voor de periode tot 1 januari 2017, is het Verdrag NL-VS Levensonderhoud4.van toepassing. (rov. 4.4) De uitvoerbaarverklaring van beslissingen die onder dat verdrag vallen, vindt plaats volgens de procedure van de art. 985-990 Rv. (rov. 4.7)
Voor beide gedeelten van het verzoek geldt dat tenuitvoerlegging niet in strijd is met de openbare orde. (rov. 4.12 en rov. 4.14-4.23)
2.5
De man heeft bij de rechtbank Amsterdam hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor in 2.4 genoemde beschikking van de voorzieningenrechter. De rechtbank heeft het beroepschrift doorgezonden naar het hof Amsterdam.
2.6
Het hof5.heeft de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep voor zover de beschikking van de voorzieningenrechter ziet op de partneralimentatie die is verschuldigd voor de periode tot 1 januari 2017. Daartoe heeft het hof overwogen dat dit gedeelte van het verzoek van de vrouw wordt beheerst door het Verdrag NL-VS Levensonderhoud. De hier toepasselijke appeltermijn van art. 989 lid 2 Rv bedraagt één maand en was reeds verstreken ten tijde van de hiervoor in 2.5 bedoelde indiening van het beroepschrift bij de rechtbank. (rov. 5.6)
Het hof heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep voor zover de beschikking van de voorzieningenrechter ziet op de partneralimentatie die is verschuldigd voor de periode vanaf 1 januari 2017, en op de kinderalimentatie. Dit gedeelte van het verzoek van de vrouw wordt beheerst door het Haags Alimentatieverdrag 2007, aldus het hof. Volgens het hof is op grond van art. 6 lid 1 Uw de rechtbank (en dus niet het hof) bevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep. Het hof heeft de zaak op de voet van de art. 72 en 73 Rv verwezen naar de rechtbank Amsterdam. (rov. 5.7 en dictum)
2.7
De rechtbank6.heeft de beschikking van de voorzieningenrechter bekrachtigd voor zover het daarin verleende verlof tot tenuitvoerlegging ziet op de partneralimentatie die is verschuldigd voor de periode vanaf 1 januari 2017, en op de kinderalimentatie. Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen.
De man heeft het beroep terecht ingesteld bij de rechtbank Amsterdam (art. 6 lid 1 Uw) en binnen de termijn van 60 dagen na de kennisgeving van de beslissing van de voorzieningenrechter (art. 23 lid 6 Haags Alimentatieverdrag 2007). De man is daarom ontvankelijk in dit hoger beroep. (rov. 6.3)
De rechtbank verwerpt het betoog van de man dat tenuitvoerlegging van de Amerikaanse beslissingen in strijd is met de openbare orde. De rechtbank verenigt zich met de overwegingen en beslissingen van de voorzieningenrechter en maakt deze tot de hare. In het beroepschrift zijn geen omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. (rov. 6.7 en 6.11)
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1
De Hoge Raad dient ambtshalve de ontvankelijkheid van de man in zijn cassatieberoep te onderzoeken.7.
Ontvankelijkheid van de man in zijn cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank
3.2
Het cassatieberoep van de man is in de eerste plaats gericht tegen de bekrachtiging door de rechtbank van het door de voorzieningenrechter verleende verlof tot tenuitvoerlegging van de Amerikaanse beslissingen voor zover dat verlof ziet op de partneralimentatie die is verschuldigd voor de periode vanaf 1 januari 2017, en op de kinderalimentatie.
3.3.1
In deze zaak komen zowel het Haags Alimentatieverdrag 2007 als het Verdrag NL-VS Levensonderhoud in beginsel voor toepassing in aanmerking (zie hierna in 3.3.2-3.3.3).
Onder het Haags Alimentatieverdrag 2007 bedraagt de cassatietermijn 30 dan wel 60 dagen (art. 23 lid 6 Haags Alimentatieverdrag 2007; zie ook hierna in 3.8.1). Onder het Verdrag NL-VS Levensonderhoud is de cassatietermijn een maand (art. 990 Rv; zie ook hierna in 3.12).
3.3.2
De regeling inzake erkenning en tenuitvoerlegging van het Haags Alimentatieverdrag 2007 is ingevolge art. 56 lid 1, aanhef en onder b, van dat verdrag van toepassing op een verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging dat door de autoriteiten van de aangezochte staat is ontvangen nadat het verdrag in werking is getreden tussen de staat van herkomst en de aangezochte staat. Het Haags Alimentatieverdrag 2007 is tussen Nederland en de Verenigde Staten in werking getreden op 1 januari 2017, terwijl het inleidende verzoek van de vrouw is ontvangen op 21 augustus 2018.
Art. 56 lid 3 Haags Alimentatieverdrag 2007 houdt in dat de aangezochte staat krachtens dit verdrag niet is gehouden tot tenuitvoerlegging van een beslissing inzake levensonderhoud betreffende betalingen die verschuldigd waren voordat het Haags Alimentatieverdrag 2007 tussen de staat van herkomst en de aangezochte staat in werking is getreden, met uitzondering van onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit een ouder-kindrelatie jegens een persoon jonger dan 21 jaar.
Het vorenstaande betekent dat het Haags Alimentatieverdrag 2007 zich leent voor toepassing op het verzoek van de vrouw om verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de Amerikaanse beslissingen voor zover dat verzoek ziet op de partneralimentatie die is verschuldigd voor de periode vanaf 1 januari 2017, en op de kinderalimentatie.
3.3.3
Het Verdrag NL-VS Levensonderhoud is in werking getreden op 1 mei 2002 en is op grond van art. X lid 2 van dat verdrag van toepassing op een eventueel reeds gegeven beslissing over levensonderhoud alsmede op levensonderhoud dat op grond van een zodanige beslissing verschuldigd is, ongeacht het tijdstip waarop die beslissing is gegeven.
Dit betekent dat het Verdrag NL-VS Levensonderhoud zich leent voor toepassing op het verzoek van de vrouw om verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de Amerikaanse beslissingen voor zover dat verzoek ziet op de partneralimentatie, ongeacht of die is verschuldigd voor de periode tot 1 januari 2017 dan wel voor de periode vanaf 1 januari 2017, en op de kinderalimentatie.
3.4.1
Het Haags Alimentatieverdrag 2007 bevat in art. 51 lid 1 de volgende bepaling over de samenloop van dat verdrag met andere verdragen:
In de authentieke Franse tekst:
“La présente Convention ne déroge pas aux instruments internationaux conclus avant la présente Convention auxquels des États contractants sont Parties et qui contiennent des dispositions sur les matières réglées par la présente Convention.”
In de authentieke Engelse tekst:
“This Convention does not affect any international instrument concluded before this Convention to which Contracting States are Parties and which contains provisions on matters governed by this Convention.”
In de Nederlandse vertaling:
“Dit Verdrag laat onverlet alle vóór dit Verdrag gesloten internationale instrumenten waarbij de verdragsluitende partijen partij zijn en die bepalingen bevatten die van toepassing zijn op in dit Verdrag geregelde aangelegenheden.”
3.4.2
Op grond van art. 31 lid 1 Weens Verdragenverdrag8.(hierna: WVV) moet de hiervoor in 3.4.1 bedoelde samenloopbepaling te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag. In dit geval is, deze uitlegregel in aanmerking genomen, niet zonder meer duidelijk wat de term ‘laat onverlet’ in art. 51 lid 1 Haags Alimentatieverdrag 2007 betekent. Daarom kan op grond van art. 32 WVV acht worden geslagen op de voorbereidende werkzaamheden (travaux préparatoires) van het Haags Alimentatieverdrag 2007.
3.4.3
Bij de voorbereiding van het Haags Alimentatieverdrag 2007 is onderzocht of het raadzaam was een samenloopbepaling in dat verdrag op te nemen, waarbij is opgemerkt dat art. 30 WVV “does not suffice on its own to co-ordinate existing international instruments in the area of maintenance” en dat daarom een specifieke samenloopbepaling is opgenomen in het Haags Alimentatieverdrag 2007.9.
Het in dit verband relevante art. 30 lid 2 WVV bepaalt:
In de authentieke Franse tekst:
“Lorsqu’un traité précise qu’il est subordonné à un traité antérieur ou postérieur ou qu’il ne doit pas être considéré comme incompatible avec cet autre traité, les dispositions de celui-ci l’emportent.”
In de authentieke Engelse tekst:
“When a treaty specifies that it is subject to, or that it is not to be considered as incompatible with, an earlier or later treaty, the provisions of that other treaty prevail.”
In de Nederlandse vertaling:
“Indien een verdrag uitdrukkelijk vermeldt dat het ondergeschikt is aan een eerder of later verdrag of dat het niet als onverenigbaar met dit andere verdrag moet worden beschouwd, hebben de bepalingen van dat andere verdrag voorrang.”
3.4.4
Op grond van de verwijzing naar art. 30 WVV in de travaux préparatoires van het Haags Alimentatieverdrag 2007, en bij gebreke van enige andersluidende aanwijzing in dat verdrag of de travaux préparatoires, moet worden aangenomen dat art. 51 lid 1 Haags Alimentatieverdrag 2007 in overeenstemming met art. 30 lid 2 WVV moet worden uitgelegd. Dat betekent dat art. 51 lid 1 Haags Alimentatieverdrag 2007 beoogt voorrang te geven aan andere toepasselijke verdragen.
3.5.1
Ook het Verdrag NL-VS Levensonderhoud bevat een samenloopbepaling (art. II lid 3), die als volgt luidt:
In de authentieke Engelse tekst:
“The remedies provided for in this Agreement are not exclusive and do not affect the availability of any other remedies for the enforcement of a valid maintenance obligation.”
In de Nederlandse vertaling:
“De in dit Verdrag voorziene rechtsmiddelen treden niet in de plaats van en laten onverlet eventuele andere rechtsmiddelen ter geldendmaking van een geldige verplichting tot levensonderhoud.”
3.5.2
Deze samenloopbepaling bevat – evenals art. 51 lid 1 Haags Alimentatieverdrag 2007 – de term ‘laat onverlet’ en moet – met inachtneming van de hiervoor in 3.4.2 bedoelde uitlegregel van art. 31 lid 1 WVV aldus worden uitgelegd dat ook het Verdrag NL-VS Levensonderhoud beoogt voorrang te geven aan andere toepasselijke verdragen.
3.6.1
De zaak die leidde tot de beschikking van de Hoge Raad van 5 januari 199010.betrof een soortgelijke samenloop van alimentatie-executieverdragen, die eveneens beide een samenloopbepaling bevatten. In die zaak werd in cassatie betoogd dat de samenloopbepaling van art. 19 Nederlands-Duits Executieverdrag11.dwong tot toepassing van het Haags Alimentatie-executieverdrag 195812.dan wel het Haags Alimentatie-executieverdrag 1973.13.De Hoge Raad overwoog:
“3.2. Middel I (…) berust in al zijn onderdelen op ‘het uitgangspunt’ dat de ‘tekst, de strekking en de totstandkomingsgeschiedenis van art. 19 Nederlands-Duits Executieverdrag’ te dezen nopen tot toepassing van het Haags Kinderalimentatieverdrag van 1958, resp. het Haags Kinderalimentatieverdrag van 1973.
Dit uitgangspunt kan niet als juist worden aanvaard. (…) Een dergelijke dwingende ‘zelfuitschakeling’ zou, met name in die gevallen waarin de executant voor toepassing van het Nederlands-Duits Executieverdrag heeft gekozen en die andere verdragen zulks toelaten (hoedanig geval zich, blijkens de art. 11 Haags Alimentatieverdrag 1958 en 23 Haags Alimentatieverdrag 1973, hier voordoet), ook niet stroken met de strekking van art. 19 dat – geheel in de lijn van het op dit gebied algemeen aanvaarde beginsel dat aan de executant de keuze van de meest geschikte internationale regeling dient te worden gelaten – slechts beoogt executie van de in het andere land gewezen rechterlijke beslissingen zoveel mogelijk te bevorderen, en niet een middel op te leveren om zulk een executie te verhinderen. Anders dan bij de toelichting op middel I is betoogd, dwingt ook art. 30 lid 2 Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (…) niet ertoe in art. 19 een dergelijke dwingende ‘zelfuitschakeling’ te lezen.”
3.6.2
In de onderhavige zaak doet zich het geval voor dat beide toepasselijke alimentatie-executieverdragen elkaar ‘onverlet laten’, en dat beide verdragen beogen de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen zoveel mogelijk te bevorderen, en die niet te verhinderen. Daarom geldt ook in dit geval dat de executant “de keuze van de meest geschikte internationale regeling dient te worden gelaten”.
3.7
Uit de gedingstukken volgt dat de vrouw wat betreft de partneralimentatie die is verschuldigd voor de periode vanaf 1 januari 2017, en de kinderalimentatie, heeft gekozen voor toepassing van het Haags Alimentatieverdrag 2007. De rechtbank heeft dienovereenkomstig het desbetreffende gedeelte van het verzoek van de vrouw met toepassing van dat verdrag beoordeeld.
3.8.1
Het voorgaande betekent dat voor zover het cassatieberoep zich richt tegen de eindbeschikking van de rechtbank de rechtsmiddeltermijn van art. 23 lid 6 Haags Alimentatieverdrag 2007 van toepassing is.
Uit het toelichtende rapport14.op het Haags Alimentatieverdrag 2007 moet worden afgeleid dat de rechtsmiddeltermijn van art. 23 lid 6 geldt voor ieder rechtsmiddel dat ingevolge het recht van een verdragsluitende staat openstaat. Art. 23 lid 6 Haags Alimentatieverdrag 2007 bepaalt dus ook de termijn waarbinnen cassatieberoep kan worden ingesteld.
Voorts moet uit het hiervoor genoemde toelichtende rapport worden afgeleid dat bij de beantwoording van de vraag of de rechtsmiddeltermijn van art. 23 lid 6 Haags Alimentatieverdrag 2007 30 dan wel 60 dagen bedraagt, beslissend is of de partij die het rechtsmiddel aanwendt, woonplaats heeft in de aangezochte staat, en dat niet van belang is in welke staat deze partij haar gewone verblijfplaats heeft.15.Aangenomen moet worden dat in dit verband evenmin betekenis toekomt aan een (bij een advocaat) gekozen domicilie, nu die rechtsfiguur noch in de tekst van art. 23 lid 6 Haags Alimentatieverdrag 2007 noch in het toelichtende rapport wordt vermeld.
3.8.2
De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de man ten tijde van de beschikking van de rechtbank en daarna niet in Nederland woonde. Dit betekent dat op grond van art. 23 lid 6 Haags Alimentatieverdrag 2007 voor het instellen van het cassatieberoep een termijn van 60 dagen na de kennisgeving van de beschikking van de rechtbank gold.
3.8.3
De man heeft zijn cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank ingesteld op 4 januari 2023, dat wil zeggen binnen 60 dagen na (de kennisgeving van) de beschikking van de rechtbank van 10 november 2022. De man is dus ontvankelijk in zijn cassatieberoep tegen deze beschikking.
Ontvankelijkheid van de man in zijn cassatieberoep tegen de beschikking van het hof
3.9
Het cassatieberoep van de man is in de tweede plaats gericht tegen de beschikking van het hof van 14 september 2021.
3.10
In de in cassatie bestreden beschikking heeft het hof de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de voorzieningenrechter voor zover het daarbij verleende verlof tot tenuitvoerlegging ziet op de partneralimentatie die is verschuldigd voor de periode tot 1 januari 2017. Aldus heeft het hof in zoverre een einde gemaakt aan het geding en een eindbeschikking gegeven.
3.11
De voorzieningenrechter heeft het door de vrouw verzochte verlof voor zover dit ziet op de partneralimentatie die is verschuldigd voor de periode tot 1 januari 2017, verleend met toepassing van het Verdrag NL-VS Levensonderhoud (zie rov. 4.11). Ook het hof heeft toepassing gegeven aan dat verdrag (zie rov. 5.2 en 5.6). Dat is juist (zie hiervoor in 3.3.2-3.3.3).
3.12
Het stelsel van het Verdrag NL-VS Levensonderhoud in samenhang met het Haags Alimentatie-executieverdrag 1973 kent – anders dan het Haags Alimentatieverdrag 2007 – geen eigen rechtsmiddeltermijn. Evenmin is in een rechtsmiddeltermijn voorzien in een uitvoeringswet bij dat verdrag. Dit betekent dat voor het instellen van cassatieberoep de in art. 990 Rv voorziene termijn van een maand geldt.
3.13
De man heeft zijn cassatieberoep tegen de beschikking van het hof ingesteld op 4 januari 2023, dat wil zeggen meer dan een maand na de beschikking van het hof van 14 september 2021. De man is dus niet ontvankelijk in zijn cassatieberoep tegen deze beschikking.
4. Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn beroep voor zover dat is gericht tegen de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 14 september 2021;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 22 december 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 22‑12‑2023
Wet van 29 september 2011, Stb. 460.
Rechtbank Amsterdam 13 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4014.
Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud, Washington, 30 mei 2001, Trb. 2001, 117 en 2001, 134.
Gerechtshof Amsterdam 14 september 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2947.
Rechtbank Amsterdam 10 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6630.
Vgl. HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1099, rov. 3.5.1 en 3.5.3.
Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Wenen, 1969, Trb. 1972, 51, en 1977, 169.
Zie Convention of 23 November 2007 on the International Recovery of Child Support and Other Forms of Family Maintenance, Explanatory Report (A. Borrás & J. Degeling), Hague Conference on Private International Law, nr. 653 (te raadplegen op www.hcch.net), onder verwijzing naar Co-ordination between the maintenance project and other international instruments, Preliminary Document No 18 of June 2006 for the attention of the Special Commission of June 2006 on the International Recovery of Child Support and other Forms of Family Maintenance (P. Lortie)(te raadplegen op www.hcch.net).
HR 5 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD8102.
Verdrag nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen, ’s-Gravenhage, 15 april 1958, Trb. 1959, 187.
Verdrag inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen, ’s-Gravenhage, 2 oktober 1973, Trb. 1974, 85.
Convention of 23 November 2007 on the International Recovery of Child Support and other Forms of Family Maintenance, Explanatory Report (A. Borrás & J. Degeling), Hague Conference on Private International Law, nr. 508 (te raadplegen op www.hcch.net).
Convention of 23 November 2007 on the International Recovery of Child Support and other Forms of Family Maintenance, Explanatory Report (A. Borrás & J. Degeling), Hague Conference on Private International Law, nr. 508 (te raadplegen op www.hcch.net).
Conclusie 13‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Internationaal privaatrecht. Personen- en familierecht. Erkenning en tenuitvoerlegging Amerikaanse onderhoudsbeslissingen; toepassing Verdrag Nederland-Verenigde Staten inzake geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud (Trb. 2001, 117) of toepassing Haags Alimentatieverdrag 2007 (Trb. 2011, 144)?; ontvankelijkheid in cassatie; ambtshalve toepassing rechtsmiddeltermijn (art. 990 Rv).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00054
Zitting 13 oktober 2023
(bij vervroeging)
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
[de man]
(hierna: de man)
tegen
[de vrouw] , tegenwoordig genaamd [de vrouw] ,
(hierna: de vrouw)
1. Inleiding
1.1
Deze zaak heeft betrekking op de erkenning en de tenuitvoerlegging in Nederland van twee in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS) gewezen beslissingen, waarbij de man is veroordeeld tot het betalen van (voorlopige) kinder- en partneralimentatie. De vrouw heeft in Nederland verlof tot tenuitvoerlegging verzocht, omdat de man aandeelhouder en bestuurder is van een Nederlandse B.V. De voorzieningenrechter heeft het verlof verleend met toepassing van het Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden van 23 november 2007 (hierna: Haags Alimentatieverdrag 2007)1., welk verdrag sedert 1 januari 2017 van toepassing is tussen Nederland en de VS. Op de partneralimentatie verschuldigd vóór 1 januari 2017, heeft de voorzieningenrechter toegepast het Verdrag tussen Nederland en de VS inzake de geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud2.(hierna: Verdrag NL-VS Levensonderhoud). In hoger beroep heeft het hof Amsterdam de man niet-ontvankelijk verklaard omdat de beroepstermijn is overschreden wat betreft het gedeelte van het verzoek dat wordt beheerst door het Verdrag NL-VS Levensonderhoud. Voor het gedeelte van het verzoek dat wordt beheerst door het Haags Alimentatieverdrag 2007 heeft het hof verwezen naar de rechtbank als de bevoegde beroepsinstantie. Vervolgens heeft de rechtbank de beslissing van de voorzieningenrechter bekrachtigd. In cassatie keert de man zich met verschillende klachten tegen zowel de beschikking van het hof als van de rechtbank.
1.2
In deze conclusie ga ik ambtshalve in op de vraag naar de ontvankelijkheid in cassatie. Ook besteed ik aandacht aan de vraag welk verdrag van toepassing is op de erkenning en de tenuitvoerlegging van Amerikaanse onderhoudsbeslissingen in Nederland.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan, kort samengevat, van de volgende feiten worden uitgegaan.3.De man en de vrouw zijn op 16 april 2011 in New Orleans (VS) gehuwd. Bij beslissing van 30 juni 2015 van de Civil District Court for the Parish of Orleans, State of Louisiana, Division ‘D’ (hierna: de Amerikaanse rechtbank) is de echtscheiding uitgesproken.
2.2
Partijen zijn de ouders van een minderjarig kind (hierna: het kind). Het kind verblijft bij de vrouw in de VS.
2.3
De man is aandeelhouder en bestuurder van [A] B.V. (hierna: [A] ), gevestigd in [vestigingsplaats] .
2.4
In het kader van de afwikkeling van de echtscheiding hebben partijen diverse gerechtelijke procedures gevoerd in de VS. Bij beslissing van 19 mei 2015 heeft de Amerikaanse rechtbank ten laste van de man een voorlopige bijdrage in de onderhoudskosten van het kind en de vrouw vastgesteld van respectievelijk $ 5.000 en $ 15.000 per maand met ingang van 2015.
2.5
Op 23 juni 2015 heeft de Amerikaanse advocaat van de man bij de Amerikaanse rechtbank een ‘Motion to set Issue of Final Periodic Spousal Support, to Determine Default and/or Entitlement and to Determine if Final Periodic Spousal Support is Due’ ingediend.
2.6
In september 2015 heeft de man bij een ongeval letsel aan zijn knie opgelopen. De man heeft een operatie ondergaan.
2.7
De man heeft op 1 december 2015 per brief aan zijn Amerikaanse advocaten geschreven dat hij niet langer van hun diensten gebruik wil maken en dat hij zichzelf in rechte zal vertegenwoordigen, onder opgave van zijn adres op Malta en van zijn e-mailadres. De brief is ingediend bij de Amerikaanse rechtbank. De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen onttrekking van de advocaten.
