In zeventien samenhangende zaken is cassatieberoep ingesteld.In de volgende elf zaken (met inbegrip van de voorliggende zaak) zal ik vandaag een conclusie nemen. Dat zijn 22/00470 ( [medeverdachte 3] ), 22/00391 ( [medeverdachte 9] ), 22/00406 ( [medeverdachte 4] ), 22/00487 ( [betrokkene] ), 22/00729 P ( [betrokkene] ), 22/00787 P ( [medeverdachte 4] ), 22/00832 P ( [medeverdachte 6] ), 22/00485 ( [medeverdachte 6] ), 22/00484 ( [medeverdachte 1] ), 22/00896 P ( [medeverdachte 1] ), en 22/00488 ( [medeverdachte 7] ).In de volgende zes zaken is vandaag geen conclusie (meer) nodig. Dat zijn 22/00491 ( [medeverdachte 2] ), 22/00907P ( [medeverdachte 2] ) en 22/00906P ( [medeverdachte 9] ). Dit betreffen zaken waarin het OM zijn cassatieberoep heeft ingetrokken. 22/00851P ( [medeverdachte 7] ) en 22/00789P ( [medeverdachte 8] ) betreffen beide zaken waarin geen middelen zijn ingediend (peken). Deze zaken zijn door de Hoge Raad op 7 november 2023 met een niet-ontvankelijkverklaring afgedaan. 22/00490 ( [medeverdachte 8] ) betreft een zaak waarin de betekening van het beroep op de voet van art. 433 Sv nog niet heeft plaatsgehad.
HR, 25-06-2024, nr. 22/00729
ECLI:NL:HR:2024:894
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-06-2024
- Zaaknummer
22/00729
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:894, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑06‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:230
ECLI:NL:PHR:2024:230, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑02‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:894
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑05‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0148
Uitspraak 25‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Zaak IJsberg. Profijtontneming, w.v.v. uit Opiumwetdelicten en verkoop van informatie over ‘backdoors en exploits’ op darkweb. Ontneming o.g.v. art. 36e.3 Sr waarbij rechter oordeelt dat betrokkene concreet aangeduid strafbaar feit heeft gepleegd. Heeft hof toereikend gemotiveerd dat betrokkene met ‘verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits’ een ‘ander strafbaar feit’ a.b.i. art. 36e.3 Sr heeft begaan? W.v.v. kan o.g.v. art. 36e.3 Sr worden ontnomen als betrokkene is veroordeeld voor misdrijf van vijfde geldboetecategorie en aannemelijk is dat dit misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Art. 36e.3 Sr stelt niet eis dat die andere strafbare feiten concreet worden aangeduid. Als rechter dat wel doet en oordeelt dat het betrokkene is die deze feiten heeft begaan, zal uit uitspraak moeten blijken aan welke f&o dat is ontleend (vgl. HR:2021:1498 over art. 36e.2 Sr). Hof heeft toepassing gegeven aan art. 36e.3 Sr en geoordeeld dat aannemelijk is dat misdrijven waarvoor betrokkene is veroordeeld (opzettelijk aanwezig hebben harddrugs en voorbereidingshandelingen voor handel en uitvoer harddrugs) en andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Hof heeft over die andere strafbare feiten geoordeeld dat w.v.v. tot € 70.000 afkomstig is uit ‘verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits’ door betrokkene. Aan verklaring van betrokkene heeft hof kunnen ontlenen dat betrokkene zulke informatie heeft verkocht en dat hij daarmee € 70.000 heeft verdiend. ’s Hofs oordeel dat die verkoop een (ander) strafbaar feit oplevert, is ontoereikend gemotiveerd. Enkele omstandigheid dat die informatie door betrokkene werd verkocht op darkweb volstaat niet. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 22/00391, 22/00406, 22/00470, 22/00484, 22/00485, 22/00487, 22/00488, 22/00787 P, 22/00832 P en 22/00896 P en met 22/00789 P en 22/00851 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00729 P
Datum 25 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 1 maart 2022, nummer 22-005185-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft J.E. Kötter, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het voert daartoe aan dat het hof ontoereikend heeft gemotiveerd dat de betrokkene een ‘ander strafbaar feit’ heeft begaan.
2.2.1
Het hof heeft het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 247.295,61 en heeft daartoe overwogen:
“Procesgang(...)Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit hof van 1 februari 2022 is de betrokkene ter zake van het in zijn strafzaak onder 2 en 3 bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:
t.a.v. feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
t.a.v. feit 3: om een feit bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 weken, met aftrek van voorarrest.(...)Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel(...)In aanvulling op de weergave van de procesgang van de strafzaak in hoger beroep heeft het hof de betrokkene veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA, amfetamine en heroïne, alsmede voor het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in en uitvoer van deze harddrugs.
Het hof stelt vast dat de betrokkene in de strafzaak is veroordeeld wegens misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, een en ander zoals vereist voor toepassing van artikel 36e, lid 3, Sr. Dat geldt zowel voor feit 2 als feit 3.
Naar het oordeel van het hof is, gegeven het arrest van het hof in de strafzaak van 1 februari 2022 en gelet op de inhoud van het dossier, aannemelijk dat zowel de misdrijven waarvoor de betrokkene is veroordeeld onder 2 en 3, als andere strafbare feiten (niet zijnde het witwasfeit, maar onder andere het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits) op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, als bedoeld in artikel 36e Sr.
Het hof gaat daarbij uit van de navolgende feiten en omstandigheden.
De betrokkene heeft in de periode van 6 februari 2015 tot en met 10 december 2015 BTC 1.887,81 ontvangen, met een waarde van € 463.990,24.
