HR, 30-09-2022, nr. 20/01923
20/01923
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-09-2022
- Zaaknummer
20/01923
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1337, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑09‑2022; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2020:901
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑09‑2022
- Vindplaatsen
V-N 2022/42.24 met annotatie van Redactie
NLF 2022/1922 met annotatie van Jacques Raaijmakers
NTFR 2022/3512 met annotatie van Mr. P.A. Caljé
FED 2022/108 met annotatie van Y.E.J. GERADTS
BNB 2022/140 met annotatie van J.J. VETTER
Viditax (FutD) 2022093008
FutD 2022-2664
Uitspraak 30‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Invorderingswet. Art. 49 IW 1990; in gebreke met betalen van belastingschuld; op de voorgeschreven wijze bekendmaken van belastingaanslag.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/01923
Datum 30 september 2022
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 mei 2020, nr. BK-18/010841., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/4935) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990 voor de van [A] B.V. te [Z] nageheven loonheffingen over de periode van augustus 2014 tot en met januari 2016 en de van deze vennootschap nageheven omzetbelasting over tijdvakken in de periode van maart 2015 tot en met december 2015.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door I. Leenders, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Volgens gegevens afkomstig van de Kamer van Koophandel is het vestigingsadres van [A] B.V. (hierna: de BV) sinds 1 januari 2016 [a-straat 1] te [Z] (hierna: het huidige adres). Daarvóór was volgens die gegevens het vestigingsadres van de BV [b-straat 1] (vanaf 4 april 2013 tot 1 maart 2015) respectievelijk [b-straat 2] (vanaf 1 maart 2015 tot 1 januari 2016) te [Z] .
2.1.2
De BV heeft aangiften voor de loonheffingen gedaan over tijdvakken in de periode van augustus 2014 tot en met januari 2016 en voor de omzetbelasting over de tijdvakken maart, juni, september en december 2015. Zij heeft de volgens deze aangiften verschuldigde bedragen niet betaald. Naar aanleiding daarvan zijn aan haar naheffingsaanslagen opgelegd (hierna: de naheffingsaanslagen).
2.1.3
Bij beschikking van 9 februari 2017 heeft de Ontvanger belanghebbende aansprakelijk gesteld op de voet van onder meer artikel 34 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) voor het onbetaald gebleven deel van de naheffingsaanslagen.
2.2.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of de BV ten tijde van de aansprakelijkstelling op 9 februari 2017 in gebreke was met betaling van de naheffingsaanslagen. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat dit niet het geval is, omdat de aanslagbiljetten voor deze naheffingsaanslagen niet zijn verzonden, althans niet naar het juiste adres van de BV, en de naheffingsaanslagen daarom niet aan de BV zijn bekendgemaakt.
2.2.2
Naar het oordeel van het Hof was de BV in gebreke op het moment dat belanghebbende aansprakelijk is gesteld. Voor zover in cassatie van belang heeft het Hof hiertoe overwogen dat het gelet op door de Ontvanger overgelegde verzendrapportages van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de verzendrapportages) aannemelijk is dat de naheffingsaanslagen zijn verzonden naar de adressen waar de BV was gevestigd volgens de gegevens afkomstig van de Kamer van Koophandel.
2.3
Middel II richt zich tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het betoogt onder meer dat de verzendrapportages niet kunnen dienen tot bewijs dat de naheffingsaanslagen op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt, en in het bijzonder dat uit de verzendrapportages niet kan worden afgeleid dat de aanslagbiljetten voor de naheffingsaanslagen naar het juiste adres van de BV zijn verzonden.
2.4.1
Bij de beoordeling van dit middel wordt het volgende vooropgesteld.
2.4.2
Aansprakelijkstelling vindt op grond van artikel 49, lid 1, IW niet plaats vóór het tijdstip waarop de belastingschuldige in gebreke is met de betaling van zijn belastingschuld. De belastingschuldige kan pas in gebreke zijn met de betaling van zijn belastingschuld nadat (i) die schuld is geformaliseerd door het vaststellen van een belastingaanslag, en (ii) hij in de gelegenheid is geweest van die aanslag kennis te nemen.2.
2.4.3
De belastingschuldige is in de regel in de gelegenheid om kennis te nemen van een belastingaanslag als die aanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In overeenstemming met de hoofdregel van artikel 3:41, lid 1, Awb maakt de ontvanger de belastingaanslag op grond van artikel 8, lid 1, IW bekend door verzending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet.
2.4.4
Indien de bekendmaking van een belastingaanslag geschiedt door verzending van het aanslagbiljet, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking van die belastingaanslag heeft plaatsgevonden. Indien naderhand de aansprakelijkgestelde de verzending van het aanslagbiljet aan de belastingschuldige betwist, is het aan de ontvanger om die verzending aannemelijk te maken.3.Indien de ontvanger daarin niet slaagt, moet ervan worden uitgegaan dat de belastingaanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
2.4.5
Als het aanslagbiljet wel is verzonden maar de belastingschuldige niet heeft bereikt als gevolg van een fout van de Belastingdienst, bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan de Belastingdienst is te wijten, kan niet worden gezegd dat met de verzending van het aanslagbiljet bekendmaking van de belastingaanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.4.
2.4.6
De verzending van een aanmaning voor de invordering van de belastingaanslag naar het juiste adres van de belastingschuldige is niet aan te merken als een bekendmaking van de belastingaanslag op de voorgeschreven wijze.5.Hetzelfde geldt voor de betekening van een dwangbevel voor die belastingaanslag aan het juiste adres van de belastingschuldige.6.
2.4.7
Als de belastingaanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, moet worden aangenomen dat de belastingschuldige pas in de gelegenheid is geweest om kennis te nemen van de belastingaanslag en hij pas in gebreke kan zijn met de betaling daarvan, nadat hij het aanslagbiljet of een afschrift daarvan onder ogen heeft gekregen.7.De bewijslast daarvoor rust op de ontvanger.
2.5.1
Het Hof heeft kennelijk en terecht een oordeel gegeven over de verzending van de aanslagbiljetten voor alle naheffingsaanslagen waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld. Daarmee is het Hof afgeweken van de vaststelling in rechtsoverweging 5.4 van zijn uitspraak dat belanghebbende haar stelling met betrekking tot de verzending van de naheffingsaanslagen heeft beperkt tot bekendmaking van de naheffingsaanslagen over de tijdvakken tot 1 januari 2016. Een dergelijke beperking is echter door belanghebbende klaarblijkelijk niet beoogd. Volgens het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van het Hof van 3 december 2019 heeft zij namelijk gesteld:
“De naheffingsaanslagen zijn niet op de juiste wijze bekendgemaakt. (…) Subsidiair stelt de gemachtigde dat pas vanaf 2016 aansprakelijkstelling mogelijk is.”
2.5.2
Voor zover middel II zich richt tegen het oordeel van het Hof dat de aanslagbiljetten voor de naheffingsaanslagen zijn verzonden, faalt het. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk.
2.5.3
Middel II slaagt ten dele voor zover het zich richt tegen het oordeel van het Hof dat de naheffingsaanslagen aan PostNL zijn aangeboden ter verzending naar de juiste adressen.Voor zover het aanslagbiljetten betreft die na 1 januari 2016 ter post zijn bezorgd, is dit oordeel feitelijk en niet onbegrijpelijk, zodat het middel in zoverre faalt.Met betrekking tot de overige aanslagbiljetten geldt het volgende. In de verzendrapportages waarop het Hof zijn bestreden oordeel heeft gebaseerd, wordt als adres van de BV uitsluitend het huidige adres vermeld. Tot 1 januari 2016 was de BV echter niet gevestigd op dat adres. Voor zover de aanslagbiljetten voor de naheffingsaanslagen vóór die datum zijn verzonden, is daarom zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk hoe het Hof tot het oordeel is gekomen dat die aanslagbiljetten zijn verzonden naar het adres waar de BV toen volgens de gegevens afkomstig van de Kamer van Koophandel was gevestigd. Middel II slaagt in zoverre.