2.8
Op 9 december 2015 heeft bij de Amerikaanse rechtbank een zitting plaatsgevonden, waarbij namens de man zijn advocaten zijn verschenen. Op dezelfde dag heeft de Amerikaanse rechtbank een beslissing genomen, waarbij de man is bevolen om de rechtbank zijn adresgegevens te verschaffen alsmede het adres waar hij de aan hem te betekenen gerechtelijke stukken kan ontvangen, bij gebreke waarvan hij wordt veroordeeld wegens ‘contempt of court’. Verder heeft de rechtbank de verplichting van de man om de (door de rechtbank op 19 mei 2015) vastgestelde voorlopige onderhoudsbijdrage te betalen verlengd in afwachting van de definitieve vaststelling van deze bijdrage.
2.9
Een verzoek van de vrouw tot veroordeling van de man tot ‘contempt of court’ is op 26 januari 2016 bij de Amerikaanse rechtbank behandeld. Voorafgaand aan die behandeling is namens de man opnieuw om de onttrekking van zijn Amerikaanse advocaten verzocht. De Amerikaanse rechtbank heeft dat verzoek op 19 januari 2016 toegewezen. De man is vervolgens niet verschenen bij de zitting en heeft zich ook niet door een (nieuwe) advocaat laten vertegenwoordigen. Bij beslissing van 4 februari 20164.heeft de rechtbank de man veroordeeld wegens ‘contempt of court for failing to pay child support, interim spousal support, and make the arrearage payments as ordered by this Court’. De man is veroordeeld tot 30 dagen gevangenisstraf in Orleans Parish Prison, maar ‘may purge this jail sentence by paying to [de vrouw] the sum of $ 25,000.00 within 30 days from the date of this hearing; namely February 25, 2016, otherwise the jail sentence is executory’.
2.10
Een tweede verzoek van de vrouw tot veroordeling van de man tot ‘contempt of court’ is op 27 september 2016 door de Amerikaanse rechtbank behandeld. Bij de behandeling was namens de man een nieuwe advocaat aanwezig. Bij beslissing van 4 oktober 2016 is de man veroordeeld tot 30 dagen gevangenisstraf of betaling van een boete van $ 50.000 voor het niet nakomen van het vonnis van 19 mei 2015 en het niet volledig betalen van kinderalimentatie en voorlopige partneralimentatie.
2.11
Een verzoek van de man om de partneralimentatie te laten beëindigen is op de zitting van 4 april 2017 bij de Amerikaanse rechtbank behandeld. De man is tijdens de zitting vertegenwoordigd door zijn advocaat. De rechter heeft bepaald dat de man 60 dagen de tijd heeft om het bedrag van $ 50.000 te betalen.
2.12
Op 10 oktober 2018 heeft de Amerikaanse rechtbank drie nieuwe verzoeken van de vrouw tot veroordeling van de man tot ‘contempt of court’ behandeld. Daarbij was de advocaat van de man aanwezig. Bij beslissing van dezelfde datum is de man veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf of betaling van een boete van $ 75.000 wegens niet-naleving van het vonnis van 19 mei 2015 en het niet tijdig en volledig voldoen van de kinderalimentatie en voorlopige partneralimentatie.
2.13
De vrouw heeft op 21 augustus 2018 bij de rechtbank Amsterdam een verzoek ingediend tot erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de Amerikaanse rechtbank van 19 mei 2015 en 9 december 2015.
2.14
Bij beschikking van 6 november 2019 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van dit verzoek kennis te nemen en het verzoek naar de voorzieningenrechter verwezen.5.Volgens de rechtbank dient het verzoek te worden beoordeeld aan de hand van het Haags Alimentatieverdrag 2007. Op grond van art. 5 lid 1 Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoud6.is uitsluitend de voorzieningenrechter bevoegd tot kennisneming van het verzoek.
2.15
Vervolgens heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 13 augustus 2020 geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het verzoek van de vrouw. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van de vrouw toegewezen en het verlof tot tenuitvoerlegging verleend.
2.16
De voorzieningenrechter heeft, kort weergegeven, het volgende overwogen. Voor de verschuldigde kinderalimentatie en partneralimentatie is vanaf 1 januari 2017 het Haags Alimentatieverdrag 2007 van toepassing (rov. 4.10). Wat betreft de partneralimentatie die verschuldigd was vóór 1 januari 2017 is het Verdrag NL-VS Levensonderhoud van toepassing (rov. 4.11). Zowel op grond van het Haags Alimentatieverdrag 2007 als op grond van het Verdrag NL-VS Levensonderhoud kan erkenning en tenuitvoerlegging van de Amerikaanse beslissingen worden geweigerd als die beslissingen in strijd zijn met de Nederlandse openbare orde (rov. 4.12). Het voorlopig karakter van de Amerikaanse beslissingen staat op zichzelf niet aan erkenning en tenuitvoerlegging in de weg (rov. 4.15). Dat het verzoek van de man om de partneralimentatie definitief vast te stellen is afgewezen, kan niet worden vastgesteld (rov. 4.16). Ook volgt uit de beslissing van 9 december 2015 niet dat de definitieve vaststelling van de kinder- en partneralimentatie enkel inhoudelijk wordt behandeld als de man in persoon bij de rechtbank verschijnt (4.17). Aan de stelling van de man dat hij persoonlijk naar de rechtbank moet komen om een verzoek tot wijziging van de voorlopig vastgestelde kinder- en partneralimentatie in te dienen, wordt voorbijgegaan omdat de beslissing van de Amerikaanse rechter van oktober 2015 waaruit dit zou blijken, niet is overgelegd (rov. 4.18). De stelling dat de man in persoon bij de rechtbank moet verschijnen om een nieuw verzoek voor definitieve kinder- en partneralimentatie in te dienen, heeft de man echter niet gemotiveerd onderbouwd. De voorzieningenrechter leest dit ook niet in de beslissing van 9 december 2015 (rov. 4.19). Daarbij komt dat de man voor de zitting van 26 januari 2016 is opgeroepen en deze oproep hem heeft bereikt. De man heeft er zelf voor gekozen om niet ter zitting te verschijnen, ondanks waarschuwingen voor de gevolgen daarvan. Indien en voor zover de man eind januari 2016 om medische redenen niet kon reizen – hij stelt zelf dat hij tot medio januari 2016 niet kon vliegen – en daarom niet bij de rechtbank kon verschijnen, had hij zich kunnen laten vertegenwoordigen door zijn advocaat. In plaats daarvan heeft hij tot driemaal toe verzoeken ingediend tot onttrekking van zijn advocaat. Onder deze omstandigheden kan hij niet tegenwerpen dat hij vervolgens bij verstek is veroordeeld wegens ‘contempt of court’, en dat hij vanwege het risico op gevangenisstraf thans niet naar de VS kan komen om in persoon bij de Amerikaanse rechtbank te verschijnen (rov. 4.20).
2.17
Ten aanzien van de vraag of de inhoud van de Amerikaanse beslissingen strijdig is met de openbare orde, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat zowel het nog openstaande bedrag aan kinderalimentatie en voorlopige partneralimentatie als het bedrag dat de man reeds heeft voldaan, naar Nederlandse maatstaven uitzonderlijk hoog te noemen zijn. Dit neemt niet weg dat uit de beslissing van 9 mei 2015 volgt dat de Amerikaanse rechter de richtlijnen voor de vaststelling van de hoogte van alimentatie in de staat Louisiana heeft toegepast. Of de Amerikaanse rechter die richtlijnen op de juiste wijze heeft toegepast kan niet door de voorzieningenrechter worden getoetst, omdat dat de inhoud van de beslissing betreft. Verder is namens de man tijdens de zitting weliswaar bepleit dat de alimentatie waarvoor de vrouw tenuitvoerlegging verzoekt moet worden aangepast, maar hij heeft daartoe geen concreet verzoek ingediend. Bovendien is hiervoor geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat de man niet de mogelijkheid heeft (gehad) om een verzoek tot wijziging van de voorlopig vastgestelde alimentatie of een nieuw verzoek voor de behandeling van de definitieve vaststelling van de alimentatie in te dienen. Daarom kunnen de Amerikaanse beslissingen niet met een beroep op strijd met de openbare orde van erkenning en/of tenuitvoerlegging in Nederland worden uitgesloten (rov. 4.22). Ten aanzien van de stelling van de man dat van een behoorlijke rechtsgang geen sprake is geweest, omdat de Amerikaanse rechtbank in haar beslissingen ervan heeft blijk gegeven dat zij een zeer uitgesproken oordeel over de man heeft en daardoor niet als onpartijdig en onafhankelijk kan worden beschouwd, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de overwegingen van de Amerikaanse rechtbank in de beslissing van 9 mei 2015 over de levensstijl van de man opmerkelijk zijn te noemen, maar dat deze niet ten grondslag zijn gelegd aan het oordeel over de alimentatie. Verder is, anders dan de man stelt, niet gebleken dat alle beslissingen door deze rechter zijn genomen (rov. 4.23).
2.18
Op 9 oktober 2020 is de man bij de rechtbank Amsterdam in hoger beroep gekomen van de beschikking van de voorzieningenrechter. De griffier van de rechtbank heeft het beroepschrift doorgestuurd naar het hof Amsterdam.
2.19
Bij beschikking van 14 september 2021 heeft het hof (i) de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep voor zover het ziet op het bij de bestreden beschikking verleende verlof tot tenuitvoerlegging van de beslissingen van de Amerikaanse rechtbank van 19 mei 2015 en 9 december 2015 betreffende de voorlopige partneralimentatie tot 1 januari 2017, en (ii) zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het hoger beroep voor zover het verleende verlof tot tenuitvoerlegging ziet op levensonderhoud voor de vrouw over de periode vanaf 1 januari 2017 en op het levensonderhoud voor het kind, en de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de rechtbank Amsterdam.
2.20
Het hof heeft, kort weergegeven, daartoe het volgende overwogen. Het hof verenigt zich met het oordeel van de voorzieningenrechter dat de Nederlandse rechter op de voet van art. 3, onder c, Rv bevoegd is om van de verzoeken van de vrouw kennis te nemen (rov. 5.3). Op het verzoek van de vrouw met betrekking tot de partneralimentatie die verschuldigd is vóór 1 januari 2017, is het Verdrag NL-VS Levensonderhoud van toepassing, terwijl het Haags Alimentatieverdrag 2007 van toepassing is voor de verschuldigde kinderalimentatie in haar geheel en voor de partneralimentatie voor zover de bedragen verschuldigd zijn geworden ná 1 januari 2017 (rov. 5.2). Voor het gedeelte van het verzoek dat wordt beheerst door het Verdrag NL-VS Levensonderhoud, geldt op grond van art. 989 lid 2 Rv een appeltermijn van één maand. Nu de bestreden beschikking van de voorzieningenrechter dateert van 13 augustus 2020 en het hoger beroep is ingesteld op 9 oktober 2020, is de appeltermijn overschreden (rov. 5.6). Voor het gedeelte van het verzoek dat wordt beheerst door het Haags Alimentatieverdrag 2007, geldt op grond van art. 6 lid 1 Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoud dat de rechtbank waarvan de voorzieningenrechter heeft beslist op het desbetreffende verzoek kennis neemt van het rechtsmiddel tegen die beslissing bedoeld in art. 23 lid 5 Haags Alimentatieverdrag 2007 (rov. 5.7).
2.21
Na verwijzing door het hof naar de rechtbank Amsterdam heeft de man de rechtbank verzocht om, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de voorzieningenrechter te vernietigen voor zover daarin verlof is verleend tot tenuitvoerlegging van de beslissingen van de Amerikaanse rechtbank van 19 mei 2015 en 9 december 2015. Aan het verzoek heeft de man ten grondslag gelegd dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoekschrift van de vrouw. Subsidiair is de erkenning van de beslissingen van de Amerikaanse rechtbank volgens de man in strijd met de openbare orde. Daartoe heeft hij onder meer gesteld dat gerechtelijke stukken niet op de juiste wijze en op tijd aan hem zijn betekend en dat hem een eerlijk proces is onthouden.
2.22
De rechtbank heeft in haar beschikking in hoger beroep van 10 november 2022 de beschikking van de voorzieningenrechter bekrachtigd. De rechtbank heeft overwogen dat, nu de man niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep tegen het verleende verlof tot tenuitvoerlegging voor zover dit betrekking heeft op de beslissingen inzake de voorlopige partneralimentatie vóór 1 januari 2017, de huidige beroepsprocedure slechts betrekking heeft op het verleende verlof tot tenuitvoerlegging van de Amerikaanse beslissingen voor zover zij zien op de voorlopige partneralimentatie vanaf 1 januari 2017 en de onderhoudsbijdragen voor het kind (rov. 1.1). De rechtbank heeft, voor zover in cassatie relevant, het volgende overwogen:
‘Rechtsmacht en relatieve bevoegdheid
6.1.
Gelet op het internationale karakter van de zaak moet worden vastgesteld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Op het moment van de indiening van het verzoek had geen van beide partijen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland. Voor zaken die met een verzoekschrift worden ingeleid, geldt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft als de zaak voldoende met de rechtssfeer van Nederland is verbonden (artikel 3 aanhef en onder c Rv). Die verbondenheid is er, omdat zich voor tenuitvoerlegging vatbare vermogensbestanddelen van [de man] in het arrondissement Amsterdam bevinden. [A] is immers in Amsterdam gevestigd. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen […], is niet relevant dat [A] in liquidatie is.
6.2
In artikel 5 lid 2 van de Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoud is bepaald dat ten aanzien van verzoeken die betrekking hebben op de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake levensonderhoud bevoegd is de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen wier rechtsgebied de tenuitvoerlegging dient plaats te vinden. Daarmee heeft de voorzieningenrechter terecht relatieve bevoegdheid aangenomen. De rechtbank is op grond van artikel 6 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoud bevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen de beslissing van de voorzieningenrechter.
(…)
Erkenning/tenuitvoerlegging
6.5.
In artikel 23 lid 7 van het Haags Alimentatieverdrag is bepaald dat een bezwaar of beroep kan worden gebaseerd op (a) de in artikel 22 vermelde gronden voor het weigeren van erkenning en tenuitvoerlegging, (b) de gronden voor erkenning en tenuitvoerlegging in de zin van artikel 20 en (c) de authenticiteit of integriteit van een in overeenstemming met artikel 25 eerste lid onderdeel a, b of d derde lid verzonden stuk.
6.6. [
De man] voert aan dat de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de Amerikaanse rechter onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde (artikel 22 aanhef en onder a van het Haags Alimentatieverdrag), zowel gezien de totstandkoming van de beslissingen als de inhoud daarvan.
6.7.
De rechtbank gaat hier niet in mee. Zij verenigt zich met de overwegingen en beslissingen van de voorzieningenrechter (r.o. 4.13. - r.o. 4.23.) en maakt deze tot de hare. In het beroepschrift zijn geen omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Voor zover in het hoger beroep nieuwe standpunten zijn aangevoerd, zullen die hierna worden besproken.
(…)
Openbare orde
6.11.
Volgens [de man] is de totstandkoming van de Amerikaanse beslissingen in strijd met de openbare orde omdat naderhand is gebleken van vooringenomenheid van de rechter die de beslissingen heeft genomen. De rechtbank verenigt zich ook op dit punt met de overwegingen van de voorzieningenrechter (r.o. 4.23). [De man] heeft in het hoger beroep geen (nieuwe) stellingen ingenomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Ook in dit hoger beroep is dus niet gebleken dat [de man] ten aanzien van de onderhoudsbijdragen geen eerlijk proces heeft gehad omdat de Amerikaanse rechter vooringenomen zou zijn geweest.
6.12. [
De man] voert ten aanzien van de beslissing van 9 december 2015 daarnaast aan dat van een behoorlijke rechtsgang geen sprake is omdat hij feitelijk niet tegen deze beslissing kan opkomen. [De man] stelt dat hij in persoon voor de Amerikaanse rechtbank moet verschijnen om wijziging of definitieve vaststelling van de voorlopige onderhoudsbijdragen te verzoeken, maar dat dit hem onmogelijk is gemaakt als gevolg van de Contempt of Court veroordelingen. Zijn verzoeken om digitaal te verschijnen in de Amerikaanse procedure worden volgens hem stelselmatig afgewezen.
6.13.
De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen (r.o. 4.20) dat [de man] voor de zitting van 26 januari 2016 – die tot de eerste veroordeling wegens Contempt of Court heeft geleid - is opgeroepen, dat de oproep hem heeft bereikt en dat hij er zelf voor heeft gekozen niet te verschijnen, ondanks waarschuwing voor de gevolgen daarvan. Indien en voor zover [de man] op dat moment om medische gronden niet kon reizen - hij stelt zelf dat hij tot medio januari 2016 niet kon vliegen - en daarom niet bij de rechtbank kon verschijnen, had hij zich kunnen laten vertegenwoordigen door een advocaat.
[De man] heeft in deze procedure herhaald dat het voor hem onmogelijk was om naar de Verenigde Staten te reizen en zich in persoon te verweren. [De man] heeft op dat punt echter geen nieuwe inzichten gegeven. Integendeel, tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [de man] op 10 januari 2016 heeft gevlogen van Amsterdam naar Malta. Dat zijn gezondheidstoestand eraan in de weg stond om eind januari 2016 bij de Amerikaanse rechtbank te verschijnen is dus allerminst gebleken, los van het feit dat [de man] zich had kunnen laten vertegenwoordigen door een advocaat.
6.14.
Dat de veroordeling(en) vanwege Contempt of Court er vervolgens aan in de weg hebben gestaan om effectief tegen de alimentatiebeslissingen op te komen, is ook in dit hoger beroep niet gebleken. Het transcript van de zitting van 4 april 2017 (3.13) werpt in ieder geval geen ander licht op de stelling van [de man] dat hij wegens de Contempt of Court veroordelingen een gevangenisstraf riskeert als hij verschijnt bij de Amerikaanse rechtbank. Uit het transcript blijkt juist dat aan [de man] een handreiking is gedaan in die zin dat aan hem voor een dag een vrijgeleide kon worden verstrekt zodat hij in persoon kan verschijnen, tegen betaling van een geldbedrag. [de man] heeft niet gesteld dat voldoen aan de voorwaarde van betaling voor hem niet haalbaar was of dat hij wegens een andere gegronde reden van de vrijgeleide geen gebruik heeft kunnen maken. Dat [de man] zich daarnaast niet door een advocaat kon laten vertegenwoordigen of dat hij niet via een videoverbinding aan een alimentatieprocedure had kunnen deelnemen, is niet gebleken. Hij stelt hiertoe enkel dat hij bij de Amerikaanse rechtbank zeven keer een verzoek heeft gedaan om digitaal deel te nemen aan de procedure en dat deze verzoeken steeds zijn afgewezen. Stukken daarover ontbreken echter, zodat na het weerspreken hiervan door [de man] niet kan worden vastgesteld dat [de man] tevergeefs heeft verzocht om digitaal aanwezig te zijn. Gezien al deze omstandigheden, kan de rechtbank niet anders dan de beslissing van de voorzieningenrechter ook op dit onderdeel (r.o. 4.14 tot en met 4.20) te onderschrijven.’
2.23
De man heeft op 4 januari 20237.cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof Amsterdam van 14 september 2021 en tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2022. De vrouw heeft geen verweer gevoerd.
3. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1
Zoals ik in de inleiding van mijn conclusie heb vermeld, stel ik in het kader van de behandeling van dit cassatieberoep ambtshalve de vraag naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde.
3.2
Voor zover het cassatieberoep is ingesteld tegen de beschikking van het hof, merk ik het volgende op. In zijn beschikking heeft het hof de man niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de voorzieningenrechter van 13 augustus 2020 tot verlening van het verlof tot tenuitvoerlegging van de Amerikaanse onderhoudsbeslissingen voor zover dit verlof betrekking heeft op de partneralimentatie over de periode tot 1 januari 2017. In zoverre is sprake van een eindbeschikking, omdat de niet-ontvankelijkverklaring voor een deel van het verzochte een einde aan de instantie maakt.8.Daartegen had de man onmiddellijk cassatieberoep moeten instellen, waarbij de termijn begint te lopen op de dag na die van de beschikking van het hof (van 14 september 2021). Nu de man pas op 4 januari 2023 cassatieberoep heeft ingesteld, is dit beroep in ieder geval te laat en is de man in zoverre niet-ontvankelijk. Voor de vraag welke termijn dan in acht genomen had moeten worden, is van belang welk verdrag van toepassing is op de erkenning en tenuitvoerlegging van de Amerikaanse onderhoudsbeslissingen. Zeker is dat in ieder geval – ongeacht welk verdrag voor de erkenning en tenuitvoerlegging van toepassing is – geen termijn voor het instellen van een rechtsmiddel geldt van meer dan één jaar.
3.3
Voor zover het cassatieberoep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank, is het van belang na te gaan welk verdrag van toepassing is op de erkenning en tenuitvoerlegging van Amerikaanse onderhoudsbeslissingen. De Hoge Raad heeft met het oog op de beroepstermijnen zelfstandig vast te stellen welk verdrag en de daarbij behorende uitvoeringswetgeving van toepassing is.
3.4
In deze zaak spelen diverse internationale instrumenten inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake verplichtingen tot levensonderhoud een rol. De ‘stapeling’ van deze instrumenten met hun eigen formeel, materieel en temporeel toepassingsgebied is dermate complex, dat het eenvoudig is om in dit labyrint te verdwalen.9.Deze zaak is daarvan een voorbeeld. Het probleem is niet zozeer dat in Nederland verlof tot tenuitvoerlegging wordt gevraagd van Amerikaanse beslissingen inzake onderhoudsverplichtingen, maar wél welk verdrag daarvoor moet worden toegepast, bij welke rechter het verlof moet worden gevraagd en wat de termijnen zijn voor het instellen van een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verleende verlof. De vrouw heeft zich eerst gewend tot de rechtbank met het verzoek om de Amerikaanse onderhoudsbeslissingen in Nederland ten uitvoer te leggen, maar de rechtbank heeft naar de voorzieningenrechter verwezen. Na de toewijzende beslissing van de voorzieningenrechter heeft de man hoger beroep ingesteld bij de rechtbank, maar de griffier van de rechtbank heeft het beroepschrift doorgestuurd naar het hof. Het hof heeft de verzoeken van de vrouw voor de tenuitvoerlegging in twee delen gesplitst: partneralimentatie vóór 1 januari 2017, en partneralimentatie ná 1 januari 2017 en de kinderalimentatie over de gehele periode. Voor de periode vóór 1 januari 2017 heeft het hof de man niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de appeltermijn, en voor de periode ná 1 januari 2017 heeft het hof de zaak naar de rechtbank verwezen, omdat de rechtbank in dit geval de beroepsinstantie is. Zo wordt de ene na de andere rechter met deze zaak belast en krijgt deze zaak bijna ‘Kafkaëske’ trekken.
3.5
Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid in deze zaak is het van belang een overzicht te geven van de diverse internationale instrumenten op het terrein van de onderhoudsverplichtingen.
3.6
In de eerste plaats vermeld ik voor de volledigheid dat op 18 juni 2011 van toepassing is geworden Verordening (EU) nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen.10.De Alimentatieverordening regelt in hoofdstuk IV de erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen die onder deze verordening vallen (art. 16). De term ‘beslissing’ wordt in art. 1, onder 1, Alimentatieverordening gedefinieerd als ‘een door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, ongeacht de daaraan gegeven benaming, (…)’. De verordening regelt dus de erkenning en tenuitvoerlegging van in lidstaten gegeven beslissingen. In deze zaak gaat het om erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen die zijn gewezen in een derde staat (de VS), zodat de Alimentatieverordening hierop niet van toepassing is.