Het hof gaat ervan uit dat de betrokkene dit bedrag met de handel in verdovende middelen heeft verdiend, alsmede met het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits.[voetnoot](...)De betrokkene heeft enige inzage gegeven in welk deel van zijn inkomsten betrekking heeft gehad op het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits. De betrokkene heeft immers ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij met het verkopen van backdoors en exploits een bedrag van € 70.000,-- heeft verdiend.(...)
Conclusie
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van:
(...)Nettowinst verdovende middelen € 177.295,61Omzet backdoors en exploits € 70.000,00
Voordeel € 247.295,61
[voetnoot] De verklaring van de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2021.”
2.2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10, 11, 22, 25 november, 1 december 2021 en 18 januari 2022 heeft de betrokkene op 11 november 2021 onder meer verklaard:
“U houdt mij voor dat de tenlastelegging gaat over de periode in 2015. In deze periode was ik bezig met traden en ik handelde met behulp van bitcoins ook in andere cryptovaluta. Dit ging via verschillende platforms, niet via het darkweb. Door veel inlezen op verschillende forums en sites kwam ik op darkwebsites uit. Waar je bij exchanges moet wachten op fluctuaties en marktveranderingen, kun je het bij forums verdienen door het uitwisselen van informatie. Ik was mij ervan bewust dat op het darkweb ook andere dingen werden verkocht. Wij voerden gesprekken over hoe je in bepaalde apps kon komen of mee kon kijken, via zogenaamde backdoors en exploits. Voorheen handelde men in crypto's alsof het niets was, nu gaat het om heel veel geld. Er gebeuren de raarste dingen op internet. Mensen betalen tegenwoordig bijvoorbeeld om andere mensen te zien eten. Het ging heel makkelijk allemaal. Ik gaf via verschillende forums advies en langzaam werd ik steeds bekender. Hier verdiende ik er geld mee, variërend van 0,2 tot soms wel 3 bitcoins. De mensen die mij betaalden, gaven nog steeds hun bitcoins uit alsof ze maar een paar centen waard waren, ze waren heel vrijgevig. Mijn profiel werd steeds bekender en ik werd een ‘trusted person’. Ik wist er veel van af.(...)Ik handelde in de cryptomunten en voor het overige heb ik de munten verdiend door het verkopen van informatie en deed ik aan daytraden.(...)U, de jongste raadsheer, houdt mij mijn verklaring voor die ik bij de rechtbank heb afgelegd, waarbij ik bevestig dat er 88 transacties hebben plaatsgevonden met een waarde van € 70.000,-. Dit klopt inderdaad. Ik kan als ik met iemand praat niet controleren waar hij zijn bitcoins vandaan haalt, maar het waren inderdaad forums op het darkweb. U vraagt mij hoe ik aan de informatie over backdoors en exploits kwam. Ik heb al mijn kennis zelf opgedaan via Google. Ik heb hiervoor nooit een opleiding gevolgd. U vraagt mij of u het goed begrijpt dat er 88 mensen waren, die zo naïef waren dat zij contact met mij opnamen en mij in totaal € 70.000,- betaalden voor informatie die gewoon gratis op internet te vinden was. Van de miljoenen mensen die er waren, ja.(...)Ik verkocht ook informatie op darknetsites, daarom komen sommige bitcoins hiervandaan.”
2.3
Artikel 36e leden 1 tot en met 3 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. (...)”
2.4
Wederrechtelijk verkregen voordeel kan op grond van artikel 36e lid 3 Sr worden ontnomen als de betrokkene is veroordeeld voor een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie en aannemelijk is dat dit misdrijf of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Artikel 36e lid 3 Sr stelt niet de eis dat die andere strafbare feiten concreet worden aangeduid. Het staat de rechter echter vrij om dat wel te doen. Als de rechter dan oordeelt dat het de betrokkene is die deze concreet aangeduide andere strafbare feiten heeft begaan, zal uit de uitspraak moeten blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter dat oordeel heeft ontleend. (Vgl., over artikel 36e lid 2 Sr, HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498, rechtsoverweging 2.5.3.)
2.5.1
Het hof heeft toepassing gegeven aan artikel 36e lid 3 Sr en geoordeeld dat aannemelijk is dat zowel de misdrijven waarvoor de betrokkene is veroordeeld – kort gezegd: het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs en het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in en de uitvoer van harddrugs – als andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof heeft over die andere strafbare feiten onder meer geoordeeld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van € 70.000 afkomstig is uit “het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits” door de betrokkene.
2.5.2
Aan de hiervoor onder 2.2.2 weergegeven verklaring van de betrokkene heeft het hof kunnen ontlenen dat de betrokkene “informatie omtrent backdoors en exploits” heeft verkocht en dat hij daarmee € 70.000 heeft verdiend. Het oordeel van het hof dat die verkoop een (ander) strafbaar feit oplevert, is echter ontoereikend gemotiveerd. De enkele omstandigheid dat die ‘informatie’ door de betrokkene werd verkocht op het ‘darkweb’ volstaat daarvoor niet.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2024.
Conclusie 27‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. ‘IJsberg’-zaak. Profijtontneming. OM-cassatie en cassatie betrokkene. OM-cassatie is ingetrokken. Middelen van de betrokkene klagen over (1) de motivering van het oordeel van het hof dat de betrokkene ‘andere strafbare feiten’ heeft begaan, en (2) overschrijding van de redelijke termijn. Beide middelen slagen. Ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 22/00470, 22/00391, 22/00406, 22/00487, 22/00485, 22/00787 P, 22/00832 P, 22/00484, 22/00896 P, en 22/00488.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00729 P
Zitting 27 februari 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de betrokkene
Inleiding
1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 1 maart 2022 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 247.295,61 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. J.E. Kötter, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Ook de advocaat-generaal bij het gerechtshof Den Haag heeft cassatieberoep ingesteld. Het namens het OM ingestelde cassatieberoep is op 11 mei 2023 ingetrokken.
