Rb Amsterdam 2 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7122.
Rb. Amsterdam, 12-07-2022, nr. 13/751953-21
ECLI:NL:RBAMS:2022:4014
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
12-07-2022
- Zaaknummer
13/751953-21
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2022:4014, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 12‑07‑2022; (Eerste en enige aanleg)
ECLI:NL:RBAMS:2021:7122, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 02‑12‑2021; (Eerste en enige aanleg, Tussenuitspraak)
Uitspraak 12‑07‑2022
Inhoudsindicatie
EAB Polen, vervolging. Verwijzing naar tussenuitspraak 2 december 2021. Artikel 11 OLW, geen individueel gevaar op schending recht op eerlijk proces. Overlevering toegestaan.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751953-21
RK nummer: 21/5281
Datum uitspraak: 12 juli 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 28 september 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 juni 2021 door de Regional Court in Lublin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1975,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
Zitting 17 november 2021
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 november 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat te Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Tussenuitspraak 2 december 2021
Bij tussenuitspraak van 2 december 2021 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) naar aanleiding van de verwijzingsbeslissing van 14 september 2021 met kenmerk: ECLI:NL:RBAMS:2021:5051.
De rechtbank heeft de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW verlengd met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met zestig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW, omdat zij in afwachting is van voornoemde uitspraak van het HvJ EU en zij daarom nog niet over de verzochte overlevering kan beslissen.
Verlenging beslistermijn
Op 9 februari 2022, 15 april 2022 en 15 juni 2022 heeft de raadkamer de beslistermijn verlengd met telkens zestig dagen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met telkens zestig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 28 juni 2022
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 28 juni 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A. Timorason, waarnemend voor mr. M.M.R. Slaghekke, beiden advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak 2 december 2021
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 2 december 2021,1.waarin zij de grondslag en inhoud van het EAB heeft beoordeeld en heeft vastgesteld dat onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht achterwege moet blijven, nu de strafbare feiten zijn aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Daarnaast heeft de rechtbank het door de raadsman gevoerde onschuldverweer alsook de door hem gevoerde verweren in het kader van artikel 6 OLW en artikel 11 OLW verworpen (ten aanzien van artikel 11 OLW is de behandeling deels aangehouden, zie hieronder punt 4). Tot slot heeft de rechtbank een oordeel gegeven over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW: het gegeven dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, worden geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, geeft onvoldoende aanleiding de weigeringsgrond toe te passen.
4. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.2.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.3.
5. Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
6. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW.
7. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Regional Court in Lublin (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. A.J. Scheijde en R. Godthelp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.A. Dijk, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 12 juli 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑07‑2022
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
Uitspraak 02‑12‑2021
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751953-21
RK nummer: 21/5281
Datum tussenuitspraak: 2 december 2021
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 28 september 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 juni 2021 door the Regional Court in Lublin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1975,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 november 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat te Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van the District Court Lublin-West in Lublin van 26 februari 2021 (referentienummer: IX Kp 183/21 (RP III Ds 3.2020).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
4. Strafbaarheid:
feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 5, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
5. Onschuldverweer
De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond.
De onschuldbewering kan reeds om die reden niet leiden tot weigering van de overlevering.
6. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon een garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW verstrekt dient te worden, omdat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, OLW. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman verscheidene stukken overgelegd, onder andere met betrekking tot het arbeidsverleden van de opgeëiste persoon in Nederland. De raadsman heeft op basis van deze stukken gesteld dat is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon tenminste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering in ieder geval niet toe te staan zonder dat er een garantie zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW is verstrekt.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat gelijkstelling zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, OLW niet aan de orde is. Op basis van de stukken die de raadsman heeft overgelegd kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon voor gelijkstelling in aanmerking komt, omdat uit de stukken niet blijkt dat hij tenminste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Daarnaast blijkt uit de brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 15 november 2021 dat ten aanzien van de opgeëiste persoon niet de verwachting bestaat dat hij zijn recht van verblijf niet zal verliezen als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht het gelijkstellingsverzoek af te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat gelijkstelling zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, OLW niet aan de orde is. Niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Het verweer van de raadsman wordt reeds hierom verworpen.
7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW
Het EAB heeft betrekking op feiten die worden geacht gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan de rechtbank de overlevering in die situatie weigeren.
De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd:
- -
Het onderzoek is in Polen aangevangen;
- -
De bewijsmiddelen bevinden zich in Polen;
- -
De verdovende middelen waren bedoeld voor de Poolse markt;
- -
De medeverdachten worden in Polen berecht.
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft op dit punt geen verweer gevoerd.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en toepassing van een facultatieve weigeringsgrond de uitzondering dient te zijn;
- de weigeringsgrond ertoe strekt te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten vormt daarom het gegeven dat de feiten worden geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.
7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 11 OLW: de Poolse rechtsstaatproblematiek
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman een perscommuniqué van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) van 16 november 2021 overgelegd. De Poolse Minister van Justitie bekleedt een dubbelrol; hij is tevens procureur-generaal en heeft de bevoegdheid om gedetacheerde rechters te promoveren en degraderen. Het HvJEU concludeert dat dit in strijd is met het Unierecht omdat dit ertoe leidt dat de onafhankelijkheid van Poolse rechters niet is gewaarborgd. Wanneer de opgeëiste persoon zou worden overgeleverd aan Polen, bestaat er een groot en reëel risico dat hij geen eerlijk proces zal krijgen. De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht de overlevering te weigeren op grond van artikel 11 OLW.
Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht het onderzoek in de zaak van de opgeëiste persoon voor onbepaalde tijd te schorsen in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen, gesteld door deze rechtbank in de verwijzingsbeslissing van 14 september 2021 (hierna: de prejudiciële vragen).1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek in de zaak van de opgeëiste persoon geschorst dient te worden voor onbepaalde tijd, in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen. De stukken die de raadsman heeft overgelegd vormen geen aanleiding om de overlevering op dit moment al te weigeren. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht het primaire verweer van de raadsman te verwerpen en de zaak voor onbepaalde tijd te schorsen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de informatie die de raadsman heeft overgelegd op dit moment niet leidt tot de vaststelling dat aan de overlevering geen gevolg dient te worden gegeven op grond van artikel 11 OLW. Het primaire verzoek van de raadsman wordt afgewezen.
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de raadsman is de rechtbank met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat het onderzoek in de zaak van de opgeëiste persoon heropend dient te worden en voor onbepaalde tijd dient te worden geschorst, teneinde de antwoorden op de prejudiciële vragen af te wachten. Het subsidiaire verzoek van de raadsman wordt toegewezen.
8. Slotsom
De rechtbank acht het noodzakelijk om de antwoorden op de prejudiciële vragen af te wachten teneinde te kunnen beslissen op het overleveringsverzoek.
Op grond van artikel 22, vierde lid, OLW verlengt de rechtbank de beslistermijn met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
9. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 7, 11 en 13 OLW.
10. Beslissing
- HEROPENT EN SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie naar aanleiding van de verwijzingsbeslissing van 14 september 2021 met kenmerk: ECLI:NL:RBAMS:2021:5051.
- VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de beslistermijn met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
- BEPAALT dat de zaak vóór 22 februari 2022 op zitting dan wel in raadkamer wordt aangebracht in verband met de eventuele nadere verlenging van de beslistermijn en vrijheidsbeneming (conform de artikelen 22 en 27 OLW).
- BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
- BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. P. van Kesteren en C.M. Delstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.A. Dijk, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 2 december 2021.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 02‑12‑2021
Rechtbank Amsterdam 14 september 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5051.