3.7
In de tweede plaats is op 23 november 2007 in het kader van de Haagse Conferentie voor het Internationaal Privaatrecht tot stand gekomen het Haags Alimentatieverdrag 2007. Dit verdrag is voor Nederland en de andere lidstaten van de EU in werking getreden op 1 augustus 2014. Voor de VS is het verdrag op 1 januari 2017 in werking getreden. Art. 2 bepaalt het materiële toepassingsgebied van het Haags Alimentatieverdrag 2007. Hoofdstuk V (art. 19 e.v.) ziet op de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake onderhoudsverplichtingen. Krachtens art. 20 lid 1 wordt een beslissing die is gegeven in een verdragsluitende staat (‘de staat van herkomst’) in de andere verdragsluitende staten erkend en tenuitvoergelegd indien aan een van de in dit artikellid genoemde voorwaarden is voldaan. Art. 22 vermeldt de gronden voor weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging, waaronder de grond dat erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van de aangezochte staat (art. 22, onder a).
3.8
In hoofdstuk VIII Haags Alimentatieverdrag 2007 (art. 37 e.v.) zijn algemene bepalingen opgenomen, waaronder bepalingen die betrekking hebben op de samenloop met andere internationale instrumenten. Art. 48 bepaalt dat in de betrekkingen tussen de verdragsluitende staten dit Haags Alimentatieverdrag 2007 het oudere Haagse Verdrag van 2 oktober 1973 inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen11.vervangt, evenals het nog oudere Haagse Verdrag van 15 april 1958 nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen.12.Deze verdragen van 1958 en 1973 zijn niet in werking getreden voor de VS. Toch speelt het Verdrag van 2 oktober 1973 bij de erkenning en tenuitvoerlegging van Amerikaanse onderhoudsverplichtingen in Nederland nog een rol, zoals hierna (onder 3.14) zal blijken.
3.9
Een andere bepaling die betrekking heeft op samenloop, is art. 51 Haags Alimentatieverdrag 2007. In het eerste lid van art. 51 is bepaald dat dit verdrag onverlet laat alle vóór dit verdrag gesloten internationale instrumenten waarbij de verdragsluitende staten partij zijn en die bepalingen bevatten die van toepassing zijn op in dit verdrag geregelde aangelegenheden. Deze bepaling is van belang in verband met het hierna te noemen bilaterale verdrag tussen Nederland en de VS.
3.10
In art. 52 Haags Alimentatieverdrag 2007 is bepaald dat beroep mag worden gedaan op een andere regeling dan die van het Haags Alimentatieverdrag 2007 wanneer op grond van die andere regeling erkenning en tenuitvoerlegging kan worden verkregen (‘favor executionis’). Art. 56 Haags Alimentatieverdrag 2007 regelt het overgangsrecht (het temporele geldingsbereik). Deze bepaling luidt als volgt:
‘1. Het Verdrag is van toepassing op elk geval:
a. waarin een verzoek uit hoofde van artikel 7 of een verzoek uit hoofde van hoofdstuk III wordt ontvangen door de centrale autoriteit van de aangezochte staat nadat het Verdrag in werking is getreden tussen de verzoekende staat en de aangezochte staat;
b. waarin een rechtstreeks verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging is ontvangen door de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat nadat het Verdrag in werking is getreden tussen de staat van herkomst en de aangezochte staat.
2. Wat betreft de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen tussen verdragsluitende staten bij dit Verdrag die tevens partij zijn bij een van de in artikel 48 genoemde Haagse verdragen inzake levensonderhoud, indien de voorwaarden voor erkenning en tenuitvoerlegging in de zin van dit Verdrag de erkenning en tenuitvoerlegging van een in de staat van herkomst gegeven beslissing voordat dit Verdrag voor die staat in werking trad, beletten, die anders zou zijn erkend en ten uitvoer gelegd krachtens de bepalingen van het verdrag dat van kracht was op het tijdstip waarop de beslissing werd gegeven, zijn de voorwaarden van dat verdrag van toepassing.
3. De aangezochte staat is krachtens dit Verdrag niet gehouden een beslissing of regeling inzake levensonderhoud ten uitvoer te leggen betreffende betalingen die verschuldigd waren voordat het Verdrag tussen de staat van herkomst en de aangezochte staat in werking is getreden, met uitzondering van onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit een ouder-kindrelatie jegens een persoon jonger dan 21 jaar.’
3.11
Art. 23 lid 1 Haags Alimentatieverdrag 2007 verwijst voor de procedure inzake erkenning en tenuitvoerlegging naar het nationale recht van de aangezochte staat. In Nederland is deze procedure geregeld in de Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoud van 29 september 2011.13.Art. 5 van deze Uitvoeringswet bepaalt, voor zover thans van belang, het volgende:
‘1. Verzoeken die betrekking hebben op de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake levensonderhoud op grond van het verdrag worden ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank. Ten aanzien van het verlof tot tenuitvoerlegging zijn de artikelen 985 tot en met 990 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering niet van toepassing.
2. In zaken betreffende de verzoeken, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen wier rechtsgebied de persoon jegens wie de erkenning en tenuitvoerlegging wordt gevraagd gewone verblijfplaats heeft of de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen wier rechtsgebied de tenuitvoerlegging plaats dient te vinden.
(…).’
3.12
In art. 6 Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoud is, voor zover thans van belang, het volgende bepaald:
‘1. De rechtbank waarvan de voorzieningenrechter op een verzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, heeft beschikt, neemt kennis van het rechtsmiddel bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van het verdrag tegen die beschikking.
2. Het in artikel 23, tiende lid, van het verdrag bedoelde toegestane rechtsmiddel is beroep in cassatie.
(…).’
3.13
Het verzoek tot tenuitvoerlegging moet dus worden ingediend bij de voorzieningenrechter, hoger beroep vindt plaats bij de rechtbank, met de mogelijkheid van cassatie bij de Hoge Raad. De termijnen van hoger beroep en cassatie zijn niet in de Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoud geregeld, zodat de ‘gewone’ beroepstermijnen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gelden (drie maanden, zowel voor hoger beroep als cassatie).
3.14
In de derde plaats moet worden vermeld het op 30 mei 2001 gesloten Verdrag NL-VS Levensonderhoud.14.Dit verdrag is voor beide staten op 1 mei 2002 in werking getreden. Het verdrag heeft (mede) betrekking op de erkenning en de tenuitvoerlegging van onderhoudsbeslissingen die zijn tot stand gekomen op het grondgebied van een verdragsluitende staat of aldaar zijn erkend (zie art. 1 onder 1, sub b). Art. VII regelt de erkenning en tenuitvoerlegging en bepaalt het volgende:
‘1. Beslissingen inzake levensonderhoud, met inbegrip van zodanige beslissingen die zijn gebaseerd op een vaststelling van het vaderschap, afkomstig uit de Verenigde Staten, worden in het Koninkrijk der Nederlanden erkend en ten uitvoer gelegd voor zover de feiten van de zaak grond opleveren voor erkenning en tenuitvoerlegging overeenkomstig het op 2 oktober 1973 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen, als ware dit verdrag van kracht tussen de Partijen.
2. Beslissingen inzake levensonderhoud, met inbegrip van zodanige beslissingen die zijn gebaseerd op een vaststelling van het vaderschap, afkomstig uit het Koninkrijk der Nederlanden, worden in de Verenigde Staten erkend en ten uitvoer gelegd voor zover de feiten van de zaak grond opleveren voor erkenning en tenuitvoerlegging overeenkomstig de Uniform Interstate Family Support Act (Eenvormige wet inzake de inning van levensonderhoud tussen staten van de Verenigde Staten), als ware deze wet van kracht tussen de Partijen.’
Art. VII bepaalt dus dat de erkenning en tenuitvoerlegging van Amerikaanse onderhoudsbeslissingen in Nederland wordt getoetst aan de criteria van het Haagse Verdrag van 2 oktober 1973 (waarbij de VS geen partij zijn), terwijl in de VS op de erkenning en tenuitvoerlegging van Nederlandse onderhoudsbeslissingen de criteria van het Amerikaanse recht, neergelegd in de Uniform Interstate Family Support Act, worden toegepast.
3.15
Art. X Verdrag NL-VS Levensonderhoud regelt de inwerkingtreding en bepaalt in het tweede lid dat dit verdrag van toepassing is op een eventueel reeds gegeven beslissing over levensonderhoud alsmede op levensonderhoud dat op grond van zodanige beslissing verschuldigd is, ongeacht het tijdstip waarop de beslissing is gegeven. Dit betekent dat het verdrag ook van toepassing is op vóór de inwerkingtreding (op 1 mei 2002) gegeven onderhoudsbeslissingen.
3.16
Voor de procedure inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging verwijst art. VIII lid 1 Verdrag NL-VS Levensonderhoud naar het nationale (proces)recht. In Nederland geldt voor dit verdrag geen afzonderlijke uitvoeringswet, zodat art. 985-990 Rv van toepassing zijn. Het verlof tot tenuitvoerlegging moet worden gevraagd aan de rechtbank (art. 985 Rv), hoger beroep moet worden ingesteld bij het gerechtshof binnen één maand na de dag van de bestreden uitspraak (art. 989 Rv). Tegen de beschikking van het hof kan binnen één maand na de dag van de beschikking beroep in cassatie worden ingesteld (art. 990 Rv).
3.17
Aan het einde van dit overzicht meld ik dat bij gebreke van een internationaal instrument, de materie van de tenuitvoerlegging van een onderhoudsbeslissing wordt beheerst door het commune internationaal privaatrecht, te weten art. 431 Rv. In deze zaak heeft de vrouw haar oorspronkelijke verzoek tot tenuitvoerlegging gebaseerd op art. 431 lid 2 Rv, omdat zij van mening was dat tussen Nederland en de VS geen executieverdrag bestaat waarin de materie van de erkenning en tenuitvoerlegging van onderhoudsbeslissingen is geregeld.15.Uit mijn overzicht volgt dat in de verhouding tussen Nederland en de VS wel degelijk verdragen van kracht zijn waarin de erkenning en tenuitvoerlegging van onderhoudsbeslissingen is geregeld. Art. 431 lid 2 komt dus niet voor toepassing in aanmerking.
3.18
De hamvraag is welk verdrag in deze zaak van toepassing is: het Haags Alimentatieverdrag 2007 of het Verdrag NL-VS Levensonderhoud? Uit het hierboven geschetste juridische kader volgt dat het Verdrag NL-VS Levensonderhoud voorrang heeft boven het Haags Alimentatieverdrag 2007. Ik wijs nogmaals op art. 51 lid 1 Haags Alimentatieverdrag 2007, waarin is bepaald dat dit verdrag onverlet laat alle vóór dit verdrag gesloten internationale instrumenten waarbij de verdragsluitende staten partij zijn en die bepalingen bevatten die van toepassing zijn op de in dit verdrag geregelde aangelegenheden. Het Verdrag NL-VS Levensonderhoud dateert van 30 mei 2001 en is daarmee gesloten vóór de totstandkoming van het Haags Alimentatieverdrag 2007. Het Verdrag NL-VS Levensonderhoud heeft daarom als ouder verdrag voorrang boven het Haags Alimentatieverdrag 2007.
3.19
In deze zaak geldt dus het Verdrag NL-VS Levensonderhoud voor de erkenning en tenuitvoerlegging van de Amerikaanse onderhoudsbeslissingen in Nederland, ongeacht of deze beslissingen betrekking hebben op de betaling van bedragen voor levensonderhoud die verschuldigd zijn vóór of na 1 januari 2017 (de datum waarop het Haags Alimentatieverdrag 2007 in werking is getreden voor de VS). In dit verband wijs ik nog op een passage in de MvT behorende bij het voorstel van Wet internationale inning levensonderhoud, waar het volgende is vermeld:
‘Het verdrag [Haags Alimentatieverdrag 2007, A-G] laat verder onverlet alle vóór het verdrag gesloten internationale instrumenten waarbij de verdragsluitende partijen partij zijn en die bepalingen bevatten die van toepassing zijn op in dit verdrag geregelde aangelegenheden (art. 51 verdrag). Zoals hiervoor vermeld is op 30 mei 2001 te Washington tot stand gekomen het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud.
Op Amerikaanse beslissingen die in Nederland dienen te worden erkend en ten uitvoer moeten worden gelegd is het Haags alimentatie-executieverdrag 1973 en op Nederlandse onderhoudsverplichtingen waarvan in de Verenigde Staten erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht is de Interstate Family Support Act, een eenvormige wet, van toepassing. De reden voor dit verschil in toepasselijke regeling is dat de Verenigde Staten geen partij is bij het Haags verdrag van 1973. Wanneer het verdrag voor zowel de Verenigde Staten en Nederland in werking zal zijn getreden, zal dit aanleiding zijn om het bilaterale verdrag te beëindigen.’16.
3.20
Anders dan in de laatste zin van dit citaat is vermeld, heeft Nederland – ondanks het feit dat de VS op 1 januari 2017 partij zijn geworden bij het Haags Alimentatieverdrag 2007 – het bilaterale Verdrag NL-VS Levensonderhoud niet beëindigd. De procedure voor beëindiging is geregeld in art. XI Verdrag NL-VS Levensonderhoud en geschiedt bij schriftelijke kennisgeving langs diplomatieke weg. Waarom Nederland dit verdrag niet heeft beëindigd, is (mij) niet duidelijk en ik zou de Nederlandse Regering willen oproepen om dit verdrag alsnog te beëindigen. De consequentie van de huidige situatie is dat dit verdrag nog steeds tussen Nederland en de VS van kracht is en dat daaraan in deze zaak toepassing moet worden gegeven. Op grond van art. 26 Weens Verdragenverdrag geldt immers ‘pacta sunt servanda’. In deze zaak kan niet op grond van art. 59 Weens Verdragenverdrag worden aanvaard dat door het sluiten van een later verdrag (het Haags Alimentatieverdrag 2007) het oudere Verdrag NL-VS Levensonderhoud als beëindigd moet worden beschouwd, omdat het latere Haags Alimentatieverdrag 2007 in art. 51 lid 1 juist zelf voorrang verleent aan oudere verdragen.
3.21
De toepassing van het Verdrag NL-VS Levensonderhoud leidt ertoe dat de procedure inzake erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland wordt beheerst door art. 985-990 Rv, omdat een afzonderlijke uitvoeringswet van dit verdrag ontbreekt. De termijnen van hoger beroep en van cassatie zijn dan één maand na de dag van de bestreden uitspraak (art. 989 resp. art. 990 Rv). In deze zaak is de cassatietermijn van één maand van art. 990 Rv overschreden, nog daargelaten dat sprake is van cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank.
3.22
De rechtsmiddeltermijnen zijn van openbare orde en moeten door de rechter ambtshalve worden toegepast. Aan rechtsmiddeltermijnen moet strikt de hand worden gehouden. Daarop kan slechts onder bijzondere omstandigheden, zoals in het geval van apparaatsfouten, een uitzondering worden gemaakt.17.Van een apparaatsfout is in deze zaak geen sprake.
3.23
Op grond van het voorgaande kom ik tot de slotsom dat het beroep in cassatie te laat is ingesteld en dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
3.24
Bij deze stand van zaken behoeft het middel geen bespreking. Uitsluitend ten overvloede zal ik hierna het middel nog kort bespreken. Ik meen dat het middel niet tot cassatie kan leiden.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel munt niet uit in overzichtelijkheid en valt vaak in herhalingen, ook waar het betreft citaten uit de procestukken in feitelijke instanties. Het middel bestaat uit zeven onderdelen. Onderdeel I klaagt over de door het hof en de rechtbank aangenomen rechtsmacht op grond van art. 3, aanhef en onder c, Rv. Het onderdeel betoogt dat de Nederlandse rechter (eerst) rechtsmacht toekomt indien er ten tijde van het indienen van het verzoekschrift (peildatum) voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer is. Nu geen van de partijen in Nederland woont, is die voldoende verbondenheid uitsluitend aanwezig indien en voor zover er voor verhaal vatbare vermogensobjecten in Nederland voorhanden zijn. Volgens het onderdeel is daarvan geen sprake, omdat [A] een vennootschap in liquidatie is, waarin geen vermogensbestanddelen aanwezig zijn, maar slechts een belastingschuld van € 0,5 miljoen, terwijl de balans negatief is.
4.2
Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking. De rechtbank heeft, in navolging van de voorzieningenrechter, geoordeeld dat niet relevant is dat [A] in liquidatie is. In het licht van de stellingen van de man, waarnaar het middel verwijst, en de stellingen van de vrouw18., moet deze overweging zo worden gelezen dat de rechtbank hiermee heeft bedoeld dat de omstandigheid dat [A] nu (ten tijde van de beoordeling van het verzoek) in liquidatie is, niet relevant is. Het relevante peilmoment voor de vaststelling van de rechtsmacht, zoals het middel zelf ook tot uitgangspunt neemt, is het moment dat de vrouw het inleidend verzoekschrift heeft ingediend, op 21 augustus 2018. Dat de man heeft gesteld dat [A] op dat moment reeds in liquidatie was, blijkt niet uit de in het onderdeel genoemde vindplaatsen. Het onderdeel wijst ook op de verklaring van de man tijdens de zitting van de voorzieningenrechter dat de activiteiten van [A] al in 2018 waren beëindigd, dat het bedrijf toen al was verhuisd vanwege de kosten en dat mogelijk toekomstige inkomsten geen basis kunnen vormen voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Uit deze stelling volgt echter niet dat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift [A] géén vermogensbestanddelen in Nederland had of in de toekomst kon verkrijgen. De stelling dat mogelijk toekomstige inkomsten geen basis voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter kunnen vormen, gaat mijns inziens uit van een verkeerde rechtsopvatting.19.Onderdeel I faalt dus.
4.3
Onderdeel II is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de man in zijn hoger beroep voor zover dit het verlof tot tenuitvoerlegging betreft van de Amerikaanse beslissingen over de partneralimentatie tot 1 januari 2017. Het hof heeft op dit deel van de partneralimentatie het Verdrag NL-VS Levensonderhoud toegepast en geoordeeld dat het hoger beroep, gelet op art. 989 lid 2 Rv, te laat is ingesteld. De bespreking van dit onderdeel laat ik achterwege in het licht van mijn betoog over de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
4.4
Onderdeel III is gericht tegen rov. 6.7 van de beschikking van de rechtbank, waarin de rechtbank (onder meer) het oordeel heeft overgenomen van de voorzieningenrechter in rov. 4.15 van diens beschikking van 30 augustus 2020 dat op grond van art. 4 lid 2 van het Haags Alimentatie-executieverdrag 1973 voorlopige maatregelen worden erkend of uitvoerbaar verklaard in de aangezochte staat indien soortgelijke beslissingen daar kunnen worden gegeven en ten uitvoer worden gelegd, dat dit in Nederland het geval is en dat het voorlopig karakter van de Amerikaanse beslissingen op zichzelf niet aan erkenning en tenuitvoerlegging in de weg staat. Het onderdeel betoogt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is, dan wel onvoldoende gemotiveerd is om verschillende in het middel genoemde redenen.
4.5
De verwijzing van de voorzieningenrechter in rov. 4.15 naar art. 4 lid 2 Haags Alimentatie-executieverdrag 1973 betreft de tenuitvoerlegging van de partneralimentatie die verschuldigd was vóór 1 januari 2017, waarop naar het oordeel van de voorzieningenrechter het Verdrag NL-VS Levensonderhoud van toepassing is. De beschikking van de rechtbank heeft echter louter betrekking op het verzoek tot tenuitvoerlegging van de Amerikaanse beslissingen voor zover die zien op de kinderalimentatie en de partneralimentatie die vanaf 1 januari 2017 verschuldigd is geworden, dat volgens de rechtbank, in navolging van het oordeel van de voorzieningenrechter, valt onder het Haags Alimentatieverdrag 2007 (rov. 1.1). Dáárover heeft de voorzieningenrechter in rov. 4.15 overwogen dat is voldaan aan het vereiste van art. 20 lid 6 Haags Alimentatieverdrag 2007. Dit artikel bepaalt dat een beslissing alleen wordt erkend wanneer zij in de staat van herkomst effect sorteert, en alleen ten uitvoer wordt gelegd wanneer zij in de staat van herkomst voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Dat aan dit vereiste is voldaan, wordt door het middel niet betwist. Het onderdeel gaat daarom uit van een verkeerde lezing en faalt.
4.6
Onderdeel IV valt in verschillende subonderdelen uiteen en is gericht tegen rov. 6.7 en 6.11 t/m 6.14 van de beschikking van de rechtbank, waarin is geoordeeld dat de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de Amerikaanse rechter niet in strijd is met de openbare orde in de zin van art. 22, onder a, Haags Alimentatieverdrag 2007. Het onderdeel betoogt in de kern genomen dat de Amerikaanse beslissingen wél met de openbare orde in strijd zijn. De beslissingen voldoen niet aan de minimumvereisten voor motivering, en aan de vereisten van een eerlijk proces, omdat de man in persoon moest verschijnen en hem niet is toegestaan enkel vertegenwoordigd te zijn door zijn advocaat, dan wel via Skype een verklaring af te leggen, aldus het onderdeel.
4.7
In rov. 6.13 heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat de gezondheidstoestand van de man eraan in de weg stond om ter zitting te verschijnen van de Amerikaanse rechtbank van 26 januari 2016, die tot de eerste veroordeling van de man wegens ‘contempt of court’ heeft geleid. Vervolgens heeft de rechtbank in rov. 6.14 geoordeeld dat niet is gebleken dat de ‘contempt of court’ beslissingen eraan in de weg hebben gestaan om effectief tegen de onderhoudsbeslissingen op te komen. Hieruit volgt dat rov. 6.13 niet dragend is voor het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de man niet heeft kunnen opkomen tegen de Amerikaanse beslissingen. Van strijd met een eerlijk proces is geen sprake. Hierop stuiten alle klachten van het onderdeel af.
4.8
Onderdeel V betoogt dat de vrouw misbruik van procesrecht pleegt, omdat zij door middel van ‘contempt of court’ feitelijk verhindert dat de man bij de Amerikaanse rechter wijziging van de voorlopige onderhoudsbijdrage kan vorderen. De Amerikaanse beslissingen ontzeggen de man effectief de toegang en omgang met het kind en zijn dus in strijd met art. 8 EVRM (recht op family life), aldus het onderdeel.
4.9
Dit onderdeel bouwt voort op het voorafgaande onderdeel en deelt het lot daarvan.
4.10
Onderdeel VI is gericht tegen rov. 6.11, waarin de rechtbank zich heeft verenigd met de overwegingen van de voorzieningenrechter (in rov. 4.23) op het punt van de door de man ingenomen stelling dat de Amerikaanse rechtbank vooringenomen is geweest. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank voorbij is gegaan aan tal van stellingen waarop de man zich heeft beroepen.