4. Deze ontnemingszaak maakt – tezamen met de tien samenhangende zaken waarin ik vandaag ook concludeer1.– deel uit van het onderzoek met de naam ‘IJsberg’. Centraal in dit onderzoek staan de handel in en het contant maken van bitcoins, waarbij een verdenking van witwassen is gerezen.
De strafzaak
5. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft het hof de betrokkene wegens 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “om een feit bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit” veroordeeld tot 26 weken gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de teruggave gelast van een in beslag genomen telefoon (Blackberry).
Het eerste middel
6. Het eerste middel klaagt over de ontoereikende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
7. Het hof heeft in de bestreden uitspraak het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt berekend:
“In aanvulling op de weergave van de procesgang van de strafzaak in hoger beroep heeft het hof de betrokkene veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA, amfetamine en heroïne, alsmede voor het treffen van voorbereidingshandelingen voor de handel in en uitvoer van deze harddrugs.
Het hof stelt vast dat de betrokkene in de strafzaak is veroordeeld wegens misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, een en ander zoals vereist voor toepassing van artikel 36e, lid 3, Sr. Dat geldt zowel voor feit 2 als feit 3.
Naar het oordeel van het hof is, gegeven het arrest van het hof in de strafzaak van 1 februari 2022 en gelet op de inhoud van het dossier, aannemelijk dat zowel de misdrijven waarvoor de betrokkene is veroordeeld onder 2 en 3, als andere strafbare feiten (niet zijnde het witwasfeit, maar onder andere het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits) op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, als bedoeld in artikel 36e Sr.
Het hof gaat daarbij uit van de navolgende feiten en omstandigheden.
De betrokkene heeft in de periode van 6 februari 2015 tot en met 10 december 2015 BTC 1.887,81 ontvangen, met een waarde van € 463.990,24.2.
Het hof gaat ervan uit dat de betrokkene dit bedrag met de handel in verdovende middelen heeft verdiend, alsmede met het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits.3.
Gelet op het reparatoire karakter van de in artikel 36e Sr opgenomen maatregel, moet bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald (vgl. Hoge Raad 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0785, NJ 1998,154)
Bij het bepalen van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen kosten in mindering worden gebracht die in rechtstreeks verband staan met de bewezenverklaarde strafbare feiten en die redelijkerwijs voor aftrek in aanmerking komen.
Met de rechtbank acht het hof het in strijd met het reparatoire karakter van de maatregel om het voordeel dat in de concrete omstandigheden van het voorliggende geval daadwerkelijk is behaald gelijk te stellen aan de gerealiseerde omzet. Winst is immers omzet minus kosten.
Om het reparatoire karakter tot uitdrukking te laten komen moeten op het bedrag van de omzet dan ook de kosten in aftrek worden gebracht die in redelijkheid rechtstreeks aan de omzet zijn toe te rekenen. Nu het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep geen duidelijkheid hebben verschaft over de omvang van die kosten, zal het hof deze - net als de rechtbank - in goede justitie moeten schatten.
De betrokkene heeft enige inzage gegeven in welk deel van zijn inkomsten betrekking heeft gehad op het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits. De betrokkene heeft immers ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij met het verkopen van backdoors en exploits een bedrag van € 70.000,-- heeft verdiend.
Met de rechtbank gaat het hof bij de hiervoor bedoelde schatting uit van een brutowinstpercentage van 50% en zal het hof de overige kosten (verzending, kantoororganisatie, etc.) schatten op 10% van de inkoop.
Conclusie
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van:
Omzet verdovende middelen € 393.990,24
Brutowinst in % 50%
Brutowinst in € € 196.995,12
Overige kosten % 10%
Overige kosten in € € 19.699,51
Totale kosten - € 216.694,63
Nettowinst verdovende middelen € 177.295,61
Omzet backdoors en exploits € 70.000,00
Voordeel € 247.295,61”
8. Op de terechtzitting van 11 november 2021 heeft de betrokkene volgens het proces-verbaal waarnaar het hof in de bewijsmotivering verwijst – voor zover m.i. relevant – het volgende verklaard:
“U houdt mij voor dat de tenlastelegging gaat over de periode in 2015. In deze periode was ik bezig met traden en ik handelde met behulp van bitcoins ook in andere cryptovaluta. Dit ging via verschillende platforms, niet via het darkweb. Door veel inlezen op verschillende forums en sites kwam ik op darkwebsites uit. Waar je bij exchanges moet wachten op fluctuaties en marktveranderingen, kun je het bij forums verdienen door het uitwisselen van informatie. Ik was mij ervan bewust dat op het darkweb ook andere dingen werden verkocht. Wij voerden gesprekken over hoe je in bepaalde apps kon komen of mee kon kijken, via zogenaamde backdoors en exploits. Voorheen handelde men in crypto’s alsof het niets was, nu gaat het om heel veel geld. Er gebeuren de raarste dingen op internet. Mensen betalen tegenwoordig bijvoorbeeld om andere mensen te zien eten. Het ging heel makkelijk allemaal. Ik gaf via verschillende forums advies en langzaam werd ik steeds bekender. Hier verdiende ik er geld mee, variërend van 0,2 tot soms wel 3 bitcoins. De mensen die mij betaalden, gaven nog steeds hun bitcoins uit alsof ze maar een paar centen waard waren, ze waren heel vrijgevig. Mijn profiel werd steeds bekender en ik werd een ‘trusted person’. Ik wist er veel van af.
(…)
U vraagt mij of ik nader kan specificeren hoe ik mijn geld heb verdiend. Het is heel lastig om mijn adviezen terug te halen, omdat deze websites allemaal offline zijn gehaald. Hierdoor is het onmogelijk om mijn verklaring te onderbouwen. AgoraMarket, Evolution market, NucleusMarket en de MiddleEarthPlace zijn inmiddels allemaal offline.