2.6
De Hoge Raad heeft ook de middelen voor het overige beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat de middelen voor het overige niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen voor het overige is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.7
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.5 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor onderzoek naar de vraag of de vóór 1 januari 2016 verzonden aanslagbiljetten als gevolg van een fout van de Belastingdienst de BV niet hebben bereikt voorafgaand aan de aansprakelijkstelling.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding moet worden toegekend.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, behalve voor zover deze de beslissing omtrent de schadevergoeding betreft,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 532, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.036 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 30‑09‑2022
Vgl. HR 18 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4910, rechtsoverwegingen 3.3 en 3.4.1.
Vgl. HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, rechtsoverweging 2.4.2.
Vgl. HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5063, rechtsoverweging 3.2.
Vgl. HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9648, rechtsoverweging 4.3.3.
Vgl. HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0194, rechtsoverweging 3.3.5.
Vgl. HR 15 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5141, rechtsoverweging 3.4, en HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960, rechtsoverweging 2.3.1.
Beroepschrift 30‑09‑2022
Uit het beroepschrift in cassatie van belanghebbende:
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CASSATIESCHRIFTUUR
inzake
het cassatieberoep tegen de uitspraak van het Gerechtshof met betrekking tot (de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar ten aanzien van) de beschikking aansprakelijkstelling van 9 februari 2017
ten name van:
[X] B.V.
gevestigd te [Z],
te dezen vertegenwoordigd door:
mr. I. Leenders
mr. A.V. Reijnen
advocaten te […], bepaaldelijk tot de indiening van deze cassatieschriftuur gemachtigd.
Edelhoogachtbaar College,
Belanghebbende in cassatie, [X] B.V. (hierna: [X] of belanghebbende), is door de Ontvanger bij beschikking van 9 februari 2017 (bijlage 8 bij het verweerschrift in beroep) aansprakelijk gesteld voor aan [A] B.V. (hierna: [A]) opgelegde naheffingsaanslagen loon- en omzetbelasting. Voor wat betreft de loonheffingen ziet de aansprakelijkstelling op naheffingsaanslagen loonheffingen over de tijdvakken augustus 2014 t/m januari 2016. Voor wat betreft de omzetbelasting ziet de aansprakelijkstelling op de tijdvakken maart, juni, september en december 2015.
De Ontvanger heeft bij uitspraak van 7 juni 2017 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Hiertegen heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank). De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBDHA:2018:13510).
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag (hierna: het gerechtshof, het Hof). Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard (ECLI:NL:GHDHA:2020:901).
Wij hebben namens belanghebbende beroep in cassatie ingesteld omdat belanghebbende zich niet met die uitspraak van het Hof kan verenigen.
Vooropgesteld is dat aansprakelijkstelling een vergaande bevoegdheid van de Ontvanger is. Immers is dit een afwijking van de hoofdregel dat de belasting door de belastingschuldige moet worden voldaan/betaald. Deze hoofdregel is voor de Ontvanger tevens vastgelegd in paragraaf 49.6 Leidraad Invordering 2008. Zeker in de situatie dat de aansprakelijkgestelde de belasting van de opdrachtnemer aan haar feitelijk heeft betaald door voldoening van de facturen voor de dienstverlening, is duidelijk dat aansprakelijkstelling een extra zorgvuldige afweging vergt van zowel de Ontvanger als van de rechter die in een dergelijke procedure daarover heeft te beslissen.
In deze procedure meent belanghebbende dat het Hof deze zorgvuldigheid niet in acht heeft genomen, maar op grond van onjuistheden en verkeerde toepassing van het recht in deze zaak heeft geoordeeld.
Het Hof heeft ten eerste blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de artikelen 34 en 35 IW 1990, althans heeft zijn beslissingen hieromtrent onjuist gemotiveerd. Van inlening op grond van artikel 34 IW 1990 was geen sprake en artikel 35 IW 1990 is niet van toepassing omdat sprake was van intellectuele arbeid.
Tevens heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot artikel 49 IW 1990, door te oordelen dat de naheffingsaanslagen met betrekking waartoe belanghebbende aansprakelijk is gesteld, juist zijn bekendgemaakt. Waar het Hof van oordeel is dat de Ontvanger geen kopieën van de originele naheffingsaanslagen kan verstrekken omdat hij daarover niet beschikt, geeft het ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu de inrichting van de systemen van de fiscus er niet toe mag leiden dat de Ontvanger zonder overtuigend bewijs van verzending van de naheffingsaanslagen zomaar aansprakelijk kan stellen.
De bekendmaking van die naheffingsaanslagen is tevens relevant voor de beoordeling van de vraag of is voldaan aan de vereisten van artikel 8:42 Awb. De oordelen van het Hof omtrent de op de zaak betrekking hebbende stukken brengen mee dat ook hier het Hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Overigens gaat het bij dit oordeel van het Hof niet exclusief om de naheffingsaanslagen, maar ook om andere stukken.
Tot slot heeft het Hof een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de schikking die belanghebbende met de Ontvanger had en waaruit het Hof had moeten afleiden dat bij belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen was gewekt dat zij niet voor de belastingschulden van [A] aansprakelijk zou worden gesteld, althans niet voor die naheffingsaanslagen ten aanzien waarvan al beslag was gelegd en die schikking was overeengekomen.
Gelet op het voorgaande is de uitspraak van het Hof onjuist en dient deze vernietigd te worden en te worden verwezen naar een ander Hof ter verdere behandeling en beslissing.
Verder verzoekt belanghebbende op grond van artikel 29 AWR jo. artikel 8:75 Awb om vergoeding van haar proceskosten in bezwaar, beroep, hoger beroep en cassatie, nu het aan de Ontvanger is te wijten dat de beschikking aansprakelijkstelling ten onrechte is vastgesteld.
Na dit vooraf te hebben opgemerkt, hebben wij thans de eer hierbij vier middelen van cassatie voor te dragen.
1.0. Middel I
Schending van het recht, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 34 en 35 IW 1990 en van artikel 8:77 Awb, doordat het Hof heeft geoordeeld dat sprake was van inlening/doorlening, zulks ten onrechte, althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen, zoals hierna wordt uiteengezet.
Onderdeel A: artikel 34 IW
Voor aansprakelijkstelling op grond van artikel 34 IW 1990 is vereist dat sprake is van ‘inlening’ van personeel, waarbij de inlener hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de loon- en omzetbelasting welke de uitlener verschuldigd is. Voor inlening dient enerzijds sprake te zijn van het ‘ter beschikking stellen’ van werknemers aan een derde en anderzijds ook van het onder ‘leiding of toezicht’ van die derde werken door de werknemers. Daarbij dient in de eerste plaats komen vast te staan dat sprake is van het ter beschikking stellen van werknemers, alvorens aan de vraag wordt toegekomen of de werknemers onder toezicht of leiding van het inlenende bedrijf werkzaam zijn (geweest). Het Hof dient zich aan deze toetsingsvolgorde te houden en heeft dat niet gedaan.
Van het ter beschikking stellen van werknemers is sprake indien die werknemers rechtstreeks in opdracht van een derde werkzaamheden verrichten. Dit moet worden onderscheiden van de situatie waarin werknemers werkzaamheden verrichten ter uitvoering van een tussen de werkgever en de derde gesloten overeenkomst van aanneming van werk of tot het verrichten van enkele diensten.1. Een van de verschillen tussen aanneming van werk en inlening is dat aanneming van werk betrekking heeft op een bepaald werk, waarvoor de onderaannemer die het werk op zich heeft genomen een resultaatsverplichting heeft, terwijl bij inlening van personeel de uitlener slechts behoeft te zorgen dat zijn personeel een afgesproken aantal uren ter beschikking staat van de inlener.
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan voor aansprakelijkstelling op grond van artikel 34 IW 1990, is het criterium van toezicht of leiding. Reeds in paragraaf 5.24 van het tiendagenstuk in hoger beroep (bijlage 1) hebben wij het Hof erop gewezen dat toezicht dat voornamelijk een controlefunctie heeft, of technisch toezicht, onvoldoende is om aan dit criterium te voldoen. Het moet gaan om organisatorisch toezicht of gestructureerde werkleiding die bestaat uit directe bemoeienis met de uitvoering van de opdracht. Het is aan de Ontvanger om feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken dat [A] zelf geen leiding en toezicht heeft gehad over/op werkzaamheden, doch dat toezicht wordt gehouden of leiding wordt gegeven door de opdrachtgever aan wie de werknemers dan ter beschikking zouden zijn gesteld.