4.11
De rechtbank heeft zich verenigd met de overwegingen van de voorzieningenrechter dat de Amerikaanse rechtbank de overwegingen inzake de levensstijl van de man niet ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel over de onderhoudsverplichtingen, maar aan de beslissing over het gezag en de omgang. De voorzieningenrechter heeft nog overwogen dat de man met (gedeeltelijk) succes hoger beroep heeft ingesteld bij de Court of Appeal en dat niet is gebleken dat alle beslissingen steeds door dezelfde Amerikaanse rechter zijn genomen. De man heeft in hoger beroep niets nieuws aangevoerd. Zowel de voorzieningenrechter (rov. 4.16-4.20) als de rechtbank (rov. 6.12-6.14) heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat de man in de VS niet tegen de alimentatiebeslissingen kon opkomen. Hieruit volgt dat de stelling van de man dat de Amerikaanse rechter vooringenomen was, ongeacht de juistheid daarvan, niet aan de erkenning en/of tenuitvoerlegging van de Amerikaanse beslissingen in Nederland in de weg kan staan. Het onderdeel faalt daarom.
4.12
Het laatste onderdeel – in de procesinleiding abusievelijk genummerd als onderdeel V, terwijl VII zal zijn bedoeld – bevat een veegklacht die voortbouwt op de voorafgaande onderdelen. Het onderdeel deelt het lot daarvan.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑10‑2023
Zie Trb. 2011, 144 (Franse en Engelse authentieke teksten; Nederlandse vertaling), Trb. 2021, 34.
Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake de geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud, gesloten te Washington op 30 mei 2001, Trb. 2001, 117. Het hof duidt in de bestreden beschikking dit verdrag aan als ‘de Overeenkomst van Washington’.
Zie de in cassatie bestreden beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6630, rov. 4.1 e.v., waarin wordt verwezen naar de feiten zoals vastgesteld in de beschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 13 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2022:4014. Zie ook rov. 3.1-3.10 van de eveneens in cassatie bestreden beschikking van het hof Amsterdam van 14 september 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2947, JPF 2021/148.
In rov. 4.11 van de beschikking van de rechtbank van 10 november 2022 is abusievelijk als datum van de beslissing van de Amerikaanse rechtbank 4 februari 2022 vermeld.
Deze beschikking is opgenomen in het procesdossier van de man, productie 8 van de stukken in eerste aanleg. Zie ook rov. 4.2 van de in cassatie bestreden beschikking van het hof Amsterdam van 14 september 2021.
Wet van 29 september 2011, Stb. 2011, 460 (nadien gewijzigd).
Op 5 januari 2023 heeft de griffie van de Hoge Raad een gecorrigeerde versie van de procesinleiding ontvangen.
Zie bijv. HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1099, NJ 2018/430, m.nt. L. Strikwerda. Meer in het algemeen over stapeling van instrumenten: P. Vlas, ‘Gestapeld recht’, afscheidsrede VU 2022, WPNR 2023/7369, p. 353-362.
Trb. 1974, 86.
Trb. 1959, 187.
Wet tot uitvoering van het op 23 november 2007 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden (PbEU 2011, L 192/51) en van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebeid van onderhoudsverplichtingen (PbEU L 7/1), Stb. 2011, 460 (nadien gewijzigd).
De tekst van het verdrag met toelichtende nota is ook opgenomen in: Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, onderdeel N (P. Vlas).
Kamerstukken II, 2010-2011, 32 617, nr. 3 (MvT), p. 24-25.
Zie HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/89.
Zie o.a. de verklaring van de advocaat van de vrouw in het proces-verbaal van Skype-behandeling van het verzoekschrift bij de voorzieningenrechter gehouden op 19 mei 2020, p. 3: ‘De man verklaart nu dat de onderneming in liquidatie is, maar voor de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, is de situatie in augustus 2018 van belang en niet de huidige situatie.’
Vgl. Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht, ‘Advies herziening van artikel 431 Rv inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse civielrechtelijke vonnissen buiten verdrag en verordening’, 21 februari 2023, te raadplegen op: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brieven/2023/02/21/advies-herziening-van-artikel-431-rv-inzake-de-erkenning-en-tenuitvoerlegging-van-buitenlandse-civielrechtelijke-vonnissen-buiten-verdrag-en-verordening. De Staatscommissie heeft onder meer opgemerkt: ‘De verzoeker dient te stellen (en aannemelijk te maken) dat een voldoende band met de Nederlandse rechtssfeer bestaat om alhier tenuitvoerlegging te kunnen verzoeken. Een dergelijke band met de Nederlandse rechtssfeer zal in de regel erin bestaan dat vermogen in Nederland aanwezig is, dan wel in de toekomst zal zijn. Voldoende band met de Nederlandse rechtssfeer kan immers ook bestaan in mogelijk toekomstige in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen (bijvoorbeeld een schip dat in aantocht is, vergelijk artikel 728 lid 1 Rv).’
Beroepschrift 12‑01‑2023
PROCESINLEIDING IN EEN VERZOEKSCHRIFTPROCEDURE
Verzoeker tot cassatie is:
[de man], (hierna te noemen: de man), wonende te [woonplaats] (Verenigde Arabische Emiraten), voor deze zaak domicilie kiezende te (2582 GM) Den Haag aan de Statenlaan 28, ten kantore van Alt Kam Boer advocaten, van wie mr. H.J.W. Alt, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, door requirant als zodanig is aangewezen om hem te vertegenwoordigen in na te melden cassatieprocedure
Verweerster te dezen is:
[de vrouw] (tegenwoordig genaamd: [de vrouw]), hierna te noemen: de vrouw), wonende te [woonplaats] [zipcode] Verenigde Staten van Amerika aan [adres], voor wie in hoger beroep als advocaat is opgetreden mr. M.M. van Maanen, kantoorhoudende te (1075 AH) Amsterdam, Oranje Nassaulaan 3, van De Boorder Advocaten.
De man stelt hierbij cassatieberoep in tegen de tussenbeschikking van het gerechtshof Amsterdam (hierna: de tussenbeschikking) van 14 september 2021 gewezen onder nummer 200.285.111/01 en tegen de eindbeschikking van de rechtbank Amsterdam d.d. 10 november 2022 (hierna: de eindbeschikking), gewezen onder het nummer C/13/713931 HA RK 2250, tussen de man als appellant en de vrouw als geïntimeerde.
Dat de man voert daartoe aan het volgende:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het hof Amsterdam in de tussenbeschikking en de rechtbank Amsterdam in de eindbeschikking hebben overwogen en beslist zoals hier herhaald en ingelast te beschouwen, ten onrechte om één of meer van de navolgende — zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen — redenen.
A. Inleiding
1.1
Partijen zijn op [trouwdatum] 2011 in New Orleans (Verenigde Staten van Amerika) gehuwd. Bij beslissing van 30 juni 2015 van de Civil District Court for the Parish of Orleans, State of Louisiana, Division ‘D’ (hierna: de Amerikaanse rechtbank) is de echtscheiding uitgesproken.
1.2
Partijen zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige]. [de minderjarige] verblijft bij de vrouw in de Verenigde Staten van Amerika. De man kon als gevolg van een acute knieblessure gevolgd door een operatie in de tweede helft van 2015 niet reizen. In die periode (op 9 december 2015) heeft een Amerikaanse rechter een voorlopige partner- en kinderalimentatie van in totaal US$ 20.000,= per maand voor onbepaalde tijd verlengd, dus per saldo permanent gemaakt. Op 26 januari 2016 heeft de Amerikaanse rechter de eveneens tijdens die periode van immobiliteit in december 2015 ingediende motie tot ‘contempt of court’ van de vrouw toegewezen, waardoor de man, indien hij ter zitting zou verschijnen, direct de gevangenis in zou gaan. Pogingen van de man nadien om zonder te worden gearresteerd en in de gevangenis te belanden iets aan deze — doorlopende — alimentatieverplichting te voldoen zijn gestrand omdat telkens de eis wordt gesteld dat de man in persoon aanwezig moet zijn en de zitting niet via Skype of videobellen o.i.d. mag bijwonen. Voor een goed begrip van de zaak is van belang op te merken dat klaarblijkelijk naar het recht van de Staat Louisiana, waar New Orleans onder valt, het mogelijk is om ter zitting een motie tot contempt of court in te dienen die kan worden toegewezen, waardoor degene tegen wie die motie wordt toegewezen ter plekke wordt gearresteerd en naar een gevangenis wordt overgebracht. Dit speelt in de onderhavige zaak ook een rol omdat daaruit volgt dat, ondanks een eventuele ‘vrijgeleide’ tegen betaling van een ‘purge’ van US $ 50.000,= ten aanzien van bestaande, uitgesproken moties, dit geen garantie is dat niet alsnog op die zitting waarvoor een vrijgeleide is bedongen een nieuwe motie door de advocaat van de vrouw wordt ingediend en wordt toegewezen, waardoor alsnog arrestatie en verblijf in de gevangenis volgen.
1.3
Hoewel de man inmiddels zo'n US$ 365.000 heeft betaald (zie tussenbeschikking rov. 3.10 en rov. 2.13 van de uitspraak voorzieningenrechter), de vrouw — naar de overtuiging van de man — de partneralimentatie in het geheel niet nodig heeft èn er geen voor verhaal vatbare objecten in Nederland voorhanden zijn, verzoekt de vrouw desalniettemin erkenning en tenuitvoerlegging van de uitspraken 19 mei 2015 en 9 december 2015 in Nederland. Het hof overweegt in de tussenbeschikking in rov. 3.10 (en rov 2.13 van de uitspraak van de voorzieningenrechter) dat het openstaande bedrag ten tijde van de procedure in eerste aanleg US$ 1.250.758,81 zou bedragen. De voorzieningenrechter merkt hierover op in de beschikking van 13 augustus 2020 dat zowel het betaalde bedrag van US$ 365.000 als het nog openstaande bedrag van US$ 1.250.758,81 naar Nederlandse maatstaven uitzonderlijk hoog te noemen zijn. De man is van mening dat de uitspraken waarvan erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging wordt verzocht niet voor erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging in aanmerking komen, nu er geen sprake is van een eerlijk proces (fair trial) onder meer omdat, essentiële financiële stukken van de man door de Amerikaanse rechter buiten beschouwing zijn gelaten, en als gevolg van de contempt of court beslissingen, in combinatie met een plicht om persoonlijk te verschijnen alsmede de weigering om bij volmacht door een advocaat te worden vertegenwoordigd, het hem geheel onmogelijk gemaakt wordt om een effectieve toegang te hebben en te worden gehoord (art. 6 EVRM). Dat er geen sprake is van een fair trial volgt, objectief beschouwd, alleen al uit de hoogte van de bedragen, maar temeer uit de gehele gang van zaken vanaf de beslissing van 19 mei 2015. Daardoor is de man feitelijk de mogelijkheid ontnomen om de voorlopige alimentatiebeslissing te wijzigen in definitieve alimentatiebeslissingen.
1.4
In het hoger beroepschrift voert de man daartoe onder meer het volgende aan in de (rnrs. 1 t/m 21):
- a.
Bij beslissing van 19 mei 2015 heeft de Amerikaanse rechtbank ten laste van de man een voorlopige bijdrage in de onderhoudskosten van [de minderjarige] en de vrouw vastgesteld van respectievelijk US$ 5.000 en US$ 15.000 per maand met ingang van mei 2015.
- b.
De man heeft meermaals getracht de voorlopige alimentatie te beëindigen dan wel te wijzigen en een uitspraak te krijgen over de (niet) te betalen alimentatie in de toekomst.
- c.
Op 23 juni 2015 dient de man daartoe een verzoek tot beëindiging van de (voorlopige) partneralimentatie in (rnr. 15).
- d.
In oktober 2015 verzoekt de advocaat van de man of hij via skype/videobellen kan worden gehoord inzake de vaststelling van de definitieve alimentatie op de geplande zitting voor 29 oktober 2015. De rechter wijst dit verzoek af op 19 oktober 2015 en wijst het verzoek van de vrouw om een hoorzitting te houden toe. De man wordt in de gelegenheid gesteld persoonlijk naar de zitting te komen, als hij niet komt gaat de zitting niet door (rnr.10).
- e.
Op 2 december 2015 heeft de man de onttrekking van zijn advocaten verzocht in een verzoek dat zijn adresgegevens vermeldt en is dit verzoek geweigerd door de rechter (productie 3) (rnr. 4).
- f.
Op 7 december 2015 dient de vrouw een contempt of court motie in bij de rechter (rnr.4).
- g.
Op 8 december 2015 dienen de advocaten van de man opnieuw een verzoek tot onttrekking in (rnr. 5).
- h.
Op 9 december 2015 beslist de rechter dat de voorlopige partneralimentatie wordt verlengd totdat een hoorzitting over de definitieve partneralimentatie plaatsvindt (rnr. 11).
- i.
Op 19 januari 2016 is het verzoek tot onttrekking van de advocaten ingewilligd (rnr. 5 en productie 5). Dat bericht bereikt de advocaten pas op 21 januari 2016 (rnr. 6).
- j.
Op 25 januari 2016 vraagt de man aan de clerck van het Amerikaanse Court hoe hij om verdaging van de zitting van 26 januari 2016 kan vragen. Hij krijgt antwoord op het door hem vermeldde e-mailadres en dient een motion to continue in op diezelfde dag (25 januari 2016) met een verzoek tot verdaging van de zitting omdat hij medisch niet in staat is de zitting bij te wonen (rnr. 5).
- k.
Op 26 januari 2016 wijst de rechter een vonnis waarin de motie van de man niet is aanvaard. Wel spreekt de rechter een veroordeling voor contempt of court op verzoek van de vrouw uit. Hierdoor kan de man na die datum geen zittingen meer bijwonen omdat hij dan in de gevangenis belandt op grond van de veroordeling op basis van contempt of court (rnr. 12).
- l.
Een jaar later verzoekt de man weer om de alimentatie te beëindigen (prod. 15). Op 4 april 2017 wordt dit verzoek behandeld, maar uit het transcript van de zitting blijkt dat de advocaten van de vrouw weigeren de man een vrijgeleide van 1 dag te geven om persoonlijk te verschijnen (rnr. 13, prod. 16).
- m.
De vrouw heeft bij verzoekschrift van 20 augustus 2018 bij de rechtbank Amsterdam verzocht om de erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging van de Court Order van 19 mei 2015 (waarbij de man is veroordeeld om voorlopige partneralimentatie en kinderalimentatie te betalen) en 9 december 2015 (waarbij de man is veroordeeld deze bedragen te blijven betalen totdat hij in persoon bij de Amerikaanse rechtbank verschijnt). De voorzieningenrechter en de rechtbank in hoger beroep hebben geoordeeld dat verlof tot tenuitvoerlegging wordt verleend.
B. Klachten
I. Geen rechtsmacht: partijen wonen niet in nederland en er zijn ook geen verhaalsgoederen in Nederland
Het hof oordeelt in de tussenbeschikking in rov. 5.3 dat het zich verenigt met de overweging van de voorzieningenrechter in rov. 4.6 van de beschikking van 13 augustus 2020. Daarin wordt overwogen:
‘4.6.
Voor zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingeleid geldt dat de N ederlandse rechter op grond van artikel 3 aanhef en onder c Rv rechtsmacht heeft als de zaak voldoende met de rechtssfeer van Nederland is verbonden. Dat is in deze zaak het geval, omdat de vrouw tenuitvoerlegging van de Amerikaanse beslissingen in het arrondissement Amsterdam verzoekt, waar [A] gevestigd is. Daarbij is niet relevant dat [A] in liquidatie is. Dit betekent dat voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter de woonplaats van de man ten tijde van de indiening van het verzoekschrift niet van doorslaggevende betekenis is. Het antwoord op de vraag waar de man ten tijde van indiening van het verzoekschrift zijn gewone verblijfplaats had. kan daarom achterwege blijven. In zijn algemeenheid geldt op het voorgaande als uitzondering het geval waarin de vrouw met het voorleggen van haar verzoek aan de Nederlandse rechter misbruik van procesrecht maakt. Dat daar sprake van zou zijn, is evenwel niet gebleken.’
De rechtbank oordeelt vervolgens in de eindbeschikking hieromtrent in rov. 6.1:
‘6.1.
Gelet op het internationale karakter van de zaak moet worden vastgesteld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Op het moment van de indiening van het verzoek had geen van beide partijen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland. Voor zaken die met een verzoekschrift worden ingeleid, geldt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft als de zaak voldoende met de rechtssfeer van Nederland is verbonden (artikel 3 aanhef en onder c Rv). Die verbondenheid is er, omdat zich voor tenuitvoerlegging vatbare vermogensbestanddelen van [de man] in het arrondissement Amsterdam bevinden. [A] is immers in Amsterdam gevestigd. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen (r.o. 4.6), is niet relevant dat [A] in liquidatie is.’
Het hof en de rechtbank gaan aldus oordelend in respectievelijk rov. 5.3 (en rov. 4.6 van de voorzieningenrechter) en rov. 6.1 uit van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het forum convenience beginsel van artikel 3 aanhef en onder c Rv, aangezien de Nederlandse rechter (eerst) rechtsmacht toekomt indien er ten tijde van het indienen van het verzoekschrift (peildatum) voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer is.
Dat is er, nu geen der partijen in Nederland woont, uitsluitend indien en voor zover er voor verhaal vatbare vermogensobjecten in Nederland voorhanden zijn. Daarvan is geen sprake wanneer er (slechts) sprake is van een vennootschap in liquidatie waarin geen vermogensbestanddelen aanwezig zijn1., doch slechts een belastingschuld van € 0,5 mio, terwijl de balans negatief is.2. Dat er geen voor verhaal vatbare objecten in Nederland zijn is onder meer aangevoerd door de man bij zitting 19 mei 2020 van de voorzieningenechter3. en de zitting in hoger beroep van 29 september 2022.4. Op vraag van de raadsheren heeft de vrouw heeft ter zitting van 29 september 2022 eveneens uitdrukkelijk verklaard dat er geen bekende vermogensbestanddelen in Nederland zijn, waarop zij zich zou kunnen verhalen (p-v Rb Amsterdam d.d. 29 september 2022 p. 5 laatste woordplok en p. 6 eerste woordblok in samenhang met de reactie van mr. Van Maas de Bie op dat p-v 10 oktober 2022, p. 3 laatste woordblok).
Het hof had reeds het e.e.a. ambtshalve moeten onderzoeken aan de hand van het debat in eerste aanleg5.. De rechtbank laat de juistheid van deze stellingen in het midden, doch oordeelt slechts dat het feit dat ‘niet relevant’ is dat deze vennootschap in liquidatie is, zodat daarvan als hypothetisch feitelijke grondslag in cassatie dient te worden uitgegaan. Nu er dus in cassatie als hypothetisch feitelijke grondslag van moet worden uitgegaan dat er geen sprake is van enig voor verhaal vatbaar vermogensbestanddeel èn geen van beide partijen in Nederland woonachtig is waren er op de peildatum 21 augustus 2018 (datum indiening inleidend verzoekschrift) dus geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten met Nederland om rechtsmacht van de Nederlandse rechter aan te nemen.
Althans is, indien de rechtbank (en het hof) wèl van een juiste rechtsopvatting zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat de rechtbank oordeelt dat ‘niet relevant zou zijn’ dat deze vennootschap in liquidatie is (en een negatieve balans heeft met belastingschuld van € 0,5 mio), dan wel, gelet op deze stellingen de rechtbank desalniettemin aanneemt dat verhaal in Nederland mogelijk zou zijn, althans dat er wel voldoende verbondenheid is met Nederland, dan wel had de rechtbank haar oordeel beter moeten motiveren. Dit vitiëert dan ook de ontvankelijkheid van het hof ten aanzien van de tussenbeschikking.
Daarbij wijst de man er nog op dat de rechtsmacht van openbare orde is en dat hof en rechtbank deze ambtshalve moet toetsen.6.
II. De ‘knip’ die het hof en de rechtbank in de periode van verschuldigde alimentatie aanbrengen is onjuist7.
In de tussenbeschikking overweegt het hof als volgt:
‘5.2
Nederland en de Verenigde Staten zijn beide partij bij het Haags Alimentatieverdrag. De beslissingen waarvan de vrouw erkenning en tenuitvoerlegging verzoekt, vallen onder het materiële toepassingsgebied zoals is bepaald in artikel 2 lid 1 onder a en b van dat verdrag.
Voor Nederland is het Haags Alimentatieverdrag op 1 augustus 2014 in werking getreden, voor de Verenigde Staten op 1 januari 2017. De beslissingen van de Amerikaanse rechter van 19 mei 2015 en 9 december 2015 dateren dus van vóór de inwerkingtreding van het Haags Alimentatieverdrag voor de Verenigde Staten. Omdat het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging is ingediend op 21 augustus 2018, is dit verdrag temporeel toch (deels) van toepassing en wel op grond van artikel 56 lid 1 onder b, waarin is bepaald dat het verdrag van toepassing is op elk geval waarin een rechtstreeks verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging is ontvangen door de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat nadat het Verdrag in werking is getreden tussen de staat van herkomst en de aangezochte staat. Ingevolge lid 3 van artikel 56 is de aangezochte staat krachtens dit Verdrag niet gehouden een beslissing of regeling inzake levensonderhoud ten uitvoer te leggen betreffende betalingen die verschuldigd werden voordat het Verdrag tussen de staat van herkomst en de aangezochte staat in werking is getreden, met uitzondering van onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit een ouder-kindrelatie jegens een persoon jonger dan 21 jaar.
Zoals de voorzieningenrechter met juistheid heeft overwogen, valt op grond van het voorgaande het verzoek van de vrouw deels onder de temporele reikwijdte van het Haags Alimentatieverdrag, namelijk voor wat betreft de krachtens de Amerikaanse uitspraken verschuldigde kinderalimentatie in het geheel en voor wat betreft de partneralimentatie voor zover de bedragen verschuldigd zijn geworden na 1 januari 2017.
Op het verzoek met betrekking tot de partneralimentatie die verschuldigd is geworden vóór 1 januari 2017 is, zoals de voorzieningenrechter eveneens terecht heeft overwogen, de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud (Trb 2001, 117; hierna: Overeenkomst van Washington) van toepassing. Dit verdrag is voor Nederland en de Verenigde Staten op 1 mei 2002 in werking getreden en is op grond van artikel X daarvan temporeel van toepassing. De beslissingen van de Amerikaanse rechter vallen ook onder het materiële toepassingsgebied zoals bepaald in artikel II van het verdrag.
Het bovenstaande betekent dat, anders dan de rechtbank in zijn beschikking van 6 november 2019 heeft overwogen, het verzoek van de vrouw om de Amerikaanse beslissingen te erkennen en ten uitvoer te leggen deels wordt bestreken door het Haags Alimentatieverdrag en deels door de Overeenkomst van Washington.’
5.3
Voor wat betreft de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om over de verzoeken van de vrouw te oordelen, verenigt het hof zich met de overwegingen van de voorzieningenrechter in r.o. 4.6 van de bestreden beschikking.
