Conclusie van de Advocaat-Generaal van 6 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1191, onder 6-8.
HR, 29-11-2024, nr. 23/02886
ECLI:NL:HR:2024:1774
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-11-2024
- Zaaknummer
23/02886
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1774, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑11‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:926
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:850
ECLI:NL:PHR:2024:850, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 30‑08‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1774
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑07‑2023
- Vindplaatsen
NJ 2025/93 met annotatie van P.C. Vegter
Uitspraak 29‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Overheidsprivaatrecht. Vordering van veroordeelde op grond van onrechtmatige daad na weigering van gratie. Gratieverzoek op grond dat strafbare feit was verjaard toen hof arrest wees. Hoge Raad heeft in strafzaak arrest van hof niet op die grond ambtshalve vernietigd. Gratie doorkruising oordeel strafrechter?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/02886
Datum 29 november 2024
ARREST
In de zaak van
[de veroordeelde],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: de veroordeelde,
advocaat: A.M. van Aerde,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Minister van Justitie en Veiligheid en Minister voor Rechtsbescherming),
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de Staat,
advocaat: G.C. Nieuwland.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/09/595033 / HA ZA 20-611 van de rechtbank Den Haag van 15 december 2021;
b. het arrest in de zaak 200.307.951/01 van het gerechtshof Den Haag van 25 april 2023.
[de veroordeelde] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staat heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor de Staat mede door H.W. Volberda.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot vernietiging en verwijzing van het cassatieberoep.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Het gaat in deze zaak over de beoordeling door de burgerlijke rechter van de beslissing van de Kroon (hierna ook: de Minister) om geen gratie te verlenen van een gevangenisstraf, opgelegd voor een strafbaar feit dat al was verjaard op het moment dat het hof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad uitspraak deden in de strafzaak. In deze civiele zaak staat in cassatie de vraag centraal of het hof kon oordelen dat toewijzing van het gratieverzoek zou neerkomen op een doorkruising van een bewuste keuze dan wel inzicht van de rechter, omdat de Hoge Raad in de strafzaak niet ambtshalve heeft gecasseerd nadat de Advocaat-Generaal op de verjaring had gewezen.
2.2
In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.
(i) De veroordeelde is bij arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 24 mei 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens verduistering, gepleegd in de periode van 5 december 2003 tot en met 6 mei 2005 (hierna: feit 1), en het opzettelijk handelen in strijd met art. 82 lid 1 Wet toezicht kredietwezen 1992, gepleegd in de periode van 5 december 2003 tot en met 28 juli 2004 (hierna: feit 2). Ook zijn aan de veroordeelde schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
(ii) De veroordeelde heeft in zijn strafzaak beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch. Zijn raadslieden hebben in de cassatieschriftuur geen klachten geuit over de verjaring van feit 2, hoewel dat feit al was verjaard toen dat hof arrest wees.
(iii) Hangende het cassatieberoep van de veroordeelde heeft de strafkamer van de Hoge Raad in een andere zaak bepaald dat de Hoge Raad niet meer ambtshalve zal toetsen of het recht van strafvervolging is verjaard, tenzij die verjaring pas is ingetreden na de indiening van de cassatieschriftuur (HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022, rov. 3.4; hierna ook het arrest van 30 oktober 2018).
(iv) In de strafzaak tegen de veroordeelde heeft de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad in zijn conclusie aan de orde gesteld dat het recht tot strafvordering voor feit 2 al op 29 juli 2016 was verjaard. De Advocaat-Generaal heeft daarbij gewezen op de beperkingen die de Hoge Raad in het arrest van 30 oktober 2018 heeft gesteld aan het gebruik van zijn bevoegdheid tot ambtshalve cassatie.1.
(v) De (strafkamer van de) Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de veroordeelde bij arrest van 18 december 2018 verworpen.2.In het arrest heeft de Hoge Raad geen overwegingen gewijd aan de verjaring van het recht van strafvervolging.
(vi) Op 19 maart 2019 heeft de veroordeelde een gratieverzoek ingediend dat bij koninklijk besluit van 12 november 2019 wat betreft feit 1 is toegewezen en wat betreft feit 2 is afgewezen.
(vii) Met betrekking tot feit 2 heeft de veroordeelde in zijn gratieverzoek aangevoerd dat het hof ’s-Hertogenbosch ten onrechte niet de verjaring van dat feit heeft opgemerkt. Volgens de veroordeelde houdt het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2018 een onverwachte koerswijziging in waarop de cassatieadvocaten van de veroordeelde niet konden anticiperen, omdat de Hoge Raad voordien wel ambtshalve casseerde bij verjaring. In het gratieverzoek is verder aangevoerd dat verjaring van openbare orde is en ambtshalve door de rechter behoort te worden getoetst. Volgens de veroordeelde is, gelet op de verjaring van het feit, aannemelijk dat met de tenuitvoerlegging van de straf geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend als bedoeld in art. 2 onder b Gratiewet.
(viii) Met betrekking tot feit 2 heeft het openbaar ministerie in zijn advies van 7 augustus 2019 aan de Kroon over het gratieverzoek onder meer opgemerkt:
“Volgens de tenlastelegging is dit feit voor het laatst in augustus 2004 gepleegd. Het recht tot strafvordering vervalt na verloop van twaalf jaren, dus in augustus 2016. Dat is dus vóór het arrest van het hof. De AG bij de Hoge Raad zag hierin aanleiding om de Hoge Raad te adviseren gebruik te maken van zijn bevoegdheid om het bestreden arrest te vernietigen voor wat betreft de bewezenverklaring van dit feit. In de tussentijd verscheen echter het arrest van 30 oktober 2018. De A-G veranderde daarop van standpunt en er hoefde volgens hem niet ambtshalve gecasseerd te worden. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep in lijn hiermee verworpen.
De Hoge Raad lijkt hiermee bewust de verantwoordelijkheid voor het indienen en onderbouwen van cassatiemiddelen bij de verdachte en diens rechtsgeleerde ondersteuning (verplichte procesvertegenwoordiging) te leggen. Indien deze geen beroep doen op feiten en omstandigheden die bekend waren bij het indienen van de cassatieschriftuur zal de Hoge Raad daar ook in het geval van verjaring geen rekening mee houden. (...).
Op grond van het bovenstaande is het Openbaar Ministerie van mening dat niet met grote mate van zekerheid kan worden gezegd dat de Hoge Raad ‘per ongeluk’ geen ambtshalve beslissing heeft genomen met betrekking tot feit 2. Integendeel: gelet op de conclusie van de AG is dat bewust gebeurd en heeft de Hoge Raad er dus ook bewust voor gekozen om dit deel van het arrest van het Hof in stand te laten. Dat de Hoge Raad tot 30 oktober 2018 ambtshalve pleegde in te grijpen ingeval sprake was van een voltooide verjaringstermijn maakt dit niet anders. (...)
Voor wat betreft feit 2 adviseert het Openbaar Ministerie het gratieverzoek af te wijzen. Dat betekent dat een straf moet worden vastgesteld voor feit 2. Gelet op alle omstandigheden van deze zaak en de verhouding tussen de feiten 1 en 2 zou het uitgangspunt daarbij wat betreft het Openbaar Ministerie 6 maanden gevangenisstraf zijn.”
(ix) Het hof ’s-Hertogenbosch heeft overeenkomstig de zienswijze van het openbaar ministerie geadviseerd het gratieverzoek voor wat betreft feit 2 af te wijzen.
(x) Bij brief van 19 mei 2020 heeft de Minister de afwijzing van het gratieverzoek voor feit 2 bij het koninklijk besluit van 12 november 2019 als volgt gemotiveerd:
“(...) Uw raadslieden in cassatie hebben in hun cassatieschriftuur geen cassatiemiddel geformuleerd over de verjaring van feit 2 ten tijde van de appelprocedure. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep bij arrest van 18 december 2018 verworpen (...). Het openbaar ministerie heeft in zijn advies aangegeven geen aanleiding te zien af te wijken van het oordeel van de advocaat-generaal en de Hoge Raad. Uitgangspunt bij de beoordeling van het gratieverzoek is dus dat het arrest van het gerechtshof van 24 mei 2017 onherroepelijk is en tenuitvoergelegd kan worden. (...) Het gerechtshof heeft aan Zijne Majesteit de Koning bericht, in overeenkomst met het advies van het openbaar ministerie, het gratieverzoek voor wat betreft feit 1 toe te wijzen en voor wat betreft feit 2 het gratieverzoek af te wijzen, met vaststelling van de straf voor feit 2 op zes maanden gevangenisstraf (...) Ik zie geen grond om de adviezen van het openbaar ministerie en het gerechtshof niet te volgen. Conform de strekking van deze adviezen heb ik besloten het gratieverzoek voor een deel van de opgelegde straf, groot achttien maanden, in te willigen. Ten aanzien van het resterende deel van de straf, groot zes maanden, moet ik u – onder verwijzing naar de genoemde adviezen – meedelen dat ik het verzoek, met Koninklijke machtiging, heb afgewezen.”
(xi) Vervolgens heeft de veroordeelde de Staat in kort geding gedagvaard en gevorderd de tenuitvoerlegging van (het resterende deel van) de opgelegde gevangenisstraf te schorsen en de Staat te gelasten een nieuwe beslissing op het gratieverzoek te nemen. De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen3.en dit vonnis is in hoger beroep bekrachtigd.4.
2.3
In deze procedure vordert de veroordeelde (i) een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig handelt door hem geen gratie te verlenen voor feit 2, (ii) een verbod aan de Staat om de resterende gevangenisstraf ten uitvoer te leggen en (iii) veroordeling van de Staat om de afwijzende beslissing op het gratieverzoek te herzien.
2.4
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.5.
2.5
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.6.Het heeft daartoe onder meer overwogen:
“6.3 De Gratiewet voorziet niet in een rechtsmiddel tegen een (negatieve) beslissing omtrent de verlening van gratie. De veroordeelde kan echter met betrekking tot die beslissing het oordeel inroepen van de burgerlijke rechter over de vraag of de redenen die zijn opgegeven voor het niet-verlenen van gratie en – voor zover dat het geval is – voor het afwijken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, de beslissing kunnen dragen. De burgerlijke rechter dient vervolgens te beoordelen of de motivering van de beslissing omtrent gratieverlening ervan blijk geeft dat de wettelijke criteria afdoende in acht zijn genomen. De burgerlijke rechter dient bij dit oordeel terughoudendheid in acht te nemen.
Inhoudelijke toetsing: afwijzing onrechtmatig?
6.4
In het geval van [de veroordeelde] heeft de Minister het gerechtsadvies opgevolgd. Het gerechtsadvies verwijst naar het advies van het OM. Het hof is van oordeel dat de in dat advies opgenomen motivering de afwijzende beslissing in redelijkheid kan dragen. Het hof legt dat hierna uit.
6.5
Het is aannemelijk dat het hof Den Bosch in 2017 de verjaring over het hoofd heeft gezien. Of dit zo is kan echter in het midden blijven, omdat ook als ervan wordt uitgegaan dat dit juist is, de vordering van [de veroordeelde] niet kan slagen. Het is waar dat deze situatie onder de reikwijdte van de a-grond van artikel 2 Gratiewet kan worden gebracht, maar dat betekent niet dat gratie op die grond moet worden verleend en zeker niet dat de Minister onrechtmatig handelt wanneer hij het op redelijke gronden gebaseerde gerechtsadvies volgt. Zoals gezegd is gratie geen afdwingbaar recht. In dit geval geldt dat [de veroordeelde] zelf in de gelegenheid was om de fout te voorkomen (door het hof op de verjaring te wijzen), dan wel te doen herstellen (door dit punt alsnog naar voren te brengen in cassatie). [De veroordeelde] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Omdat [de veroordeelde] geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid die hij had, bracht de koerswijziging van de HR in oktober 2018 vervolgens mee dat geen ambtshalve cassatie heeft plaatsgevonden. De juistheid van die koerswijziging ligt in dit geding niet voor; dat erkent [de veroordeelde] ook. Volgens hem is voor de beoordeling van zijn vordering echter wel van belang dat hij een overgangsgeval is voor wie geen voorziening is getroffen. Doordat de koerswijziging plotseling en onvoorzien was konden zijn advocaten er naar zijn zeggen niet op anticiperen, terwijl anderzijds aanvulling van de cassatiemiddelen niet toegestaan was. Volgens [de veroordeelde] is artikel 7 EVRM hierdoor geschonden en heeft hij geen effectief rechtsmiddel gehad. Omdat hieraan geen aandacht is besteed, is de gratiebeslissing onvoldoende gemotiveerd, aldus [de veroordeelde].
6.6
Het hof volgt [de veroordeelde] hierin niet. Uit de conclusie van de AG blijkt overduidelijk dat (i) naar de mening van de AG sprake was van verjaring, (ii) dat dit vóór de koerswijziging had moeten leiden tot ambtshalve cassatie en (iii) dat [de veroordeelde] een overgangsgeval was. Voordat de HR beslist, neemt hij kennis van de conclusie van de AG. De Minister kon er in navolging van het OM en het gerechtsadvies dan ook in redelijkheid van uitgaan dat de HR dit alles onder ogen heeft gezien en er niettemin bewust voor heeft gekozen [de veroordeelde] geen ambtshalve bescherming te bieden. Dit betekent ook dat de Minister in redelijkheid kon oordelen dat toewijzing van het gratieverzoek zou neerkomen op een doorkruising van die bewuste keuze van de rechter. Zoals hierboven is opgemerkt is dat niet de bedoeling van het gratie-instrument. Voor zover het betoog van [de veroordeelde] erop neerkomt dat die keuze van de HR onredelijk is en/of onjuist, want in strijd met artikel 7 EVRM, geldt dat dit hem niet kan baten. Een dergelijke stelling komt immers ook neer op het ter discussie stellen van de rechtspraak van de HR. De gratieprocedure is niet bedoeld als vierde beroepsinstantie. Overigens is het hof het ook niet eens met [de veroordeelde] dat hem geen effectief rechtsmiddel ten dienste heeft gestaan. [De veroordeelde] heeft immers zowel in appel als in cassatie de mogelijkheid gehad de verjaring zelfstandig aan de orde te stellen.
