NJB 2024/1565:Voordeelsontneming op grond van art. 36e lid 3 Sr: daartoe is vereist dat de betrokkene is veroordeeld voor een misdrijf dat wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie en aannemelijk is dat dit misdrijf of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Niet is vereist dat die andere strafbare feiten concreet worden aangeduid. Het staat de rechter echter vrij om dat wel te doen. Als de rechter dan oordeelt dat het de betrokkene is die deze concreet aangeduide andere strafbare feiten heeft begaan, zal uit de uitspraak moeten blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter dat oordeel heeft ontleend. In casu is dit ontoereikend gemotiveerd.