5.4
De Uitvoeringswet Internationale Inning Levensonderhoud (Stb 2011, 460; hierna: de Uitvoeringswet) geeft regels met betrekking tot de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op grond van, voor zover hier van belang, het Haags Alimentatieverdrag. In artikel 5 lid 1 van deze wet is bepaald dat verzoeken die betrekking hebben op de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake levensonderhoud op grond van het Haags Alimentatieverdrag worden ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank en dat de artikelen 985 tot en met 990 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet van toepassing zijn. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat onder meer bevoegd is de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen wier rechtsgebied de tenuitvoerlegging plaats dient te vinden, in dit geval de rechtbank Amsterdam. Het is op grond van deze bepaling dat de rechtbank zich bij beschikking van 6 november 2019 onbevoegd heeft verklaard en de zaak heeft verwezen naar de voorzieningenrechter.
5.5
De Uitvoeringswet is evenwel niet van toepassing indien verlof tot tenuitvoerlegging wordt verzocht op grond van de Overeenkomst van Washington. Op een dergelijk verzoek tot verlof is van toepassing de regeling van artikel 985 tot en met 990 Rv. Daarin is bepaald dat wanneer een beslissing, gegeven door een rechter van een vreemde Staat, in Nederland uitvoerbaar is krachtens een verdrag of krachtens een wet, zij niet ten uitvoer wordt gelegd dan na daartoe verkregen rechterlijk verlof. Tot de kennisneming van het verzoek tot verlening van het verlof is onder meer bevoegd de rechtbank van het arrondissement waar de tenuitvoerlegging wordt verlangd, in dit geval de rechtbank Amsterdam. Dit betekent dat de rechtbank het deel van het verzoek dat bestreken wordt door het Verdrag van Washington ten onrechte heeft verwezen naar de voorzieningenrechter.
Dat neemt niet weg dat de voorzieningenrechter gehouden was het verzoek in zijn geheel te behandelen. Het systeem van de wet brengt mee dat bij een verwijzing binnen een gerecht of naar een andere gewone rechter van gelijke rang de rechter naar wie is verwezen daaraan is gebonden en dat daartegen geen rechtsmiddel open staat (vgl. artikel 71 lid 5 Rv en HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0050, r.o. 3.4.2. en 3.4.3.). Die verwijzing strekt daarom ook het hof tot uitgangspunt. Voor zover partijen zich erop hebben willen beroepen dat de voorzieningenrechter, gegeven die verwijzing, gebonden was aan het (als gezegd onjuiste) oordeel van de rechtbank dat de zaak in zijn geheel wordt beheerst door het Haags Alimentatieverdrag, faalt die stelling. De beschikking van de rechtbank van 6 november 2019 was weliswaar een eindbeschikking, maar hield geen inhoudelijke beslissing in over het verzoek. De voorzieningenrechter was daarom, afgezien van de verwijzing zelf, aan de inhoud daarvan niet gebonden.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
5.6
De vrouw voert aan dat het hoger beroep te laat is ingesteld en de man om die reden daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het hof overweegt daarover als volgt.
Voor het gedeelte van het verzoek dat wordt beheerst door de Overeenkomst van Washington is de appeltermijn geregeld in artikel 989 lid 2 Rv. Volgens die bepaling bedraagt de appeltermijn één maand. De bestreden beschikking is van 13 augustus 2020. Het appel is pas op 9 oktober 2020 ingediend bij de rechtbank, waarna het is doorgezonden naar dit hof. De appeltermijn is dus overschreden. Gesteld noch gebleken is dat het hier gaat om een verschoonbare termijnoverschrijding. De man is derhalve niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover het verzoek van de vrouw wordt beheerst door de Overeenkomst van Washington, te weten de verschuldigde partneralimentatie over de periode vóór 1 januari 2017.
Bevoegdheid van het gerechtshof
5.7
Voor zover het verzoek van de vrouw wordt beheerst door het Haags Alimentatieverdrag, geldt op grond van artikel 6 lid 1 van de Uitvoeringswet dat de rechtbank waarvan de voorzieningenrechter op het verzoek heeft beslist, kennis neemt van het rechtsmiddel, bedoeld in artikel 23 lid 5 van dat verdrag tegen die beschikking. De man heeft dus terecht zijn hoger beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam en in zoverre had het hoger beroep niet moeten worden doorgezonden naar dit hof. Dit betekent dat het hof zich onbevoegd zal verklaren voor wat betreft het hoger beroep tegen dit deel van het verzoek en de zaak in zoverre op de voet van artikel 72 en 73 Rv zal verwijzen naar de rechtbank. De meest gerede partij zal de zaak daar alsnog kunnen aanbrengen.
Op grond van artikel 9 lid 5 Wet griffierechten burgerlijke zaken zal het door de griffier van het hof geheven griffierecht worden verminderd overeenkomstig de bij die wet verschuldigde tabel. Het hof wijst er daarbij ten overvloede op dat ingevolge artikel 6 lid 3 Uitvoeringswet geldt dat voor de toepassing van de Wet griffierechten burgerlijke zaken wordt het bij een rechtsmiddel gedaan verzoek wordt geacht geen eis tot betaling van een bepaalde geldsom te zijn.’
En het dictum
Alsmede in de eindbeschikking van de rechtbank d.d. 10 november 2022 rovv. 4.18, 4.19, 6.3 en het dictum die daarop voortbouwen.
II.1
De man is van mening dat het hof ten onrechte een ‘knip’ aanbrengt en ten onrechte heeft geoordeeld in rov. 5.2:
‘Op het verzoek met betrekking tot de partneralimentatie die verschuldigd is geworden vóór 1 januari 2017 is, zoals de voorzieningenrechter eveneens terecht heeft overwogen, de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud (Trb 2001, 117; hierna: Overeenkomst van Washington) van toepassing. Dit verdrag is voor Nederland en de Verenigde Staten op 1 mei 2002 in werking getreden en is op grond van artikel X daarvan temporeel van toepassing. De beslissingen van de Amerikaanse rechter vallen ook onder het materiële toepassingsgebied zoals bepaald in artikel II van het verdrag.
Het bovenstaande betekent dat, anders dan de rechtbank in zijn beschikking van 6 november 2019 heeft overwogen, het verzoek van de vrouw om de Amerikaanse beslissingen te erkennen en ten uitvoer te leggen deels wordt bestreken door het Haags Alimentatieverdrag en deels door de Overeenkomst van Washington.’
En vervolgens in rov. 5.3 t/m 5.6 en het dictum overweegt dat — nu de appeltermijn in dat geval een maand zou zijn geweest — de man voor die periode niet ontvankelijk zou zijn in zijn hoger beroep. Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting om het navolgende. In het Alimentatieverdrag uit 2007 staat de overgangsbepaling in artikel 56. Deze luidt:
- 1.
The Convention shall apply in every case where -
- a)
a request pursuant to Article 7 or an application pursuant to Chapter III has been received by the Central Authority of the requested State after the Convention has entered into force between the requesting State and the requested State.
- b)
a direct request for recognition and enforcement has been received by the competent authority of the State addressed after the Convention has entered into force between the State of origin and the State addressed.
- 2.
With regard to the recognition and enforcement of decisions between Contracting States to this Convention that are also Parties to either of the Hague Maintenance Conventions mentioned in Article 48, if the conditions for the recognition and enforcement under this Convention prevent the recognition and enforcement of a decision given in the State of origin before the entry into force of this Convention for that State, that would otherwise have been recognised and enforced under the terms of the Convention that was in effect at the time the decision was rendered, the conditions of that Convention shall apply.
- 3.
The State addressed shall not be bound under this Convention to enforce a decision or a maintenance arrangement, in respect of payments falling due prior to the entry into force of the Convention between the State of origin and the State addressed, except for maintenance obligations arising from a parent-child relationship towards a person under the age of 21 years.’
Vlas zegt daarover in de GS (vet en onderstreept door mij-HJWA):
‘Art. 56 Verdrag 2007 heeft betrekking op het overgangsrecht. Uitgangspunt is dat het Verdrag 2007 van toepassing is op verzoeken om administratieve samenwerking die worden ontvangen nadat het Verdrag 2007 in werking is getreden tussen de verzoekende staat en de aangezochte staat. Hetzelfde geldt voor verzoeken om erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake onderhoudsverplichtingen: de datum van ontvangst door de bevoegde autoriteit is beslissend.Ligt deze datum op een dag dat het Verdrag 2007 in werking is getreden tussen de verdragsluitende staat van herkomst van de beslissing en de aangezochte verdragsluitende staat, dan geldt het Verdrag 2007.8.De datum waarop de beslissing is gewezen, is dus niet van belang.
Art. 56 lid 2 Verdrag 2007 bevat nog een bijzondere regel van overgangsrecht ten aanzien van de oudere Haagse Alimentatie-Executieverdragen (het Kinderalimentatie-Executieverdrag 1958 en het Alimentatie-Executieverdrag 1973). Zou de erkenning van een beslissing worden gevraagd ná de datum waarop het Verdrag 2007 in werking is getreden tussen de staat van herkomst en de aangezochte staat en volgens het Verdrag 2007 géén erkenning en tenuitvoerlegging worden verkregen, terwijl dit wél het geval zou zijn op grond van een destijds in de betrekkingen tussen de genoemde staten geldend Haags Alimentatie-Executieverdrag, dan geldt alsnog dit oudere verdrag. Dit is ook een vorm van een ‘more favourable’ bepaling, maar toegespitst op het overgangsrecht. Zie ook art. 52 voor de algemene ‘more favourable’ bepaling.
Art. 56 lid 3 Verdrag 2007 geeft de mogelijkheid aan de rechter van de aangezochte verdragsluitende staat de tenuitvoerlegging van een beslissing inzake levensonderhoud te weigeren in het geval dat deze betrekking heeft op de betaling van bedragen voor levensonderhoud die verschuldigd werden voordat het Verdrag 2007 in werking is getreden tussen de staat van herkomst van de beslissing en de aangezochte staat. Hetzelfde geldt voor een regeling inzake levensonderhoud (zie art. 30 Verdrag 2007 en aantekening 21, hierna).Gaat het om levensonderhoud van kinderen jonger dan 21 jaar, dan geldt art. 56 lid 3 Verdrag 2007 niet.’
Hieruit volgt dat dus nietde datum van de uitspraak bepalend is voor de vraag of het Verdrag 2007 werking heeft op het verzoek tot tenuitvoerlegging maar de datum van indiening van het verzoek tot tenuitvoerlegging. En dat is blijkens het inleidend verzoekschrift van de vrouw 20 augustus 2018. Dat betekent dus dat het hof ten onrechte een te korte appeltermijn heeft toegepast en ten onrechte de man deels niet ontvankelijk heeft verklaard. Het had dan ook zich moeten beperken tot het geven van een zuivere tussenuitspraak en het gehele geding moeten verwijzen naar de rechtbank. De rechtbank had vervolgens het hoger beroep ten aanzien van de gehele periode moeten behandelen.
II.2
Indien en voor zover het hof het oog zou hebben gehad op het derde lid van artikel 56 Verdrag 2007 dan miskent het hof in dat geval dat die bepaling ziet op weigering van tenuitvoerlegging van bedragen liggend vóór de inwerkingtreding van het Verdrag 2007. Het maakt niet dat een in 2018 ingediend verzoek tot tenuitvoerlegging van een Amerikaans alimentatievonnis uit 2015 voor de periode 2015–2017 onder een ander regime valt dan het Verdrag 2007. Het hof heeft dat hetzij miskend hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
II.3
Het slagen van één of meer klachten vitiëert van de eindbeschikking van de rechtbank d.d. 10 november 2022 rovv. 4.18, 4.19, 6.3 en het dictum die daarop voortbouwen.
III. IN de aangezochte staat geen soortgelijke beslissingen mogelijk
III.1
In rov. 6.7 van de eindbeschikking neemt de rechtbank onder meer rov. 4.15 van de voorzieningenrechter over. In rov. 4.15 van het vonnis van de voorzieningenrechter d.d. 30 augustus 2020 oordeelt deze dat op grond van art. 4 lid 2 van het Haags Verdrag Tenuitvoerlegging Alimentatie voorlopige maatregelen worden erkend of uitvoerbaar verklaard in de aangezochte staat indien soortgelijke beslissingen daar kunnen worden gegeven en ten uitvoer worden gelegd en dat dit in Nederland het geval is. Volgens de voorzieningenrechter en de rechtbank staat het voorlopig karakter van de Amerikaanse beslissingen op zichzelf niet aan erkenning en tenuitvoerlegging in de weg. Ook dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd om navolgende ook in onderling verband te lezen redenen.
1.
De voorzieningenrechter en dus ook de rechtbank verliezen hierbij echter uit het oog dat de voorlopige voorzieningen voor levensonderhoud die zijn getroffen door de Amerikaanse rechter, door die zelfde rechter d.d. 9 december 2015 een semipermanent karakter verleend hebben gekregen. In rnr. 11 van het hoger beroepschrift met een verwijzing naar productie 11 voert de man aan dat uit de regelgeving met betrekking tot voorlopige partneralimentatie in Louisiana, artikel 113 sub A van de C.C. blijkt dat voorlopige partneralimentatie van rechtswege eindigt na 180 dagen, gerekend vanaf de echtscheidingsuitspraak.9. In deze zaak was de echtscheiding uitgesproken op 30 juni 2015 (productie 12). De voorlopige partneralimentatie zou dus uiterlijk op 27 december 2015 moeten eindigen. Echter op 9 december 2015, in een periode dat de man wegens een knieoperatie niet kon reizen, heeft de rechter deze termijn verlengd tot de hoorzitting (productie 13).10. Op deze gang van zaken is gewezen in het hoger beroepschrift van de man onder randnummer 11. Vervolgens heeft zich de situatie voorgedaan zoals is omschreven in het aanvullend verweerschrift in appel rnr. 13 onder a t/m m, waaruit de man de conclusie trekt dat hij geen eerlijk proces heeft gekregen omdat hem al sinds 2015 de mogelijkheid is ontnomen om de definitieve alimentatie op basis van (daadwerkelijke) behoefte en draagkracht vast te stellen, onder meer doordat tegen hem (meerdere keren) een contempt of court is toegewezen, waardoor het hem effectief onmogelijk is zonder de gevangenis in te gaan die voorlopige alimentatie om te zetten in een lagere, definitieve regeling.
2.
Dat klemt temeer daar de vrouw in die sinds 2015 verlengde ‘voorlopige’ voorziening haar behoefte niet heeft hoeven aantonen en onderbouwen. Conform de internationale verdragen dient een alimentatiebeslissing altijd minimaal te worden vastgesteld op basis van draagkracht en behoefte.11. Zie bijvoorbeeld artikel 14 Haags Alimentatieprotocol:
‘Ook wanneer het toepasselijke recht anders bepaalt, wordt bij de vaststelling van het bedrag van het levensonderhoud rekening gehouden met de behoeften van de onderhoudsgerechtigde en de draagkracht van de onderhoudsplichtige alsmede met eventuele vergoedingen die de onderhoudsgerechtigde zijn toegekend in plaats van periodiek uit te keren levensonderhoud.’
12. Zie ook reeds art. 11 Haags Alimentatieverdrag 1913:
‘Evenwel dient, zelfs indien de van toepassing zijnde wet anders bepaalt, bij de bepaling van het bedrag van de uitkering tot onderhoud rekening te worden gehouden met de behoeften van de onderhoudsgerechtigde en de middelen van de onderhoudsplichtige.’
13. Aan deze minimumvereisten voldoen de Amerikaanse alimentatie beslissingen niet: de behoefte van de vrouw is niet onderbouwd. De draagkracht van de man is niet meegenomen. De beslissing van de Amerikaanse rechter voldoet dan ook niet aan de minimumvereisten die daaraan in een internationaal geval worden gesteld.14.
3.
Daarmee heeft de beslissing waarbij de voorlopige alimentatie werd opgelegd zonder dat deugdelijk naar behoefte en draagkracht is gekeken een semipermanent karakter gekregen zodat er niet langer sprake is van een beslissing die in Nederland op soortgelijke wijze kan worden gegeven en ten uitvoer gelegd. Bij een voorlopige voorziening waarbij wordt voorzien in de kosten van levensonderhoud als de onderhavige gaat het in Nederland immers om het treffen door de rechter van een ordemaatregel met een voorlopig karakter, bestemd om te voorzien in de moeilijkheden die rijzen doordat tussen echtgenoten een scheidingsprocedure aanhangig is (HR 28 mei 1976, NJ 1977, 247. De voorlopige en dus (binnen afzienbare tijd eindige) aard van een dergelijke voorziening blijkt ook uit art. 821 lid 4 Rv dat bepaalt dat de beschikking houdende voorlopige voorzieningen, gegeven voordat een verzoek tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed is gedaan, haar kracht verliest, indien niet binnen vier weken na haar dagtekening een verzoek tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed is gedaan.
4.
Met het verlengen van de beslissing over de voorlopige alimentatie uit 2015 tot ver in 2022, en inmiddels 2023 — terwijl de echtscheiding reeds op 30 juni 2015 tot stand is gekomen — is hier, anders dan de rechtbank oordeelt, sprake van een (‘voorlopige’) voorziening die in Nederland niet (op deze wijze) kan worden opgelegd. Daarmee is, anders dan artikel 4 lid 2 van het Haags Verdrag Tenuitvoerlegging Alimentatie vereist, geen sprake van een voorlopige maatregel die kan worden erkend omdat in Nederland soortgelijke beslissingen kunnen worden gegeven en ten uitvoer gelegd. De Amerikaanse vonnissen hadden dus niet mogen worden erkend of uitvoerbaar verklaard. Dat het verzoek van de man om de partneralimentatie definitief vast te stellen niet is afgewezen, zoals de voorzieningenrechter, en via haar rov. 6.7 ook de rechtbank, in rov. 4.16 vaststelt, doet aan dit semipermanente karakter niet af. Met deze stelling miskent de rechtbank tevens dat de man de facto effectieve toegang tot de Amerikaanse rechter om de voorlopige alimentatie te wijzigen in een definitieve alimentatievoorziening is onthouden.
IV. Strijd met de openbare orde: schending van beginselen van procesrecht
De rechtbank heeft in haar eindbeschikking in rovv.6.7, 6.11 t/m 6.16 geoordeeld:
‘6.7.
De rechtbank gaat hier niet in mee. Zij verenigt zich met de overwegingen en beslissingen van de voorzieningenrechter (r.o. 4.13. – r.o. 4.23.) en maakt deze tot de hare. In het beroepschrift zijn geen omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Voor zover in het hoger beroep nieuwe standpunten zijn aangevoerd, zullen die hierna worden besproken.
(…)
Openbare orde
6.11.
Volgens [de man] is de totstandkoming van de Amerikaanse beslissingen in strijd met de openbare orde omdat naderhand is gebleken van vooringenomenheid van de rechter die de beslissingen heeft genomen. De rechtbank verenigt zich ook op dit punt met de overwegingen van de voorzieningenrechter (r.o. 4.23). [de man] heeft in het hoger beroep geen (nieuwe) stellingen ingenomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Ook in dit hoger beroep is dus niet gebleken dat [de man] ten aanzien van de onderhoudsbijdragen geen eerlijk proces heeft gehad omdat de Amerikaanse rechter vooringenomen zou zijn geweest.
6.12.
[de man] voert ten aanzien van de beslissing van 9 december 2015 daarnaast aan dat van een behoorlijke rechtsgang geen sprake is omdat hij feitelijk niet tegen deze beslissing kan opkomen. [de man] stelt dat hij in persoon voor de Amerikaanse rechtbank moet verschijnen om wijziging of definitieve vaststelling van de voorlopige onderhoudsbijdragen te verzoeken, maar dat dit hem onmogelijk is gemaakt als gevolg van de Contempt of Court veroordelingen. Zijn verzoeken om digitaal te verschijnen in de Amerikaanse procedure worden volgens hem stelselmatig afgewezen.
6.13.
De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen (r.o. 4.20) dat [de man] voor de zitting van 26 januari 2016 — die tot de eerste veroordeling wegens Contempt of Court heeft geleid — is opgeroepen, dat de oproep hem heeft bereikt en dat hij er zelf voor heeft gekozen niet te verschijnen, ondanks waarschuwing voor de gevolgen daarvan. Indien en voor zover [de man] op dat moment om medische gronden niet kon reizen — hij stelt zelf dat hij tot medio januari 2016 niet kon vliegen — en daarom niet bij de rechtbank kon verschijnen, had hij zich kunnen laten vertegenwoordigen door een advocaat.
[de man] heeft in deze procedure herhaald dat het voor hem onmogelijk was om naar de Verenigde Staten te reizen en zich in persoon te verweren. [de man] heeft op dat punt echter geen nieuwe inzichten gegeven. Integendeel, tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [de man] op 10 januari 2016 heeft gevlogen van Amsterdam naar Malta. Dat zijn gezondheidstoestand eraan in de weg stond om eind januari 2016 bij de Amerikaanse rechtbank te verschijnen is dus allerminst gebleken, los van het feit dat [de man] zich had kunnen laten vertegenwoordigen door een advocaat.
6.14.
Dat de veroordeling(en) vanwege Contempt of Court er vervolgens aan in de weg hebben gestaan om effectief tegen de alimentatiebeslissingen op te komen, is ook in dit hoger beroep niet gebleken. Het transcript van de zitting van 4 april 2017 (3.13) werpt in ieder geval geen ander licht op de stelling van [de man] dat hij wegens de Contempt of Court veroordelingen een gevangenisstraf riskeert als hij verschijnt bij de Amerikaanse rechtbank. Uit het transcript blijkt juist dat aan [de man] een handreiking is gedaan in die zin dat aan hem voor een dag een vrijgeleide kon worden verstrekt zodat hij in persoon kan verschijnen, tegen betaling van een geldbedrag. [de man] heeft niet gesteld dat voldoen aan de voorwaarde van betaling voor hem niet haalbaar was of dat hij wegens een andere gegronde reden van de vrijgeleide geen gebruik heeft kunnen maken. Dat [de man] zich daarnaast niet door een advocaat kon laten vertegenwoordigen of dat hij niet via een videoverbinding aan een alimentatieprocedure had kunnen deelnemen, is niet gebleken. Hij stelt hiertoe enkel dat hij bij de Amerikaanse rechtbank zeven keer een verzoek heeft gedaan om digitaal deel te nemen aan de procedure en dat deze verzoeken steeds zijn afgewezen. Stukken daarover ontbreken echter, zodat na het weerspreken hiervan door [de vrouw] niet kan worden vastgesteld dat [de man] tevergeefs heeft verzocht om digitaal aanwezig te zijn. Gezien al deze omstandigheden, kan de rechtbank niet anders dan de beslissing van de voorzieningenrechter ook op dit onderdeel (r.o. 4.14 tot en met 4.20) te onderschrijven.’