6.7 [
De veroordeelde] heeft nog tegengeworpen dat niet zeker is dat het een bewuste keuze van de HR is geweest. Daarbij heeft [de veroordeelde] er op gewezen dat de HR de verjaring ten aanzien van feit 1 over het hoofd heeft gezien. Het is daarom mogelijk dat de HR dit ook niet heeft opgemerkt wat betreft feit 2, zo is de redenering van [de veroordeelde]. Niet alleen acht het hof dit niet aannemelijk, maar bovendien kon de Minister zoals gezegd in redelijkheid aannemen dat sprake is geweest van een bewuste keuze van de HR ten aanzien van feit 2. De conclusie van de AG (als adviseur van de HR) was zeer duidelijk en in die conclusie is expliciet op de verjaring van feit 2 gewezen. De verjaring van feit 1 wordt in de conclusie AG daarentegen niet genoemd.
6.8
De volgende tegenwerping van [de veroordeelde] houdt in dat als wordt aangenomen dat de HR er bewust voor heeft gekozen hem in de cassatieprocedure geen bescherming te bieden ten aanzien van feit 2, dit niet uitsluit dat het de bedoeling van de HR was om deze kwestie in de executiefase op te lossen via de route van gratie. [De veroordeelde] voert in dat verband aan dat uit rechtspraak van de HR blijkt dat gratie in sommige gevallen kan dienen als vangnet. Ook dit argument slaagt niet. Ten eerste geldt dat op voorhand niet erg aannemelijk is dat de HR specifiek deze bedoeling heeft gehad. Daarbij weegt mee dat de verjaringskwestie in de conclusie AG en door de HR – zo kon de Minister in redelijkheid aannemen – onder ogen is gezien. Het verlenen van gratie zou in zoverre dus wel degelijk neerkomen op een doorkruising van het inzicht van de rechter. Afgezien daarvan geldt dat de enkele omstandigheid dat niet is uitgesloten dat de HR die mogelijkheid heeft opengelaten nog niet betekent dat de Minister verplicht was gratie te verlenen in dit geval. De vergelijking met de uitspraak van de HR van 7 juni 2016 [voetnoot hof: ECLI:NL:HR:2016:1005] gaat ook niet op. Het ging in die zaak om een voor ieder kenbare evidente vergissing (verzuim toepassing artikel 27 Sr), die zich voor eenvoudig herstel door middel van een herstelarrest leende. Daarvan is in dit geval geen sprake.
6.9
Naar het oordeel van het hof is de motivering van de Minister bij deze stand van zaken toereikend. De Minister hoefde niet nader te motiveren waarom met de tenuitvoerlegging een met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. [De veroordeelde] is onherroepelijk veroordeeld en onherroepelijke uitspraken moeten in beginsel ten uitvoer worden gelegd.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdelen 2.2 en 2.4 van het middel komen op tegen het oordeel van het hof dat de verjaringskwestie in de conclusie van de Advocaat-Generaal en door de Hoge Raad in de strafzaak onder ogen is gezien en dat daarom de Minister in redelijkheid kon oordelen dat toewijzing van het gratieverzoek zou neerkomen op een doorkruising van een bewuste keuze dan wel inzicht van de rechter. Daartoe wordt aangevoerd dat deze keuze alleen betrekking heeft op de werkwijze en taakopvatting van de Hoge Raad zelf en dat daaraan niet een verdergaande strekking kan worden toegedicht. In lijn daarmee betogen de onderdelen verder dat de keuze van de Hoge Raad is gegrond op een procedurele koerswijziging en geen betrekking heeft op de materiële toetsing van de zaak van de veroordeelde op verjaring.
3.2.1
Art. 122 lid 1 Grondwet bepaalt dat gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften. Volgens art. 2 Gratiewet kan gratie worden verleend:
“a. op grond van enige omstandigheid, waarmede de rechter op het tijdstip van zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft gehouden of kunnen houden en die, ware zij op dat tijdstip wel of voldoende bekend geweest, hem aanleiding zou hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf of maatregel, of tot het afzien daarvan; dan wel
b. indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.”
3.2.2
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot vaststelling van de Gratiewet, die na de invoering niet op enig hier relevant punt is gewijzigd, is over het stelsel van die wet opgemerkt:
“De uitoefening van het recht van gratie behoort tot de bevoegdheid van de Kroon. De Grondwet schrijft voor dat deze bevoegdheid slechts na advisering door de rechter kan worden uitgeoefend en accentueert daarmede het belang dat aan deze advisering moet worden gehecht. Immers, er dient voor te worden gewaakt dat het gratierecht op een wijze wordt uitgeoefend waardoor op ongepaste wijze in de rechtspraak zou worden ingegrepen. Het gratie-instrument strekt er niet toe de Kroon in de gelegenheid te stellen van een van de rechter afwijkend inzicht te doen blijken omtrent de strafrechtstoepassing (…).”7.
3.2.3
In lijn hiermee is in de parlementaire geschiedenis van de Wet stroomlijning procedure behandeling gratieverzoeken opgemerkt:
“De mogelijkheid van gratie is niet bedoeld als een rechtsmiddel en evenmin als een aanvulling op de feitelijke behandeling, nadat de rechter een veroordeling heeft uitgesproken.”8.
en
“In de gratieprocedure staat de juistheid van het vonnis en de grondslag voor de strafoplegging niet meer ter discussie. Een veroordeelde die alsnog stelt onschuldig te zijn, kan een verzoek tot herziening indienen”.9.
3.2.4
Uit deze parlementaire geschiedenis komt naar voren dat de wetgever niet heeft beoogd een uitzondering te maken op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken, en dat als uitgangspunt geldt dat het instituut van de gratie geen (verkapt) rechtsmiddel is. De onjuistheid van de beslissing van de strafrechter kan daarom als zodanig geen grond vormen voor de toewijzing van een verzoek tot gratie.
3.2.5
In verband met de beoordeling door de burgerlijke rechter van beslissingen op gratieverzoeken vloeit uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad het volgende voort.10.
De Gratiewet voorziet niet in een rechtsmiddel tegen een (negatieve) beslissing over de verlening van gratie. De veroordeelde kan echter met betrekking tot die beslissing het oordeel inroepen van de burgerlijke rechter over de vraag of de redenen die zijn opgegeven voor het niet-verlenen van gratie en – voor zover dat het geval is – voor het afwijken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, de beslissing kunnen dragen. Als de burgerlijke rechter tot het oordeel komt dat de negatieve beslissing over de verlening van gratie onrechtmatig is omdat de opgegeven redenen deze beslissing niet kunnen dragen, kan de burgerlijke rechter de Staat veroordelen tot het nemen van een nieuwe beslissing op het gratieverzoek.
De burgerlijke rechter moet bij de beoordeling van een beslissing op een gratieverzoek terughoudendheid in acht nemen. Dat is slechts anders in bijzondere gevallen, bijvoorbeeld als in het gratieverzoek van een levenslanggestrafte een beroep wordt gedaan op de eisen die art. 3 EVRM stelt in verband met de beoordeling van de verdere tenuitvoerlegging van die straf.
3.3.1
Mede gelet op wat hiervoor is overwogen heeft het hof (in rov. 6.3) terecht tot uitgangspunt genomen dat de burgerlijke rechter bij de beoordeling van een beslissing op een gratieverzoek als het onderhavige terughoudendheid in acht moet nemen.
3.3.2
In cassatie dient als uitgangspunt (i) dat de veroordeelde als enige grond voor zijn gratieverzoek ten aanzien van feit 2 heeft aangevoerd dat het recht tot strafvordering voor dit feit al ten tijde van het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch was verjaard, en (ii) dat de veroordeelde in zijn strafzaak, zowel in hoger beroep als in cassatie, de mogelijkheid heeft gehad die verjaring aan de orde te stellen maar dit heeft nagelaten.
3.3.3
Niet onbegrijpelijk is de overweging van het hof om aan de omstandigheid dat de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad in zijn conclusie in de strafzaak aan de orde heeft gesteld dat het recht tot strafvordering voor feit 2 al ten tijde van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch was verjaard – waarbij de Advocaat-Generaal heeft gewezen op de beperkingen die de Hoge Raad in het arrest van 30 oktober 2018 heeft gesteld aan het gebruik van de bevoegdheid tot ambtshalve cassatie – de gevolgtrekking te verbinden dat de verjaringskwestie door de Hoge Raad onder ogen is gezien en dat sprake is geweest van een “bewuste keuze” van de Hoge Raad om niet ambtshalve te casseren. Het hof heeft op grond daarvan geoordeeld dat de Minister in redelijkheid kon oordelen dat toewijzing van het gratieverzoek zou neerkomen op een doorkruising van een bewuste keuze dan wel inzicht van de rechter, en dat in het licht daarvan de Minister de afwijzing van het gratieverzoek toereikend heeft gemotiveerd. Mede in het licht van wat hiervoor in 3.2.1-3.2.5 en 3.3.1 is overwogen, getuigen die oordelen niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn zij evenmin onbegrijpelijk.
3.4
De onderdelen 2.2 en 2.4 falen op grond van het voorgaande.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de veroordeelde in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 857,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de veroordeelde deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren A.L.J. van Strien, H.M. Wattendorff, T. Kooijmans en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 29 november 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 29‑11‑2024
HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2343.
Rechtbank Den Haag 8 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6330.
Gerechtshof Den Haag 1 september 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1573.
Rechtbank Den Haag 15 december 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13842.
Gerechtshof Den Haag 25 april 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:926.
Vgl. HR 6 november 2020, R ECLI:NL:HR:2020:1747, rechtsoverweging 3.5.6.
Conclusie 30‑08‑2024
Inhoudsindicatie
Overheidsprivaatrecht. Vordering gericht tegen weigering van gratie. Toetsingskader (HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1747). Gratie doorkruising oordeel strafrechter? Achtergrond koerswijziging Hoge Raad om niet meer ambtshalve te casseren bij verjaring van recht op strafvervolging.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02886
Zitting 30 augustus 2024
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
[eiser] ,
eiser tot cassatie,
advocaat: A.M. van Aerde
tegen
de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid)
verweerder in cassatie,
advocaat: G.C. Nieuwland
Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en de Staat.
1. Inleiding
[eiser] is voor twee strafbare feiten veroordeeld door het hof Den Bosch. Hij heeft daartegen cassatieberoep ingesteld. Zijn advocaten hebben verzuimd in cassatie aan te voeren dat het hof ten onrechte niet ambtshalve had geconstateerd dat het recht op strafvervolging van een van beide feiten was verjaard. Dat leek geen probleem te zullen worden, omdat de Hoge Raad ten tijde van het instellen van het cassatieberoep ambtshalve casseerde wegens dat gebrek. Hangende het beroep heeft de Hoge Raad echter zijn koers gewijzigd, aldus dat hij een uitspraak wegens dat gebrek nog alleen casseert als daarover is geklaagd. In overeenstemming hiermee is het cassatieberoep van [eiser] door de Hoge Raad verworpen.
Omdat de veroordeling ten onrechte was, heeft [eiser] om gratie gevraagd. Het openbaar ministerie en het hof hebben negatief geadviseerd over het gratieverzoek, op de grond dat, gelet op de conclusie van de A-G, het de Hoge Raad niet is ontgaan dat het recht op strafvervolging was verjaard, maar hij niet heeft gecasseerd. De minister heeft dit advies gevolgd en het gratieverzoek afgewezen. [eiser] vordert in deze procedure, kort gezegd, dat hem alsnog gratie moet worden verleend van de straf. Die vordering is in beide feitelijke instanties afgewezen.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1.
(i) Bij arrest van 24 mei 2017 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk wegens verduistering, gepleegd in de periode van 5 december 2003 tot en met 6 mei 2005 (hierna: feit 1), en het opzettelijk handelen in strijd met art. 82 lid 1 Wet toezicht kredietwezen 1992, gepleegd in de periode van 5 december 2003 tot en met 28 juli 2004 (hierna: feit 2). Ook zijn aan [eiser] schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
(ii) [eiser] heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld. Hij is daarin bijgestaan door twee in cassatieprocedures gespecialiseerde advocaten. Op 4 april 2018 hebben zij namens [eiser] een cassatieschriftuur ingediend. In het cassatieschriftuur zijn geen klachten naar voren gebracht over de verjaring van het recht op strafvervolging met betrekking tot de feiten 1 en 2.
(iii) Tot aan 30 oktober 2018 heeft de Hoge Raad in alle aan hem voorgelegde strafzaken ambtshalve getoetst of het recht van vervolging van de bewezenverklaarde feiten is verjaard. In een arrest van die datum (hierna vaak: het arrest van 30 oktober 2018) heeft de Hoge Raad echter bepaald dat hij niet meer ambtshalve zal toetsen of het recht van strafvervolging is verjaard, tenzij die verjaring pas is ingetreden nadat de termijn voor het indienen van cassatiemiddelen is verstreken.2.
(iv) Op 6 november 2018 heeft de advocaat-generaal bij de Hoge Raad in de zaak van [eiser] geconcludeerd. De advocaat-generaal heeft in zijn conclusie opgemerkt dat het recht tot strafvordering voor feit 2 op 29 juli 2016 (en dus al ten tijde van het arrest van het hof) was verjaard. De advocaat-generaal meende daarom aanvankelijk dat de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid om het bestreden arrest ambtshalve te vernietigen voor wat betreft feit 2 en dat hij het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk diende te verklaren in de vervolging voor dat feit. Gelet op het net gewezen arrest van 30 oktober 2018 heeft de advocaat-generaal echter geconcludeerd tot verwerping van het beroep, omdat hij ervan uitging dat de Hoge Raad evenmin in de zaak van [eiser] ambtshalve zou casseren.3.
(v) Bij arrest van 18 december 2018 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van [eiser] verworpen. In het arrest is de Hoge Raad niet ingegaan op de verjaring van het recht van strafvervolging.4.
