Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.2.4.1
IV.2.4.1 Geen gebod tot behandeling als onschuldige…
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596281:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ogenschijnlijk wel volgens Van Sliedregt 2009, p. 33; Dane 2009, p. 428; De Jong & Van Lent 2013, p. 272.
Wijdverbreid is de mijns inziens precisie missende of op misverstand berustende formulering dat de onschuldpresumptie een behandeling als onschuldige verlangt, zie bijv. Reijntjes 1994, p. 2; Kitai 2002; Gazer 2005; Ashworth 2006 p. 73 en 80; Stolwijk 2007, p. 17; Dane 2009, p. 419; Weigend 2013, p. 196; Ferzan 2014, p. 517. Verschillende auteurs spreken van een behandeling als onschuldige, maar geven daaraan een toepassing die toch vooral neerkomt op een verbod op behandeling als schuldige. Bijv. Keijzer 1987, p. 245-246; Kitai 2002, p. 288; Van Sliedregt 2009, p. 32 e.v.; Duff 2013a, p. 120.
Zo ook Trechsel 2005, p. 179; Jackson & Summers 2007, p. 206; Ulväng 2013, p. 217; Stuckenberg 2014; Ferzan 2014, p. 515.
Zo ogenschijnlijk Van Kempen & Kristen 2005, p. 318; Kitai-Sangero 2009, p. 923. Ook zij komen overigens tot de conclusie dat als het vermoeden van onschuld al enige betekenis kan hebben voor de toepassing van dwangmiddelen, die (abstracte) betekenis toch neerkomt op een verbod van punitiviteit. Zie bij wijze van ‘gedachtenexperiment’ ook Van Dijk 2013, p. 250. Volgens Stevens (2013, p. 246) zien sommige Nederlandse strafrechters de onschuldpresumptie ook op die manier: “They believe the PoI is defeated by a certain level of suspicion.” Vgl. voorts Campbell 2013.
Van Sliedregt, p. 33; Campbell 2013, p. 692; resp. Schwikkard 1998.
Healy 1987, p. 365.
Schwikkard 1998, p. 405-406; Jackson & Summers 2007, p. 207.
Dat gebeurt het meest consequent voor het zwijgrecht en het verbod op gedwongen zelfincriminatie, zie bijv. Guradze 1971, p. 165; Keijzer 1987, p. 244; Ashworth 2008, p. 768; Buruma 2009; Ferzan 2014, de bij Schwikkard (1998) aangehaalde rechtspraak en richtlijn 2016/343, overweging 24 en 25. Vermenging van de onschuldpresumptie en het zwijgrecht en nemo-teneturbeginsel ziet men ook terug in het Groenboek over de onschuldpresumptie. Zie contra reeds Rogall 1977, p. 112. Ook andere rechten worden wel vereenzelvigd met of ontleend aan de behandelingsdimensie van de presumptie van onschuld. Zie bijvoorbeeld Van den Berg & Heinen 2007, p. 611-612.
Schwikkard 1998, p. 403-405; Jackson & Summers 2007, p. 206-207.