De door de werknemers van [A] uit te voeren werkzaamheden werden verricht ter uitvoering van een gesloten overeenkomst van aanneming van werk dan wel een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten. Belanghebbende heeft daarnaast gemotiveerd gesteld dat uit deze overeenkomsten een resultaatsverplichting voortvloeit. Verder waren er volgens belanghebbende in de jaren 2014 en 2015 slechts 7 personen werkzaam op locatie van de opdrachtgevers (zie hiervoor ook paragraaf 4.11. e.v. van het tiendagenstuk in hoger beroep, bijlage 1). De overige 21 (2014) of 22 (2015) werknemers waren werkzaam bij en onder leiding van [A]. Belanghebbende stelt zich dan ook op het standpunt dat zij niet voldoet aan de definitie van ‘doorlener’, omdat [A] zelf, zonder verdere tussenkomst van belanghebbende, de opdrachten voor de opdrachtgevers heeft uitgevoerd. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende zich tegenover de opdrachtgevers heeft verbonden om personeel feitelijk ter beschikking te stellen, betekent niet dat daardoor ook juridisch sprake is van ter beschikking stellen in de zin van artikel 34 IW 1990.
Ten onrechte geoordeeld dat sprake is van ter beschikking stellen van werknemers
Het Hof heeft echter ten onrechte geoordeeld dat belanghebbende (alle) werknemers ter beschikking heeft gesteld aan haar (hoofd)opdrachtgevers, door personeel dat zij van [A] zou hebben ingeleend ‘door te lenen’ aan de (hoofd)opdrachtgevers, waardoor sprake zou zijn van een situatie zoals omschreven in artikel 34, tweede lid, sub a IW 1990.
Het Hof gaat in zijn uitspraak allereerst ten onrechte voorbij aan de door belanghebbende ingenomen stelling dat geen sprake is van inlening, omdat het volgens het Hof op de weg van belanghebbende zou hebben gelegen om ter onderbouwing van deze stelling nadere stukken te overleggen over de feitelijke verhoudingen tussen belanghebbende, [A] en de hoofdopdrachtgevers. Het Hof miskent daarmee dat het juist op de weg van de Ontvanger ligt om te voldoen aan de bewijslast dat sprake is van inlening. Het is immers aan de Ontvanger om feiten en omstandigheden aan te dragen die haar stellingen onderbouwen dat sprake is van inlening en niet van aanneming van werk of het verrichten van enkele diensten, zoals dit feitelijk wel blijkt uit de overeenkomsten. Belanghebbende heeft gesteld dat de Ontvanger die feiten en omstandigheden niet heeft aangedragen, doch oordeelt het Hof dat de Ontvanger wel aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van doorlening/inlening. Het Hof baseert dit op de door de Ontvanger overgelegde overeenkomsten, maar uit zijn uitspraak blijkt niet zonder meer waarom het Hof is afgeweken van het uit die overeenkomsten voortvloeiende bewijs dat sprake is van aanneming van werk of het verrichten van enkele diensten, 's Hofs oordeel dat uit de overeenkomsten niet blijkt dat belanghebbende zich heeft verbonden tot een bepaald resultaat, is voorts onvoldoende gemotiveerd, nu daaruit niet blijkt welke precieze feiten en omstandigheden ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing dat sprake is van doorlening/inlening.
Daarnaast maakt het Hof geen onderscheid tussen werknemers die ter plaatse bij de opdrachtgever werken en werknemers die werken op locatie van de eigen werkgever ([A]). Zou het Hof dit onderscheid wel hebben gemaakt, zoals het had moeten doen, dan zou hoogstens ten aanzien van de 7 werknemers die werkzaam waren op locatie van de opdrachtgevers de vraag aan de orde kunnen zijn of sprake is van inlening. Belanghebbende zou in dat licht dan niet voor het gehele bedrag aan loon- en omzetbelasting aansprakelijk kunnen worden gehouden.
Ten onrechte geoordeeld dat sprake is van leiding of toezicht
Ook de conclusie van het Hof dat [A] geen toezicht of leiding kon uitoefenen over haar werknemers is in het licht van de feiten onbegrijpelijk. Het Hof komt tot het oordeel dat het de opdrachtgevers waren die ‘in meer of mindere mate leiding of digitaal toezicht hielden’ (r.o. 5.15) op het ingeleende personeel. Er werd ‘gewerkt met en in de specifieke systemen van de opdrachtgevers en de opdrachtgevers konden hen aanwijzingen geven hoe dat moest’, 's Hofs oordeel dat het werken met en in door de opdrachtgever ter beschikking gestelde computersystemen inhoudt dat de opdrachtgever daarmee gestructureerde werkleiding geeft die bestaat uit directe bemoeienis met de uitvoering van de opdracht berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het werken met en in de door de opdrachtgever ter beschikking gestelde computersystemen is inherent aan de aard van de opdracht en uit het enkele feit dat de werknemers van [A] verplicht zouden zijn om met deze systemen te werken kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat enige vorm van toezicht of leiding wordt uitgeoefend door de opdrachtgever. Bovendien blijkt uit niets dat altijd exclusief vanuit de systemen van de hoofdopdrachtgevers werd gewerkt (waarvan ook in de meeste gevallen geen sprake was), althans heeft het Hof onvoldoende gemotiveerd hoe het tot dit oordeel is gekomen. Overigens heeft het Hof onvoldoende gemotiveerd dan wel geconcretiseerd wat het toezicht of het leidinggeven in het licht van het voorgaande dan zou behelzen. Hierdoor kan niet worden nagegaan of het Hof deze termen op juiste wijze heeft geïnterpreteerd, althans had het Hof bij een juiste interpretatie nooit tot de conclusie kunnen komen dat sprake is van inlening.
Volgens het Hof kan verder uit het feit dat uit verklaringen van het personeel niet expliciet blijkt dat er niet gewerkt moest worden volgens specificaties van de opdrachtgever de conclusie worden getrokken dat de opdrachtgever toezicht kon houden of leiding kon geven. Dit oordeel van het Hof is onbegrijpelijk. Het enkele feit dat niet expliciet door een werknemer zou zijn verklaard dat het [A] was die leiding of toezicht uitoefende op de werkzaamheden, kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat de stelling van de Ontvanger dat de opdrachtgevers leiding en toezicht uitoefenden daarmee aannemelijk is gemaakt.
Dit geldt des te meer indien dit wordt bezien in het licht van de verklaringen van onder andere [B], [C] en [D], welke verklaringen juist bijdragen aan het bewijs dat door de opdrachtgever geen toezicht of leiding werd uitgeoefend (paragraaf 5.35 tot en met 5.50 van het tiendagenstuk in hoger beroep, bijlage 1). De enkele overweging van het Hof over deze verklaringen, namelijk dat deze niet tot een ander oordeel leiden, is mede daarom ontoereikend gemotiveerd. Het Hof laat immers onvoldoende blijken welke belangenafweging ten aanzien van die verklaringen is gemaakt en op welke gronden is geoordeeld dat deze verklaringen niet bij zouden kunnen dragen aan het bewijs dat [A] zelf toezicht of leiding uitoefende op haar werknemers.
In het licht van het voorgaande had het Hof niet zonder meer tot de conclusie kunnen komen dat (voor alle werknemers) sprake is van doorlening en had het primair moeten concluderen dat artikel 34 IW 1990 in het geval van belanghebbende geen toepassing vindt. In ieder geval had het Hof zich moeten uitlaten over het door belanghebbende gemaakte onderscheid tussen de ‘gedetacheerde’ en ‘niet- gedetacheerde’ werknemers van [A].
