Rechtsgevolgen van stille cessie
Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/12.6.1:12.6.1 Betekenis van de bepaling
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/12.6.1
12.6.1 Betekenis van de bepaling
Documentgegevens:
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS583680:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
775. Anders dan de bevoegdheidsverdeling ten aanzien van de stil gecedeerde vordering en de onderlinge rechtsverhouding tussen de stille cedent en de stille cessionaris, wordt de rechtspositie van de schuldenaar tot het moment van mededeling in beginsel alleen bepaald door de tweede zin van art. 3:94lid 3 BW. Op grond van deze bepaling kan de schuldenaar de stille cedent in alle opzichten voor zijn schuldeiser houden tot het moment van mededeling. De rechtspositie van de schuldenaar wordt, naast zijn verplichting om een bepaalde prestatie te verrichten, bepaald door zijn bevoegdheden, verweermiddelen en eventuele tegenvorderingen.1
Met name in de bevoegdheden van de schuldenaar komt geen verandering door de stille cessie zolang daarvan geen mededeling is gedaan. De schuldenaar kan op grond van art. 3:94 lid 3 BW onder meer bevrijdend betalen aan, verrekenen met en een eis in reconventie instellen tegen de stille cedent alsof deze zijn schuldeiser is. Hij kan ook derdenbeslag onder zichzelf leggen op de stil gecedeerde vordering als hij een tegenvordering heeft op de stille cedent. Ook in de verweermiddelen van de schuldenaar komt door de stille cessie op grond van art. 3:94 lid 3 BW geen verandering. De stille cedent blijft tot het moment van mededeling jegens de schuldenaar aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen die uit het schuldeiserschap of uit nevenrechten voortvloeien (art. 6:144 lid 1 jo 3:94 lid 3 BW). Ontstaat een schadevergoedingsvordering in het vermogen van de stille cessionaris door een tekortkoming van de schuldenaar, en heeft de stille cessionaris door zijn persoonlijke situatie een hogere schadepost dan de stille cedent zou hebben gehad als hij nog schuldeiser zou zijn geweest, dan kan dit op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW niet aan de schuldenaar worden tegengeworpen. Vanaf het moment van mededeling gelden de normale regels voor de overgang van vorderingen. Vanaf dat moment zijn onder meer art. 6:32 en 6:34 BW, art. 6:130 lid 1 BW, art. 6:144 lid 1 BW, art. 6:145 BW, art. 6:149 lid 1 en lid 2 BW, art. 136 Rv en art. 431a Rv van toepassing.
De schuldenaar kan er voor kiezen om zich niet op de bescherming van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW te beroepen. Zijn rechtspositie is in dat geval dan dezelfde als die van de schuldenaar bij een overgang van de vordering waarbij de nieuwe schuldeiser een (privatieve) last tot inning aan de oude schuldeiser heeft gegeven. Of de schuldenaar in het bijzondere geval bijvoorbeeld bevrijdend kan betalen aan of verrekenen met de stille cessionaris hangt in deze gevallen af van het antwoord op de vraag of de stille cessionaris (ook) inningsbevoegd is. Heeft de stille cessionaris een privatieve last tot inning gegeven, dan is dat niet het geval. De schuldenaar kan in beginsel niet bevrijdend aan hem betalen en evenmin met hem verrekenen, tenzij hij te goeder trouw is ten aanzien van de onbevoegdheid van de stille cessionaris als privatieve lastgever (art. 7:423 lid 1 BW).
Zolang geen mededeling is gedaan van de stille cessie, zal de goede trouw van de schuldenaar niet snel mogen worden aangenomen.
De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW heeft uitsluitend betekenis voor de rechtspositie van de schuldenaar. De bepaling dient in het bijzonder niet als grondslag voor de inningsbevoegdheid van de stille cedent.2