De rechtbank miskent, aldus oordelend dat de erkenning en (verlof tot) tenuitvoerlegging van de beslissingen van de Amerikaanse rechter onverenigbaar is met art. 6 EVRM en met de Nederlandse openbare orde (artikel 22 aanhef en onder a van het Haags Alimentatieverdrag). De beslissing tot verlenging van de voorlopige alimentatie is immers ongemotiveerd en niet gebaseerd op de noodzakelijke stellingen hierover (de behoefte van de vrouw staat niet vast) en de man heeft zich, gezien het procesverloop in Amerika (zie ook hierboven onder rnr. 1.4), niet adequaat kunnen verdedigen tegen de vordering(en) van de vrouw. Ook is onjuist en onbegrijpelijk dat de rechtbank, in navolging van de voorzieningenrechter van oordeel is dat de man er zelf voor heeft gekozen om niet te verschijnen voor de zitting van 26 januari 2016 en hij zich dan maar had moet laten vertegenwoordigen (rov. 6.13). De beslissing van de rechtbank om desalniettemin de beslissingen van de Amerikaanse rechter te erkennen en verlof tot tenuitvoerlegging te geven gaat daarmee uit van een onjuiste rechtsopvatting en is bovendien onvoldoende gemotiveerd. De man voert daartoe het navolgende aan.
IV.1. Ongemotiveerde beslissing m.b.t. oneindige verlenging van voorlopige alimentatie
De rechtbank en de voorzieningenrechter in rovv 4.16 t/m 4.24 (zie rov 6.7 van de eindbeschikking) hebben met het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging miskend dat de Amerikaanse beslissing van 9 december 2015 waarbij de beslissing van 19 mei 2015 voor onbepaalde tijd is verlengd qua geldingsduur, tot stand is gekomen onder schending van de beginselen van een fair trial zoals neergelegd in art. 6 EVRM. Bij de beschikking van 9 december 2015 is bepaald dat de voorlopige partneralimentatie voor onbepaalde tijd wordt verlengd. Dit is ongemotiveerd gebeurd, zonder stellingen over de draagkracht van de man en de behoefte van de vrouw daarin te betrekken, zie rnrs. 13 onder b en e van het aanvullend verweerschrift in appel. Bovendien heeft de vrouw, als gezegd, haar behoefte niet hoeven aantonen en onderbouwen (rnr. 13 onder b aanvullend verweerschrift in appel). Conform de internationale verdragen (art. 14 Haags Alimentatieprotocol/art. 11 Haags Alimentatieverdrag 1973) dient een alimentatiebeslissing altijd minimaal te worden vastgesteld op basis van draagkracht en behoefte.15. Aan deze minimumvereisten voor motivering voldoen de Amerikaanse alimentatie beslissingen niet, zodat zij strijden met art. 6 EVRM en de rechtbank de beslissingen niet had mogen erkennen althans verlof tot tenuitvoerlegging daarvoor verlenen.
IV.2. De man moest wel degelijk in persoon verschijnen van de rechter en niet via Skype
Anders dan de voorzieningenrechter in rov. 4.17, 4.18 en 4.19 en 4.20 overweegt (waarmee de rechtbank zich via rov. 6.7 van het vonnis in hoger beroep verenigt) en in rovv. 6.13 en 6.14 van de eindbeschikking rechtbank is het de man door de Amerikaanse rechter steeds niet toegestaan enkel vertegenwoordigd door zijn advocaat, dan wel via Skype een verklaring af te leggen en moest hij in persoon verschijnen. Anders dan de voorzieningenrechter (en via rov. 46.7 de rechtbank) in rov. 4.20 overweegt en de rechtbank in rov. 6.14 is daarmee ook de mogelijkheid voor de man om een verzoek tot wijziging van de voorlopig vastgestelde alimentatie of een nieuw verzoek voor de behandeling van de definitieve vaststelling van de alimentatie in te dienen mede door de contempt of court veroordelingen (mèt gevangenisstraf) feitelijk illusoir. Tenuitvoerlegging van de Amerikaanse beslissingen leveren daarom strijd op met de Nederlandse openbare orde en kunnen daarom in Nederland niet worden erkend en/of ten uitvoer gelegd, zodat het verlof daartoe had moeten worden geweigerd. De rechtbank betrekt in haar oordeel niet de navolgende, door de man in hoger beroep betrokken stellingen en bewijsmiddelen, zodat haar oordeel onvoldoende is gemotiveerd. Dit betreft zowel de stellingen met betrekking tot het persoonlijk moeten verschijnen, als de stellingen over het weigeren van een Skype optreden van de man als de weigering dat de man zonder zelf in persoon ter zitting te verschijnen zich door zijn advocaat laat vertegenwoordigen.
IV.2.1. Persoonlijk verschijnen
De rechtbank weegt in dat verband in rovv. 6.11 t/m 6.14 van de eindbeschikking, maar ook overigens de volgende stellingen niet, althans in elk geval niet kenbaar mee in haar oordeel:
- —
In rnrs. 14, 15 en 16 van het hoger beroepschrift voert de man aan dat hij in persoon moet verschijnen op verzoek van de vrouw welk verzoek door de rechter wordt ingewilligd. De man voert hier aan dat de noodzaak om in persoon te verschijnen blijkt uit, in samenhang te beschouwen, het vonnis van 9 december 2015 (productie 13 hoger beroep) waarin is beslist ‘Additionally, Mr. Buhrer and Mr. Wolff shall contact Mr. [de man] and determine when in light of Mr. [de man]'s September leg injury, he is able to return to Orleans Parish for a hearing in this matter. This date shall be relayed to the Court expeditiously.’ tezamen met het oordeel van de rechter van 19 oktober 2015 (productie 10 hoger beroep) waarin is beslist ‘Mr [de man]'s motion to allow live testimony via skype is hereby MOOT. The court will allow Mr. [de man] to present/defend his case in person’_alsmede uit het proces-verbaal van de zitting van 4 april 2017 (productie 16 van de man in hoger beroep) waarover de man in het hoger beroepschrift onder meer schrijft over hoe partijen, waaronder de advocaat van de vrouw, het oordeel van 19 oktober 2015 opvatten: ‘Mr. Hoffman, de advocaat van [de vrouw] stelt zich op het standpunt dat [de man] in persoon aanwezig moet zijn. Zie pagina 4 [van het proces-verbaal van de zitting van 4 april 2017, productie 16 hoger beroep toevoeging HJWA]: he's required to present in person, his case.’
- —
Ook in rnr. 13 a van het aanvullend verweerschrift in appel voert de man aan ‘Het verzoek van de man tot vaststelling van definitieve partneralimentatie is bij beslissing van 9 december 2015 door de Amerikaanse rechter afgewezen’ waarna het de Amerikaanse advocaat van de man citeert: ‘The district court then refused to set a date where [de vrouw] [de man] had to prove that she was in need of permanent support, unless Mr. [de man] appeared in court, and refused to allow Mr. [de man] to testify via Skype on the balance of support payments’, waarbij is verwezen in voetnoot 6 naar de verklaring Amerikaanse advocaat, prod. 17 man 1e aanleg, pag. 6, 4e bullit. Ook is door de man aangevoerd dat de advocaat van de man in Amerika verklaart dat deze weigering van de Amerikaanse rechter om per Skype/Face Time te verschijnen zeer ongebruikelijk is en onder de gegeven omstandigheden ook een onrechtvaardige beslissing, waarvan overigens niet in hoger beroep kan worden gegaan..
- —
In voetnoot 5 bij rnr. 13 a aanvullend verweerschrift in appel is in dit verband verwezen naar de verklaring van de Amerikaanse advocaat, productie 17 van de man eerste aanleg, pagina 6, 3e bullit: ‘The court's refusal to allow this was in my opinion unusual’. Ook is in voetnoot 5 verwezen naar productie 9 van de man hoger beroep: verzoekschrift man om via Skype te worden gehoord, met de onderbouwing naar de Amerikaanse wetgeving (FRCP 43/ CCP art. 1633.1) en rechtspraak ‘The most persuasive showings of good cause and compelling circumstances are likely to arise when a witness is unable to attend trial for unexpected reasons, such as accident or illness, but remains able to testify from a different location.’
Deze stellingen zijn essentieel omdat daaruit volgt dat de man aldus een effectieve toegang tot de rechter als bedoeld in artikel 6 EVRM de facto wordt onthouden omdat hij, zoals in het volgende subonderdeel nader wordt uitgewerkt, slechts dan iets in de procedure kan bewerkstelligen. Bovendien moeten de beperkingen (de weigering dat de man per Skype kan verschijnen) een gerechtvaardigd doel hebben, waarbij er een redelijke verhouding dient te zijn tussen de gehanteerde middelen (weigering aan de man om per Skype te verschijnen) en het doel dat wordt nagestreefd (in persoon verschijnen zodat de man zijn bewijsstukken kan bekrachtigen). Dit betreft niet alleen de weigering zelf, maar ook de gevolgen van die weigering. De gevolgen van de weigering om per Skype te verschijnen zijn namelijk buitenproportioneel omdat die elke verdere rechtsgang ter zake van de alimentatie blokkeren en er daardoor van een effectieve toegang tot de rechter als bedoeld in artikel 6 EVRM geen sprake is. Daar de bekrachtiging door de man ook per Skype kon en er geen redelijk doel bestond om hem dat niet toe te staan, is het beginsel van fair trial geschonden en is er geen rechtens te respecteren reden om hem die toegang tot de rechter te ontzeggen. Daarmee is er strijd met de Nederlandse openbare orde.
Al met al is hoor- en wederhoor niet toegepast, de man is de mogelijkheid onthouden om zijn verweer op de stukken te geven, er is geen sprake van ‘processueel evenwicht’, het beginsel van full jurisdiction (waarbij de rechter een oordeel geeft over het recht en de feiten en er sprake is van sufficiency of review) is geschaad, hetgeen is strijd is met art. 6 EVRM en met de Nederlandse openbare orde.
IV.2.2. Zijn persoonlijke verschijning is noodzakelijk i.v.m. het Amerikaanse bewijsrecht
De rechtbank miskent in dat verband in rovv. 6.7, 6.11 t/m 6.14 van de eindbeschikking — in het bijzonder ook in rov. 6.13 waar de rechtbank overweegt dat de man zich ten aanzien van de zitting van 26 januari 2016 had kunnen laten vertegenwoordigen, ook dat de man vanwege het Amerikaanse bewijsrecht in persoon moest verschijnen, hetgeen ook zonder meer per Skype/Face time zou kunnen, om onder ede te worden gehoord, waarbij hij zijn in het geding gebrachte documenten moet bevestigen. Op deze manier worden in New Orleans de feiten in rechte vastgesteld. De man heeft dit aangevoerd in:
- —
rnrs. 9 en 10 van het aanvullend verweerschrift in appel voert de man aan dat ter zitting van 4 april 2017 is afgewezen het verzoek om zijn advocaat hem te laten verdedigen zonder zijn aanwezigheid. Dit onder verwijzing naar het proces-verbaal van die zitting, productie 16 van de man in hoger beroep. Ook in rnr. 13 g. aanvullend verweerschrift in appel wijst de man er op dat de Amerikaanse rechtbank blijkens dit proces-verbaal van de zitting van 4 april niet toestaat dat zijn advocaat de man verdedigt: de advocaat van de man, Ms Williams, geeft namelijk aan dat zij zonder dat de man in persoon verschijnt de man kan verdedigen (namelijk door aan te tonen op basis van de gegevens van de vrouw dat zij geen behoefte heeft en dat de man onvoldoende draagkracht heeft). De advocaat van de man heeft dan genoeg aan de gegevens van de vrouw (die de man niet onder ede hoeft te bevestigen), maar ook dat wordt niet toegestaan, p. 5 e.v. van het proces-verbaal van de zitting van 4 april 2017:
‘MS. WILLIAMS
Which I think, Your Honor, I can make my case.
THE COURT:
Without your client --
MS. WILLIAMS:
I can think I can make that case without my client. I don't mean to interrupt Mr. Hoffman --
THE COURT:
No, I directed the question at you. My question is: How do you make the case when we need information? Financial information from your client, who is not here. You can represent to me as officer of the court, but -
MS. WILLIAMS:
-- and he can produce documents. In fact, I have propounded discovery about Ms. [de man]'s finances, which I don't think was answered. Maybe a motion to quash was filed or there was some indication from Mr. Hoffman or Mr. Lowe that they didn't feel like that was appropriate to have to answer discovery, but I think it's very relevant. Because I think I can make my case to terminate interim spousal support on her lack of need alone. I think I can make my case on the final spousal support with her testimony, and I can certainly respond to discovery.’
- —
rnr. 11 aanvullend verweerschrift in appel stelt de man ‘De man moet in persoon ter zitting verschijnen (in persoon zou ook per Skype/Face time kunnen), waarbij hij onder ede wordt gehoord, waarbij hij zijn in het geding gebrachte documenten moet bevestigen. Op deze manier worden in New Orleans de feiten vastgesteld.2 Dat is dus nu voor de man niet mogelijk. Hij kan de Contempt of Court beslissingen en de alimentatiebeslissingen niet op zinvolle wijze aanvechten. Toegang tot de Amerikaanse rechter is hem feitelijk ontnomen.’ Daarbij verwijst de man naar voetnoot 2 waarin de verklaring van de Amerikaanse advocaat van de man C.H. Williams staat: ‘evidence is taken directly from a witness in the witness stand’ (prod. 17 man 1e aanleg).
Het grote belang bij verschijnen maakt dat de weigering de man toe te staan dit via Skype te doen hem van zijn mogelijkheden berooft zijn zaak effectief te bepleiten. Ook dit is strijdig met art. 6 EVRM en daarmee met de Nederlandse openbare orde, zodat op grond van art. 22 aanhef en onder a van het Haags Alimentatieverdrag erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de Amerikaanse rechter niet mogelijk is.
IV.2.3. De man is geen verschijning per Skype toegestaan ondanks zijn herhaalde verzoeken daartoe
De rechtbank overweegt dat er geen stukken zijn over de weigering van de Amerikaanse rechter om via Skype te verschijnen (rov. 6.14 verwijzend naar de rovv. 4.14 tot en met 4.20 van de rechtbank) en dat het enkel om een blote stelling van de man zou gaan. Dit oordeel is onbegrijpelijk nu de rechtbank in haar oordeel niet (kenbaar) meeweegt dat de man over de Skype verzoeken wel degelijk enkele verzoeken en de afwijzende beslissingen heeft overgelegd en het volgende heeft gesteld:
- —
In het hoger beroepschrift onder rnr. 10 heeft de man aangevoerd dat hij als productie 9 overlegt een verzoek van zijn advocaat uit oktober 2015 om hem via Skype te laten getuigen (indien nodig) op de hoorzitting van 29 oktober 2015. Op deze hoorzitting zouden zijn verzoeken om vaststelling van definitieve alimentatiebijdragen (ingediend op 23 juni 2015) worden behandeld. In haar beslissing van 19 oktober 2015 (productie 10 bij het hoger beroepschrift) oordeelt de rechter dat het verzoek van de vrouw om een hoorzitting inzake definitieve partneralimentatie is toegewezen en dat [de man]s verzoek om middels Skype de zitting bij te wonen is afgewezen. Hem wordt ‘allowed’ (wat hier betekent: slechts toegestaan) om persoonlijk naar de zitting te komen.
- —
Productie 7 bij het hoger beroepschrift is het verzoek om een Skype-zitting en een nieuwe behandeldatum van 25 januari 2016. Dat de fax naar een juist faxadres is gestuurd blijkt uit de bewijsstukken, die als productie 8 worden overgelegd. Hiernaar is verwezen in nr. 5 van het hoger beroepschrift van de man.
- —
In rnr. 15 van het hoger beroepschrift voert de man aan dat een hoorzitting via een Skypeverbinding bij herhaling na verweer van de zijde van de vrouw door de rechter is afgewezen, o.a. in september 2018. Hier verwijst de man naar productie 17: het oordeel van de rechter tot afwijzing verzoek Skype-zitting d.d. 19 september 2018.
- —
De man beroept zich daarnaast op de verklaring van zijn advocaat in Amerika die de stellingen over en de bewijsstukken van de categorische weigering door de rechter om aanwezigheid via Skype toe te staan ondersteunen. De verklaring is in appel in het geding gebracht en onder nr. 13 a van het aanvullend verweerschrift in appel geciteerd en in voetnoot 6 is de vindplaats van het citaat in de verklaring weergegeven als productie 17 eerste aanleg, p. 6, 4e bullit. De advocaat was ter zitting toen het verzoek van de man tot vaststelling van definitieve partneralimentatie bij beslissing van 9 december 2015 door de Amerikaanse rechter is afgewezen. De advocaat verklaart:
‘The district court then refused to set a date where [de vrouw] [de man] had to prove that she was in need of permanent support, unless Mr. [de man] appeared in court, and refused to allow Mr. [de man] to testify via Skype on the balance of support payments’.
IV.3. Het was niet mogelijk in persoon te verschijnen
De rechtbank miskent in rovv. 6.7, (en daarmee rovv. 4.18 – 4.20 van de voorzieningenrechter) 6.11 t/m 6.14 dat met het stellen van de eis dat de man in persoon verschijnt en tegelijkertijd het ontzeggen aan de man van de mogelijkheid via Skype in rechte te verschijnen, de Amerikaanse rechter bewerkstelligt dat de man zijn zaak niet naar behoren kan bepleiten, nu de man vanaf september 2015 niet in staat was te reizen vanwege een operatie aan zijn knie en vervolgens in zijn mogelijkheid naar Amerika te komen zodanig werd beperkt door de contempt of court beslissingen die inmiddels waren genomen door dezelfde rechter dat van een effectieve toegang tot de rechter als bedoeld in artikel 6 EVRM geen sprake was. Dit wordt hierna uitgewerkt als volgt.
IV3.1. De man kon niet verschijnen als gevolg van knieoperatie
Vanaf september 2015 tot tenminste februari 2016 was het voor de man niet mogelijk een trans-Atlantische vlucht te maken om in persoon een zitting bij te wonen. Rov. 6.13 waarin de rechtbank overweegt dat de man wel in staat was de trans-Atlantische vlucht te maken is onvoldoende gemotiveerd in het licht van de stellingen en aanvullende medische stukken van de man in hoger beroep.
In het hoger beroepschrift onder 2 is aangevoerd:
‘Uit de verklaring van de hem behandeld specialisten van 22 september 2015 (zie productie 4 bij het verweerschrift in 1c instantie) blijkt dat [de man] gedurende 6 weken na het ongeluk met een volledig beengips moest herstellen en dat hij vervolgens 3 maanden lang ‘severely limited mobility’ zal hebben. Dit betekent dat [de man] in ieder geval tot februari 2016 niet mocht vliegen. Dit is in de procedure bij de Civil Court for the Parish of New Orleans niet door [de vrouw] tegengesproken, noch heeft deze rechtbank geoordeeld dat [de man] wel eerder fysiek in staat was om naar Louisiana te reizen. [de man] overlegt de uitnodiging van het ziekenhuis voor een eerste echo op 7 januari 2016 (productie 2).’
Voorts voerde de man aan in het aanvullend verweerschrift in appel onder 13a:
‘De man kon niet staan en niet lopen, laat staan vliegen, zat mijn zijn been geheel in het gips, kon zelfs zijn eigen kont niet afvegen, kreeg aanvankelijk 6 weken, met een verlenging uiteindelijk circa 9 weken lang dagelijks injecties tegen bloedpropjes in zijn bloed. Hij mocht ook niet vliegen vanwege het risico op bloedpropjes in zijn lijf. In aanvulling op de reeds in het gebrachte medische stukken brengt de man als prod. 25 man hb aanvullende medische stukken uit zijn medisch dossier in het geding, waaruit blijkt dat hij maandenlang aan het revalideren was, een 2e operatie nodig had en niet kon reizen.’
Feit van algemene bekendheid is dat een trans-Atlantische vlucht lang duurt waardoor onder meer de kans op trombose toeneemt. De overweging van de rechtbank dat de uitspraak ter zitting van de man dat hij een korte vlucht naar Malta maakte is daarom onvoldoende redengevend om aan te nemen dat hij ook in staat was de zitting in het Zuiden van de VS (New Orleans) bij te wonen.
IV.3.2. De man kon niet verschijnen als gevolg van de contempt of court
Het oordeel van de rechtbank in rov. 6.14 dat uit het transcript van de zitting van 4 april 2017 (productie 16 in appel) zou blijken dat de man wél naar de zitting over het vaststellen van de definitieve alimentatie kon komen omdat hij een vrijgeleide zou kunnen krijgen zodat hij de zitting bij kon wonen is onbegrijpelijk.
1.
Uit het transcript blijkt nu juist dat, anders dan de rechtbank meent en uit de selectieve citaten in rov. 4.13 lijkt te volgen, niet. De man heeft in rnr. 13 van zijn hoger beroepschrift aangevoerd dat uit het transcript nu juist blijkt dat de man geen vrijgeleide wordt gegeven, ook niet als hij het enorme bedrag van US$ 50.000,= betaalt. Als hij namelijk op de zitting zal komen na betalen van dat ‘purge’ bedrag van USD 50.000,- kondigt de advocaat van de vrouw, mr Hoffman, vast aan dat hij op de zitting die na zestig dagen plaats zal vinden, ter plekke zal vragen om een derde Contempt of Court ruling op grond waarvan de man op dat moment ter plekke kan worden gevangengenomen, met name als die zitting door een andere rechter zal worden geleid. De advocaat van de man, Ms. Williams, wijst er op dat het de vrouw vooral te doen lijkt om hem gevangen te nemen en hem op een dergelijke wijze weg te houden bij de minderjarige dochter van partijen. Ook de rechter wijst er op dat zijn hoopt dat de vrouw gewoon haar geld wil (waar de contempt of court voor bedoeld is) en niet dat ze de man simpelweg wil straffen. Dit alles volgt uit de navolgende citaten. Op p. 30 proces-verbaal 4 april 2017 staat:
‘MR. HOFFMAN:
My pending. My third contempt rule. On the 60th day?
THE COURT:
Yes. You're anticipating filing another one?
MR. HOFFMAN:
Yes.
(…) en op p. 31:
MS. WILLIAMS:
I will draft an order, but I just want it to be clear that the next judge who is going to be sitting and this third contempt rule won't say, ‘Okay, I see that two other attachments were recalled and you're here on your third rule for contempt’ -- and whatever else Mr. Hoffman files and has set on that date -- ‘okay, I find him in contempt of court. He's going to jail today.’
MR. HOFFMAN:
‘That's his risk. You can't not say that can't be a possibility.
(…)’
en op p. 32:
‘THE COURT:
I don't know what that next judge is going to do. But I'm going to make my notes -
MR. HOFFMAN:
That's always a possibility --
THE COURT:
That's always a possibility. I can promise you as you stand here today that the notes are going in the system. And any judge that comes on this bench, they're not looking just to lock people up so they may want to go on Tulane and Broad. The whole point and the whole point of your contempt. I would hope, is not just to punishment him; but you what to advise the Court that there's been an ordered to do something and he's failed to it, and you want your remedy.’
en op p. 33:
‘MS. WILLIAMS:
I guess that's as much assurance that I can get. I know that we come back and there is another judge. Mr. Hoffman's gonna be saying he's in contempt and we want him to go to jail.
Because I think that is they just want to go to jail.
MR. HOFFMAN:
I gotta say what I gotta say. I don't know what I'm saying. Judge, okay --’
2.