(vi) Op 19 maart 2019 heeft [eiser] een gratieverzoek ingediend. Daarin heeft hij gewezen op de verjaring van het recht van strafvervolging met betrekking tot zowel feit 1 als feit 2. [eiser] heeft aangevoerd dat het recht van strafvervolging met betrekking tot feit 1 is verjaard tijdens de cassatieprocedure en dat de Hoge Raad dit ten onrechte niet heeft opgemerkt, terwijl hij dat volgens zijn arrest van 30 oktober 2018 wel ambtshalve had moeten onderzoeken. Verder heeft hij aangevoerd dat de verjaring van feit 2 ten onrechte niet is onderzocht en uitgesproken door het hof Den Bosch. Het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2018 was een onverwachte koerswijziging waarop de cassatieadvocaten van [eiser] niet konden anticiperen. Tot die tijd casseerde de Hoge Raad ambtshalve bij verjaring en de Hoge Raad heeft geen overgangsregeling in acht genomen. Verjaring is van openbare orde en behoort ambtshalve te worden getoetst. Gelet op de verjaring van beide feiten is volgens [eiser] aannemelijk dat met de tenuitvoerlegging van de straf geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend als bedoeld in art. 2 onder b Gratiewet.
(vii) Op 7 augustus 2019 heeft het openbaar ministerie de Kroon geadviseerd het gratieverzoek van [eiser] voor feit 1 toe te wijzen (kort gezegd omdat de Hoge Raad met betrekking tot dat feit in het licht van het arrest van 30 oktober 2018 ambtshalve had moeten casseren en de beweegredenen om dat niet te doen onduidelijk zijn) en voor feit 2 af te wijzen. Met betrekking tot feit 2 heeft het openbaar ministerie het volgende opgemerkt:
“(...) Volgens de tenlastelegging is dit feit voor het laatst in augustus 2004 gepleegd. Het recht tot strafvordering vervalt na verloop van twaalf jaren, dus in augustus 2016. Dat is dus vóór het arrest van het hof. De AG bij de Hoge Raad zag hierin aanleiding om de Hoge Raad te adviseren gebruik te maken van zijn bevoegdheid om het bestreden arrest te vernietigen voor wat betreft de bewezenverklaring van dit feit. In de tussentijd verscheen echter het arrest van 30 oktober 2018. De A-G veranderde daarop van standpunt en er hoefde volgens hem niet ambtshalve gecasseerd te worden. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep in lijn hiermee verworpen.
De Hoge Raad lijkt hiermee bewust de verantwoordelijkheid voor het indienen en onderbouwen van cassatiemiddelen bij de verdachte en diens rechtsgeleerde ondersteuning (verplichte procesvertegenwoordiging) te leggen. Indien deze geen beroep doen op feiten en omstandigheden die bekend waren bij het indienen van de cassatieschriftuur zal de Hoge Raad daar ook in het geval van verjaring geen rekening mee houden. (...).
Op grond van het bovenstaande is het Openbaar Ministerie van mening dat niet met grote mate van zekerheid kan worden gezegd dat de Hoge Raad 'per ongeluk' geen ambtshalve beslissing heeft genomen met betrekking tot feit 2. Integendeel: gelet op de conclusie van de AG is dat bewust gebeurd en heeft de Hoge Raad er dus ook bewust voor gekozen om dit deel van het arrest van het Hof in stand te laten. Dat de Hoge Raad tot 30 oktober 2018 ambtshalve pleegde in te grijpen ingeval sprake was van een voltooide verjaringstermijn maakt dit niet anders. (.. ..)
Voor wat betreft feit 2 adviseert het Openbaar Ministerie het gratieverzoek af te wijzen. Dat betekent dat een straf moet worden vastgesteld voor feit 2. Gelet op alle omstandigheden van deze zaak en de verhouding tussen de feiten 1 en 2 zou het uitgangspunt daarbij wat betreft het Openbaar Ministerie 6 maanden gevangenisstraf zijn.”5.
(viii) Het hof Den Bosch heeft overeenkomstig de zienswijze van het openbaar ministerie geadviseerd het gratieverzoek voor wat betreft feit 1 toe te wijzen en voor wat betreft feit 2 af te wijzen, met vaststelling van de straf voor feit 2 op zes maanden gevangenisstraf.6.
(ix) Bij Koninklijk Besluit van 12 november 2019 (hierna: het Gratiebesluit) is, onder verwijzing naar de adviezen van het openbaar ministerie en het hof Den Bosch, aan [eiser] alleen gratie verleend wat betreft feit 1. Bij brief van 19 mei 2020 heeft de minister voor Rechtsbescherming de afwijzing van het gratieverzoek voor feit 2 als volgt gemotiveerd:
“(...) Uw raadslieden in cassatie hebben in hun cassatieschriftuur geen cassatiemiddel geformuleerd over de verjaring van feit 2 ten tijde van de appelprocedure. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep bij arrest van 18 december 2018 verworpen (...). Het openbaar ministerie heeft in zijn advies aangegeven geen aanleiding te zien af te wijken van het oordeel van de advocaat-generaal en de Hoge Raad. Uitgangspunt bij de beoordeling van het gratieverzoek is dus dat het arrest van het gerechtshof van 24 mei 2017 onherroepelijk is en tenuitvoergelegd kan worden. (...) Het gerechtshof heeft aan Zijne Majesteit de Koning bericht, in overeenkomst met het advies van het openbaar ministerie, het gratieverzoek voor wat betreft feit 1 toe te wijzen en voor wat betreft feit 2 het gratieverzoek af te wijzen, met vaststelling van de straf voor feit 2 op zes maanden gevangenisstraf (...) Ik zie geen grond om de adviezen van het openbaar ministerie en het gerechtshof niet te volgen. Conform de strekking van deze adviezen heb ik besloten het gratieverzoek voor een deel van de opgelegde straf, groot achttien maanden, in te willigen. Ten aanzien van het resterende deel van de straf, groot zes maanden, moet ik u – onder verwijzing naar de genoemde adviezen – meedelen dat ik het verzoek, met Koninklijke machtiging, heb afgewezen.”7.
(x) Terwijl de behandeling van het gratieverzoek liep, heeft [eiser] in mei 2019 een klacht ingediend bij het EHRM wegens schending van art. 6 lid 3 onder c en 7 leden 1 en 2 EVRM.8.Het EHRM had nog niet op deze klacht beslist ten tijde van het nemen van deze conclusie. De Staat heeft besloten de beslissing van het EHRM af te wachten, alvorens de aan [eiser] opgelegde straf ten uitvoer te leggen.9.
(xi) In mei 2020 heeft [eiser] de Staat in kort geding gedagvaard en gevorderd de tenuitvoerlegging van (het resterende deel van) de opgelegde gevangenisstraf te schorsen en de Staat te gelasten een nieuwe beslissing op het gratieverzoek te nemen. Bij vonnis van 8 juli 2020 heeft de voorzieningenrechter deze vordering afgewezen.10.Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld. Het hof heeft bij arrest van 1 september 2020 het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.11.
2.2
Bij de deze procedure inleidende dagvaarding van 19 juni 2020 heeft [eiser] de Staat gedagvaard voor de rechtbank Den Haag en vorderingen ingesteld die erop zijn gericht dat hem ook gratie met betrekking tot feit 2 moet worden verleend, althans opnieuw op zijn gratieverzoek met betrekking tot dat feit moet worden beslist, met een deugdelijke motivering.
[eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig handelt door [eiser] geen gratie te verlenen voor feit 2, terwijl vaststaat dat het recht op strafvervolging voor feit 2 was verjaard ten tijde van het wijzen van het arrest van de Hoge Raad. In zo'n geval kan en moet de Kroon positief beslissen op een gratieverzoek, volgens [eiser] . De afwijzende gratiebeslissing is dus onvoldoende gemotiveerd. De Staat handelt daardoor in strijd met art. 18 lid 2 Gratiewet of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, althans in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De afwijzende beslissing is voorts in strijd met de art. 6 en 7 EVRM, aldus [eiser] .12.
2.3
De rechtbank heeft de vorderingen bij vonnis van 15 december 2021 afgewezen.13.De rechtbank heeft geoordeeld dat de afwijzing van het gratieverzoek gedragen kan worden door het advies dat de strafrechter (het hof Den Bosch) daarover heeft gegeven. Gratieverlening zou de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak van [eiser] doorkruisen en gratie is daar niet voor bedoeld (zie voor een en ander rov. 4.6-4.11). Het beroep op de art. 6 en 7 EVRM heeft de rechtbank verworpen omdat uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat dit beroep niet tot een andere uitkomst van de zaak leidt en de juistheid van het arrest van de Hoge Raad niet in deze zaak ter discussie staat (rov. 4.12-4.17).
2.4
[eiser] heeft hoger beroep van het vonnis ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Dat hof heeft het vonnis bij arrest van 25 april 2023 bekrachtigd.14.
2.5
Het hof heeft als toetsingskader vooropgesteld:
“6.1. (…) Uitgangspunt is dat onherroepelijke uitspraken ten uitvoer gelegd moeten worden. Er bestaat geen afdwingbaar recht op gratie. Het verlenen van gratie is een discretionaire bevoegdheid van de Kroon. Omdat in de praktijk de Minister bij koninklijke machtiging een beslissing op het gratieverzoek neemt, wordt in deze uitspraak verder gesproken over de beslissing van de Minister. In artikel 122 Grondwet is bepaald dat gratie wordt verleend na advies van een bij wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften. Die voorschriften zijn neergelegd in de Gratiewet. In artikel 2 van de Gratiewet is bepaald dat gratie kan worden verleend:a. op grond van enige omstandigheid, waarmee de rechter op het tijdstip van zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft gehouden of kunnen houden en die, ware zij op dat tijdstip wel of voldoende bekend geweest, hem aanleiding zou hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf of maatregel, of tot het afzien daarvan (hierna ook: de a-grond);b. indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend (hierna ook: de b-grond).
Bij de beslissing over het al dan niet verlenen van gratie gaat het in de kern om de vraag of de onverkorte tenuitvoerlegging van de door de onafhankelijke rechter opgelegde sanctie in overeenstemming is met eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid.
6.2
Artikel 4 van de Gratiewet bepaalt dat de Minister advies moet inwinnen van het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd, alvorens over gratieverlening te beslissen (hierna ook: het gerechtsadvies). Bij een gratieverzoek dat betrekking heeft op een vonnis of arrest, gewezen door een meervoudige kamer stuurt de Minister het gratieverzoek met een verslag van zijn bevindingen eerst voor advies naar het OM (zie artikel 5 lid 4 Gratiewet). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat aan het gerechtsadvies bij het nemen van een beslissing omtrent gratieverlening een groot gewicht toekomt. Achterliggende gedachte is dat ervoor moet worden gewaakt dat het gratierecht op een wijze wordt uitgeoefend waardoor op ongepaste wijze in de rechtspraak zou worden ingegrepen. Het gratie-instrument strekt er niet toe de Minister in de gelegenheid te stellen van een van de rechter afwijkend inzicht te doen blijken omtrent de strafrechtstoepassing. Het gerechtsadvies is daarom in beginsel leidend. Alleen op grond van bijzondere omstandigheden kan daarvan worden afgeweken. Wanneer een verzoek tot gratieverlening wordt afgewezen, dient de verzoeker daarvan op grond van artikel 18 lid 2 Gratiewet onder opgaaf van redenen in kennis te worden gesteld. Een deugdelijke motivering van een negatieve beslissing is in het bijzonder van belang indien wordt afgeweken van het gerechtsadvies.
6.3
De Gratiewet voorziet niet in een rechtsmiddel tegen een (negatieve) beslissing omtrent de verlening van gratie. De veroordeelde kan echter met betrekking tot die beslissing het oordeel inroepen van de burgerlijke rechter over de vraag of de redenen die zijn opgegeven voor het niet-verlenen van gratie en – voor zover dat het geval is – voor het afwijken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, de beslissing kunnen dragen. De burgerlijke rechter dient vervolgens te beoordelen of de motivering van de beslissing omtrent gratieverlening ervan blijk geeft dat de wettelijke criteria afdoende in acht zijn genomen. De burgerlijke rechter dient bij dit oordeel terughoudendheid in acht te nemen.”
2.6
Naar het oordeel van het hof is de motivering die de minister heeft gegeven voor de afwijzing van het gratieverzoek, bestaande in een verwijzing naar het gerechtsadvies en het advies van het openbaar ministerie, toereikend (rov. 6.4). Het hof licht dat als volgt toe:
“6.5 Het is aannemelijk dat het hof Den Bosch in 2017 de verjaring over het hoofd heeft gezien. Of dit zo is kan echter in het midden blijven, omdat ook als ervan wordt uitgegaan dat dit juist is, de vordering van [eiser] niet kan slagen. Het is waar dat deze situatie onder de reikwijdte van de a-grond van artikel 2 Gratiewet kan worden gebracht, maar dat betekent niet dat gratie op die grond moet worden verleend en zeker niet dat de Minister onrechtmatig handelt wanneer hij het op redelijke gronden gebaseerde gerechtsadvies volgt. Zoals gezegd is gratie geen afdwingbaar recht. In dit geval geldt dat [eiser] zelf in de gelegenheid was om de fout te voorkomen (door het hof op de verjaring te wijzen), dan wel te doen herstellen (door dit punt alsnog naar voren te brengen in cassatie). [eiser] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Omdat [eiser] geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid die hij had, bracht de koerswijziging van de HR in oktober 2018 vervolgens mee dat geen ambtshalve cassatie heeft plaatsgevonden. De juistheid van die koerswijziging ligt in dit geding niet voor; dat erkent [eiser] ook. Volgens hem is voor de beoordeling van zijn vordering echter wel van belang dat hij een overgangsgeval is voor wie geen voorziening is getroffen. Doordat de koerswijziging plotseling en onvoorzien was konden zijn advocaten er naar zijn zeggen niet op anticiperen, terwijl anderzijds aanvulling van de cassatiemiddelen niet toegestaan was. Volgens [eiser] is artikel 7 EVRM hierdoor geschonden en heeft hij geen effectief rechtsmiddel gehad. Omdat hieraan geen aandacht is besteed, is de gratiebeslissing onvoldoende gemotiveerd, aldus [eiser] .