Onderdeel B: artikel 35 IW 1990
Zou uw Raad in het licht van dit middel van oordeel zijn dat het Hof het recht verkeerd heeft toegepast doorte oordelen dat sprake is van inlening in plaats van aanneming, dan is het Hof ten onrechte ervan uitgegaan dat de stelling van belanghebbende dat geen sprake is van aanneming van werk in de zin van artikel 35 IW 1990, omdat sprake is van intellectuele arbeid, geen bespreking behoeft. Belanghebbende heeft in het tiendagenstuk in hoger beroep (paragraaf 5.51 tot en met 5.63) aangedragen dat geen sprake is van werkzaamheden die zijn gericht op het uitvoeren van een werk van stoffelijke aard. Dit dient er toe te leiden dat er geen sprake is van aanneming van werk, waardoor een grond voor aansprakelijkstelling jegens belanghebbende ontbreekt. Overigens blijkt ook uit bijlage 14 van het bezwaarschrift van 21 maart 2017 (bijlage 66 bij verweerschrift in beroep, maar tevens bij deze schriftuur gevoegd als bijlage 2) dat de inspecteur omzetbelasting van oordeel was dat er bij aanneming van werk doorgaans sprake is van ‘een werk van stoffelijke aard als er een tastbaar product ontstaat’. In het geval van belanghebbende meende de inspecteur dan ook dat de verleggingsregeling niet kon worden toegepast, gezien het feit dat de werkzaamheden van belanghebbende van intellectuele aard zijn (ontwerpwerkzaamheden).
2.0. Middel II
Schending van het recht, meer in het bijzonder van het bepaalde in artikel 49 jo. artikel 8 Invorderingswet 1990 (IW 1990) en van artikel 8:77 Awb, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de aan de beschikking aansprakelijkstelling ten grondslag liggende naheffingsaanslagen juist zijn bekendgemaakt, zulks ten onrechte, althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen, zoals hierna wordt uiteengezet.
Voor een aansprakelijkstelling op grond van artikel 34 of 35 IW 1990 is het eerst nodig dat de belastingschuldige in gebreke is met het betalen van de belastingschuld (artikel 49 IW 1990). Dit overweegt het Hof ook in rechtsoverweging 5.10. Hetzelfde wetsartikel stelt dat de aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte wordt gesteld van de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. Voor de aansprakelijkgestelde is de wetenschap of de belastingaanslagen (juist) zijn vastgesteld en bekendgemaakt essentieel om zijn rechtspositie te kunnen bepalen. Immers, als van een juiste vaststelling en/of bekendmaking geen sprake is, kan ook niet worden gesproken van een belastingschuldige die in gebreke is en kan daarvoor aldus niet aansprakelijk worden gesteld. Dit belang geldt evenzeer voor de rechter die in de (hoger) beroepsprocedure heeft te oordelen.
Hof merkt verzendrapportages ten onrechte aan als bewijs van bekendmaking
In het tiendagenstuk in hoger beroep (bijlage 1) is onder paragraaf 1.0. e.v. ingegaan op de stukken die de Ontvanger hierover wel en niet heeft ingebracht. Alle door [A] ingediende aangiften ontbreken in het dossier, evenals kopieën van de originele naheffingsaanslagen (waarvan de vaststelling door belanghebbende ook is betwist). Het enige dat de Ontvanger heeft ingebracht zijn B/CICT-rapportages. Echter, zoals belanghebbende in de procedure heeft aangegeven, maar waar het Hof ten onrechte volledig aan voorbij gaat, is in die rapportages als adres van [A] steeds het laatst bekende adres opgenomen. Het in de jaren 2014 en 2015 juiste adres wordt in de verzendrapportages telkens slechts vermeld bij de dwangbevelen (cursivering IL/AR; bewijs van verzending van die dwangbevelen blijkt overigens ook niet), maar nergens bij de naheffingsaanslagen (cursivering IL/AR).
Het feit dat in de B/CICT-rapportages steeds het laatst bekende adres van [A] is opgenomen, is dan ook de enige reden dat in de verzendrapportages vanaf 2016 het vestigingsadres van [A] staat. Dat kan echter niet bijdragen aan het bewijs van juiste bekendmaking. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Als [A] in februari 2016 van vestigingsadres zou zijn gewijzigd naar een volstrekt ander adres, was dit laatste, andere adres in alle verzendrapportages opgenomen in plaats van het adres aan de [a-straat]. In dat geval zouden alle verzendrapportages een onjuiste adressering bevatten. Dit leidt tot de conclusie dat de in de verzendrapportages genoemde adressen niet aan het bewijs van verzending van de naheffingsaanslagen kunnen bijdragen.
Gelet op het feit dat de verzendrapportages steeds uitgaan van het ‘laatst bekende adres’, kennelijk met uitzondering van de informatie betreffende dwangbevelen, meent belanghebbende dat hieruit met betrekking tot geen enkele naheffingsaanslag kan worden vastgesteld dat die juist is bekendgemaakt. Het oordeel van het Hof op dit punt getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting. Immers oordeelde het Hof in rechtsoverwegingen 5.6. en 5.7. dat de Ontvanger in het bewijs van bekendmaking wel was geslaagd, door die verzendrapportages in te brengen. Voor zover het Hof wel van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan, is het oordeel van het Hof op dit punt onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. Conclusie had ons inziens moeten zijn dat de naheffingsaanslagen niet (juist) bekend zijn gemaakt, nu de verzendrapportages zoals die door de Ontvanger zijn ingebracht, in het geheel niet aan het bewijs van verzending van de naheffingsaanslagen bijdragen en ander bewijs hieromtrent ontbreekt.
Hof merkt afschriften loonheffingssystemen ten onrechte aan als bewijs van bekendmaking
Uit de ‘afschriften’ van de loonheffingssystemen die de Ontvanger op verzoek van het Hof alsnog heeft verstrekt, blijkt in het geheel geen adressering, zoals wij het Hof al duidelijk maakten in onze reactie hierop bij brief van 7 januari 2020 (bijlage 3). Naast het feit dat het Hof met deze stukken blijkens zijn uitspraak kennelijk niets gedaan heeft, blijkt ook uit deze stukken in het geheel geen adressering. Aldus heeft het Hof ook met betrekking hiertoe onbegrijpelijk en in ieder geval ontoereikend gemotiveerd waarom de juiste bekendmaking van de naheffingsaanslagen wel bewezen zou zijn.
Verder maakten wij het Hof in diezelfde reactie duidelijk dat in die loonheffingssystemen consequent een extra ‘1’ aan elk aanslagnummer is toegevoegd. Aldus gaat het hier steeds om andere nummers dan de aanslagnummers van de naheffingsaanslagen die in de beschikking aansprakelijkstelling zijn vermeld. Op beide stellingen omtrent de ‘afschriften’ reageert het Hof in het geheel niet, dit ten onrechte.
Hof merkt duplicaten omzetbelasting ten onrechte aan als bewijs van bekendmaking
De ‘duplicaten’ van de naheffingsaanslagen omzetbelasting komen nog het dichtst in de buurt bij kopieën van de originele naheffingsaanslagen. Echter, deze duplicaten kennen een groot manco. De adressering op dergelijke duplicaten (welke ook overigens altijd het opschrift ‘DUPLICAAT’ moeten dragen, waarmee het een wezenlijk ander soort document is dan (een kopie van) de originele belastingaanslag) is blijkens de Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders (paragraaf 5.6.) in beginsel het laatst bekende adres van de belastingschuldige. Dat betekent aldus dat de adressering op een duplicaat gewijzigd kan worden, kan afwijken van het origineel en dat daarmee dus niet het bewijs geleverd kan worden dat ook het origineel aan het op het duplicaat vermelde adres gezonden is. Zie hiervoor onze brief aan het Hof van 7 januari 2020 (bijlage 3).
Hof legt bewijslastverdeling onjuist uit
Hiernaast geeft het Hof in rechtsoverweging 5.7. nog een onbegrijpelijke redenering. Waar wij uitgebreid ingingen op de gebreken in de door de Ontvanger aangedragen stukken en op het ontbreken van kopieën van de originele naheffingsaanslagen, oordeelt het Hof dat niet is gebleken dat het Belastingdienstsysteem Beheer van Relaties (BVR) en de systemen van de Kamer van Koophandel (dat aan BVR is gekoppeld) gebreken vertonen en dat het daarom niet aannemelijk is dat de verzendadressen onjuist waren. Hier draait het Hof de bewijslast om. Immers is het aan de Ontvanger, niet aan belanghebbende, om bewijs te leveren van de juiste bekendmaking van (juist vastgestelde) belastingaanslagen. Wat het Hof hier echter doet is oordelen dat belanghebbende zou moeten bewijzen dat de systemen van de fiscus dan wel de Kamer van Koophandel onjuistheden bevatten of hebben bevat. Een en ander is voor belanghebbende een onmogelijke bewijsopdracht en strijdig met een juiste bewijslastverdeling.