U, de jongste raadsheer, houdt mij mijn verklaring voor die ik bij de rechtbank heb afgelegd, waarbij ik bevestig dat er 88 transacties hebben plaatsgevonden met een waarde van € 70.000,-. Dit klopt inderdaad. Ik kan als ik met iemand praat niet controleren waar hij zijn bitcoins vandaan haalt, maar het waren inderdaad forums op het darkweb. U vraagt mij hoe ik aan de informatie over backdoors en exploits kwam. Ik heb al mijn kennis zelf opgedaan via Google. Ik heb hiervoor nooit een opleiding gevolgd. U vraagt mij of u het goed begrijpt dat er 88 mensen waren, die zo naïef waren dat zij contact met mij opnamen en mij in totaal € 70.000,- betaalden voor informatie die gewoon gratis op internet te vinden was. Van de miljoenen mensen die er waren, ja.”4.
9. In de strafzaak waarvan de voorliggende ontnemingszaak een afsplitsing is en waarin ik vandaag eveneens concludeer, heeft het hof bij arrest van 1 februari 2022 (waarmee Uw Raad ambtshalve bekend is) – ter bespreking van de vraag of het hier gaat om opbrengsten die ‘onmiddellijk’ uit eigen misdrijf zijn verkregen – het volgende overwogen:
“De verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van de bitcoins is slechts op één punt relatief concreet, namelijk waar het gaat om het verdienen van € 70.000,-- aan het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits. Het verdienen van geld aan het verstrekken van informatie over backdoors en exploits duidt volgens het hof niet op een niet-criminele herkomst van dat geld. Het betreft immers informatie die bij uitstek geschikt is voor het plegen van strafbare feiten. Zo is het niet ondenkbaar dat een exploit kan worden aangemerkt als een technisch hulpmiddel als bedoeld in artikel 139d, tweede lid, onder a, Sr, waarvan het verspreiden strafbaar is. Voorts duidt het verkopen van deze informatie op het darkweb allerminst op een niet-crimineel karakter daarvan; het darkweb wordt juist gebruikt voor activiteiten die het daglicht niet kunnen velen. Voor legale activiteiten is het gewone internet veel aantrekkelijker gezien de grotere klantenkring die daarmee bereikt kan worden.”5.
De toelichting op het middel
10. In de toelichting op het middel wordt door de steller ervan betoogd dat uit het bestreden (ontnemings)arrest onvoldoende volgt aan welke feiten en omstandigheden het hof de ‘voldoende aanwijzingen’ heeft ontleend dat de betrokkene een ‘ander strafbaar feit’ heeft begaan als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr.
11. In het arrest leest de steller van het middel dat naar ’s hofs oordeel aannemelijk is dat zowel de misdrijven waarvoor de betrokkene is veroordeeld onder 2 en 3, als andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De steller van het middel begrijpt ’s hofs oordeel aldus dat die ‘andere strafbare feiten’ (als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr) bestaan uit “het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits”. Daarmee heeft de betrokkene naar eigen zeggen € 70.000,- verdiend. Bij de door het hof opgelegde maatregel wordt de betrokkene – ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel – de verplichting opgelegd tot betaling van onder meer dit bedrag.
12. De klacht luidt dat de betrokkene nimmer heeft gesteld dat de informatie die hij verkoopt, kan worden gezien als ‘andere strafbare feiten’, zoals bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr. “Vorenstaande volgt ook niet uit het dossier”, aldus de steller van het middel. Het had op de weg van het hof gelegen om te motiveren dat met deze verkoop sprake was van ‘andere strafbare feiten’. Nu het hof dit heeft nagelaten, is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd.
De bespreking van het eerste middel
Inleiding: hoe moet het middel worden gelezen?
13. Ik lees het middel zo dat het klaagt over het verzuim om te motiveren waarom “verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits” kan worden aangemerkt als ‘andere strafbare feiten’, zoals bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, en met name waarom dat verkopen überhaupt strafbaar zou zijn.
Hoe moet het oordeel van het hof worden begrepen?
14. Juist is dat in ’s hofs oordeel besloten ligt dat ‘het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits’6.kan worden gerubriceerd onder ‘andere strafbare feiten’. Hieruit volgt dat het hof deze handelwijze (in algemene zin) aanmerkt als een strafbaar feit, begaan door de betrokkene.
15. Anders dan de steller van het middel veronderstelt, heeft het hof de maategel tot ontneming van daaruit verkregen voordeel echter niet gestoeld op artikel 36e lid 1 en 2 Sr, maar op artikel 36e lid 3 Sr. Met ingang van 1 juli 2011 openen zowel lid 2 als lid 3 van artikel 36e Sr met zoveel woorden de weg voor de ontneming van voordeel dat is verkregen uit ‘andere strafbare feiten’. Niettemin zijn de overwegingen van het hof vrij duidelijk toegesneden op uitsluitend lid 3. Het hof overweegt immers (onderstrepingen mijnerzijds):
“dat de betrokkene in de strafzaak is veroordeeld wegens misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, een en ander zoals vereist voor toepassing van artikel 36e, lid 3, Sr. Dat geldt zowel voor feit 2 als feit 3.” Vervolgens acht het hof “aannemelijk dat zowel de misdrijven waarvoor de betrokkene is veroordeeld onder 2 en 3, als andere strafbare feiten (niet zijnde het witwasfeit, maar onder andere het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits) op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, als bedoeld in artikel 36e Sr.”
16. Het misverstand waaronder het middel gebukt gaat, brengt wat mij betreft echter niet mee dat het middel reeds daarom geen hout snijdt. De essentie van de klacht blijft overeind; alleen het toetsingskader is anders. Of het hof werkelijk heeft verzuimd te motiveren waarom “het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits” kan worden geschaard onder ‘andere strafbare feiten’, hangt niet af van de vraag of artikel 36e lid 2 Sr de rechter tot zo’n motivering dwingt, maar of artikel 36e lid 3 Sr dat doet.