6.6
Het hof volgt [eiser] hierin niet. Uit de conclusie van de AG blijkt overduidelijk dat (i) naar de mening van de AG sprake was van verjaring, (ii) dat dit vóór de koerswijziging had moeten leiden tot ambtshalve cassatie en (iii) dat [eiser] een overgangsgeval was. Voordat de HR beslist, neemt hij kennis van de conclusie van de AG. De Minister kon er in navolging van het OM en het gerechtsadvies dan ook in redelijkheid van uitgaan dat de HR dit alles onder ogen heeft gezien en er niettemin bewust voor heeft gekozen [eiser] geen ambtshalve bescherming te bieden. Dit betekent ook dat de Minister in redelijkheid kon oordelen dat toewijzing van het gratieverzoek zou neerkomen op een doorkruising van die bewuste keuze van de rechter. Zoals hierboven is opgemerkt is dat niet de bedoeling van het gratie-instrument. Voor zover het betoog van [eiser] erop neerkomt dat die keuze van de HR onredelijk is en/of onjuist, want in strijd met artikel 7 EVRM, geldt dat dit hem niet kan baten. Een dergelijke stelling komt immers ook neer op het ter discussie stellen van de rechtspraak van de HR. De gratieprocedure is niet bedoeld als vierde beroepsinstantie. Overigens is het hof het ook niet eens met [eiser] dat hem geen effectief rechtsmiddel ten dienste heeft gestaan. [eiser] heeft immers zowel in appel als in cassatie de mogelijkheid gehad de verjaring zelfstandig aan de orde te stellen.
6.7
[eiser] heeft nog tegengeworpen dat niet zeker is dat het een bewuste keuze van de HR is geweest. Daarbij heeft [eiser] er op gewezen dat de HR de verjaring ten aanzien van feit 1 over het hoofd heeft gezien. Het is daarom mogelijk dat de HR dit ook niet heeft opgemerkt wat betreft feit 2, zo is de redenering van [eiser] . Niet alleen acht het hof dit niet aannemelijk, maar bovendien kon de Minister zoals gezegd in redelijkheid aannemen dat sprake is geweest van een bewuste keuze van de HR ten aanzien van feit 2. De conclusie van de AG (als adviseur van de HR) was zeer duidelijk en in die conclusie is expliciet op de verjaring van feit 2 gewezen. De verjaring van feit 1 wordt in de conclusie AG daarentegen niet genoemd.
6.8
De volgende tegenwerping van [eiser] houdt in dat als wordt aangenomen dat de HR er bewust voor heeft gekozen hem in de cassatieprocedure geen bescherming te bieden ten aanzien van feit 2, dit niet uitsluit dat het de bedoeling van de HR was om deze kwestie in de executiefase op te lossen via de route van gratie. [eiser] voert in dat verband aan dat uit rechtspraak van de HR blijkt dat gratie in sommige gevallen kan dienen als vangnet. Ook dit argument slaagt niet. Ten eerste geldt dat op voorhand niet erg aannemelijk is dat de HR specifiek deze bedoeling heeft gehad. Daarbij weegt mee dat de verjaringskwestie in de conclusie AG en door de HR – zo kon de Minister in redelijkheid aannemen – onder ogen is gezien. Het verlenen van gratie zou in zoverre dus wel degelijk neerkomen op een doorkruising van het inzicht van de rechter. Afgezien daarvan geldt dat de enkele omstandigheid dat niet is uitgesloten dat de HR die mogelijkheid heeft opengelaten nog niet betekent dat de Minister verplicht was gratie te verlenen in dit geval. De vergelijking met de uitspraak van de HR van 7 juni 2016 gaat ook niet op. Het ging in die zaak om een voor ieder kenbare evidente vergissing (verzuim toepassing artikel 27 Sr), die zich voor eenvoudig herstel door middel van een herstelarrest leende. Daarvan is in dit geval geen sprake.
6.9
Naar het oordeel van het hof is de motivering van de Minister bij deze stand van zaken toereikend. De Minister hoefde niet nader te motiveren waarom met de tenuitvoerlegging een met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. [eiser] is onherroepelijk veroordeeld en onherroepelijke uitspraken moeten in beginsel ten uitvoer worden gelegd.”
2.7
[eiser] heeft tijdig cassatieberoep tegen het arrest van het hof ingesteld.15.De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk laten toelichten en vervolgens gerepliceerd en gedupliceerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel valt uiteen in een groot aantal klachten. De onderdelen 1.1-1.3 betogen, zeer kort samengevat weergegeven, dat het hof heeft miskend dat de minister in een geval als het onderhavige gehouden is om gratie te verlenen. Deze onderdelen doen onder meer een beroep op het verbod op willekeur en op art. 7 EVRM.
De onderdelen 2.1-2.6 – die de nodige subklachten bevatten – keren zich met vooral motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof in rov. 6.5-6.9 dat de minister in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat het in stand blijven van de veroordeling door het hof Den Bosch van [eiser] voor feit 2 berust op een weloverwogen, daarop gerichte beslissing van de Hoge Raad, waarvan bij de beoordeling van het gratieverzoek niet kan worden afgeweken.
Verlening van gratie
3.2
Art. 122 lid 1 Grondwet bepaalt dat gratie kan worden verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften. Deze bepaling is uitgewerkt in het Wetboek van Strafvordering (Sv) en de Gratiewet. Hoofdstuk 6.7 Sv (Gratie) regelt van welke straffen en maatregelen gratie kan worden verleend en wat de invloed van een ingediend gratieverzoek op de uitvoerbaarheid van een straf of maatregel is (art. 6:7:1 t/m 6:7:8 Sv). De Gratiewet bevat de criteria voor de gratieverlening en regels voor de gratieprocedure.
3.3
Art. 6:7:1 lid 1, aanhef en onder a, Sv bepaalt dat gratie kan worden verleend ter zake van door de Nederlandse strafrechter onherroepelijk opgelegde hoofdstraffen en bijkomende straffen. Art. 2 Gratiewet vermeldt limitatief de gronden waarop gratie kan worden verleend.16.Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Gratiewet volgt dat de reden voor het in de wet opnemen van de gronden voor gratie is dat ‘daarin de erkenning tot uitdrukking komt dat beslissingen tot het al of niet verlenen van gratie administratieve beslissingen zijn, die op in de wet verankerde grondslagen dienen te worden genomen, behoren te beantwoorden aan in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur en, wanneer zij tot afwijzing strekken, dienen te zijn gemotiveerd’.17.
Over het gebruik van het woord ‘kan’ in de aanhef van art. 2 Gratiewet is in de memorie van toelichting bij het ontwerp van de Gratiewet opgemerkt dat daaruit blijkt dat de betrokkene geen afdwingbaar recht op gratieverlening kan doen gelden. De uitoefening van het gratierecht betreft een bevoegdheid van de Kroon.18.
3.4
De in art. 2 Gratiewet genoemde gronden voor gratie luiden:
a. op grond van enige omstandigheid, waarmede de rechter op het tijdstip van zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft gehouden of kunnen houden en die, ware zij op dat tijdstip wel of voldoende bekend geweest, hem aanleiding zou hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf of maatregel, of tot het afzien daarvan; dan wel
b. indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.
De a-grond wordt ook wel de ‘novumgrond’ genoemd, en de b-grond wordt wel de ‘doelmatigheidsgrond’ genoemd.19.Over de betekenis van deze gronden is in de memorie van toelichting bij het ontwerp van de Gratiewet opgemerkt:
“Onderdeel a is aldus geformuleerd, dat niet alleen omstandigheden, die op het tijdstip van de rechterlijke beslissing nog niet bestonden in beschouwing komen maar ook omstandigheden, die op dat tijdstip of voordien voorzienbaar waren doch waaraan, naar achteraf moet worden geconstateerd, door de rechter geen of onvoldoende betekenis is gehecht. De formulering is ruim genoeg om daar ook de omstandigheid onder te laten vallen, dat de rechter blijkt de wet onjuist te hebben toegepast, bij voorbeeld door twee onverenigbare hoofdstraffen op te leggen (hetgeen in een uitzonderlijk geval wel is voorgekomen). Het zal duidelijk zijn, dat uit het advies van de rechter zal moeten blijken of hij in de door de verzoeker aangedragen omstandigheid inderdaad reden vindt om te veronderstellen, dat hij een andere straf of maatregel zou hebben opgelegd, of zelfs daarvan zou hebben afgezien en volstaan met het uitspreken van een schuldigverklaring. Inmiddels hoeft dat oordeel niet steeds volstrekt doorslaggevend te zijn. Indien iemand bijvoorbeeld gratie verzoekt ter zake van een twintigtal door verschillende gerechten opgelegde boetes, en alle gehoorde gerechten op één na adviseren het gratieverzoek in te willigen, dan ligt het in de rede, dat niettemin het gratieverzoek volledig zal worden gehonoreerd, ook voor de boete, waarop afwijzend werd geadviseerd.
De onder b geformuleerde gratiegrond is (…) primair gericht op langgestraften. Dat neemt niet weg dat ook bij korte straffen een doelmatigheidstoetsing tot gratieverlening kan leiden. (…)
Met de strafrechtstoepassing wordt niet slechts één doel nagestreefd doch uiteenlopende doelen. (…) Die doelen spelen vooral bij de tenuitvoerlegging van lange vrijheidsstraffen een voorname rol. Kortom, men zal zich bij de toetsing aan deze grond voor gratieverlening ervan moeten vergewissen of de motieven, die de rechter tot de keuze van de opgelegde straf of maatregel hebben gebracht nog gelden en of de functie die de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van die beslissing is toegedacht nog kan worden waargemaakt.
(…) Men kan natuurlijk stellen, dat met de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing altijd het met de strafrechtstoepassing na te streven doel, dat rechterlijke beslissingen worden ten uitvoer gelegd, wordt gediend. Om een dergelijke cirkelredenering te voorkomen zijn de woorden «in redelijkheid» gebezigd. Waar het om gaat, is dat die tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging nog een inhoudelijke betekenis, nog zin heeft.”20.
Uit deze toelichting volgt dat de a-grond de mogelijkheid tot herstel van een rechterlijke fout biedt door gratie, welk herstel in dit geval dus met betrekking tot feit 1 heeft plaatsgevonden (zie hiervoor in 2.1 onder (ix)).
3.5
Zoals het hof terecht in rov. 6.2 heeft overwogen strekt de gratieprocedure er niet toe om de Kroon in de gelegenheid te stellen van een van de rechter afwijkend inzicht te doen blijken omtrent de strafrechtstoepassing. De minister moet bij het gratiebesluit dus steeds de beoordeling van de strafzaak door de strafrechter respecteren. Daarbij gaat het dan dus niet om vergissingen of daarmee gelijk te stellen fouten van de strafrechter, maar uitsluitend om (kennelijk) bewuste beoordelingen (van aspecten) van de strafzaak door de strafrechter. Gewezen kan worden op de volgende passages uit de wetgeschiedenis:
“De uitoefening van het recht van gratie behoort tot de bevoegdheid van de Kroon. De Grondwet schrijft voor dat deze bevoegdheid slechts na advisering door de rechter kan worden uitgeoefend en accentueert daarmede het belang dat aan deze advisering moet worden gehecht. Immers, er dient voor te worden gewaakt dat het gratierecht op een wijze wordt uitgeoefend waardoor op ongepaste wijze in de rechtspraak zou worden ingegrepen. Het gratie-instrument strekt er niet toe de Kroon in de gelegenheid te stellen van een van de rechter afwijkend inzicht te doen blijken omtrent de strafrechtstoepassing, doch om ertoe bij te dragen dat door de onafhankelijke rechter opgelegde sancties in overeenstemming met eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid ten uitvoer worden gelegd.”21.
En:
“De heer De Kwaadsteniet heeft gevraagd of ik nog eens wil toelichten wat is bedoeld met de zin "Het gratie-instrument strekt er niet toe, de Kroon in de gelegenheid te stellen van een van de rechter afwijkend inzicht te doen blijken omtrent de strafrechtstoepassing, doch om ertoe bij te dragen dat de door de onafhankelijke rechter opgelegde sancties in overeenstemming met de eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid ten uitvoer worden gelegd". Daarmee bedoelden de staatssecretaris (…) en ik te zeggen dat het gratie-instrument er niet toe mag leiden dat zou worden uitgegaan van de opvatting dat in een bepaald delict de straf als zodanig te zwaar was en dus een bepaald delict als minder ernstig zou moeten worden gekwalificeerd dan de rechter heeft gedaan, blijkende uit de hoogte van de straf. Het gaat er altijd om in het individuele geval, op grond van en na weging van de in het gratieverzoek aangevoerde argumenten, na te gaan of de sanctie die is opgelegd, op het moment van beoordeling van het gratieverzoek nog in overeenstemming is met de eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid. Het is zeer wel mogelijk dat ten aanzien van een straf die op een bepaald moment is opgelegd en naar het oordeel van de rechter op dat moment geëigend was als reactie op het gepleegde delict, alle omstandigheden van de dader en het specifieke geval in aanmerking genomen, een aantal maanden later, wanneer die straf voor tenuitvoerlegging in aanmerking komt, een gratieverzoek wordt ingediend waaruit blijkt dat de omstandigheden zich zodanig hebben gewijzigd – familieomstandigheden, zakelijke omstandigheden – dat de volledige tenuitvoerlegging dan niet meer voldoet aan eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid. Dat houdt dus ook in dat het niet gepast is dat de administratie zich achteraf over een bepaalde strafrechtstoepassing als zodanig een oordeel gaat vormen.”22.
3.6
Zoals al volgt uit art. 122 Grondwet en ook blijkt uit het eerste citaat hiervoor in 3.5, speelt het rechterlijk advies een zeer belangrijke rol in de gratieprocedure. Zonder een dergelijk advies kan geen gratie worden verleend.23.Op grond van art. 4 lid 1 Gratiewet is uitgangspunt dat het rechterlijk advies wordt ingewonnen bij het gerecht dat de straf of de maatregel heeft opgelegd. Het gerecht adviseert of aanleiding bestaat voor gratieverlening op een van de wettelijke gronden.