Tot slot gaat het Hof in rechtsoverweging 5.11. nog nader in op de vraag of [A] ten tijde van de aansprakelijkstelling in gebreke was. Wederom stelt het Hof geen reden te hebben aan de juistheid van de Belastingdienstsystemen te twijfelen. Daarbij overweegt het Hof mede op grond van een arrest van uw Raad2. dat het voor het antwoord op de vraag of aansprakelijk kan worden gesteld op grond van de IW 1990 niet doorslaggevend is dat de belastingplichtige ook reeds vóór de betekening van de dwangbevelen in staat is geweest om kennis te nemen van de hem opgelegde aanslagen en zijn belastingschulden te voldoen. Enerzijds geeft dit blijk van een onjuiste rechtsopvatting, anderzijds is het arrest van uw Raad waarnaar het Hof verwijst niet van toepassing. Ten eerste kan het weliswaar zo zijn dat de belastingplichtige niet reeds bij de betekening van dwangbevelen in staat is geweest om kennis te nemen van de vastgestelde belastingaanslagen, maar om dan hiervoor aansprakelijk te stellen is het noodzakelijk dat de belastingplichtige wel op enig moment daarna kennis heeft kunnen nemen van die belastingaanslagen. Immers moet de belastingplichtige c.q. -schuldige wel in gebreke zijn met het voldoen van de belastingschuld.
Ten tweede gaat het arrest van uw Raad waarnaar het Hof verwijst over de vraag of terecht vervolgingskosten in rekening kunnen worden gebracht indien de belastingplichtige niet reeds vóór betekening van de dwangbevelen kennis heeft kunnen nemen van de belastingaanslagen. Het arrest ziet daarmee niet op aansprakelijkstelling, waarvoor het juist een voorwaarde is dat de belastingplichtige ook daadwerkelijk in gebreke is, waarvan slechts sprake kan zijn bij een juiste bekendmaking van een (vastgestelde) belastingaanslag.
Door aldus te overwegen dat de fiscus (inspecteur dan wel Ontvanger) de naheffingsaanslagen juist heeft bekendgemaakt, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zo het Hof wel van een juiste rechtsopvatting uit is gegaan, maakt dat zijn redenering onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, mede doordat het niet op alle door belanghebbende aangedragen argumenten is ingegaan en zelfs heeft gesteld dat belanghebbende het vermoeden van ontvangst niet heeft ontzenuwd althans niets zou hebben gesteld tegenover de opvatting van de Ontvanger dat de naheffingsaanslagen aan de juiste adressen zouden zijn verzonden, wat belanghebbende wel degelijk heeft gedaan.
3.0. Middel III
Schending van het recht, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 8:42 en 8:77 Awb, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de Ontvanger heeft voldaan aan de verplichting tot het verstrekken van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, zulks ten onrechte, althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen, zoals hierna wordt uiteengezet.
Artikel 8:42 Awb verplicht het bestuursorgaan om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter toe te zenden. Uw Raad heeft geoordeeld dat tot deze stukken behoren al die stukken die de fiscus (inspecteur en/of Ontvanger) ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten.3. Uit jurisprudentie blijkt bovendien welke stukken niet verstrekt behoeven te worden. Dit zijn onder anderen stukken die de inspecteur (c.q. de Ontvanger) niet ter beschikking staan4. of stukken die niet (of niet meer) op de zaak betrekking (kunnen) hebben.5. Het Hof is echter van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het bepaalde in artikel 8:42 Awb uitgegaan met als gevolg dat schending van laatstgenoemde bepaling ten onrechte zonder gevolgen is gebleven.
Onderdeel A: ten onrechte geen afschriften van originele naheffingsaanslagen ingebracht
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat tot de op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 Awb in het kader van een aansprakelijkstelling als de onderhavige in ieder geval de originele naheffingsaanslagbiljetten horen, waar de in hoger beroep ingebrachte ‘afschriften’ en ‘duplicaten’ geen vervanging voor zijn.
Belanghebbende merkt verder op dat in rechtsoverwegingen 2.13 t/m 2.15 het Hof, als ware het een feit, meent dat de daar genoemde naheffingsaanslagen — met inbegrip van de boetebeschikkingen — zouden zijn vastgesteld en aldus, nu [A] daartegen dan kennelijk geen bezwaar en beroep heeft ingesteld, die naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen onherroepelijk vast zouden staan. Dit terwijl voor de onherroepelijkheid ook nodig is dat de naheffingsaanslagen (en boetebeschikkingen) juist bekend zijn gemaakt en zonder bekendmaking uiteraard ook geen bezwaar zal (kunnen) volgen. Nu belanghebbende bij het Hof zowel de vaststelling als de juiste bekendmaking heeft betwist, had het Hof dit aldus niet als vaststaand feit mogen aanmerken voorafgaand aan zijn beoordeling hiervan.
Belanghebbende wil hier dan ook uitdrukkelijk aangeven dat wat haar betreft niet gezegd kan worden dat het onherroepelijk vaststaan van de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen een vaststaand feit in cassatie is. Daarover heeft het Hof ook niet geoordeeld.
Verzendrapportages, afschriften en duplicaten
De Ontvanger heeft nu volstaan met B/CICT-rapportages waaruit geen (juiste) verzendadressen blijken (zie hiervoor middel II en paragraaf 1.7. e.v. van ons tiendagenstuk in hoger beroep, bijlage 1) en kwam (pas) na de eerste zitting in hoger beroep met afschriften uit de loonheffingssystemen (aldus geen afschriften van aanslagbiljetten) en met duplicaten van de naheffingsaanslagbiljetten omzetbelasting.
Zoals wij ook in onze schriftelijke reactie op die laatste twee stukken uiteen hebben gezet (schriftelijke reactie aan het Hof van 7 januari 2020, bijlage 3), bevatten de afschriften uit de loonheffingssystemen geen adressering. Verder kan uit de duplicaten van de naheffingsaanslagen omzetbelasting niet worden afgeleid dat de originele naheffingsaanslagen naar het juiste adres zijn gezonden, reeds omdat dergelijke duplicaten blijkens de Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders (paragraaf 5.6) bedoeld zijn om een ander adres te dragen dan de originele naheffingsaanslag en aldus dat op deze duplicaten het adres gewijzigd kon worden. Een en ander betoogden wij uitgebreid in voornoemde brief aan het Hof van 7 januari 2020, waarnaar wij hier verwijzen.
(Afschriftenrvan)roriginelernaheffingsaanslagen
Reeds hierom kan dit ook niet voldoende aannemelijk maken dat de naheffingsaanslagen juist zijn vastgesteld en bekendgemaakt, en kan dus in het kader van artikel 8:42 Awb niet worden volstaan met het verstrekken hiervan als geen kopieën van de originele naheffingsaanslagen zijn verstrekt. Slechts uit (kopieën van) de originele naheffingsaanslagen en bewijs van verzending daarvan kan de juistheid van de vaststelling en bekendmaking van de naheffingsaanslagen blijken. Het oordeel van het Hof hieromtrent geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Belanghebbende realiseert zich dat gewoonlijk de Ontvanger geen originele naheffingsaanslagbiljetten kan verstrekken omdat die nu juist aan een belastingplichtige plegen te worden gestuurd. Echter (en zeker in het kader van een aansprakelijkheidsprocedure) ligt het op de weg van de Ontvanger om dan wel afschriften van deze originelen aan de aansprakelijkgestelde ter beschikking te stellen als op de zaak betrekking hebbende stukken. Nu dat niet is gebeurd heeft het Hof in rechtsoverwegingen 5.2. en 5.3. ten onrechte geoordeeld dat de Ontvanger wel alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.
