NJB 2026/714
Proceskosten. Afwijking van de forfaitaire vergoeding.
HR 20-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:283
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20 maart 2026
- Magistraten
Mrs. Van Eijsden, Feteris, Boerlage, Van der Voort Maarschalk, Van Roi
- Zaaknummer
24/04263
25/02185
25/02191
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑03‑2026
ECLI:NL:HR:2026:460, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑03‑2026
ECLI:NL:HR:2026:457, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑03‑2026
ECLI:NL:HR:2026:283, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑03‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:994, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 29‑08‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:908, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 29‑08‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:909, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 29‑08‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:907, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 29‑08‑2025
- Wetingang
(art. 8:75 Awb)
Essentie
Proceskosten. Afwijking van de forfaitaire vergoeding.
Uitspraak
Hoge Raad, onder meer:
‘Verminderen van de forfaitaire vergoeding
4.2.2
Op grond van artikel 8:75, lid 1, Awb is de bestuursrechter bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127, zijn de proceskostenvergoedingen naar de bedoeling van de wetgever slechts bedoeld als tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte kosten, en ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.