Dat het niet gaat om een voorspelling van de uitkomst van de strafzaak, maar om een normatieve behandelingsregel, haalt de ogenschijnlijk paradoxale verhouding met de verdenking nog niet geheel uit de lucht.1 Het wat abstracte vereiste van het VN mensenrechtencomité de verdachte “in accordance with this principle” te behandelen zou ruimhartig begrepen, kunnen inhouden dat de verdachte moet worden behandeld als onschuldige.2 Behandeling als een onschuldige, als een volstrekt eerzaam, rechtsgetrouw burger, zou vele strafvorderlijke dwangbehandelingen die overal ter wereld worden gebruikt, echter onaanvaardbaar maken. De overheid onderwerpt onschuldigen, mensen die géén strafbaar feit hebben begaan, bij voorkeur niet aan ingrijpende, strafvorderlijke dwangmiddelen. Niet voor niets is aan die dwangmiddelen dikwijls de voorwaarde van een verdenking verbonden. Ook een behandeling als iedere andere onschuldige is aan de verdachte burger niet onverminderd te garanderen.3
Waarom worden die dwangmiddelen dan niettemin aanvaardbaar geacht? Men zou de inzet van dwangmiddelen kunnen beschouwen als inbreuk op de behandelingsdimensie van de onschuldpresumptie. Overeenkomstig de structuur van de gekwalificeerde vrijheidsrechten van artikel 5, 8, 9 en 10 EVRM, behoeft elke behandeling die afwijkt van de wijze waarop niet-verdachten worden behandeld, dan een bijzondere rechtvaardiging. Dat is een gebruikelijke manier om grondrechten uit te leggen en deze spreekt op het eerste gezicht dan ook aan.4
Deze benadering is mijns inziens evenwel de belangrijkste oorzaak voor de in de literatuur tegen de behandelingsdimensie bestaande oppositie. Veelvuldig is gewaarschuwd dat de niet op het bewijs georiënteerde aspecten van de onschuldpresumptie van het beginsel een ‘hypothetisch uitgangspunt’, ‘mistige aspiratie’ of ‘beleidsvoorschrift’ maken.5 Het scherpst is die kritiek verwoord door Healy:
“a vaporous euphemism for fairness [...] impervious to positive definition and incapable of prescriptive formulation or consistent application. As a reason of policy or principle, it is indeterminate in scope and, theoretically, could be invoked as a reason for any decision or rule that seeks to control the jeopardy of the accused by minimizing the risks of prejudice, unfairness, error or miscarriage of justice.”6
Interpretatie als te beperken recht op bejegening als onschuldige verschaft het beginsel bij uitstek zo’n bijzonder wijde actieradius, zonder toegespitste normatieve kracht. In die benadering wordt op de onschuldpresumptie in vrijwel iedere strafzaak inbreuk gemaakt. Handvatten aan de hand waarvan vervolgens moet worden vastgesteld waarom inbreuken wel of niet gerechtvaardigd zijn, ontbreken bovendien. Voor zover de rechtvaardiging voor inbreuken wordt gezocht in de tegen de verdachte gerezen verdenking, belandt men daarmee weer bij de bezwaren tegen het reeds afgewezen begrip van de onschuldpresumptie en de verdenking als communicerende vaten. Als de concrete (mate van) verdenking van een strafbaar feit aanleiding is inbreuk op de onschuldpresumptie toe te laten, dan blijft van het beginsel bij ogenschijnlijk veel bewijs niets over. De verdenking kan op zichzelf dus niet voldoende rechtvaardiging voor een inbreuk zijn. De onschuldpresumptie biedt – begrepen als gebod tot bejegening als onschuldige – echter geen maatstaven om te bepalen welke gronden wél rechtvaardigend werken.
Van de breedte en vaagheid van een gebod tot behandeling als onschuldige zijn nog andere nadelen gesignaleerd. Zo wordt gesteld dat zij de retorische en normatieve kracht van de onschuldpresumptie eroderen. Door de vaagheid en vele inbreuken verliest een inbreuk op de onschuldpresumptie als zodanig aan waarde. Daarmee overschaduwt de behandelingsdimensie de in de ogen van critici veel concretere en duidelijkere bewijsdimensie.7 Daarnaast brengt deze uitleg van de behandelingsdimensie met zich dat in literatuur en rechtspraak verschillende andere rechten, zoals het recht om te zwijgen, met dat recht in verband worden gebracht en daaraan worden opgehangen.8 Het negatieve gevolg van dergelijke vermenging is dat aan die andere rechten wordt tekortgedaan. Zij worden namelijk kwetsbaar in situaties waarin de onschuldpresumptie niet opgaat, zoals wanneer de verdachte reeds schuldig is bevonden.9