Dat laatste geldt des te meer omdat artikel 8 Invorderingswet 1990 bepaalt dat de Ontvanger de belastingaanslag bekendmaakt door verzending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet. Op enig moment moet dus de Ontvanger hebben beschikt over de belastingaanslag. Dat de systemen van de fiscus feitelijk wellicht anders zijn ingericht doet daaraan niet af. Uit een tweetal uitspraken van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch kan worden afgeleid dat er ook een verplichting bestaat voor (in dit geval) de Ontvanger om op de zaak betrekking hebbende stukken in te brengen die niet hemzelf, maar een collega of de inspecteur ter beschikking staan.6.
Overigens is belanghebbende — anders dan de Ontvanger in het verweerschrift in hoger beroep (paragraaf 7.3.7. e.v.) — ook van mening dat die verplichting geldt ten aanzien van belastingaanslagen die zijn opgesteld door de Centrale Administratie van de Belastingdienst, gelet op voornoemde rechtspraak van Hof 's‑Hertogenbosch. Uit de door de Ontvanger in het verweerschrift in hoger beroep aangehaalde rechtspraak (Hof Den Haag 13 september 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3047) volgt, anders dan dat de Ontvanger daar stelt, niet dat de verplichting tot het verstrekken van op de zaak betrekking hebbende stukken niet zou gelden ten aanzien van de aanslagbiljetten omdat die geautomatiseerd worden vastgesteld. Uit die rechtspraak volgt niet veel meer dan dat de stelling van de inspecteur (anders dan van de Ontvanger) dat die niet beschikt over de originele aanslagbiljetten, door het Hof geloofwaardig wordt geacht.
Schending artikel 8:42 Awb ten onrechte zonder gevolgen
Het Hof heeft aldus miskend dat de Ontvanger wel degelijk artikel 8:42 Awb op dit punt heeft geschonden. De feitelijke inrichting van de systemen van de fiscus mag er niet toe leiden dat een aansprakelijkgestelde (en de rechter) geen inzage zou kunnen krijgen in die belastingaanslagen waarvoor hij aansprakelijk wordt gehouden (dan wel waarover die rechter dient te oordelen). Daarbij komt dat de — uit de beperkingen van een systeem voortvloeiende — feitelijke onmogelijkheid voor de invorderingsambtenaar in de praktijk om (kopieën van) de originele aanslagbiljetten te verstrekken niet leidt tot de gevolgtrekking dat dan artikel 8:42 Awb maar niet geschonden zou zijn.
Het Hof zou hier volgens belanghebbende enkel het recht juist hebben toegepast doorte oordelen dat wel sprake was van een schending van artikel 8:42 Awb, om vervolgens daar de gevolgen aan te verbinden die het geraden acht (artikel 8:31 Awb). Waar het Hof in rechtsoverweging 5.1. overweegt: ‘Stukken die niet meer bestaan dan wel niet meer te traceren zijn, kunnen uiteraard niet worden overgelegd. Het niet overleggen van die stukken kan dan ook niet worden aangemerkt als het niet voldoen aan de verplichting van artikel 8:42 Awb’ geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals hiervoor uiteengezet ziet de verplichting van artikel 8:42 Awb niet op stukken die de Ontvanger niet ter beschikking (hebben ge)staan, maar wel op stukken die de fiscus op enig moment wél ter beschikking hebben gestaan.
Voor zover het oordeel van het Hof in de ogen van uw Raad geen blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting omdat de fiscus geen stukken kan verstrekken die hij niet (meer) bezit, is het oordeel van het Hof dat het door de fiscus niet voldoen aan de bewaarplicht geen gevolgen heeft voor de bewijsvoering dan wel -waardering in casu onvoldoende gemotiveerd, nu het oordeel van het Hof over de wel door de fiscus verstrekte gegevens slechts is onderbouwd met de zinsnede: ‘Het Hofheeft geen reden te twijfelen aan deze gegevens.’ Het Hof heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de argumenten van belanghebbende in onze voornoemde reactie op de alsnog door de Ontvanger ingebrachte afschriften en duplicaten in de brief van 7 januari 2020 aan het Hof (bijlage 3). Had het Hof dit wel gedaan, dan had het Hof volgens belanghebbende tot de conclusie moeten komen dat de Ontvanger artikel 8:42 Awb heeft geschonden door niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen.
Onderdeel B: ten onrechte geen originele WKA-deelrapportages ingebracht
In rechtsoverweging 2.18 geeft het Hof weer dat in het kader van het WKA-onderzoek de onder 2.8 vermelde derdenonderzoeken hebben geleid tot deelrapportages, waarvan afschriften tot de gedingstukken behoren. Echter, dat is niet aan te merken als een aan zijn oordeel voorafgaande feitelijke vaststelling door het Hof, nu het Hof wist dat belanghebbende juist de waarheidsgetrouwheid van die deelrapportages in beroep en hoger beroep betwist.
Dit middelonderdeel ziet erop dat de Ontvanger slechts versies van de WKA-deelrapportages heeft verstrekt. In de pleitnotities in beroep (paragraaf 4.22 t/m 4.32, bijlage 4) is namens belanghebbende aangegeven dat in één deelrapportage (bijlage 67 bij het verweerschrift in beroep) passages zijn opgenomen uit verklaringen van (medewerkers van) de opdrachtgevers van belanghebbende. Die passages zijn niet ondertekend. Echter is in een aantal gevallen te lezen dat die verklaringen (toch) zouden (moeten) zijn ondertekend. Dat leidde voor belanghebbende tot de gevolgtrekking dat er dan nog onderliggende — originele documenten zouden moeten zijn waar de voornoemde eindversies van zijn afgeleid, zoals bijvoorbeeld handgeschreven gespreksaantekeningen die dan wellicht door opdrachtgevers ondertekend zouden zijn. Dat zijn natuurlijk ook op de zaak betrekking hebbende stukken.
Voornoemde, door de Ontvanger in het dossier gevoegde deelrapportage is echter niet ondertekend door [E], maar is volledig digitaal ingevuld, op de bijlagenlijst en de ondertekening na. Die laatste twee zijn leeg gelaten.
Handgeschreven doorhalingen en opmerkingen; verschillen tussen deelrapportage en hoorverslag
Omdat voornoemde onderliggende documenten ontbraken in het dossier heeft belanghebbende zowel bij de Rechtbank als bij het Hof de juistheid van deze deelrapportages betwist. Hierop volgend heeft de Ontvanger ter zitting in beroep nog een andere versie verstrekt van één deelrapportage inzake [E], waarop handgeschreven doorhalingen en opmerkingen staan. Dat bevestigde de stelling van belanghebbende dat de eindversies niet de werkelijkheid juist weergeven en maakte het aannemelijk dat de versie met handgeschreven aantekeningen van [E] niet de enige eerdere of andere versie was.
De onjuistheid van de deelrapportages wordt verder versterkt als de deelrapportage van het onderzoek bij belanghebbende (bijlage 71 bij het verweerschrift in beroep) wordt vergeleken met het verslag van het hoorgesprek, dat gelijktijdig plaatsvond. Hiervoor is bij het Hof al aandacht gevraagd. In het tiendagenstuk (bijlage 1) is hierop gewezen in paragraaf 4.5. In de deelrapportage wordt bijvoorbeeld gevraagd waar de werkzaamheden werden verricht. In de beantwoording van die vraag in de deelrapportage staat ‘Op locatie van de opdrachtgevers’. In het hoorverslag staat echter vermeld dat belanghebbende op die vraag antwoordde: ‘De gedetacheerde medewerkers gingen rechtstreeks naar de locatie. De overige bleven hier en zaten bij belastingschuldige op locatie’. De antwoorden die door de fiscus in de deelrapportage zijn genoteerd zijn, zoals in genoemde paragraaf 4.5. al aan het Hof is gemeld, onjuist en het gevolg van vooringenomenheid. Ook is nog uitgebreid op dit hoorverslag gereageerd (bijlage 75 bij verweerschrift in beroep). Het Hof gaat aan dit alles in zijn uitspraak ten onrechte volledig voorbij.