Beoordelingskader
De wettelijke grondslagen voor voordeelsontneming: artikel 36e lid 1 en lid 2 versus lid 3 Sr
17. Tussen deze bepalingen bestaan verschillen in het bewijsstramien dat in de toepassingsvoorwaarden van die bepalingen besloten ligt.7.In lid 2 van artikel 36e Sr gaat het om voordeel dat de betrokkene heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarvoor hij is veroordeeld of ‘andere strafbare feiten’. Ontneming van voordeel uit ‘andere strafbare feiten’ is alleen mogelijk indien voor die ‘andere strafbare feiten’ voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. Hiermee correspondeert een voordeelberekening waarin eerst wordt vastgesteld voor welke ‘andere strafbare feiten’ er voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. Pas daarna wordt becijferd wat de omvang is van het voordeel dat de bewezen verklaarde feiten en/of die andere strafbare feiten hem hebben opgeleverd. Een dergelijke voordeelberekening wordt doorgaans als ‘concreet’ bestempeld, omdat daarin vrij specifiek, op transactiebasis wordt geschat wat de opbrengst was van het delict en welke (directe) kosten daartegenover stonden. Kortom, kenmerkend voor de toepassing van de concrete berekeningsmethode is dat de rechter eerst vaststelt dat de betrokkene (andere) strafbare feiten heeft begaan en daarna het daaruit door hem verkregen voordeel berekent.
18. De voordeelsontneming op de grondslag van lid 3 van artikel 36e Sr is van een andere orde. De veroordeelde wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, kan de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van voordeel, “indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.” Een belangrijk verschil tussen de toepassing van enerzijds lid 2 en anderzijds lid 3 van artikel 36e Sr is dat de rechter bij toepassing van deze laatste bepaling niet hoeft te concretiseren welke andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft gekregen, noch wie daarvan de dader was.8.Artikel 36e lid 3 Sr stelt dus niet de eis dat (wordt vastgesteld dat) die ‘andere strafbare feiten’ door de betrokkene zijn begaan.9.Voordeelsontneming op de grondslag van artikel 36e lid 3 Sr gaat veelal samen met een meer abstracte wijze van voordeelberekening. Zij kan bijvoorbeeld toepassing vinden in gevallen waarin aannemelijk is dat een onder de betrokkene aangetroffen vermogensbestanddeel voordeel vertegenwoordigt dat wederrechtelijk is verkregen, zonder dat duidelijk is uit welke delicten precies en wie daarvan de dader is. Ook laat artikel 36e lid 3 toe dat uit de omstandigheden van het geval wordt afgeleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, bijvoorbeeld doordat hij – blijkens een zogeheten ‘kasopstelling’ – structureel meer geld uitgeeft dan kan worden verklaard uit legale bron. Kenmerkend voor deze methode is dat de rechter voordeel becijfert waarvan op basis van de omstandigheden van het geval wordt aangenomen dat het op enigerlei wijze wederrechtelijk is verkregen. Het voordeel staat daarbij voorop; de strafbare feiten blijven onscherp op de achtergrond.
19. Hoewel de concrete berekeningsmethode op het lijf van artikel 36e lid 2 Sr is geschreven en de abstracte berekeningsmethode bij uitstek op dat van artikel 36e lid 3 Sr, vormt het onderscheid tussen lid 2 en lid 3 geen ondoordringbare waterscheiding tussen twee methodes van voordeelberekening. De Hoge Raad laat toe dat een abstracte methode van voordeelberekening, zoals een kasopstelling, wordt gehanteerd bij voordeelsontneming die is geschoeid op artikel 36e lid 2. De toepassingsvoorwaarden van die bepaling vergen evenwel onverkort dat het aan de hand van de (abstracte) berekening vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan het delict of delicten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.10.
De onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM
20. De in artikel 6 lid 2 EVRM verankerde onschuldpresumptie heeft ook in ontnemingsprocedures betekenis, namelijk indien en voor zover een rechterlijke beslissing inhoudt dat de betrokkene zelf een concreet aangeduid strafbaar feit heeft begaan.11.Dit uitgangspunt heeft repercussies voor voordeelsontneming op de voet van artikel 36e lid 2 Sr. Het ontnemen van voordeel dat de betrokkene door middel van of uit de baten van ‘andere strafbare feiten’ heeft verkregen, vergt immers dat de rechter vaststelt dat omtrent die andere strafbare feiten ‘voldoende aanwijzingen’ bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. Dat behelst in essentie een vaststelling van schuld aan een concreet aangeduid strafbaar feit. Om die reden heeft de Hoge Raad bepaald dat de rechter de in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde ‘voldoende aanwijzingen’ voor het begaan van andere (dan de bewezen verklaarde) strafbare feiten uitsluitend mag aannemen indien buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de betrokkene die andere strafbare feiten heeft begaan.12.
21. Voor een op artikel 36e lid 3 gestoelde voordeelsontneming (met toepassing van een abstracte wijze van voordeelberekening) ligt dit anders. Ontneming op grond van lid 3 biedt zoals gezegd de mogelijkheid voor ontneming van voordeel uit ‘andere strafbare feiten’ onder de randvoorwaarde dat aannemelijk is dat de betrokkene op enigerlei wijze uit die andere strafbare feiten voordeel heeft verkregen, terwijl in het midden kan blijven welke strafbare feiten dat zijn en door wie die zijn begaan. Aangezien dit criterium geen vaststelling van schuld van de betrokkene aan andere strafbare feiten dan de bewezen verklaarde feiten vergt, blijft de onschuldpresumptie in beginsel buiten beeld.
Kan de onschuldpresumptie onder bijzondere omstandigheden ook van toepassing zijn op voordeelsontneming op de voet van artikel 36e lid 3?