3.7
Aan het rechterlijke advies – dat met redenen is omkleed (art. 7 lid 1 Gratiewet) – wordt blijkens de parlementaire geschiedenis ‘een zeer groot gewicht’ toegekend.24.Voor de te nemen gratiebeslissing is het advies in beginsel leidend.25.Zonder meer doorslaggevend is dat advies echter niet.26.De minister kan daarvan afwijken, zowel ten gunste, als ten nadele van de veroordeelde.27.Bij afwijken ten nadele van de veroordeelde zal dat deugdelijk moeten worden gemotiveerd door de minister, aldus de lagere rechtspraak (vergelijk ook art. 18 lid 2 Gratiewet).28.Die rechtspraak wordt kennelijk door de regering onderschreven. Zie de volgende uitlating van de regering in een Kamerstuk:
“Uit de systematiek van de Gratiewet volgt dat aan het advies van de rechtspraak groot gewicht toekomt en in beginsel leidend is voor de te nemen gratiebeslissing. Daarvan kan alleen worden afgeweken in geval van bijzondere omstandigheden die in de motivering van de beslissing tot uitdrukking moeten komen, aldus het Gerechtshof Den Haag in zijn arrest van 5 april jl. Het ontbreken van een draagkrachtige motivering kan leiden tot onrechtmatigheid en wordt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geacht.”29.
3.8
Dit is in de rechtspraak van zowel de strafkamer als de civiele kamer van Hoge Raad ‘opgepikt’ en overgenomen. De civiele kamer (in een samenstelling waarvan twee leden van de strafkamer deel uitmaakten) heeft in een principieel arrest van 6 november 2020 overwogen, na de hiervoor genoemde uitlatingen in parlementaire stukken te hebben aangehaald:
“3.5.3 De zojuist aangehaalde parlementaire geschiedenis betekent voor de beslissing omtrent gratieverlening het volgende. Het instrument van gratie strekt niet ertoe de Kroon in de gelegenheid te stellen van een van de rechter afwijkend inzicht te doen blijken omtrent de strafrechtstoepassing. Bij de beslissing over het al dan niet verlenen van gratie op de grond dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend, gaat het in de kern om de vraag of de onverkorte tenuitvoerlegging van de door de rechter opgelegde straf of maatregel in overeenstemming is met de eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid. Bij de beantwoording van die vraag komt aan het advies van het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd, een zeer groot gewicht toe, in die zin dat dit advies in beginsel leidend is bij het nemen van de beslissing omtrent gratieverlening en dat alleen op grond van bijzondere omstandigheden daarvan wordt afgeweken. Dat geldt in het bijzonder indien de afwijking van het advies in voor de veroordeelde ongunstige zin plaatsvindt.”30.
Voor de minister geldt dus, kort gezegd, een ‘comply or explain’, waarbij het ‘explain’ gebaseerd moet zijn op bijzondere omstandigheden die het afwijken van het advies naar behoren moeten kunnen dragen. De overweging heeft in het arrest betrekking op de b-grond van art. 2 Gratiewet (de zaak ging over een levenslanggestrafte), maar niet valt niet in te zien dat zij niet evenzeer geldt voor de a-grond. Dat zij ook voor die grond geldt, volgt in elk geval uit het hiervoor in 3.7 vermelde.
3.9
De beslissing van de minister op het gratieverzoek kan, zoals het hof terecht in rov. 6.3 heeft overwogen, ter toetsing aan de civiele rechter worden voorgelegd. In het hiervoor in 3.8 genoemde arrest van 6 november 2020 is daarover overwogen:
“3.5.6 De Gratiewet voorziet niet in een rechtsmiddel tegen een (negatieve) beslissing omtrent de verlening van gratie. De veroordeelde kan echter – zowel in geval van ambtshalve beoordeling als in geval van een afgewezen gratieverzoek – met betrekking tot die beslissing het oordeel inroepen van de burgerlijke rechter over de vraag of de redenen die zijn opgegeven voor het niet-verlenen van gratie en – voor zover dat het geval is – voor het afwijken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, de beslissing niet kunnen dragen. (…)
Indien de burgerlijke rechter tot het oordeel komt dat de negatieve beslissing omtrent de verlening van gratie onrechtmatig is omdat de opgegeven redenen deze beslissing niet kunnen dragen, kan de burgerlijke rechter de Staat veroordelen tot het nemen van een nieuwe beslissing op het gratieverzoek. Bij het nemen van die nieuwe beslissing zal acht dienen te worden geslagen op de overwegingen die de burgerlijke rechter aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Dat betekent dat, indien de nieuwe beslissing wederom strekt tot afwijzing van het gratieverzoek, die afwijzing niet uitsluitend mag worden gebaseerd op dezelfde redenen als waarop de bestreden gratiebeslissing berust.”
3.10
Met betrekking tot het instrument van de gratie bestaat dus betrekkelijk vergaande rechtsbescherming,31.zij het dat geen sprake is van een volle toets. De beslissing over de gratie is en blijft aan de minister (de Kroon), maar deze zal wel deugdelijke redenen moeten noemen voor de beslissing. Zijn die er niet voor een bepaalde beslissing, dan zal de minister een andere beslissing moeten nemen, zo komt het stelsel van de Hoge Raad op neer. De toetsing is dus een terughoudende, zoals het hof in rov. 6.3 overweegt, maar die terughoudendheid heeft duidelijk grenzen.
Toetsing onderhavige gratiebesluit door het hof
3.11
Het oordeel van het hof in deze zaak komt erop neer dat de minister in redelijkheid het gratieverzoek heeft kunnen afwijzen omdat gratie in strijd zou komen met de hiervoor in 3.5 genoemde regel dat het instrument van gratie niet is bedoeld om tot een andere beoordeling van de strafzaak te komen dan de strafrechter, dus een eigen van dat van de strafrechter afwijkend oordeel te geven over de strafrechtstoepassing in het gegeven geval (de Hoge Raad verwijst naar die regel in de tweede zin van de hiervoor in 3.8 aangehaalde rov. 3.5.3 van het arrest van 6 november 2020). Het hof noemt die regel als gezegd in rov. 6.2 en verwijst daarnaar met zoveel woorden voor zijn oordeel in rov. 6.6 halverwege (“(…) toewijzing van het gratieverzoek zou neerkomen op een doorkruising van die bewuste keuze van de rechter. Zoals hierboven is opgemerkt is dat niet de bedoeling van het gratie-instrument”) en verwijst daarnaar impliciet in rov. 6.8 halverwege (“Het verlenen van gratie zou (…) neerkomen op een doorkruising van het inzicht van de rechter”).
Dat van strijd met die regel in dit geval sprake is, berust op de gedachte dat de Hoge Raad in zijn arrest in de zaak van [eiser] het cassatieberoep heeft verworpen omdat hij vond dat het arrest van het hof in stand behoorde te blijven omdat [eiser] in cassatie geen klacht heeft aangevoerd tegen het niet ambtshalve toepassen van de verjaring door het hof, met andere woorden dat het niet-aanvoeren van die klacht het in stand blijven van dat arrest in de visie van de Hoge Raad rechtvaardigt. Het hof overweegt immers in rov. 6.6 dat de Hoge Raad “onder ogen heeft gezien” dat het hof ten onrechte de verjaring van het recht van strafvervolging niet heeft geconstateerd, “en er niettemin bewust voor heeft gekozen [eiser] geen ambtshalve bescherming te bieden.” Het hof verbindt vervolgens dááraan de gevolgtrekking dat “toewijzing van het gratieverzoek zou neerkomen op een doorkruising van die bewuste keuze van de rechter”. Deze redenering herhaalt het hof in verkorte vorm in rov. 6.8.
Ook het advies over het gratieverzoek van het openbaar ministerie en van de strafrechter, de beslissing in beide instanties van het kort geding dat aan deze procedure is voorafgegaan en de beslissing van de rechtbank in deze procedure berusten op de strijd met de hiervoor in 3.5 genoemde regel en deze uitleg van het arrest van de Hoge Raad in de zaak van [eiser] . Zo merkt het openbaar ministerie in zijn advies op dat de Hoge Raad bewust de verantwoordelijkheid voor het indienen en onderbouwen van cassatiemiddelen bij de verdachte en diens rechtsgeleerde ondersteuning lijkt te leggen (zie hiervoor in 2.1 onder (vii)) en gaat het verder in zijn advies zonder meer van dit uitgangspunt uit. De strafrechter (het hof Den Bosch) heeft zich in zijn advies bij deze zienswijze aangesloten (zie hiervoor in 2.1 onder (viii)). Ook de rechters in kort geding (zie voor hun uitspraken hiervoor in 2.1 onder (xi)) en de rechtbank in deze procedure (zie hiervoor in 2.3) zitten geheel op dat spoor.
3.12
Als de in 3.11 genoemde uitleg van het arrest van de Hoge Raad in de zaak van [eiser] juist is, valt niets in te brengen tegen het oordeel van het hof in rov. 6.5-6.9. Dat de door het hof Den Bosch voor feit 2 opgelegde straf onherroepelijk is geworden, is dan het gevolg van de bij die uitleg uit dat arrest volgende opvatting van de Hoge Raad als strafrechter dat het niet-aanvoeren van een cassatieklacht door de veroordeelde een uitzondering oplevert op de regel dat de verjaring van de strafvervolging ambtshalve moet worden toegepast, en dat het niet-aanvoeren van een klacht daarom het eventuele gebrek dat op dat punt aan de hofuitspraak kleeft, als het ware heelt (‘je moet een klacht aanvoeren, anders’, enz.). Bij deze uitleg doorkruist een gratie inderdaad de beslissing van de strafrechter – want de Hoge Raad heeft bij deze uitleg het arrest van het hof op dit punt uiteindelijk als cassatierechter gefiatteerd, door niet te casseren omdat geen klacht is aangevoerd –, wat als gezegd volgens de hiervoor in 3.5 genoemde regel van het gratierecht niet is toegestaan. Van strijd met art. 7 EVRM – dat bestraffing zonder wettelijke basis verbiedt – is dan geen sprake, omdat bij deze uitleg van het arrest van de Hoge Raad de veroordeling overeenkomstig de wettelijke regels is, als gevolg van de rechtsopvatting die de Hoge Raad bij deze uitleg van het arrest heeft uitgesproken.
3.13
De vraag is echter of de hiervoor in 3.11 genoemde uitleg van het arrest van de Hoge Raad wel juist is. Die vraag wordt mede door het middel aan de orde gesteld. Om die vraag te kunnen beantwoorden, sta ik nader stil bij de koerswijziging in het arrest van 30 oktober 2018.
Koerswijziging in arrest van 30 oktober 2018
3.14
De beslissing om zijn koers te wijzigen ten aanzien van het ambtshalve casseren wegens de niet-toepassing van de verjaring van het recht op strafvervolging, heeft de Hoge Raad als volgt in zijn arrest van 30 oktober 2018 gemotiveerd:
“3.1. Ingevolge art. 348 Sv behoort de rechter onderzoek te doen naar de geldigheid van de dagvaarding, zijn bevoegdheid tot kennisneming van het tenlastegelegde feit, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging en het bestaan van redenen voor schorsing der vervolging. Uit het vonnis of arrest behoeft echter slechts dan te blijken dat de rechter dit onderzoek heeft verricht, indien
(a) op de voet van art. 349, eerste lid, Sv de nietigheid van de dagvaarding, de onbevoegdheid van de rechter, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging en het bestaan van redenen voor schorsing der vervolging wordt uitgesproken, aangezien een dergelijke beslissing op grond van de eerste volzin van het tweede lid van art. 359 Sv met redenen moet zijn omkleed;
(b) in strijd met een door of namens de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer art. 349, eerste lid, Sv niet wordt toegepast, aangezien op grond van art. 358, derde lid, Sv in het vonnis of arrest bepaaldelijk een beslissing dient te worden gegeven omtrent zo een verweer, welke beslissing eveneens op grond van de eerste volzin van het tweede lid van artikel 359 Sv met redenen moet zijn omkleed;
(c) de beslissing afwijkt van een door het openbaar ministerie uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot een onderwerp als bedoeld in art. 348 Sv, aangezien op grond van de tweede volzin van het tweede lid van art. 359 Sv in het vonnis of het arrest in het bijzonder de redenen dienen te worden gegeven die daartoe hebben geleid;
(d) uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat de dagvaarding nietig, de rechter onbevoegd of het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk is dan wel redenen voor schorsing van de vervolging bestaan, en niet een zodanige beslissing wordt gegeven.
3.2.
Zulks geldt derhalve ook voor het onderzoek naar de verjaring als grond voor het verval van het recht van strafvordering en deswege de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.
3.3.
Het recht tot strafvordering wegens verjaring vervalt zowel indien de termijn van verjaring is vervuld voor de aanvang van het geding als indien zij tijdens de loop van het geding is vervuld. Dit brengt mee dat zowel de rechter in eerste aanleg als die in hoger beroep als die in cassatie in de hiervoren onder 3.1. omschreven gevallen onderzoek behoort te doen naar de mogelijke niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens verjaring en daarvan in zijn uitspraak dient te doen blijken.
3.4.
In cassatie lijdt dit evenwel naar huidig inzicht uitzondering voor het geval dat de verjaring reeds voor het indienen van het cassatieschriftuur was voltooid en de cassatieschriftuur niet de klacht bevat dat de rechter hetgeen hiervoren onder 3.1. is overwogen heeft miskend. Wel zal de Hoge Raad ambtshalve ingrijpen ingeval de termijn van verjaring is vervuld tussen de indiening van de schriftuur en de uitspraak van het arrest omdat in dat geval niet bij wege van een middel van cassatie een beroep kon worden gedaan op het alsnog intreden van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.
3.5.
De Hoge Raad zal daarom de vraag laten rusten of in het onderhavige geval de verjaring voor het indienen van de schriftuur was voltooid.”
3.15
Uit deze overwegingen volgt dat de Hoge Raad de verplichting voor rechtbank en hof om ambtshalve de verjaring uit te spreken als deze volgt uit de stukken van het geding (het in rov. 3.1 onder (d) geval), uitdrukkelijk bevestigt (rov. 3.2 en 3.3). Die bevestiging geldt ook voor de cassatierechter zelf (rov. 3.3). Daarop maakt de Hoge Raad vervolgens echter één uitzondering, namelijk voor het geval dat de verjaring reeds vóór het indienen van het cassatieschriftuur was voltooid en de cassatieschriftuur niet een klacht daarover bevat (rov. 3.4). Die uitzondering geldt niet voor het geval dat de termijn van verjaring is vervuld tussen de indiening van de schriftuur en de uitspraak van de Hoge Raad, want in dat geval kon niet in de schriftuur op dat punt een klacht worden aangevoerd (eveneens rov. 3.4).