Ten aanzien van alle deelrapportages van anderen dan belanghebbende (bijlagen 30, 32, 34 en 36 bij het verweerschrift in beroep) geldt dat deze digitaal zijn ingevuld door de Ontvanger. De bijlagenlijsten zijn niet ingevuld en ofwel de deelrapportages zijn niet ondertekend, ofwel deze zijn slechts digitaal voorgezien getekend. Gelet op voornoemde discrepantie tussen de deelrapportage van het onderzoek bij belanghebbende en het hoorverslag, is op zijn minst twijfel gerechtvaardigd aan de digitaal ingevulde antwoorden van de Ontvanger en is het Hof hier ten onrechte niet op ingegaan in zijn uitspraak.
Al in beroep is door de Ontvanger gesteld dat slechts van de deelrapportage van [F] B.V. een schriftelijk ondertekend exemplaar beschikbaar is. Enerzijds vindt belanghebbende het ongeloofwaardig dat de werkwijze van de Ontvanger per derdenonderzoek zou verschillen en anderzijds gaf dit, zoals in het tiendagenstuk in hoger beroep herhaald (zie paragraaf 4.3 en 4.4. van dit tiendagenstuk, bijlage 1), aanleiding tot betwisting van (de juistheid van) alle andere deelrapportages, nu het voor [E] kennelijk mogelijk was de genoteerde antwoorden nog handgeschreven te wijzigen. De juistheid van deze deelrapportages is ook door belanghebbende betwist.
In hoger beroep is hier wederom op gewezen (paragrafen 4.2. e.v. van het tiendagenstuk, met name paragraaf 4.4., bijlage 1). Tevens is daar nog eens expliciet ingegaan op de twijfel over de juistheid en compleetheid van de rapportages. Om in deze cassatieschriftuur niet in herhaling te vallen verwijzen we naar het tiendagenstuk (paragrafen 4.5. e.v., bijlage 1).
Rechtbank en Hof hebben beide geoordeeld ‘dat niet is komen vast te staan dat de Ontvanger andere versies heeft dan hij heeft overgelegd. Ook is niet komen vast te staan dat de Ontvanger beschikt over meer gegevens en correspondentie van en met de hoofdopdrachtgevers dan die zijn overgelegd. Ook in hoger beroep is dat niet komen vastte staan.’ Gelet op de argumenten van belanghebbende hebben Rechtbank en Hof onjuist geoordeeld omtrent de toepassing van artikel 8:42 Awb door de Ontvanger, maar hebben zij in ieder geval hun oordeel hieromtrent ontoereikend gemotiveerd, nu alle argumenten die belanghebbende daaromtrent aandroeg op geen enkele manier in de uitspraak terugkomen.
Nu het oordeel van het Hof mede is gestoeld op deze (door belanghebbende gemotiveerd betwiste) rapportages, zou bij een juiste rechtstoepassing een ander oordeel hebben gevolgd.
Gelet op de middelonderdelen A en B, kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing dient te volgen.
4.0. Middel IV
Schending van het recht, in het bijzonder van het vertrouwensbeginsel en van artikel 8:77 Awb, doordat het Hof in rechtsoverweging 5.21. heeft geoordeeld dat de Belastingdienst (c.q. de Ontvanger) bij belanghebbende niet het vertrouwen heeft gewekt dat met de betaling van een bedrag van € 350.000 belanghebbende geheel, althans in ieder geval tot dit bedrag gekweten was en aldus daarvoor niet meer aansprakelijk zou worden gesteld, zulks ten onrechte althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen.
Tijdlijn
[A] is opgericht op 4 april 2013. Vanaf de oprichtingsdatum tot 1 maart 2015 was [A] gevestigd aan de [b-straat 1] te [Z]. Van 1 maart 2015 tot 1 januari 2016 was het vestigingsadres de [b-straat 2], te [Z]. Vanaf 1 januari 2016 is het vestigingsadres de [a-straat 1] te [Z].
Belanghebbende is opdrachten aangegaan voor IT-engineeringswerkzaamheden met verschillende opdrachtgevers. De uitvoering van deze opdrachten heeft belanghebbende uitbesteed aan [A].
Omdat de fiscus van mening was dat [A] ten onrechte de naheffingsaanslagen loonheffingen en omzetbelasting onbetaald liet, heeft de fiscus op 5 november 2015 (bijlage 3 bij het verweerschrift in beroep) op basis van een verlofverzoek van 3 november 2015 (bijlage 4 bij het verweerschrift in beroep) bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, executoriaal derdenbeslag gelegd onder belanghebbende.
Bij het exploot van dit executoriaal derdenbeslag is een lijst gevoegd met belastingaanslagen (met aanslagnummers) ten aanzien waarvan dit derdenbeslag werd gelegd. Het ging om de volgende aanslagnummers:
- —
[0001] *
- —
[0002]
- —
[0003] *
- —
[0004] *
- —
[0005] *
- —
[0006] *
- —
[0007] *
- —
[0008] *
- —
[0009]
- —
[0010]
- —
[0011]
- —
[0012]
- —
[0013]
- —
[0014]
- —
[0015] *
- —
[0016]
Op 22 november 2016 heeft de Ontvanger bij de Rechtbank Den Haag wederom een verlofverzoek neergelegd (bijlage 37 bij het verweerschrift in beroep), ditmaal tot het leggen van conservatoir derdenbeslag onder de ABN AMRO en een aantal opdrachtgevers van [X]. Blijkens het verlofverzoek is in december 2015 het tot een schikking gekomen tussen belanghebbende en de Ontvanger.
De Rijksadvocaat zette in dit verlofverzoek (paragrafen 24 en 25 van bijlage 37 bij het verweerschrift in beroep) uiteen wat de reikwijdte van de schikking was: ‘Uiteindelijk hebben de partijen begin december 2015 een schikking getroffen inzake de afwikkeling van het executoriale derdenbeslag, inhoudende dat [X] door betaling van een bedrag van EUR 350.000 zou zijn gekweten van haar afdrachtverplichtingen onder dat executoriale derdenbeslag [onderstreping IL/AR], Vervolgens heeft afdracht plaatsgevonden. […] Een en ander staat niet aan [bedoeld zal zijn ‘in’, IL/AR] de weg aan de onderhavige beslaglegging c.q. aansprakelijkstelling. Het bedrag van EUR 350.000 dat de Ontvanger heeft ontvangen uit hoofde van het executoriale derdenbeslag is immers afgeboekt op de op dat moment openstaande belastingschuld van [A] waarvoor het executoriale derdenbeslag was gelegd [onderstreping IL/AR], Na afboeking van dat bedrag resteert thans nog steeds een belastingschuld van EUR 722.976, […]. Het is dus niet zo dat [X] aansprakelijk wordt gesteld voor belastingschulden die zij reeds eerder indirect (via een derdenbeslag) heeft voldaan.
Verder blijkt uit dit verlofverzoek expliciet dat het verlof wordt gevraagd vanwege de aanstaande aansprakelijkstelling van belanghebbende (zie paragrafen 12, 13, 17 en 26 van het verlofverzoek van 22 november 2016, bijlage 37 bij het verweerschrift in beroep).
Op 1 december 2016 bracht de civiele advocaat van belanghebbende een dagvaarding in kort geding uit aan de Ontvanger inzake voornoemd conservatoir derdenbeslag (bijlage 41 bij het verweerschrift in beroep).
In het kader van dit kort geding zond de Rijksadvocaat op 8 december 2016 producties aan de Rechtbank Den Haag en aan belanghebbende (bijlage 42 bij het verweerschrift in beroep). Hieronder bevonden zich in ieder geval het (op dat moment nog niet rechtstreeks aan belanghebbende kenbaar gemaakte) WKA-rapport, actuele schuldoverzichten van de Ontvanger en correspondentie met de Ontvanger. Hieruit blijkt dat de grondslag voor het conservatoir derdenbeslag inderdaad de aansprakelijkstelling was en dat de Ontvanger het bedrag van € 350.000 weliswaar heeft afgeboekt op bepaalde in het verlofverzoek van 3 november 2015 genoemde naheffingsaanslagen, maar de overige in dat verlofverzoek genoemde naheffingsaanslagen niet heeft afgeboekt; althans nog steeds meent daarvoor belanghebbende aansprakelijk te kunnen stellen.