22. Ik schrijf in de vorige alinea met nadruk ‘in beginsel’. De vraag rijst of voordeelsontneming op de voet van artikel 36e lid 3 Sr immuun is voor de onschuldpresumptie. Thans verlaat ik de gebaande paden en kom ik op minder ontgonnen terrein. Naar mijn inzicht is ook bij voordeelsontneming op basis van artikel 36e lid 3 niet uitgesloten dat aan de onschuldpresumptie betekenis toekomt. Weliswaar vergt ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op de voet van lid 3 geen rechterlijke beslissing die inhoudt dat de betrokkene zelf een concreet aangeduid strafbaar feit heeft begaan, het staat de rechter niettemin vrij om voordeelsontneming op basis van artikel 36e lid 3 Sr te motiveren met een concrete rekenmethode en daarbij voordeel te ontnemen dat afkomstig is uit concrete ‘andere strafbare feiten’ waarvan de rechter heeft vastgesteld dat die door de betrokkene zelf zijn begaan. Het komt mij voor dat zo’n geval wordt bestreken door de onschuldpresumptie. De toepasselijkheid van de onschuldpresumptie hangt dus vooral af van hoe de rechter zijn ontnemingsbeslissing motiveert.13.
23. Ingeval de onschuldpresumptie van toepassing is, mag de rechter alleen dán aannemen dat de betrokkene een ‘ander strafbaar feit’ heeft begaan indien dit buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld. De rechter mag bij deze vaststelling weliswaar gebruikmaken van bewijsvermoedens, ervaringsregels en typologieën, maar voor speculatie is geen ruimte.
In de onschuldpresumptie ligt ook een toedeling van de bewijslast ten gunste van de betrokkene besloten. De taak om het vermoeden van onschuld te weerleggen en om voor de beschuldiging bewijs aan te dragen, ligt bij de aanklager. De betrokkene is immers niet gehouden om zijn onschuld aan te tonen.14.
24. Die regel gaat overigens niet op voor de berekening van de hoogte van het wederrechtelijke voordeel. Daarvan blijft intact “(…) dat de bewijslast ter zake van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het openbaar ministerie en de betrokkene.”15.
De bewijsmotivering
25. Ten slotte nog dit. In de ontnemingsprocedure zijn de bewijsvoorschriften van de artikelen 338 tot en met 344a Sv niet van toepassing op het rechterlijk onderzoek naar het begaan van andere strafbare feiten dan de bewezen verklaarde feiten.16.De vaststelling van schuld aan die ‘andere’ feiten wordt dan ook niet geregeerd door de maatstaf van de ‘rechterlijke overtuiging’ (artikel 338 Sv), maar – in geval van voordeelsontneming die is geschoeid op artikel 36e lid 2 Sr – door die van (het bestaan van) ‘voldoende aanwijzingen’. Het oordeel van de rechter over het bestaan van voldoende aanwijzingen voor het begaan van die ‘andere’ strafbare feiten hoeft niet te berusten op de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Dat doet er niet aan af dat uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter de voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene ‘andere strafbare feiten’ als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, heeft begaan.17.,18.
26. Deze rechtspraak is m.i. niet zonder betekenis voor voordeelsontneming op de voet van artikel 36e lid 3 Sr in gevallen waarin de rechter – zonder dat de randvoorwaarden van artikel 36e lid 3 Sr daartoe nopen – uitspraken doet over de schuld van de betrokkene aan een concreet aangeduid strafbaar feit. Ook in een dergelijk geval moet uit de uitspraak blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter heeft ontleend dat de betrokkene een ander strafbaar feit heeft begaan.
Terug naar de zaak: de voortzetting van de bespreking van het eerste middel
27. Zoals gezegd heeft het hof de voordeelsontneming in de zaak gestoeld op artikel 36e lid 3 Sr. Het hof is in het bestreden arrest vrij summier, maar wel specifiek over de ‘andere strafbare feiten’ waaruit het voordeel is verkregen. Die feiten betreffen “het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits” (aan medebezoekers van internetfora). Deze feiten zijn naar het oordeel van het hof begaan door de betrokkene. Het hof heeft het zodoende verkregen voordeel vervolgens op transactiebasis berekend: het gaat om de som van 88 betalingen van afnemers van de door de betrokkene verschafte informatie, in totaal € 70.000.
28. Ter motivering van dit oordeel verwijst het hof naar de verklaring van de betrokkene op de terechtzitting van 11 november 2021. Ik heb de passages waarop het hof waarschijnlijk het oog had, hierboven weergegeven.
29. Over de aard van de hier bedoelde ‘andere (strafbare) feiten’ doet het hof in het bestreden arrest geen uitspraken. Een blik op het arrest in de strafzaak tegen de betrokkene geeft iets meer inzicht in de gedachtegang van het hof (dat in de straf- en in de ontnemingszaak immers in dezelfde samenstelling arrest wees). Het hof heeft in de ontnemingszaak klaarblijkelijk het oog op de strafbepaling van artikel 139d lid 2 sub a Sr.
30. Die bepaling luidde in 2015 als volgt:
“hij die, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c wordt gepleegd: een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf, vervaardigt, verkoopt, verwerft, invoert, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt of voorhanden heeft”.
De wetsbepalingen waarnaar deze strafbepaling verwijst betreffen computervredebreuk, spam & bombing, respectievelijk heimelijk aftappen van telecommunicatie.
31. In het strafarrest overweegt het hof (ik herhaal ten dele; onderstrepingen mijnerzijds):
“Het verdienen van geld aan het verstrekken van informatie over backdoors en exploits duidt volgens het hof niet op een niet-criminele herkomst van dat geld. Het betreft immers informatie die bij uitstek geschikt is voor het plegen van strafbare feiten. Zo is het niet ondenkbaar dat een exploit kan worden aangemerkt als een technisch hulpmiddel als bedoeld in artikel 139d, tweede lid, onder a, Sr, waarvan het verspreiden strafbaar is. Voorts duidt het verkopen van deze informatie op het darkweb allerminst op een niet-crimineel karakter daarvan; het darkweb wordt juist gebruikt voor activiteiten die het daglicht niet kunnen velen.”