Waarom de Hoge Raad in het arrest zijn koers wijzigt (met het maken van de genoemde uitzondering die hij daarvoor niet maakte) wordt door hem niet gemotiveerd. Hij overweegt slechts dat deze uitzondering ‘naar huidig inzicht’ wordt gemaakt.
3.16
Bij lezing van deze overwegingen lijkt de uitleg die het hof in rov. 6.6 en 6.8 aan het arrest van de Hoge Raad in de zaak van [eiser] geeft, nogal onaannemelijk. De Hoge Raad overweegt immers in het geheel niet dat in dat arrest of in het arrest van 30 oktober 2018 dat het arrest van het hof voor juist moet worden gehouden als een klacht over het niet-toepassen van de verjaring ontbreekt. Integendeel, uit de overwegingen van het arrest van 30 oktober 2018 volgt juist met zoveel woorden dat in dat geval het arrest duidelijk onjuist is (rov. 3.1 onder (d), 3.2 en 3.3). De Hoge Raad overweegt uitsluitend dat hij voortaan niet meer ambtshalve zal casseren als de verjaring is ingetreden vóór de indiening van de cassatieschriftuur.
Het ‘huidig inzicht’ waarnaar de Hoge Raad verwijst, zou intussen wellicht kunnen worden begrepen als dat de Hoge Raad ervan uitgaat dat als geen klacht wordt aangevoerd, de veroordeelde geen prijs stelt op een vernietiging wegens de verjaring (wat aansluit bij de gedachte van het openbaar ministerie in zijn advies over het gratieverzoek dat de Hoge Raad het beroep op verjaring voortaan een ‘eigen verantwoordelijkheid van de verdachte’ acht). Die gedachte lijkt echter nogal onwaarschijnlijk. Er zullen immers maar heel weinig veroordeelden zijn die afstand willen doen van een eenmaal ingetreden verjaring, gesteld al dat zij daarvan afstand kúnnen doen, nu de verjaring naar gangbaar inzicht in het strafrecht van openbare orde is. Uit het cassatieberoep instellen tegen zijn veroordeling volgt denk ik onmiskenbaar al een andere wens.
Overigens overweegt de Hoge Raad in beide arresten niets in deze trant, wat wel verwacht had mogen als dit de achterliggende reden voor de koerswijziging zou zijn.
3.17
Het arrest in de zaak van [eiser] bevat geen enkele overweging op het onderhavige punt. Het arrest is gemotiveerd, maar niet met betrekking tot de verjaring. In de conclusie van de A-G is uitdrukkelijk ingegaan op de verjaring van de strafvervolging met betrekking tot feit 2 en op het arrest van 30 oktober 2018, wat bepaald aannemelijk doet zijn dat de Hoge Raad in het arrest van de zaak van [eiser] heeft beslist overeenkomstig dat arrest.
Verklaring koerswijziging
3.18
Mij lijkt eerlijk gezegd duidelijk dat de koerswijziging van het arrest van 30 oktober 2018 uitsluitend te maken heeft met de werklastbesparing die de strafkamer van de Hoge Raad de afgelopen decennia in steeds verdergaande mate heeft nagestreefd en verwerkelijkt, mede met hulp van de wetgever, in verband met de almaar toenemende stroom van cassatieberoepen in strafzaken. Dat vindt bevestiging in een artikel uit 2021 van Van Dorst, een van de raadheren die het arrest heeft meegewezen. Hij merkt over het arrest op:
“In 2018 heeft de Hoge Raad echter op dat laatste punt – het ambtshalve onderzoek naar aanleiding van een sterk vermoeden van verjaring – een uitzondering gecreëerd wat betreft de cassatiefase. Sedertdien laat de Hoge Raad zich alleen nog uit over de verjaring als de kwestie in de cassatieschriftuur aan de orde is gesteld en grijpt hij ambtshalve alleen nog in als de termijn van verjaring pas na de indiening van de schriftuur is vervuld. Aan die koerswijziging legde de Hoge Raad zijn ‘huidig inzicht’ ten grondslag. Dat veranderde inzicht kan niet los worden gezien van de invoering van artikel 80a RO en de wijze waarop de Hoge Raad die bepaling toepast. Heel kort gezegd komt de behandeling van cassatieberoepen sedertdien erop neer dat er een selectie aan de poort plaatsvindt: aan de hand van in beginsel uitsluitend de cassatieschriftuur wordt beoordeeld of de zaak voldoende relevant is voor verdere behandeling. Dit betekent dat kwesties die in de cassatieschriftuur niet aan de orde zijn gesteld, buiten beeld blijven. Dat toont het grote belang aan van de cassatieschriftuur. Keerzijde is dat de Hoge Raad zich niet geroepen voelt om ambtshalve op zoek te gaan naar mogelijke andere, niet-aangevoerde vernietigingsgronden. Dit betekent dat hij niet meer het dossier navlooit op mogelijke vervolgingsdaden waardoor de ogenschijnlijke verjaring gestuit is. Die bestudering van het dossier past immers niet bij een selectie aan de poort aan de hand van de cassatieschriftuur. Bovendien ligt het nogal voor de hand dat de meest gerede partij zich beroept op verjaring als zij meent dat daarvan sprake is. Waar de Hoge Raad aankondigde nog wel ambtshalve te zullen ingrijpen, is bij het intreden van de verjaring na de indiening van de schriftuur. Daarop kan immers – anders dan bij wege van verboden speculatie – ten tijde van de indiening nog geen beroep worden gedaan. Daarbij moet vooral worden gedacht aan de absolute verjaring die vaak meteen in het oog springt (dubbele verjaringstermijn bij veel misdrijven, tien jaar bij overtredingen, meestal te rekenen vanaf het in de tenlastelegging genoemde tijdstip van het feit).”32.
Deze achtergrond van het arrest werk ik verder uit.
3.19
In 1995 is al een Commissie werkbelasting strafkamer Hoge Raad ingesteld in verband met de toenemende zaakinstroom bij de strafkamer van de Hoge Raad. Deze commissie kreeg de opdracht om de minister van Justitie van advies te dienen over de vraag welke mogelijkheden er zijn om die instroom te beperken, dan wel om andere voorzieningen te treffen waardoor de belasting van de strafkamer wordt beperkt.33.De Commissie heeft in december 1996 haar rapport ‘De toegang tot de cassatierechter in strafzaken’ aangeboden, waarin onder meer de invoering van de verplichte procesvertegenwoordiging door een gespecialiseerde advocaat in cassatiezaken is voorgesteld.34.Uit de voorstellen van de commissie is de wet van 28 oktober 1999 voortgekomen, waarbij de verplichting voor de verdachte is ingevoerd om bij een cassatieberoep door een advocaat een schriftuur te laten indienen houdende middelen van cassatie, op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep (art. 437 lid 2 Sv).35.
De verplichting om een schriftuur te laten indienen door een advocaat strekt ertoe de verdachte te dwingen zijn bezwaren tegen de uitspraak kenbaar te maken. Blijkens de wetsgeschiedenis was de verwachting dat van deze verplichting een remmende werking zou uitgaan op het lichtvaardig aanwenden, althans handhaven, van een cassatieberoep en dat dit tot gevolg zou hebben dat de cassatierechter zich meer zou kunnen concentreren op vragen die een beoordeling in cassatie verdienen, hetgeen de kwaliteit en de doelmatigheid van de rechtsbedeling in cassatie ten goede komt.36.
3.20
In strafzaken is de Hoge Raad bevoegd om een uitspraak te vernietigen op gronden die hij zelf heeft gevonden, dus zonder dat daarop in een cassatiemiddel een beroep is gedaan. Dat is de ambtshalve cassatie (art. 440 lid 1 Sv). Tot ambtshalve cassatie bestaat geen verplichting voor de Hoge Raad.37.Bij de totstandkoming van de schriftuurplicht is overwogen om de ambtshalve cassatie af te schaffen, maar er is voor gekozen die bevoegdheid in stand te houden, opdat de Hoge Raad nog steeds bij ernstige gebreken kan ingrijpen.38.
3.21
In zijn jaarverslag over 2003 en 2004 heeft de Hoge Raad vermeld dat de invoering van de schriftuurplicht meebrengt dat in minder zaken ambtshalve wordt gecasseerd. Een belangrijke reden daarvoor is volgens het verslag dat de in cassatie ontvankelijke verdachte vanaf de inwerkingtreding van de wetswijziging steeds wordt bijgestaan door een rechtsgeleerde raadsman, zodat aangenomen mag worden dat deze, in samenspraak met de verdachte, weloverwogen kan bepalen en gemotiveerd onder woorden kan brengen met welke onderdelen van de bestreden beslissing de verdachte het niet eens is. Ambtshalve cassatie wordt in het bijzonder nog toegepast in gevallen waarin ten onrechte strafrechtelijke aansprakelijkheid is aangenomen, bijvoorbeeld omdat het desbetreffende feit niet meer strafbaar is of is verjaard, en in gevallen waarin een straf is opgelegd zonder wettelijke grondslag, bijvoorbeeld omdat het wettelijk strafmaximum is overschreden, aldus het verslag.39.
Na de invoering van de schriftuurplicht is, overeenkomstig hetgeen in het jaarverslag is vermeld, nog wel ambtshalve gecasseerd indien het recht tot strafvordering was verjaard.40.
3.22
Op 1 juli 2012 is art. 80a RO ingevoerd, op grond waarvan het mogelijk is iemand in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat hij klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.41.De grond voor invoering van deze bevoegdheid was een ‘waarneembare trend van een toenemend aantal cassatieberoepen die hetzij niet voldoen aan de daaraan gestelde wettelijke eisen, hetzij berusten op klachten die klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden en zaken waarbij de insteller uit het oogpunt van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep om behandeling door de Hoge Raad te kunnen rechtvaardigen.” Met de invoering van deze bevoegdheid is beoogd een filtersysteem te creëren “dat nodig is om de hoogste rechter in staat te stellen zich te concentreren op de behandeling van die beroepen waarin hij zijn taken optimaal kan vervullen.”42.
3.23
De wijze waarop de Hoge Raad na de invoering van art. 80a RO gebruikmaakt van zijn bevoegdheid tot ambtshalve cassatie, is door hem kort na die invoering in enkele op 11 september 2012 gewezen arresten uiteengezet:
“2.7.1. Op grond van art. 440, eerste lid, Sv is de Hoge Raad op zichzelf bevoegd de bestreden beslissing op andere dan de aangevoerde gronden te vernietigen. Die zogenoemde ambtshalve cassatie wordt door de Hoge Raad tegenwoordig bijzonder spaarzaam toegepast. Omdat door een raadsman of door het openbaar ministerie steeds cassatieklachten moeten worden ingediend, moet de Hoge Raad in beginsel ervan kunnen uitgaan dat misslagen in de bestreden uitspraak of fouten in de aan die uitspraak voorafgegane procedure zijn opgemerkt en dat het achterwege blijven van een daarop toegespitste klacht berust op een weloverwogen keuze. Dan ligt het bij een beperkte capaciteit om cassatieberoepen te behandelen en gelet op de noodzaak zaken binnen een aanvaardbare termijn af te doen, in de rede de behandeling in cassatie te concentreren op de door rechtsgeleerde tussenkomst ingediende klachten.
2.7.2.
Opmerking verdient dat in gevallen waarin art. 80a RO kan worden toegepast, het gebruik van het bijzondere instrument van de ambtshalve cassatie niet snel aan de orde zal zijn. "Selectie aan de poort" houdt immers in dat de Hoge Raad al in een vroeg stadium in een uit haar aard summiere procedure waarin op grond van een beoordeling van de cassatieschriftuur de "klaarblijkelijkheid" van de ontvankelijkheid van het beroep centraal staat, oordeelt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Een nader onderzoek van het dossier met het oog op de vraag of zich wellicht het uitzonderlijke geval voordoet dat er een andere dan de aangevoerde grond is die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zou dienen te leiden, past niet goed bij het doel en de strekking van een dergelijke selectie. In dit verband zij herhaald dat met de onderhavige wetswijziging mede is beoogd de kwaliteit van de cassatieschrifturen te verbeteren.”43.
3.24
In 2016 heeft de Hoge Raad in een arrest een geactualiseerd overzicht gegeven van een aantal aspecten van de toepassing van art. 80a RO, die hij op verschillende wijzen inzet om zijn werklast te verminderen. In het arrest heeft de Hoge Raad herhaald dat in gevallen waarin art. 80a RO kan worden toegepast, het gebruik van de bijzondere bevoegdheid van de ambtshalve cassatie niet snel aan de orde zal zijn.44.
3.25
Ondanks het bij herhaling uitgesproken restrictieve beleid om de bevoegdheid tot ambtshalve cassatie toe te passen, is de Hoge Raad tot aan het arrest van 30 oktober 2018 uitspraken ambtshalve blijven vernietigen wegens het ten onrechte niet uitspreken van de verjaring van het recht op strafvordering.45.De grond voor het gebruik van die bevoegdheid was klaarblijkelijk dat de verjaring van het recht op strafvervolging van openbare orde is, dat de Hoge Raad het niet-constateren daarvan kennelijk een ernstig gebrek achtte in de hiervoor in 3.21 genoemde zin en dat de Hoge Raad veel gewicht toekende aan de bescherming van de verdachte in dit verband.46.
3.26
Sinds het arrest van 30 oktober 2018 is het dus met deze rechtspraak gedaan, voor zover de verdachte zelf de ingetreden verjaring aan de orde kan stellen in het cassatieschriftuur. Niet alleen Van Dorst, maar ook Vellinga verklaart de koerswijziging geheel uit de wens van de strafkamer van de Hoge Raad om zijn werklast te beperken.47.Tegen de achtergrond van het voorgaande is die verklaring nogal aannemelijk.
3.27
Tegen de achtergrond van het voorgaande is niet aannemelijk dat bij de Hoge Raad mede de gedachte een rol heeft gespeeld dat het inroepen van de verjaring voortaan geheel een eigen verantwoordelijkheid is van de verdachte in de hiervoor in 3.11 genoemde zin. Op de eigen verantwoordelijkheid van de verdachte is op zichzelf wel gewezen bij de beperking van het gebruik van de bevoegdheid tot ambtshalve cassatie (zie hiervoor in 3.21 en 3.23), maar die eigen verantwoordelijkheid is nimmer een grond geweest om geheel af te zien van ambtshalve cassatie, wat passend zou zijn geweest als echt de opvatting zou bestaan dat voortaan sprake zou zijn van een eigen verantwoordelijkheid van de verdachte. De Hoge Raad is juist steeds, ondanks de benadrukte eigen verantwoordelijkheid van de verdachte voor het cassatiemiddel, gebruik blijven maken van de bevoegdheid tot ambtshalve cassatie.