Op 13 januari 2017 zond de Ontvanger een kennisgeving voornemen aansprakelijk stellen aan belanghebbende (bijlage 60 bij het verweerschrift in beroep). Uit het bij deze kennisgeving gevoegde WKA-rapport blijkt dat de aansprakelijkheid ziet op de volgende naheffingsaanslagen:
- —
[0017]
- —
[0018]
- —
[0019] *
- —
[0020] *
- —
[0021]
- —
[0022]
- —
[0023]
- —
[0001] *
- —
[0024]
- —
[0025] *
- —
[0026]
- —
[0005] *
- —
[0006] *
- —
[0027]
- —
[0028]
- —
[0029]
- —
[0030]
- —
[0031]
- —
[0015] *
- —
[0004] *
- —
[0032]
- —
[0033]
Hierboven is zowel voor wat betreft het verlofverzoek van 3 november 2015 als voor wat betreft het WKA-rapport uiteengezet welke belastingaanslagen de Ontvanger daarin opnam. De overlap op basis van het dossier is met ‘*’ aangegeven. Aldus heeft de Ontvanger belanghebbende aansprakelijk gesteld voor ten minste 8 naheffingsaanslagen waarvoor ook al executoriaal beslag was gelegd en het tot een schikking was gekomen.
Schikking
De betaling van het bedrag van € 350.000 is blijkens de e-mailcorrespondentie omtrent de schikking (bijlagen 6 en 7 bij het verweerschrift in beroep van de Ontvanger) bedoeld geweest om te voorkomen dat door de Ontvanger gedurende de fiscale procedure de gelegde derdenbeslagen gehandhaafd zouden worden, maar ook — zo blijkt uit de e-mail van de civiele advocaat van belanghebbende, de heer H. Eijer, om ervoor te zorgen dat ‘cliënte [belanghebbende, IL/AR] dan jegens de Belastingdienst gekweten [is] voor het bedrag waarvoor de Belastingdienst een vordering meent te hebben op cliënte, zoals omschreven in het verzoekschrift ex. artikel 718 Rv d.d. 3 november 2015, waarop door de voorzieningenrechter op 3 november 2015 verlof is verleend […]’
Alhoewel het Hof in rechtsoverweging 2.22. te kennen heeft gegeven het verlofverzoek (van 3 november 2015) en de gegeven beschikking te kennen, baseert het Hof in rechtsoverweging 5.21. zijn oordeel niet mede op de inhoud van de verlofverzoeken, maar slechts op voornoemde e-mailcorrespondentie. Dat wekt de indruk dat het Hof met grote stappen snel thuis wilde zijn. Uit de inhoud van het eerste verlofverzoek blijkt namelijk duidelijk dat dit wordt gedaan vanwege de volgens de Ontvanger openstaande belastingschuld van [A]. Zo valt onder paragraaf 7 van het verlofverzoek te lezen: ‘De fiscale lasten inzake de uitlening door [A] (de sub 3 genoemde loonheffing en de sub 6 genoemde omzetbelasting) komen voor haar rekening. Zij heeft inmiddels over de jaren 2014 en 2015 een belastingschuld van EUR 751.573 (exclusief rente en kosten) opgebouwd […]’, en onder 8: ‘Op korte termijn (in ieder geval voordat het conservatoire beslag wordt gelegd waarvoor in dit rekest verlof wordt gevraagd) zal de Ontvanger tot verhaal voor de openstaande belastingschuld van [A] executoriaal derdenbeslag leggen onder [X].’
Uit bovenstaande citaten blijkt dat het verlofverzoek uitdrukkelijk zag op de openstaande belastingschuld van [A] en is de schikking bedoeld ter kwijting van de schuld waarop het executoriale derdenbeslag zag. Het is aldus niet vreemd dat belanghebbende meende dat de Ontvanger na de getroffen schikking niet weer bij [X] zou komen aankloppen. Daarnaast is het strijdig met de schikking dat de Ontvanger belanghebbende toch aansprakelijk stelt voor de naheffingsaanslagen die zowel ten grondslag liggen aan het beslagverzoek als aan de beschikking aansprakelijkstelling (de ‘overlap’). Immers was belanghebbende nu juist voor die belastingschuld gekweten. Het kan dus in geen geval zo zijn dat de Ontvanger die belastingaanslagen alsnog open liet staan, gelet op de gemaakte afspraak. De Ontvanger voldoet in zoverre ook niet aan hetgeen is bepaald in de artikelen 34.8.3. en artikel 35.7. Leidraad Invordering 2008. Hierdoor had het Hof ook niet zonder meer tot de oordelen kunnen en mogen komen dat belanghebbende door de betaling van € 350.000 niet een deel van de naheffingsaanslagen waarvoor ze aansprakelijk is gesteld heeft voldaan (rechtsoverweging 5.20.) en dat belanghebbende aan de betaling van € 350.000 niet het in rechte te honoreren vertrouwen mocht ontlenen dat zij niet aansprakelijk zou worden gesteld (rechtsoverweging 5.21.).
Belanghebbende meent dat juist die stukken waarmee het Hof in zijn beslissing niets doet, tot een volstrekt andere uitkomst zouden hebben moeten leiden. Die uitkomst had kunnen zijn dat het Hof had beslist dat de schikking op zichzelf [X] had gekweten voor aansprakelijkstelling voor naheffingsaanslagen loonheffingen en omzetbelasting van [A], maar had ook kunnen zijn dat het Hof op basis van deze feiten toch had geoordeeld dat belanghebbende gerechtvaardigd het vertrouwen aan die schikking had kunnen ontlenen dat de Ontvanger na het treffen van die schikking niet meer tot aansprakelijkstelling zou overgaan. Bovendien had het Hof ook heel wel kunnen oordelen dat de overlap in naheffingsaanslagen tussen het beslagverzoek en de beschikking aansprakelijkstelling strijdig was met de schikking en dat aldus in ieder geval de aansprakelijkstelling voor de overlappende naheffingsaanslagen zou moeten komen te vervallen.
Tot slot heeft het Hof zijn beslissing onjuist althans onvolledig gemotiveerd door wel aan te geven dat kennis is genomen van de inhoud van de verlofverzoeken, maar vervolgens niet expliciet in te gaan op de inhoud daarvan — die relevant is voor de beoordeling van de door de Ontvanger na te komen overeenkomst, althans het door de Ontvanger gewekte vertrouwen dat cliënte kon ontlenen aan de correspondentie van haar civiele advocaat met de Belastingdienst en aan de uitlatingen van de Rijksadvocaat. Niet is uit te sluiten dat de afweging van het Hof anders had uitgepakt als zijn beslissing wel mede op de inhoud van het verlofverzoek was gestoeld als hierboven weergegeven.
Gelet op het vorenstaande, kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven.
Conclusie
[X] B.V. concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak.
Tot slot verzoekt belanghebbende nogmaals op grond van artikel 29 AWR jo. artikel 8:75 Awb om vergoeding van haar proceskosten in bezwaar, beroep, hoger beroep en cassatie, nu het aan de Ontvanger is te wijten dat de beschikking aansprakelijkstelling ten onrechte is vastgesteld.
[…], 28 juli 2020
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 30‑09‑2022
Hoge Raad 15 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:AN2610, BNB 1992/291.
HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003AN9567, 8/VB 2004/89.
HR 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1107, V-N 2020/31.21-----HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, BNB 2018/164.
Bijvoorbeeld een strafdossier waarover de inspecteur nog niet beschikt, Hof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8497, V-N 2020/7.23, of agenda's van derden die niet aan de inspecteur ter beschikking hebben gestaan, HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:29, V-N 2013/35.10.
HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:672, BNB 2018/164 --- HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1182, BNB 2014/186.
Gerechtshof 's‑Hertogenbosch, 27 juli 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3632, V-N 2017/50.7., Gerechtshof's‑Hertogenbosch, 13 april 2018, ECU:NL:GHSHE:2018:1593, V-N 2018/40.17 en Hoge Raad, 26 juni 2020, ECL1:NL:HR:2020:1107, V-N 2020/31.21.