32. Uit deze bewoordingen valt op te maken dat het hof in onzekerheid verkeert over de vraag of een exploit kan worden aangemerkt als ‘technisch hulpmiddel’ in de zin van deze strafbepaling. Dat is volgens het hof “niet ondenkbaar”.
33. Het hof heeft sowieso niet vastgesteld dat de betrokkene exploits heeft verkocht, maar alleen ‘informatie omtrent exploits’. Daarover merkt het hof op dat het verstrekken van dergelijke informatie “niet duidt op een niet-criminele herkomst” van het (crypto)geld. Bovendien bevatten de overwegingen van het hof geen vaststellingen omtrent het oogmerk waarmee de betrokkene zou hebben gehandeld.
34. Het voorgaande brengt mij tot de opvatting dat, ook als daarbij mede acht wordt geslagen op het arrest in de strafzaak tegen de betrokkene, het bestreden arrest géén inzicht geeft aan welke feiten en omstandigheden het hof – buiten redelijke twijfel – heeft ontleend dat de betrokkene een ander strafbaar feit heeft begaan.
35. Het eerste middel, dat klaagt over een ontoereikende motivering van het oordeel dat de betrokkene ‘andere strafbare feiten’ heeft begaan, is dus terecht voorgesteld.
Het tweede middel
36. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
37. Namens de betrokkene is op 3 maart 2022 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 15 februari 2023 bij de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met drie maanden en twaalf dagen overschreden. Het middel klaagt daarover terecht.
38. Verder merk ik ambtshalve op dat de termijn van twee jaren na het instellen van het cassatieberoep niet zal worden gehaald.
Slotsom
39. Beide middelen slagen.
40. Ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
41. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑02‑2024
Voetnoot hof: “DOC-598.”
Voetnoot hof: “De verklaring van de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2021.”
Proces-verbaal van (onder meer) de terechtzitting van 11 november 2021, p. 5 en p. 6-7.
Arrest d.d. 1 februari 2022 in de strafzaak tegen de betrokkene, die eveneens bij de Hoge Raad onderhanden is (nummer 22/00487). Bij dit arrest heeft het hof de betrokkene uitsluitend veroordeeld voor de onder randnummer 5 genoemde Opiumwetdelicten. Het hof heeft in dit arrest de betrokkene vrijgesproken van de onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde vormen van (schuld)witwassen en – vanwege toepasselijkheid van de zogeheten ‘kwalificatie-uitsluitingsgrond’- ontslagen van alle rechtsvervolging van het onder 1 aanhef en eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde.
Backdoors c.q. exploits zijn stukjes software of codes die gebruikmaken van bugs en andere ‘kwetsbaarheden’ in computerapplicaties of -apparatuur en die ‘wederrechtelijk binnendringen in een geautomatiseerd werk’ (art. 138ab Sr) of andere vormen van misbruik kunnen faciliteren. Zie voor het begrip ‘(onbekende) kwetsbaarheden’ ook art. 126ffa lid 4 Sv.
Zie hierover meer uitgebreid M.J. Borgers, De ontnemingsmaatregel. Een onderzoek naar het karakter en de voorwaarden tot oplegging van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (artikel 36e Wetboek van Strafrecht) (diss. Tilburg), Den Haag: Bju 2001, hoofdstuk 7 (Bewijsrecht), p. 263-363.
Vgl. HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2258, en zie HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414. Zie ook de memorie van toelichting bij de wet die strekt tot invoering van art. 36e lid 3 Sr, Kamerstukken II 1989/90, 21504, nr. 3, p. 12-13: “In het derde lid schuilt mogelijk het meest verstrekkende onderdeel van het wetsvoorstel. Dit onderdeel houdt in dat in gevallen waarin volgens de geldende normen van bewijslevering door de rechter is vastgesteld dat een verdachte een misdrijf heeft begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een geldboete van de hoogste (vijfde) categorie kan worden opgelegd, daarin aanleiding kan worden gevonden hem mede aansprakelijk te stellen, niet alleen voor het wederrechtelijk voordeel dat hij uit dat misdrijf of eventuele soortgelijke misdrijven heeft getrokken, maar ook voor enigerlei andere wederrechtelijke verrijking, hoe en wanneer ook verkregen. Er behoeft derhalve in zo'n geval geen rechtstreekse relatie te worden aangetoond tussen al het voor ontneming in aanmerking te brengen wederrechtelijk verkregen voordeel en het feit - of eventueel soortgelijke feiten waarvoor de betrokkene is vervolgd en veroordeeld.”Zie voorts nader W. de Zanger, De ontnemingsmaatregel toegepast. Een onderzoek naar de rechtspositie van de betrokkene in de procedure tot oplegging en tenuitvoerlegging van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (diss. Utrecht), Den Haag: Boom Juridisch 2018, p. 66-68.
HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:686, rov. 2.4.2.
Vgl. HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3569, en HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4724, NJ 2007/265. Zie (en thans in nagenoeg dezelfde bewoordingen als in de hoofdtekst): HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414, NJ 2017/151; HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1222; HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2258; HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:66; HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:543; HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1011; HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1012; HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1684; HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2345, en HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077.
Vgl. HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2023, NJ 2022/44 m.nt. Jörg, rov. 2.4.3; HR 24 november 2020; ECLI:NL:HR:2020:1872, rov. 2.3.2; HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1749, NJ 2022/45 m.nt. Jörg, rov. 2.4.1.
HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523, NJ 2021/46, rov. 2.4.4. Zie ook: HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:686, rov. 2.4.1; HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498, rov. 2.5; HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:472, rov. 2.3.