Dat tot het arrest van 30 oktober 2018 gevoerde beleid kan niet anders worden begrepen dan als een erkenning van het feit dat het, ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de verdachte voor het cassatiemiddel, nu eenmaal kan voorkomen dat een onjuistheid in een strafuitspraak niet aan de orde wordt gesteld in een cassatiemiddel van de verdachte (zoals in deze zaak dus is gebeurd, ondanks de inzet van twee gespecialiseerde advocaten) en dat dit niet zonder meer rechtvaardigt om alle niet in een middel namens de verdachte aangewezen fouten in een strafuitspraak te laten passeren. Daaruit volgt dat ook het voortaan afzien van ambtshalve cassatie niet betekent dat de Hoge Raad ‘dus’ zijn goedkeuring zou verbinden aan een gebrekkige uitspraak. Gelet op het voorgaande is duidelijk dat in dit geval – dus in het geval van de verjaring van het recht op strafvervolging – het enige motief van de Hoge Raad is dat hij zijn werklast op een aanvaardbare wijze beoogt te beperken.
Aan het niet meer ambtshalve casseren door de Hoge Raad kan dus in dit geval niet het gevolg worden verbonden dat de verlening van gratie het oordeel van de strafrechter doorkruist en dus in strijd komt met de hiervoor in 3.5 genoemde regel.
Gevolg van deze grond voor de koerswijziging
3.28
Nu de grond voor de koerswijziging klaarblijkelijk uitsluitend de door de Hoge Raad gewenste werklastbesparing is, kan niet staande worden gehouden dat de Hoge Raad in de zaak van [eiser] heeft bedoeld te zeggen dat het arrest van het hof in uitkomst (uiteindelijk) juist is. Het oordeel van het hof komt als gezegd erop neer dat dit wel het geval is, althans dat de minister in redelijkheid aldus heeft kunnen oordelen (het laatste zegt het hof in rov. 6.6, het eerste in rov. 6.8). Dat oordeel is gelet op het voorgaande m.i. niet begrijpelijk. De hierop gerichte klachten van het middel zijn daarom naar ik meen gegrond.
Bespreking onderdelen 1.1-1.3
3.29
De onderdelen 1.1-1.3 betogen als gezegd dat het hof heeft miskend dat de minister in een geval als dit gehouden is om gratie te verlenen. Deze onderdelen doen onder meer een beroep op het verbod op willekeur en op art. 7 EVRM.
3.30
Deze onderdelen falen omdat zij miskennen dat het oordeel van het hof berust op de hiervoor in 3.11 genoemde lezing van het arrest van de Hoge Raad in de zaak van [eiser] en uitgaande van die lezing de beslissing van het hof om de hiervoor in 3.12 genoemde redenen geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd. Daarop stuit ook het beroep af dat in onderdeel 1.3 wordt gedaan op de uitspraak van het EHRM van 18 juni 2020.48.In die uitspraak stond vast dat naar nationaal recht geen veroordeling mogelijk was wegens het verstrijken van de verjaringstermijn en oordeelde het EHRM daarom dat de veroordeling in strijd kwam met het legaliteitsbeginsel van art. 7 EVRM. Bij de lezing door het hof van het arrest van de Hoge Raad in de zaak van [eiser] maakt de Hoge Raad echter een uitzondering op de regel van het nationale recht dat een veroordeling geen stand kan houden als de verjaringstermijn is verstreken. Van strijd met art. 7 EVRM is dan uiteraard geen sprake, zoals hiervoor in 3.12 al is opgemerkt.
Bespreking onderdeel 2.1-2.6
3.31
De onderdelen 2.1-2.6 keren zich tegen het oordeel van het hof in rov. 6.5-6.9 (dat de minister in redelijkheid heeft kunnen aannemen) dat het in stand blijven van de veroordeling van het hof van [eiser] voor feit 2, berust op een weloverwogen beslissing daarover van de Hoge Raad, waarvan bij de beoordeling van het gratieverzoek niet kan worden afgeweken.
3.32
Onderdeel 2.1 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.5 dat het feit dat het hof Den Bosch de verjaring over het hoofd heeft gezien, geen grond oplevert waarop de minister gratie moest verlenen. Het hof verwijst hiervoor naar het feit dat [eiser] deze omissie van het hof met succes bij de Hoge Raad aan de orde had kunnen stellen. Het onderdeel stelt in diverse subklachten aan de orde dat genoemd feit wel een grond voor gratie kan opleveren.
3.33
Ook dit onderdeel faalt omdat het miskent dat het oordeel van het hof berust op de hiervoor in 3.11 genoemde lezing van het arrest van de Hoge Raad in de zaak van [eiser] (rov. 6.6-6.8) en de daaruit volgende strijd met de regel dat een gratie niet kan berusten op een oordeel over de strafrechtspleging dat afwijkt van het oordeel van de strafrechter (in dit geval dus het oordeel van de Hoge Raad). Gelet op dat fundament van de beslissing van het hof doet het feit dat het hof Den Bosch de verjaring over het hoofd heeft gezien, niet terzake. Het gaat bij de beslissing van het hof in deze zaak om het oordeel van de Hoge Raad in de zaak van [eiser] .
3.34
De onderdelen 2.2 en 2.4 bestrijden het oordeel van het hof in rov. 6.6 en 6.8 dat, nu de verjaringskwestie in de conclusie van de advocaat-generaal en door de Hoge Raad onder ogen is gezien, het verlenen van gratie zou neerkomen op een doorkruising van een bewuste keuze (rov. 6.6) of het inzicht van de rechter (rov. 6.8). Dit oordeel is, zo betogen de onderdelen, zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Onder 2.2.2 wordt in onderdeel 2.2 aangevoerd dat de keuze van de Hoge Raad betrekking heeft op de werkwijze en taakopvatting van de Hoge Raad en dat een verdergaande strekking daaraan niet kan worden toegedicht. Onder 2.2.3. en 2.2.4 wordt dit betoog in iets andere woorden in het onderdeel herhaald. Onder 2.4.1 wordt in onderdeel 2.4 aangevoerd dat de keuze van de Hoge Raad is gegrond op een procedurele koerswijziging en geen betrekking heeft op de materiële toetsing van de zaak van [eiser] op verjaring.
3.35
Deze onderdelen zijn gegrond. Ik verwijs naar hetgeen hiervoor in 3.18-3.28 is vermeld.
3.36
Onderdeel 2.3 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.6 dat het betoog van [eiser] , voor zover dit erop neerkomt dat de bewuste keuze van de Hoge Raad onredelijk of onjuist is, want in strijd is met art. 7 EVRM, hem niet kan baten, omdat een dergelijke stelling neerkomt op het ter discussie stellen van de rechtspraak van de Hoge Raad en de gratieprocedure niet is bedoeld als vierde beroepsinstantie. Dit oordeel is volgens het subonderdeel rechtens onjuist en onbegrijpelijk. Het hof heeft hiermee miskend dat de Staat verplicht is eenieder die ressorteert onder zijn rechtsmacht de rechten en vrijheden te verzekeren die zijn vastgesteld in titel I van het EVRM, waaronder die in art. 7 EVRM, en dat aan de bepalingen van het EVRM voorrang toekomt boven daarmee onverenigbaar nationaal recht.
3.37
Dit onderdeel is ongegrond omdat het evenals de onderdelen 1.1-1.3 en 2.1 miskent dat het oordeel van het hof berust op de hiervoor in genoemde 3.11 genoemde lezing van het arrest van de Hoge Raad in de zaak van [eiser] en uitgaande van die lezing geen sprake is van strijd met art. 7 EVRM.
3.38
Onderdeel 2.5 is gericht tegen het oordeel van het hof aan het slot van rov. 6.8 dat in dit geval geen sprake is van een voor ieder kenbare vergissing, die zich voor eenvoudig herstel door middel van een herstelarrest leent. Volgens het onderdeel is het oordeel slechts in zoverre begrijpelijk dat de voor ieder kenbare vergissing waar het in deze zaak om gaat, zich niet leent voor eenvoudig herstel door middel van een herstelarrest, maar is het oordeel voor het overige onbegrijpelijk. Volgens het onderdeel is voor ieder kenbaar dat sprake is van een vergissing van het hof Den Bosch en laat die vergissing zich door middel van gratie herstellen.
3.39
Ook dit onderdeel faalt omdat het miskent dat het oordeel van het hof berust op de hiervoor in genoemde 3.11 genoemde lezing van het arrest van de Hoge Raad in de zaak van [eiser] en uitgaande van die lezing het oordeel van het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet gebrekkig is gemotiveerd.
3.40
Onderdeel 2.6 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.9 dat de motivering van het gratiebesluit van de minister toereikend is en de minister niet nader hoefde te motiveren waarom met de tenuitvoerlegging een met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Dit oordeel is, zo betoogt het subonderdeel, ontoereikend gemotiveerd, nu de verjaring van het recht tot strafvordering meebrengt dat met de tenuitvoerlegging geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel meer in redelijkheid wordt gediend en het hof voorbij is gegaan aan de essentiële stelling van [eiser] dat het advies van het openbaar ministerie en de rechtbank voorbijgaan aan de ratio van verjaring. Tevens is onbegrijpelijk hoe de onverkorte tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor een verjaard feit in overeenstemming is met eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid.
3.41
Gelet op het slagen van de onderdelen 2.2 en 2.4 behoeft dit onderdeel geen behandeling.
Slotsom
3.42
Het middel slaagt.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het hof, met verwijzing van de zaak naar een ander hof.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 30‑08‑2024
Vgl. voor de vaststaande feiten rov. 3.1-3.11 van het arrest van het hof.
HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022, NJ 2018/475, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 3.4.
Conclusie van A-G Vegter voor HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2343, NJ 2019/44, onder 6-8.
HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2343, NJ 2019/44.
Het advies van het openbaar ministerie is overgelegd als productie 17 bij de deze procedure inleidende dagvaarding.
Het advies van het hof is overgelegd als productie 18 bij de deze procedure inleidende dagvaarding.
De brief van de Minister is overgelegd als productie 6 bij de deze procedure inleidende dagvaarding.
De zaak is aanhangig onder application no. 27231/19.
Zie de schriftelijke toelichting van de Staat onder 1.4.
Vzr. Rb Den Haag 8 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6330.
Hof Den Haag 1 september 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1573.
Vgl. voor e.e.a. de vaststellingen van het hof in rov. 4.1-4.2.
Rb Den Haag 15 december 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13842.
Hof Den Haag 25 april 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:926.
De procesinleiding is op 25 juli 2023 bij de Hoge Raad ingediend.
Zie voor dat limitatieve karakter Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 3, p. 20.
Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 3, p. 20, en Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 6, p. 1-2.
L.E.M. Hendriks, Gratie (Praktijkcahiers Strafrecht IV), Den Haag: Sdu 2017, p. 23 e.v.
Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 3, p. 20-21.
Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 3, p. 14-15.
Handelingen II 1986/87, nr. 85, p. 4303.
Vgl. W.F. van Hattum, Handboek Strafzaken 64.9.6.2.
Zie Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 6, p. 8. Zie ook Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 16.
Zie Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 16.
Zie Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 6, p. 8. Zie ook het hiervoor in 3.4 opgenomen citaat uit Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 3, p. 21 (‘Inmiddels hoeft dat oordeel niet steeds volstrekt doorslaggevend te zijn’).
Zie Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 3, p. 14-15 en Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 6, p. 8.
Zie Hof Den Haag 5 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:952, rov. 3.5, en Hof Den Haag 6 mei 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1167, rov. 16.
HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1747, NJ 2021/43, m.nt. N. Jörg. Zie ook HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185, NJ 2019/326, m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen (strafkamer), rov. 3.5.4, dat de civiele kamer in zijn uitspraak van 6 november 2020 aanhaalt.
Zie in deze zin op grond van het arrest van 6 november 2020 ook Handboek Strafzaken 64.11.3.1 (W.F. van Hattum, actueel t/m 06-11-2023), Jörg in zijn noot onder het arrest in de NJ onder 10 en H.E. Bröring en W.F. van Hattum, ‘Gratie: een bestuursbevoegdheid getoetst. Een beschouwing naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2020’, NTS 2021/3.
A.J.A. van Dorst, ‘De tijd heelt alle wonden … maar de littekens blijven’, Boom Strafblad 2021/3.
Zie het besluit tot Instelling Commissie werkbelasting strafkamer Hoge Raad, besluit van 11 september 1995, Stcrt. 1995, 192.
De toegang tot de cassatierechter in strafzaken, Rapport van de Commissie werkbelasting strafkamer Hoge Raad december 1996.
Wet van 28 oktober 1999 tot uitsluiting beroep in lichte overtredingszaken en invoering verplichte schriftuur van een advocaat, Stb. 1999/467. Zie voor de inwerkingtreding het Besluit van 21 juni 2000, Stb. 2000, 271.
Zie Kamerstukken II 1997/98, 26 027, nr. 3, p. 10-11.
Vgl. A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2022, p. 126, en A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in: Handboek Strafzaken 45.4.6.4 (bijgewerkt tot en met 10 augustus 2022).
Zie Kamerstukken II 1998/99, 26 027, nr. 5, p. 6. Vgl. ook M.S. Groenhuijsen en G. Knigge, Afronding en verantwoording (Onderzoeksproject Strafvordering 2001), Deventer: Kluwer 2004, p. 159-160 (deze bevoegdheid kan niet worden gemist) en D.R. Doorenbos, Ambtshalve cassatie in strafzaken, NJB 1998, p. 1393-1395 (over de bezwaren tegen het aanvankelijke voornemen van de regering de ambtshalve cassatie af te schaffen).
Hoge Raad der Nederlanden, Jaarverslag 2003/2004, p. 34.
Zie bijvoorbeeld HR 30 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0359, NJ 2006/366, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.5.