De man wijst in zijn hoger beroepschrift onder nr. 14 ook op specifieke passages die hier op zien:
‘(…) [de man]s advocaat suggereert een verband tussen de weigering van [de vrouw]s advocaat om [de man] toe te staan ongehinderd naar een hoorzitting te komen verband houdt met [de vrouw]s wens om [de man] weg te houden van zijn dochter (zie pagina 28: Think it's interesting judge, that they don't want to accept this. And that I think shows what this is all about-it's keep him away from his daughter). Dan wijst de advocaat van [de man] nogmaals op het risico dat hij loopt: I just want it to be clear that the next judge who is going to be sitting and this third contempt rule won't say, ‘Okay, I see that two other attachments were recalled and you're here on your third rule for contempt’-and whatever else Mr Hoffman files and has set on that date- ‘okay, I find him in contempt of court. He's going to jail today.’ [de vrouw]s advocaat antwoordt: That's his risk. You can't say that can't be a possibility. (zie pagina 31). En ook de rechter stelt vast (pagina 32): That's always a possibility.’
Hier volgt dus uit dat ook al zou de man het bedrag van US $ 50.000,= betalen mr. Hoffman, advocaat van de vrouw ter plekke een derde Contempt of Court Ruling zou vragen op grond waarvan de man alsnog ter plekke zou zijn vastgenomen. Van een werkelijke bereidheid tot een gegarandeerde vrijgeleide zodat de man in staat werd gesteld om zijn zaak te bepleiten en om aldus verandering in de bestaande situatie te krijgen was er niet. Een andersluidend oordeel van de rechtbank in rov. 6.14 is dus onbegrijpelijk.
3.
Ook heeft de man in het aanvullend verweerschrift in appel aangevoerd dat van hem wordt gevraagd een onevenredig groot risico te nemen indien hij in persoon verschijnt:
‘Als de man wel in persoon zou zijn verschenen, dan zou hij zijn opgepakt en zou hij 3 maanden gevangenisstraf moeten uitzitten. Gevangenisstraf in Amerika in de betreffende Orleans Parish Prison betekent: verkracht worden, ander zwaar lichamelijk letsel oplopen, niet kunnen werken, dus niet in je inkomen kunnen voorzien, brodeloos worden en mogelijk zelfs niet levend uit de gevangenis komen (zie par. 32–35 verweer man 1e aanleg, prod. 13/14 man 1e aanleg). Dit wordt ook bevestigd door de Amerikaanse advocaat.’
4.
Dit onder verwijzing naar voetnoot 9 waarin de verklaring van de Amerikaanse advocaat van de man wordt aangehaald:
‘Zie prod. 17-man 1e aanleg: ‘if [de man] sets foot in Orleans Parish, or even in the State of Louisiana, and possibly the United States, he could be arrested immediately and incarcerated until a judge decides to release him. Therefore, he is in a situation where he cannot defend himself in person in court in the United States without fear of arrest and incarceration, and the court has thus far not permitted him to appear by Skype.’ ‘If Mr. [de man] appears in the Louisiana jurisdiction, he could be arrested and jailed. He would then have to wait for a judge to decide the conditions of his release. These conditions would probably include the payment of the outstanding money judgments (which he has not been able to defend against or modify because he cannot testify by Skype in court) or a significant portion of those judgements.’’
5.
Gezien de risico's die de man loopt indien hij zich op Amerikaanse bodem begeeft, stond hem de facto niet de mogelijkheid op en om zelf in rechte te verschijnen. Het is gezien de feiten en omstandigheden m.b.t. de betreffende Amerikaanse gevangenis ook niet gerechtvaardigd van de man te verwachten dat hij deze risico's wel neemt. Daarmee is hem de kans ontnomen zijn zaak naar behoren naar voren te brengen en is beslissing van de Amerikaanse rechter van 9 december 2015 genomen onder schending van hoor en wederhoor (artikel 6 EVRM) en daarmee in strijd met de Nederlandse openbare orde en had zij de tenuitvoerlegging ervan op grond van artikel 22 aanhef en onder a van het Haags Alimentatieverdrag moeten weigeren. Feitelijk is de toegang tot de rechter onthouden en is de rechtsgang gefrustreerd, hetgeen in strijd is met artikel 6 EVRM.
6.
Onbegrijpelijk is de koppeling die de voorzieningenrechter in rov. 4.20 legt (een oordeel dat via rov. 6.7 van de rechtbank tot overweging van de rechtbank is gemaakt) en de rechtbank in rov. 6.13, tussen het feit dat de man dit risico op gevangenisstraf loopt door de contempt of court en het feit dat hij zelf zijn advocaten onttrok bij de contempt of court zitting. Het door de rechtbank aangenomen verband hiertussen zou maken dat de man de gevolgen van de contempt of court niet ‘kan tegenwerpen’.
7.
De voorzieningenrechter en de rechtbank miskennen hier echter dat niet vaststaat dat de contempt of court beslissing niet zou zijn gegeven indien de man wel ter zitting was verschenen. De contempt of court beslissing is gegeven simpelweg omdat de vrouw dat vroeg en voor toewijzing voldoende is dat de man achterliep met betalingen. De vrouw zou ook met verschijnen van de man via een advocaat contempt of court toegewezen (kunnen) krijgen omdat de man simpelweg achterliep met het betalen van de exorbitante alimentatiebedragen.
8.
Voorts geldt ook daar dat de man, om zijn zaak te bepleiten, zelf had moeten verschijnen om waarde te verlenen aan het door hem naar voren gebrachte bewijs (zie hierboven onderdeel IV 2.2). De man was niet in staat zelf te verschijnen nu hij een knieoperatie had ondergaan en niet een trans-Atlantische vlucht kon maken.
9.
Bovendien zijn de contempt of court uitspraken in strijd met de Nederlandse openbare orde. In dit geval miskennen de voorzieningenrechter en de rechtbank de samenhang tussen de contempt of court uitspraken en de mogelijkheid van de man om zich feitelijk in rechte te verdedigen. Bij contempt of court gaat het om een strafrechtelijk element in een zuiver civielrechtelijk zaak, hetgeen an sich al in strijd is met de Nederlandse openbare orde.
IV.4
Ook overigens zijn de uitspraken van de Amerikaanse rechter waarvoor verlof tot tenuitvoerlegging wordt gevraagd qua totstandkoming en uitkomst16. zodanig in strijd met artikel 6 EVRM en een eerlijk proces dat ook hierom deze niet voor tenuitvoerlegging in een rechtsstaat als Nederland in aanmerking (mogen) komen. Vaststaat dat de uitspraken naar het recht van Louisiana maar een zeer beperkte (geldings)duur hebben, te weten 180 dagen. Dat is ook logisch omdat het gaat om een zeer voorlopige maatregel die spoedig moet worden gevolgd door een toetsing waarbij ook de behoefte en behoeftigheid van de alimentatiegerechtigde een rol spelen. Echter in een periode dat de man niet mobiel is ten gevolge van een zwaar knieongeluk en -operatie, wordt deze zeer voorlopige alimentatie omgezet in één voor onbepaalde tijd. Ondanks het feit dat de man inmiddels zo'n US$ 365.000 heeft betaald voorziet het Amerikaanse stelsel kennelijk in een mogelijkheid dat de ene partij effectief kan verhinderen dat de andere partij toegang heeft tot de rechter om een exorbitante, doorlopende alimentatieverplichting te beëindigen, waarbij een partij strafrechtelijke maatregelen ten dienste staan om een niet te wijzigen exorbitante verplichting af te dwingen. Het moge dan zo zijn dat de man eind 2015 begin 2016 in theorie maar met reëel ernstig (en niet slechts denkbeeldig) gevaar voor eigen leven naar Amerika had kunnen vliegen om daar de zitting in januari 2016 bij te wonen, maar dat laat, anders dan het hof in rov. 6.13 onverlet dat van een rechter mag worden verwacht dat die zelfstandig nagaat of in casu een zo ver gaand middel als contempt of court is aangewezen in combinatie met het omzetten van de voorlopige alimentatie in één voor onbepaalde duur. Het moet een rechter duidelijk zijn dat een (nog) niet mobiele partij op een ander continent naar de aard de gelegenheid behoort te krijgen zich op een door hem of haar gekozen wijze te kunnen verdedigen. De wijze waarop dit vervolgens is gegaan wijkt zo af van de fundamentele waarborgen die een rechtsstaat zou moeten bieden dat toewijzing van het verzoek tot tenuitvoerlegging strijdig is met onze openbare orde.
IV.5
De rechtbank laat bovendien onbesproken het beroep van de man op het feit dat er in zijn visie sprake is van misbruik van procesrecht met het kennelijke doel om de man financieel uit te roken en de man uit het leven van de dochter van partijen [de minderjarige] te bannen.17. Het is in strijd met artikel 8 EVRM om met een kennelijke kennisvoorsprong van de vrouw ten aanzien van het lokale echtscheidingsrecht ten opzichte van de man en naar de overtuiging van de man met oneigenlijk gebruik of zelfs misbruik van procesrecht18. van de wetten aldaar een zeer voorlopige voorziening te fixeren om vervolgens via contempts of court en het eisen van persoonlijke verschijning van de man effectief blokkeren van toegang tot de VS te verhinderen dat [de minderjarige] en haar vader een family life opbouwen. Ook om die reden zijn de uitspraken waarvan verlof tot executie wordt gevraagd in strijd met de openbare orde.
V
Bovendien laten zowel hof als rechtbank bij de beoordeling of de uitspraak in strijd is met de openbare orde of anderszins geheel onbesproken dat er sprake is van grievend gedrag van de vrouw. Zie aanvullend verweerschrift in appel man pag. 15 –17, rnrs. 14–17, waarin de man stelt
- ‘14.
Inmiddels zou de vrouw ook volgens Amerikaans recht geen recht meer hebben op partneralimentatie, daar [de minderjarige] de leeftijd van 6 jaar heeft bereikt en de vrouw gezien haar leeftijd en opleiding in staat is om geheel in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Feitelijk voorziet de vrouw ook geheel in haar eigen levensonderhoud. Zie prod. 18 p. 2–3 onder 4e paragraaf en prod. 28–30 man hb. Toch gaat de vrouw door met haar steeds herhalend verzoek dat de man in Amerika in persoon ter zitting moet verschijnen, in de wetenschap dat dat voor hem wegens lijfsbehoud niet mogelijk is. Door deze onheuse en agressieve processtrategie belet de vrouw willens en wetens dat de definitieve partneralimentatie wordt vastgesteld en daarmee dat de voorlopige partneralimentatie eindigt.13 Deze proceshouding van de vrouw kwalificeert als misbmik van recht dan wel misbruik van bevoegdheid. De uitoefening van het recht dan wel de bevoegdheid van de vrouw om Contempt of Court te verzoeken, heeft dan ook geen ander doel dan de man te schaden. De vrouw heeft feitelijk geen behoefte aan alimentatie. Dat blijkt ook uit het transcript van de zitting van 4 april 2017 (prod. 16 man hb), pag.7: feit dat de man US$ 1750 tot US$ 2000 per maand aan kinderalimentatie betaalt is voor haar ‘insignificant’. Haar doel is dat de vaderschapsrechten van de man worden beëindigd. Haar doel is dat de man geen voet meer op Amerikaanse bodem kan zetten en zodoende ook zijn kind niet mee ziet. Ze heeft zelfs haar naam veranderd (en mogelijk ook de naam van [de minderjarige]), zodat het kind in de toekomst niet meer achter de naam van haar vader kan komen. Zie ook schikkingsvoorstel van vrouw, prod. 9 man 1e aanleg. Ook in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. De vrouw kent de consequenties van de Contempt of Court dan wel kan geacht worden deze te kennen (in het bijzonder ook omdat ze specifiek ook om opsluiting in de gevangenis heeft verzocht, in combinatie met het persistente standpunt van de vrouw dat de man in persoon ter zitting dient te verschijnen voor de mondelinge behandeling). Dit is misbmik van processuele bevoegdheid. Ook op basis hiervan is er sprake van strijd is met de Nederlandse openbare orde en dienen de verzoeken van de vrouw te worden afgewezen en het verlof van de rechtbank te worden vernietigd. Bovendien kwalificeert het misbruik van recht/misbmik van bevoegdheid tevens als grievend gedrag van de vrouw.
- 15.
Bovendien heeft de vrouw volgens Amerikaans recht helemaal geen recht meer op partneralimentatie. Volgens Amerikaans recht eindigt de voorlopige partneralimentatie in ieder geval na 180 dagen. Daarna dient de alimentatiegerechtigde haar behoefte te onderbouwen. Dat is niet gebeurd, omdat de man toegang tot de rechter is onthouden. Uit de gegevens op internet blijkt dat de vrouw een succesvol bedrijf heeft opgezet en niet behoeftig is. Ze kan geheel in haar eigen levensonderhoud voorzien. Dit blijkt uit het volgende:
- i)
Name change [de vrouw] [de man] — [de vrouw], zie prod. 28 man hb: Changes of Name I The Gazette;
- ii)
Eigen bedrijf (opgestart in mei 2019; onder haar oude naam), zie prod. 29 man hb;
- iii)
CV van de vrouw met activiteiten vanaf in ieder geval mei 2018 (prod. 30 man hb): daaruit blijkt dat zij cruciale rollen vervuld heeft bij meerdere partijen die 8.3 miljard aan vermogen hebben opgehaald op haar projecten alsmede haar meer recente werk waarbij zij succesvol een cornerstone limited partner (één van de grootste beleggers die in een fonds kan instappen waardoor het fonds daadwerkelijk gestart kan worden) binnen heeft gehaald via haar werk in investor relations. In het kort — sinds mei 2018 werkt zij op de absolute top van private equity
- 16.
Bovendien gaat de man letterlijk kopje onder bij een dergelijke zware alimentatieplicht. Het gaat ver boven zijn draagkracht uit en hij is volstrekt niet in staat dit te betalen, ook niet vanuit zijn vermogen. De man woont en werkt thans in de VAE en is aldaar belastingplichtig. De man heeft gemiddeld een maandelijks netto besteedbaar inkomen van € 4.750 tot € 5.000 per maand. Hij heeft de volgende kosten:
a.
bijstandsnorm
€ 1.102
b.
correctie bijstandsnorm Big Mac index 2,5%
€ 27,55
c.
kale huur per maand
€ 600
d.
ziektekostenpremie per maand
€ 150
e.
eigen risico ziektekosten
€ 166
f.
in de bijstandsnorm zit per maand aan ziektekosten
- € 34
g.
pensioenvoorziening per maand
€ 850
Draagkrachtloos inkomen van tussen de € 2.138 en € 1.888,45 per maand. Zijn draagkrachtruimte ligt tussen de € 1.282 en € 1.133 per maand, hetgeen beschikbaar is voor partneralimentatie en kinderalimentatie. Dit bedrag is volstrekt niet toereikend om een partneralimentatie van US$ 15.000 per maand en US$ 5.000 aan kinderalimentatie te betalen. NB: de man heeft geen belastingvoordeel van het betalen van partner- of kinderalimentatie.
- 17.
Daarenboven is dit gedrag van de vrouw jegens de man dusdanig grievend dat ook reeds hierdoor de erkenning en tenuitvoerlegging van de Amerikaanse partneralimentatie in strijd is met de Nederlandse openbare orde dan wel de partneralimentatie dient te worden afgewezen dan wel op nihil dient te worden gesteld. Dit is de reflexwerking van het Nederlandse recht op IPR niveau. Het gaat om het volgende grievende gedrag:
- a.
De Amerikaanse rechter heeft vastgesteld dat de man contact met dochter [de minderjarige] dient te hebben. De vrouw frustreert dit op alle mogelijke manieren;
- b.
De vrouw heeft zelfs in rechte onder ede verklaart dat zij aan dochter [de minderjarige] heeft verteld dat zij geen vader heeft. Dit heeft de vrouw onder ede verklaard in de procedure waarbij ze heeft verzocht dat de man zijn vaderschapsrechten zou worden ontnomen. Dit is ook aan de orde geweest in de mondelinge behandeling op 4 april 2017 (prod. 16 man hb: transcript zitting 4 april 2017, waarbij daaraan wordt gerefereerd: p. 20, regel 9–11:
‘It's pretty much what so told Judge Gray. She told the Judge Gray that she told the child, you don't have a father.’
Dit kwalificeert als ouderverstoting. Bovendien het is ook dusdanig grievend jegens de man (en de dochter) dat ook om die reden de erkenning van de Amerikaanse beslissingen in strijd met de Nederlandse openbare orde is dan wel de partneralimentatie op nihil dient te worden gesteld dan wel dat partneralimentatie dient te worden afgewezen;
- c.
De vrouw heeft bij de Amerikaanse rechter verzocht om de man zijn vaderschap volledig te ontnemen;
- d.
De vrouw heeft zelfs de man verzocht om vrijwillig van het vaderschap afstand te doen, dat hij dan geen gezag heeft, geen contact met zijn dochter en geen recht op informatie direct en/of indirect en in ruil daarvoor zou de vrouw afstand doen van haar financiële claims (uit de boedelverdeling en de alimentatiebetaling). Dit verzoek alleen al is in strijd met het belang van het kind en respectloos naar het vaderschap van de man toe. Zie prod. 9 man 1e aanleg: schikkingsvoorstel vrouw;
- e.
De vrouw heeft 7x om Contempt of Court verzocht, hetgeen buitenproportioneel is. Bovendien kwalificeert dit in de geschetste context tussen partijen als misbruik van bevoegdheid (zie reeds hetgeen gesteld in par. 14);
- f.
De vrouw heeft misbruik van haar bevoegdheid gemaakt door keer op keer te volharden in haar standpunt dat de man in persoon verschijnt, zonder dat daar een redelijk belang aan ten grondslag ligt anders dan de man te schaden. Bovendien zijn deze verzoeken van de vrouw alleen en in combinatie met de Contempt of Court verzoeken buitenproportioneel en kwalificeren als misbruik van bevoegdheid;
- g.
Door de hetze van de vrouw tegen de man en de internetpublicaties is het voor de man onmogelijk geworden om vanuit voormelde B.V. te werken. Klanten zijn afgehaakt. Als ze de man op internet googelen vinden ze namelijk Contempts of Court, strafrechtelijke veroordelingen van de man (zie prod. 23 man hb). Klaarblijkelijk heeft de vrouw/de advocaat van de vrouw het nodig gevonden deze stukken op internet te openbaren. Dit is eveneens zeer grievend en schadelijk voor de man geweest.’
De man voert hier dus aan dat de vrouw misbruik van procesrecht pleegt door in een geval waarin zij naar Amerikaans recht al lang geen recht meer heeft op partneralimentatie, zij dit ook niet nodig heeft omdat zij zelf een heel goed inkomen heeft, de man dit niet kan betalen, desalniettemin door middel van contempt of court sedert 2015 feitelijk verhindert dat de man de wijziging van deze ‘voorlopige’ alimentatie kan vorderen en tot vaststelling van definitieve kan komen en bovendien er kennelijk op uit is om — in strijd met het bepaalde in artikel 8 EVRM (recht op family life), de man als ouder van [de minderjarige] effectief de toegang en omgang te ontzeggen. Ook daarmee zijn de uitspraken waarvan erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht in strijd met de openbare orde. Het is een feit van algemene bekendheid dat een kind ernstig in zijn of haar ontwikkeling wordt bedreigd indien het kind niet met één van de ouders omgang mag hebben, zodat de rechtbank dit aspect niet onbesproken mocht laten. De rechtbank (en het hof) laat dit ten onrechte onbesproken, althans geeft de rechtbank geen inzicht in zijn gedachtegang op dit punt.
Het gaat hier om een essentiële, voor de uitkomst van de procedure van belang zijnde stelling omdat voor de vraag of een uitspraak in Nederland kan worden erkend het nationale recht reflexwerking heeft. Reflexwerking is de doorwerking van aan het materiële recht ontleende waarden en normen op IPR-niveau.19. Indien immers naar Nederlands recht de partneralimentatie op basis van dusdanig grievend gedrag zou vervallen, dan kan een in dezelfde omstandigheden in het buitenland gewezen uitspraak niet voor erkenning in Nederland in aanmerking komen. Daarmee zijn deze nationale normen en waarden dusdanig belangrijk dat ze doorwerken op IPR-niveau. Dit nog los van het feit dat erkenning en verlof tot ten uitvoerlegging van een uitspraak die tot stand is komen en/of wordt gehandhaafd middels misbruik van procesrecht niet voor erkenning/tenuitvoerlegging in aanmerking komt, daar dit strijd met de Nederlandse openbare orde oplevert.
VI
De rechtbank oordeelt naast de al genoemde rov. 6.7 in rov. 6.11 van de eindbeschikking:
‘6.11.
Volgens [de man] is de totstandkoming van de Amerikaanse beslissingen in strijd met de openbare orde omdat naderhand is gebleken van vooringenomenheid van de rechter die de beslissingen heeft genomen. De rechtbank verenigt zich ook op dit punt met de overwegingen van de voorzieningenrechter (r.o. 4.23). [de man] heeft in het hoger beroep geen (nieuwe) stellingen ingenomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Ook in dit hoger beroep is dus niet gebleken dat [de man] ten aanzien van de onderhoudsbijdragen geen eerlijk proces heeft gehad omdat de Amerikaanse rechter vooringenomen zou zijn geweest.’
De voorzieningenrechter oordeelde daaromtrent in rov. 4.23:
‘4.23.
Tot slot betoogt de man dat van een behoorlijke rechtsgang geen sprake is geweest, omdat de Amerikaanse rechter in haar beslissingen ervan blijk heeft gegeven dat zij een zeer uitgesproken oordeel over de man heeft en daardoor niet als onpartijdig en onafhankelijk kan worden beschouwd.
De overwegingen van de Amerikaanse rechter in de beslissing van 9 mei 2015 over de levensstijl van de man (‘a scandalous lifestyle’) zijn opmerkelijk te noemen. Deze overwegingen zijn echter niet ten grondslag gelegd aan het oordeel over de kinderalimentatie en voorlopige pa1tneralimentatie, maar aan de beslissing over het gezag over de dochter en de omgangsregeling. Tegen deze onderdelen van de beslissing heeft de man met (gedeeltelijk) succes hoger beroep ingesteld bij de Court of Appeal. Verder is, anders dan de man stelt, niet gebleken dat alle beslissingen door deze rechter zijn genomen. De beslissing van 10 oktober 2018 (zie 2.11) is door een andere rechter genomen.
Ook dit betoog kan daarom niet leiden tot het oordeel dat van een behoorlijke rechtsgang geen sprake is geweest.’
In eerste aanleg stelt de man bij verweerschrift in rnr. 15 wijst de man erop dat de uitspraak met betrekking tot het recht op omgang in hoger beroep is vernietigd en die uitspraak door het Supreme Court in stand is gelaten. In rnr. 18 wordt erop gewezen dat er steeds sprake is van dezelfde rechter, te weten Sgd. Nakisha Ervin-Knott en dat waar de man appel in kon stellen van haar beslissingen die steeds in hoger beroep unaniem zijn vernietigd. In rnr. 37 wordt gesteld dat de rechter geweigerd heeft om de jaarstukken uit 2014 te bekijken, waardoor het beginsel van full jurisdiction (waarbij de rechter een oordeel geeft over het recht en de feiten en er sprake is van sufficiency of review) is geschaad, hetgeen is strijd is met art. 6 EVRM en met de Nederlandse openbare orde. In rnr. 43 van het verweerschrift in eerste aanleg kaart de man de beoordeling aan van deze rechter betreffende zijn levensstijl in het kader van de vraag of de man in staat is om voor zijn dochter te zorgen. In rnr. 44 stelt hij dan:
- ‘44.