Een Geerings-geval bij concrete voordeelberekening o.g.v. art. 36e lid 3 Sr: HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2562.
Zie EHRM 6 december 1988, nr. 10590/83 (Barberà, Messegué en Jabardo/Spanje), § 77.
HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1182; HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523, NJ 2021/46, rov. 2.4.2.
Zie Kamerstukken II 1989/90, 21504, nr. 3, p. 14. HR 9 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9559, NJ 1998/90; HR 13 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1173, NJ 1999/483; HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7648, NJ 2008/406 m.nt. Borgers.
HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498, rov. 2.5.3. Zie verder: HR 26 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7805, NJ 2002/545 met een kritische noot van Reijntjes.
De vaststelling van het begaan van andere (dan de bewezen verklaarde) strafbare feiten moet worden onderscheiden van de schatting van de omvang van het voordeel dat afkomstig is uit de bewezen verklaarde feiten en/of de andere feiten. Volgens art. 511f Sv dient die schatting namelijk wél te zijn gebaseerd op de wettige bewijsmiddelen die zijn opgesomd in art. 339 Sv, zij het dat ook dan de bewijsminimumregels en de bewijsstandaard van artikel 338 Sv niet van toepassing zijn. Zie met name HR 26 maart 2013, ECLI:NL:2013:BV9087, NJ 2013/544 m.nt. Borgers.
Beroepschrift 09‑05‑2023
Aan de HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR INHOUDENDE
MIDDEL VAN CASSATIE
Inzake : [betrokkene]/ OM
Advocaat : mr. J.E. Kötter
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] (Suriname),
wonende aan de [adres] te ([postcode]) [woonplaats]
Verzoeker tot cassatie van het zijnen
laste door het Gerechtshof Den Haag
op 1 februari 2022
onder parketnummer 22-004878-17 gewezen arrest.
1. Middel I
1.1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften. In het bijzonder zijn de artikelen 359 Sv, 511e Sv, 511g Sv en 36 Sr geschonden, daar het oordeel van het hof en de vaststelling van het bedrag waarop rekwirant wederrechtelijk voordeel heeft gekregen onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
2. Toelichting
2.1.
De verdediging heeft op 28 april 2021 een conclusie van antwoord in de ontnemingszaak aan het gerechtshof doen toekomen. De verdediging heeft zich — samengevat — primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden afgewezen, nu rekwirant dient te worden vrijgesproken van het hem in zijn strafzaak tenlastegelegde. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde geldbedrag moet worden gematigd tot € 70.152,23, nu door het Openbaar Ministerie wordt gesteld dat slechts BTC 329,65 (met een waarde van € 70.152,23) is ontvangen van het darkweb. Meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat het gevorderde geldbedrag moet worden gematigd tot € 208.812,63, in lijn met het vonnis in eerste aanleg.
2.2
Ten aanzien van het oordeel van het gerechtshof wordt verwezen naar de pagina's 3 tot en met 7 van het arrest.
2.3
Naar het oordeel van het hof is, gegeven het arrest van het hof in de strafzaak van 1 februari 2022 en gelet op de inhoud van het dossier, aannemelijk dat zowel de misdrijven waarvoor de betrokkene is veroordeeld onder 2 en 3, als andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft gekregen, als bedoeld in artikel 36e Sr. Rekwirant leest het arrest van het hof zo dat het hof van oordeel is dat hetgeen hij heeft verklaard over het verkopen van informatie moet worden gezien als ‘andere strafbare feiten’, zoals bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr. Het hof stelt dit bedrag vast op € 70.000,00 en verhoogt daarmee het ontnemingsbedrag ook met € 70.000,00. Rekwirant heeft nimmer gesteld dat de informatie die hij verkoopt kan worden gezien als ‘andere strafbare feiten’, zoals bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr. Vorenstaande volgt ook niet uit het dossier. Dit brengt met zich mee dat het op de weg van het hof had gelegen om te motiveren dat met deze verkoop sprake was van ‘andere strafbare feiten’ zoals bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr. Anders dan ten aanzien van de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel het geval is, is er geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de bewijsmiddelen moet vermelden waarop de vaststelling berust dat andere strafbare feiten, als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, door de betrokkene zijn begaan (vgl. HR 26 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7805). Dat doet er niet aan af dat uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter de voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, heeft begaan (vgl. HR 12 oktober 2021, ECLI:NLL:HR:2021:1498). Uit het arrest blijkt, om de hiervoor genoemde redenen, onvoldoende uit welke feiten en omstandigheden het hof de voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat rekwirant een ander strafbaar feit heeft begaan als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr.
2.4
De bewezenverklaring is derhalve ontoereikend gemotiveerd. Dit brengt met zich mee dat het arrest van het hof niet in stand kan blijven. Rekwirant verzoekt Uw Edelhoogachtbaar College dan ook het door hem bestreden arrest te vernietigen en betreffende de verdere afhandeling te beslissen.
3. Middel II
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, in het bijzonder artikel 6 EVRM, door de termijn voor het inzenden van de stukken door het gerechtshof naar Uw Raad is overschreden.
4. Toelichting
4.1
Blijkens de akte cassatie van het gerechtshof is op 15 maart 2022 cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof.
4.2
Per brief van 12 maart 2023 is bekend gemaakt dat de stukken van het geding op 15 februari ter griffie van Uw Raad zijn ontvangen.
4.3
Dit brengt met zich mee dat de termijn welke door Uw Raad is gesteld aan het inzenden van de stukken is overschreden, hetgeen een schending van artikel 6 EVRM oplevert. Rekwirant stelt zich in cassatie op het standpunt dat het vorenstaande dient te leiden tot een verlaging van het ontnemingsbedrag.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. J.E. Kötter, advocaat te Amsterdam, die hierbij verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
Amsterdam,
Mr. J.E. Kötter
Advocaat