Hoewel de Court of Appeal later de oordelen van de rechter dat de man ongeschikt is om contact met zijn kind te hebben (1 juli 2016) en hem zijn vaderschapsrecht ontneemt (3 april 2017) ongedaan maakt, kan deze rechter niet langer worden beschouwd als een onpartijdige en onafhankelijke instantie. Desalniettemin blijft de zaak steeds bij dezelfde rechter liggen, hetgeen er mogelijk ook toe heeft geleid dat de procedure thans in de impasse is geraakt, waarin zij zich bevindt. Een eerlijke rechtsgang wordt zodoende belemmerd.’
Bij pleitnotities van de man d.d. 19 mei 2020 in eerste aanleg wordt hier niet op teruggekomen, maar wel wordt in rnrs. 21 – 27 verwezen naar de als productie 17 overgelegde uitleg van de Amerikaanse advocaat, waarin zij uiteenzet hoe de rechtsgang in New Orleans is geregeld. In rnr. 27 wordt in dat kader aangehaald wat er in casu in die procedure waarvan tenuitvoerlegging van de uitspraken wordt verzocht het mis is gegaan, waarbij de ‘persoonlijke opvattingen van de rechter een grote rol lijken te spelen bij haar beslissingen’.
In hoger beroep stelt de man daarover bij beroepschrift
- —
in rnr. 7 het feit dat zijn verzoek om verdaging begin januari 2016 niet is gehonoreerd aan vooringenomenheid van de rechter, die zijn zaak behandelde en die later ook meerdere beslissingen heeft genomen, die in appel unaniem zijn vernietigd. Dat deze beslissingen niet betrekking hadden op het alimentatiegeschil of de veroordelingen tot contempt of court is daarbij niet van belang, aldus de man in rnr. 7. Er was in casu geen sprake van een fair trial, omdat [de man] bij voorbaat geconfronteerd werd met een rechter, die vooringenomen was en hem niet het recht op wederhoor gaf.
- —
In rnr. 20 herhaalt de man de stelling dat de behandelend rechter in New Orleans, rechter Nakisha Ervin-Knott, zijn zaak niet volgens de regels van een fair trial heeft behandeld omdat deze rechter vooringenomen was.
- —
In rnr. 21 stelt de man dat in de beroepszaak, die op 14 juni 2017 door het Court of Appeal, Fourth Circuit van de staat Louisiana, oordeelde de appelrechter (zie productie 7 in 1c instantie aan de zijde van [de man], aldaar pagina 14 en 15) dat het onthouden van een omgangsregeling alleen in extreme situaties kan worden opgelegd. De omstandigheden die door rechter Nakisha Ervin-Knott waren aangedragen waren (zie pagina's 6–10 van de hierboven bedoeld uitspraak in appel): dat [de man] verklaart had dat hij een atheïst was, dat [de man] gedurende het huwelijk reizen naar verschillende landen had gemaakt, dat [de man] meer in reizen en deelnames aan overdadige sexfeestjes was geïnteresseerd dan in zijn vaderschap, dat zijn leefstijl, zijn gebrek aan geloofwaardigheid, het feit dat hij gerechtelijke bevelen niet naleeft, zijn gebrek in belangstelling om zijn kind te zien tijdens de jaren waarin zij wordt gevormd aantonen dat zijn morele houding nadelig is voor het kind, wat hem naar verluidt weerhield van reizen per vliegtuig.
- —
In rnr. 22 stelt de man dat deze en soortgelijke opmerking aantonen dat het persoonlijke oordeel van de behandelend rechter, Nakisha Ervin- Knott over hem een rol heeft gespeeld in haar besluiten. Deze persoonlijke opvattingen hebben niet alleen een rol gespeeld bij beslissingen over omgang, maar ook in andere beslissingen, die zij moest nemen. In ieder geval heeft deze rechter de verdenking op zich geladen dat zij [de man] geen fair trial heeft gegeven. Opvolgende rechters gaan voort op de ingeslagen weg. Zij herstellen in ieder geval niet de eventuele fouten van hun voorgangster door haar beslissingen (met terugwerkende kracht) ongedaan te maken.
- —
In rnr. 23 concludeert de man daaruit dat hem een behoorlijke rechtsgang is onthouden zodat de beslissingen van de Civil Court in New Orleans niet in aanmerking komen voor tenuitvoerlegging in Nederland.
Bij aanvullend verweerschrift in appel rnr. 13 sub n: voegt de man daar nog aan toe (gewijzigde lay-out-HJWA)
- ‘n.
Fair trial houdt in berechting door een onafhankelijke niet vooringenomen rechter.
Gebleken is dat de Amerikaanse rechter, die de vonnissen tegen de man velde, niet onpartijdig, niet onafhankelijk, en vooringenomen was. Ze heeft het persoonlijk intieme leven van de man en het feit dat hij atheïstisch is, mee laten wegen in haar vonnissen tegen de man.
Zie hetgeen gesteld in par. 43–44 verweerschrift man ie aanleg, en de verklaring van de Amerikaanse advocaat (prod. 17 man 1e aanleg, pag. 5 bullit 2):‘the district court judge showed extreme distaste for Mr. [de man]'s lifstyle choices.’ Dezelfde rechter heeft ook het volledige omgangsrecht (100% dus) van de man met zijn dochter ontzegd, zonder dat daar reden voor was. Dit is veelzeggend over betreffende rechter. Uit haar beslissingen blijkt haar vooringenomenheid en partijdigheid.
Dit blijkt uit de beslissingen betreffende de voorlopige alimentatiekwestie. Daarbij moet niet alleen sec worden gekeken naar de beslissing, maar ook hoe de beslissing tot stand is gekomen:
- 1)
meermaals afwijzing van het verzoek van de man in persoon per Skype/Face Time te verschijnen (zelfs als de man medisch niet in staat is om te verschijnen), waardoor ook de financiële stukken m.b.t. draagkracht en behoefte buiten beschouwing zijn gelaten;
- 2)
waardoor er dus geen hoor- en wederhoor heeft plaatsgevonden;
- 3)
geen afweging van de belangen van beide partijen;
- 4)
Uiteraard is een rechter op de hoogte van deze gevolgen en dient hij daarmee behoedzaam om te gaan. Deze rechter in kwestie ging daar niet behoedzaam mee om. De man was fysiek om medische redenen niet in staat om te verschijnen. Het is zeer ongebruikelijk in Amerika om onder die omstandigheden iemand niet in persoon per Skype/Face Time toe te laten;
- 5)
ook het verzoek van de vrouw tot Contempt of Court inclusief gevangenisstraf toe te wijzen, wetende wat de gevolgen zijn, in het bijzonder in combinatie met het feit om iemand niet in persoon per Skype/Face Time toe te laten in combinatie met een dusdanig verstrekkende Contempt of Court wijst op vooringenomenheid;
- 6)
dit klemt te meer daar de Contempt of Court is gegeven op basis van het feit dat de man een alimentatieachterstand heeft (wetende dat de stukken van de man — de jaren dat hij verlies leed — niet in de beoordeling zijn meegenomen) en de man sinds september 2015 de afgesproken omgangsregeling (dat hij 1x per maand een week naar Amerika kwam voor de omgang met zijn dochter) niet is nagekomen (terwijl dat voor de man onmogelijk was omdat hij wegens een zwaar ongeval, een daaropvolgende operatie en revalidatie niet kon vliegen);
- 7)
aantoonbaar de door de vrouw verzochte partneralimentatie niet werd onderbouwd met de door haar ingediende behoefte en er ook dubbeltellingen en optelfouten inzaten, waaraan deze rechter volledig voorbij is gegaan, zie prod. 31 man hb, waarbij door de forensisch accountant is aangegeven wat niet klopte, maar buiten beschouwing is gelaten;
- 8)
dit klemt te meer daar de rechter zelf — hetgeen ook heel ongebruikelijk is — heeft bepaald bij vonnis van 9 december 2015 — dat de voorlopige alimentatie blijft doorlopen totdat de man in persoon verschijnt12, waarbij zij vervolgens keer op keer het verzoek van de man afwijst om per Skype/Face Time te verschijnen;
- 9)
alle regels over internationale betekening naast zich neerlegt en vervolgens in een vonnis schrijven dat de man op juiste wijze is opgeroepen, terwijl er aantoonbaar op geen enkel moment op de juiste en tijdige wijze internationale betekening van de gerechtelijke stukken plaatsgevonden;
- 10)
tot 3 maal toe heeft de man zijn contact/adresgegevens in het geding gebracht, en desondanks schrijft de rechter in haar Order dat de man weigert zijn contact/adresgegevens in het geding te brengen. Dit blijkt ook uit prod. 5–8 man hb, waarbij hij een mail naar de rechtbank stuurt, en hij daar per mail en per post (zie prod. 26 man hb) een antwoord op krijgt. De Amerikaanse rechter was dus zonder meer op de hoogte van de adres & contactgegevens van de man. Daaruit blijkt de vooringenomenheid van de rechter;
- 11)
tot tweemaal toe het verzoek om zichzelf te vertegenwoordigen wordt afgewezen, waaruit blijkt uit het aantal stempels ‘denied’ (normaal 1 stempel, nu 3 stempels) dat dit een vooringenomen rechter is (prod. 3 man hb);
- 12)
pas op het aller-, allerlaatste moment, nadat de termijn reeds is verstreken voor het indienen van stukken stemt de Amerikaanse rechter toe dat de man zichzelf vertegenwoordigt. Een rechter is hiervan op de hoogte en had dus net zo goed bij de 1e of 2e aanvraag akkoord kunnen geven. De 3e aanvraag, ingediend op 6 januari 2016 heeft zij tot 19 januari 2016 laten liggen, dus 14 dagen laten liggen (prod. 4 man hb) De man ontvangt deze toestemming pas op 21 januari 2016. De rechter keurt het dus zodanig kort op de zitting goed. dat de voortgang van de rechtszaak ten nadele van de man was. Op dat moment wist de man namelijk niet beter dat zijn advocaten hem ter zitting zouden moeten vertegenwoordigen en hij dus zelf geen stukken kon indienen. Dat wijst op vooringenomenheid van de rechter;
- 13)
Dezelfde rechter heeft zonder dat er een verzoek daartoe was geagendeerd op een zitting van januari 2016, waarbij het erom ging of de man al dan niet in persoon per Skype/FaceTime mocht verschijnen, de omgangsrechten van de man met zijn dochter afgenomen, wetende dat de man door zijn ongeval niet kon reizen, zie prod. 27 man hb;
- 14)
De toenmalige advocaten van de man hebben hem gezegd dat de behandelend rechter zeer bevooroordeeld was. Dat bleek hen niet enkel uit de beslissingen van de Amerikaanse rechter maar ook uit de wijze waarop de rechter zich in raadkamer (dus ‘off the record’) tegen de advocaten had uitgelaten. Zo had ze zich negatief over de man uitgelaten en had ze allerlei grapjes gemaakt over het ongeval van de man.
Zie ook par. 21 e.v. pleitnota zitting 19 mei 2020 zijde man en hetgeen in 1e aanleg door de man is gesteld.
Uit vorenstaande feiten en omstandigheden blijkt dat de man geen eerlijk proces gehad, omdat de rechter bevooroordeeld was en enkel haar oor naar de vrouw liet hangen. De argumenten van de man en de complete financiële omstandigheden van de man zijn niet meegewogen. Uit het feit dat keer op keer het verzoek van de man om per Skype/Face Time de zitting bij de wonen wordt afgewezen, zelfs als de man fysiek door medische omstandigheden daartoe niet in staat is, wijst op vooringenomenheid van de rechter. Het is namelijk zeer ongebruikelijk dat onder die omstandigheden een dergelijk verzoek wordt afgewezen. Dit is dan ook een schending van art. 6 EVRM en daarmee is er geen sprake van fair trial. De eventuele mogelijkheid van een wrakingsverzoek neemt niet weg dat betreffende behandelend rechter op de zaak bevooroordeeld is en dat de man geen eerlijk proces heeft gehad.’
Bij pleitnotities in hoger beroep rnr. 12 worden deze stellingen herhaald.
Kortom: wanneer de stellingen uit de eerste aanleg worden vergeleken met die uit het hoger beroep dan is het oordeel:
‘[de man] heeft in het hoger beroep geen (nieuwe) stellingen ingenomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Ook in dit hoger beroep is dus niet gebleken dat [de man] ten aanzien van de onderhoudsbijdragen geen eerlijk proces heeft gehad omdat de Amerikaanse rechter vooringenomen zou zijn geweest.’
- 1.
Rechtens onjuist (gelet op artikel 149 Rv) en zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd omdat waar in eerste aanleg ten aanzien van de vooringenomenheid van de betrokken rechter uitsluitend wordt verwezen naar de kritiek van de rechter op de (beweerdelijke) levensstijl van de man, de man in hoger beroep daaraan wordt toegevoegd in het aanvullend verweerschrift in appel rnr. 13 sub n(herhaald en aangevuld in de pleitnota in hoger beroep rnr. 12) dat de vooringenomenheid van de rechter op grond waarvan de man geen fair trial heeft gehad blijkt uit de chronologische gebeurtenissen van het verloop van het proces zelf: zoals weergegeven in rnr. 13 sub n onder 1) t/m 12), op basis waarvan de man eveneens in mr. 13 sub n concludeert dat hij geen eerlijk proces heeft gehad omdat de rechte bevooroordeeld was en enkel het oor naar de vrouw liet hangen hetgeen een schending oplevert van artikel 6 EVRM.
Het gaat dus — aantoonbaar — om nieuwe stellingen en dus niet over wat de voorzieningenrechter in rov. 4.23 overweegt:
‘(…) De overwegingen van de Amerikaanse rechter in de beslissing van 9 mei 2015 over de levensstijl van de man (‘a scandalous lifestyle’) zijn opmerkelijk te noemen. Deze overwegingen zijn echter niet ten grondslag gelegd aan het oordeel over de kinderalimentatie en voorlopige partneralimentatie, maar aan de beslissing over het gezag over de dochter en de omgangsregeling. Tegen deze onderdelen van de beslissing heeft de man met (gedeeltelijk) succes hoger beroep ingesteld bij de Court of Appeal. Verder is, anders dan de man stelt, niet gebleken dat alle beslissingen door deze rechter zijn genomen. De beslissing van 10 oktober 2018 (zie 2.11) is door een andere rechter genomen.
Ook dit betoog kan daarom niet leiden tot het oordeel dat van een behoorlijke rechtsgang geen sprake is geweest.’
Aldus is volstrekt onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk dat en waarom deze nieuwe stellingen niet tot een ander oordeel zouden moeten leiden.20.
Nu daarop als zodanig in eerste aanleg in het geheel geen beroep is gedaan èn uit die stellingen niet anders kan worden afgeleid dat die rechter er inderdaad blijk van geeft partijen niet gelijk te behandelen en de facto de man nergens een reële toegang tot de rechtspleging te geven, is in elk geval onbegrijpelijk althans niet toereikend gemotiveerd dat de man in hoger beroep niets nieuws heeft aangevoerd. Nu de rechtbank het aanvullend verweerschrift in appel ook niet zelfstandig als processtuk in de eindbeschikking noemt, lijkt het erop dat de rechtbank dit stuk bij de beoordeling van dit onderdeel over het hoofd heeft gezien, terwijl het blijkens het p-v van de zitting van 29 september 2022 p. 1 voorlaatste zin dat aanvullend verweerschrift in appel met producties en de eindbeschikking rov. 3 voorlaatste gedachtestreepje, wel tot de gedingstukken behoort.
- 2.
Ook rechtens is onjuist, althans onbegrijpelijk ten aanzien van het oordeel dat ook in hoger beroep ‘dus niet [is] gebleken dat [de man] ten aanzien van de onderhoudsbijdragen geen eerlijk proces heeft gehad’ omdat de rechter bevooroordeeld is. Zoals in rnr. 12 van de pleitnota in hoger beroep is aangevoerd had de bewuste rechter als eindverantwoordelijke voor een fair trial. Die rechter gebruikt echter die procedure uitsluitend als incassomiddel voor de vrouw, ook als de man aangeeft dat in het geheel niet te kunnen betalen.
- 3.
Althans gaat de rechtbank niet in op de procesrechtelijke aspecten in zoals aangevoerd in het aanvullend verweerschrift in appel onder 13 sub n, herhaald in de pleitnota onder 12, waaruit blijkt dat de Amerikaanse rechter in onderhavig geval vooringenomen was. Zie ook aanvullend verweerschrift in appel 29 januari 2022 pag. 13/18 onder par. n e.v. en spreekaantekeningen: geen onpartijdige rechter: ‘justice must not only be done, it must also be seen to be done’ Daaruit blijkt onomstotelijk dat de man geen eerlijk proces heeft gehad omdat de rechter bevooroordeeld was.
V. Veegklacht
De gegrondbevinding van één of meer van de voorgaande klachten raakt de daarop voortbouwende rovv. 6.15 en 6.16 en het dictum van de eindbeschikking.
Redenen waarom:
Verzoeker tot cassatie zich wendt tot Uw Raad met het eerbiedig verzoek de tussenbeschikking van het gerechtshof Amsterdam van 14 september 2021 gewezen onder nummer 200.285.111/01 en de eindbeschikking van de rechtbank Amsterdam d.d. 10 november 2022, gewezen onder het nummer C/13/713931 HA RK 2250, waartegen opgemeld middel is gericht, te vernietigen met zodanige verdere uitspraak als naar het oordeel van Uw Raad behoort te worden gegeven; kosten rechtens!
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 12‑01‑2023
Zie bijvoorbeeld p-v zitting voorzieningenrechter d.d. 19 mei 2020 p. 4 eerste twee woordblokken na het kopje ‘de man verklaart, zakelijk weergegeven. Zie van dat p-v p. 6 waar mr. Spoormans namens de man verklaart: De man woont en verblijft niet in Nederland en heeft geen inkomsten in Nederland, ook niet ten tijde van indiening van het verzoekschrift. Voor rechtsmacht vereist de wet dat er executiemogelijkheden zijn, maar die zijn er niet. In [A] zijn geen activiteiten meer, dat is een vennootschap in liquidatie. Ook in 2018 waren de activiteiten van deze onderneming al beëindigd. Het bedrijf was toen al verhuisd van de Keizersgracht naar Duivendrecht vanwege de kosten. Er zijn geen verhaalsmogelijkheden voor de vrouw in Nederland, daarom heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht. Mogelijk toekomstige inkomsten vormen geen basis voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Zie verder onder het kopje ‘Mr. Van Maanen verklaart zakelijk weergegeven’, waarin zij refereert aan de verklaring van de man dat de onderneming in liquidatie is.
Aanvullend verweerschrift van de man in hoger beroep rnr. 4 p. 3.
Zie vorige noot.
Zie ook aanvullend verweerschrift man d.d. 29 januari 2022 rnrs. 1 t/m 6; spreekaantekeningen van de man pag.1-2 proces-verbaal van behandeling van een verzoekschrift).
Zie noot 1.
Zie HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077: Zowel rechter in eerste aanleg als de rechter in hoger beroep is gehouden ambtshalve de rechtsmacht van de Nederlandse rechter aan een onderzoek te onderwerpen. Voor de rechter in hoger beroep geldt deze verplichting ook indien geen van de partijen zich over de vraag naar de rechtsmacht van de Nederlandse rechter heeft uitgelaten, en tevens indien die vraag buiten de grenzen van het door de grieven ontsloten gebied van de rechtsstrijd in hoger beroep valt.
Ten aanzien van deze klacht is het belang van de man erin gelegen om vastgesteld te krijgen dat wordt vastgesteld dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, zodat dit eventueel in een executieprocedure in het kader van een beroep op misbruik van recht kan worden gebruikt. Dit nog daargelaten dat de rechtsontwikkeling hiermee is gediend. De man realiseert zich dat er mogelijk destijds niet tijdig tegen de tussenbeschikking van het hof voor zover die als een eindbeschikking kan worden aangemerkt direct cassatieberoep is ingesteld.
Vgl. Rb. Midden-Nederland 24 april 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:1621, JPF 2019/70 met kritische noot van I. Sumner (op 7 maart 2019 gedaan verzoek tot tenuitvoerlegging van een op 29 mei 2014 in Oekraïne gegeven beslissing inzake kinderalimentatie).
Appelschrift rnr. 11 en aanvullend verweerschrift in appel rnrs. 13 sub c en 15,
Appelschrift rnr. 11.
Aanvullend verweerschrift rnr. 13 sub b.
Aanvullend verweerschrift rnr. 13 sub b.
Aanvullend verweerschrift rnr. 13 sub b.
Aanvullend verweerschrift rnr. 13 sub b.
De vrouw heeft feitelijk geen behoefte aan alimentatie. Dat blijkt uit het transcript van de zitting van 4 april 2017 (prod. 16 man hb), pag. 7: het feit dat de man USD 1750 tot USD 2000 per maand aan kinderalimentatie betaalt is voor haar ‘insignificant’. Haar doel is dat de vaderschapsrechten van de man worden beëindigd (zie haar schikkingsvoorstel: prod. 9 man 1e aanleg). Dit heeft de man aangevoerd bij de rechtbank, zie spreekaantekeningen nr. 19.
Zie de hierboven in randnummer 1.3 genoemde bedragen.
Zie bijvoorbeeld aanvullend verweerschrift rnr. 17 sub b, c en d
Aanvullend verweerschrift rnrs. b t/m f.
Zie o.a. Asser/Vonken 10-I 2018/231.
Wat de rechter hier in feite doet — en dat blijkt ook uit de transcriptie van de zitting — is het gehele procesrecht inzetten uitsluitend ter incasso voor de vrouw (productie 16 bij beroepschrift p. 26 vet door mij-HJWA):THE COURT:You don't have to agree, Mr.Hoffman. And I've had some very novel arguments for me to keep a case. Wes is back there nodding his head. That is why my records are abundantly clear. What I'm trying to do-- and I know this case, I get that And there a lot of these cases that come before me that we absolutely know inside and out, which is why I'm trying to get some money.I don't like ordering people to jail, I don't The whole purposel do that is to motivate them te come up with the money. That's my whole ‘reason. Because I don't think if a party is in jail and he's or she is not able to earn an income, I don't know how that helps the end game. The whole purpose of what I'm doing here is to get the money in hand.That's just for me a motivation, and miraculously they come up with it when they have to be transported to jail. Here, this is a unique situation, because he is out of the country. He's not even a resident of the United States, so how do we get some money from him? How do we get some satisfaction for your client? I know it may not be the relief that you want, not all of it, but this is a huge step towards it.And guess what, if in 40 days he doesn't come up with the $50,000, nothing changes. Other than this just a little delay for you to get the next hearing date, which will come.