Wet van 15 maart 2012, ter versterking van de cassatierechtspraak, Stb. 2012/116.
Kamerstukken II 2010/11, 32 576, nr. 3, p. 2 en 7.
HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, ECLI:NL:HR:2012:BX0129, NJ 2013/242, en ECLI:NL:HR:2012:BX7004, NJ 2013/243.
HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen, rov. 2.2, onder f.
Zie bijvoorbeeld HR 6 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:2, en HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:344, NJ 2017/127, m.nt. P.A.M. Mevis. Vgl. ook HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2457, NJ 2016/52, m.nt. P.A.M. Mevis, en HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1029, waarin de Hoge Raad ambtshalve een onderzoek naar deze verjaring instelt.
Zie voor het eerste (de verjaring is in het strafrecht van openbare orde) A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht op strafvordering, Gouda Quint 1985, p. 279 e.v., onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, A.J.A. Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2022, p. 129, en W.H. Vellinga, Ambtshalve onderzoeken en beslissen in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 38.
In zijn noot onder het arrest in de NJ (NJ 2018/475), onder 12.
EHRM 18 juni 2020, zaakno. 7523/10 (Antia en Khupenia v. Georgië).
Beroepschrift 25‑07‑2023
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE IN CASSATIE
Eiser:
[eiser],
wonende te [woonplaats] (‘[eiser]’).
De advocaat bij de Hoge Raad mr. A.M. van Aerde (Houthoff, Gustav Mahlerplein 50, 1082 MA Amsterdam) vertegenwoordigt als zodanig [eiser] in deze cassatieprocedure.
Verweerder:
De Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid en Minister voor Rechtsbescherming), een publiekrechtelijke rechtspersoon gevestigd te Den Haag en kantoorhoudende aan de Turfmarkt 147, 2511 DP Den Haag (de ‘Staat’).
Bestreden uitspraak
[eiser] stelt cassatieberoep in tegen het arrest, uitgesproken op 25 april 2023, van het Gerechtshof te Den Haag (het ‘hof’), in de zaak met zaaknummer 200.307.951/01 tussen [eiser] als appellant en de Staat als geïntimeerde (het ‘Arrest’).
Verschijningsdatum verweerder
De Staat wordt opgeroepen om ten laatste op 24 augustus 2023 te verschijnen, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad. De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10.00 uur 's ochtends in diens gebouw aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag.
Middel van cassatie
[eiser] voert tegen het arrest het volgende middel van cassatie aan:
Schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat het hof heeft overwogen en beslist als in het arrest is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden.
A. Inleiding
I.
[eiser] is bij arrest van het gerechtshof Den Bosch d.d. 24 mei 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk wegens, kort gezegd, verduistering, gepleegd in de periode van 5 december 2003 tot en met 6 mei 2005 (hierna: ‘feit 1’) en het opzettelijk handelen in strijd met artikel 82 lid 1 Wet toezicht kredietwezen 1992, gepleegd in de periode van 5 december 2003 tot en met 28 juli 2004 (hierna: ‘feit 2’).1.
II.
Het recht tot strafvordering met betrekking tot feit 2 was echter door verjaring vervallen op 29 juli 2016 althans in augustus 2016, en dus ruim voordat het hof Den Bosch op 24 mei 2017 zijn arrest in de strafzaak wees.
- —
Advocaat-generaal mr. P.C. Vegter heeft in punt 6 van zijn conclusie in de strafzaak tegen [eiser] geconcludeerd dat het recht tot strafvordering met betrekking tot feit 2 door verjaring is vervallen op 29 juli 2016 (‘Gelet op deze absolute verjaringstermijn is het recht tot strafvordering voor feit 2 dus op 29 juli 2016 (twaalf jaren, tweemaal zes jaren na aanvang van de verjaringstermijn) komen te vervallen’).2.
- —
Het Openbaar Ministerie (‘OM’) heeft in zijn advies over het gratieverzoek van [eiser] vastgesteld dat het recht tot strafvordering in augustus 2016 is vervallen (‘Het recht tot strafvordering vervalt na verloop van twaalf jaren, dus in augustus 2016. Dat is dus vóór het arrest van het Hof’).3.
- —
[eiser] heeft in deze civiele procedure consistent gesteld dat feit 2 al tijdens de procedure voor het hof Den Bosch was verjaard, wat de kern van zijn gratieverzoek betreft.4. De Staat heeft niet gemotiveerd betwist dat het recht tot strafvordering met betrekking tot feit 2 door verjaring al was vervallen toen het hof Den Bosch zijn arrest wees.
- —
Het hof heeft in rov. 6.5 van het bestreden arrest aannemelijk bevonden dat feit 2 ten tijde van het arrest van het hof Den Bosch was verjaard (‘Het is aannemelijk dat het hof Den Bosch in 2017 de verjaring over het hoofd heeft gezien’) en heeft dit vervolgens in het midden gelaten. In deze cassatieprocedure moet daarom (ten minste) bij wijze van hypothese worden uitgegaan van de verjaring van feit 2.5.
III.
De strafcassatieadvocaten van [eiser] hebben namens hem op 4 april 2018 een cassatieschriftuur ingediend in het cassatieberoep van de strafzaak. Daarin zijn geen klachten geuit over de verjaring van feit 2.6. Op 4 april 2018 was dit evenwel niet nodig voor een beoordeling door de Hoge Raad van de vraag of het recht tot strafvordering wegens verjaring was vervallen omdat tot 30 oktober 2018 de Hoge Raad dit ambtshalve beoordeelde.7.
IV.
Bij arrest van 30 oktober 2018 heeft de Hoge Raad in een zaak van een andere verdachte geoordeeld dat hij niet langer ambtshalve onderzoek zal doen naar de mogelijke niet-ontvankelijkheid van het OM in de vervolging wegens verjaring:8.
‘3.1.
Ingevolge art. 348 Sv behoort de rechter onderzoek te doen naar (…) de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging (…). Uit het vonnis of arrest behoeft echter slechts dan te blijken dat de rechter dit onderzoek heeft verricht, indien (…)
- (d)
uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat (…) het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk is (…), en niet een zodanige beslissing wordt gegeven.
3.2.
Zulks geldt derhalve ook voor het onderzoek naar de verjaring als grond voor het verval van het recht tot strafvordering en deswege de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.
3.3.
Het recht tot strafvordering wegens verjaring vervalt zowel indien de termijn van verjaring is vervuld voor de aanvang van het geding als indien zij tijdens de loop van het geding is vervuld. Dit brengt mee dat zowel de rechter in eerste aanleg, als die in hoger beroep als die in cassatie in de hiervoren onder 3.1 omschreven gevallen onderzoek behoort te doen naar de mogelijke niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens verjaring en daarvan in zijn uitspraak dient te doen blijken.
3.4.
In cassatie lijdt dit evenwel naar huidig inzicht uitzondering voor het geval dat de verjaring reeds voor het indienen van de schriftuur was voltooid en de cassatieschriftuur niet de klacht bevat dat de rechter hetgeen hiervoren onder 3.1 is overwogen, heeft miskend. Wel zal de Hoge Raad ambtshalve ingrijpen ingeval de termijn van verjaring is vervuld tussen de indiening van de schriftuur en de uitspraak van het arrest omdat in dat geval niet bij wege van een middel van cassatie beroep kon worden gedaan op het alsnog intreden van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.’
V.
Bij arrest van 18 december 2018 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van [eiser] in de strafzaak verworpen, deels met toepassing van artikel 81 lid 1 RO. De Hoge Raad heeft niet ambtshalve geoordeeld dat het recht tot strafvordering met betrekking tot feit 2 door verjaring is vervallen.9.
VI.
[eiser] heeft op 19 maart 2019 een gratieverzoek ingediend bij de Kroon. Daarin heeft hij onder meer aangevoerd dat de verjaring van feit 2 ten onrechte niet is onderzocht en uitgesproken door het hof Den Bosch. Het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2018 was een onverwachte koerswijziging waarop de cassatieadvocaten van [eiser] niet konden anticiperen. Tot die tijd casseerde de Hoge Raad ambtshalve bij verjaring en de Hoge Raad heeft geen overgangsregeling bepaald. Verjaring is van openbare orde en behoort ambtshalve te worden getoetst. Gelet op de verjaring is aannemelijk dat met de tenuitvoerlegging van de straf geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend, aldus [eiser].10.
VII.
Het OM heeft op 7 augustus 2019 de Kroon geadviseerd het gratieverzoek voor feit 2 af te wijzen. Het OM baseert dit advies op de omstandigheid dat de Hoge Raad in de strafzaak van [eiser] niet ambtshalve gecasseerd heeft.11.
VIII.
Het hof Den Bosch heeft conform de zienswijze van het OM geadviseerd het gratieverzoek voor wat betreft feit 2 af te wijzen, met vaststelling van de straf voor feit 2 op zes maanden gevangenisstraf.12.
IX.
Bij Koninklijk Besluit van 12 november 2019 (het ‘Gratiebesluit’) is, onder verwijzing naar de adviezen van het OM en het gerechtshof Den Bosch, aan [eiser] gedeeltelijk gratie verleend. Bij brief van 19 mei 2020 heeft de Minister voor Rechtsbescherming de afwijzing van het gratieverzoek voor feit 2 gemotiveerd. De Minister heeft erop gewezen dat de raadslieden van [eiser] in hun cassatieschriftuur geen cassatiemiddel hebben geformuleerd over de verjaring van feit 2 ten tijde van de appelprocedure en dat hij geen grond ziet om de adviezen van het Openbaar Ministerie en het Gerechtshof niet te volgen.13.
X.
XI.
[eiser] heeft op 9 juni 2020 de Staat aansprakelijk gesteld vanwege de afwijzende beslissing op het gratieverzoek ten aanzien van feit 2. De Staat heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.
XII.
[eiser] heeft de Staat gedagvaard en gevorderd:
- 1.
een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] handelt door de nog te ondergane zes maanden gevangenisstraf niet kwijt te schelden en door zijn gratieverzoek dus deels af te wijzen, althans door zijn beslissing op het gratieverzoek, voor zover deze afwijzend is, niet naar behoren te motiveren;
- 2.
een verbod aan de Staat om de resterende zes maanden gevangenisstraf ten uitvoer te leggen;
- 3.
een veroordeling van de Staat om primair de beslissing op het gratieverzoek te herzien voor zover deze afwijzend is en een nieuwe beslissing te nemen, althans subsidiair om op een door [eiser] in te dienen verzoek tot herziening dan wel nieuw gratieverzoek te beslissen, primair en subsidiair met inachtneming van wat er in de uitspraak is bepaald,
met de veroordeling van de Staat in de proceskosten.
XIII.
De rechtbank en het hof hebben de vorderingen afgewezen en [eiser] in de kosten veroordeeld. [eiser] richt de navolgende klachten tegen het oordeel van het hof.
B. Klachten
1. Toetsingskader
- a.
Het hof heeft in rov. 6.1–6.3 als toetsingskader vooropgesteld dat er geen afdwingbaar recht op gratie bestaat: het verlenen van gratie is een discretionaire bevoegdheid van de Kroon c.q. de Minister. Gratie kan worden verleend (a.) op grond van enige omstandigheid, waarmede de rechter op het tijdstip van zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft gehouden of kunnen houden en die, ware zij op dat tijdstip wel of voldoende bekend geweest, hem aanleiding zou hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf of maatregel, of tot het afzien daarvan (de ‘a-grond’); dan wel (b.) indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend (de ‘b-grond’) (rov. 6.1).
- b.
De Minister moet advies inwinnen van het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd, alvorens over gratieverlening te beslissen (het ‘gerechtsadvies)’. Bij een gratieverzoek dat betrekking heeft op een vonnis of arrest, gewezen door een meervoudige kamer stuurt de Minister het gratieverzoek met een verslag van zijn bevindingen eerst voor advies naar het OM. Het gerechtsadvies is in beginsel leidend: alleen op grond van bijzondere omstandigheden kan daarvan worden afgeweken (rov. 6.2).
- c.
De veroordeelde kan met betrekking tot een (negatieve) beslissing omtrent de verlening van gratie het oordeel inroepen van de burgerlijke rechter over de vraag of de redenen die zijn opgegeven voor het niet-verlenen van gratie en — voor zover dat het geval is — voor het afwijken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, de beslissing kunnen dragen. De burgerlijke rechter dient vervolgens te beoordelen of de motivering van de beslissing omtrent gratieverlening ervan blijk geeft dat de wettelijke criteria afdoende in acht zijn genomen. De burgerlijke rechter dient bij dit oordeel terughoudendheid in acht te nemen (rov. 6.3).
- d.
Het hof heeft het bovenvermelde toetsingskader vervolgens in rov. 6.5–6.9 toegepast op de voorliggende zaak. Het oordeel van het hof houdt in dat de in dat advies opgenomen motivering de afwijzende beslissing in redelijkheid kan dragen hof (rov. 6.4). Daarbij heeft het hof onder meer overwogen in rov. 6.5:
‘Het is aannemelijk dat het hof Den Bosch in 2017 de verjaring over het hoofd heeft gezien. Of dit zo is kan echter in het midden blijven, omdat ook als ervan wordt uitgegaan dat dit juist is, de vordering van [appellant] niet kan slagen. Het is waar dat deze situatie onder de reikwijdte van de a-grond van artikel 2 Gratiewet kan worden gebracht, maar dat betekent niet dat gratie op die grond moet worden verleend en zeker niet dat de Minister onrechtmatig handelt wanneer hij het op redelijke gronden gebaseerde gerechtsadvies volgt. Zoals gezegd is gratie geen afdwingbaar recht’;
en in rov. 6.8:
‘(…) de enkele omstandigheid dat niet is uitgesloten dat de HR die mogelijkheid [van gratie, adv.] heeft opengelaten [betekent] nog niet dat de Minister verplicht was gratie te verlenen in dit geval.’
1.1.
Het hof heeft met de bovenvermelde oordelen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Weliswaar is gratie geen afdwingbaar recht en is het verlenen van gratie een discretionaire bevoegdheid, maar dat laat onverlet:
- a.
dat ook die bevoegdheid niet op een onbehoorlijke, willekeurige wijze mag worden uitgeoefend;15. en/althans
- b.
dat ook die bevoegdheid niet mag worden uitgeoefend op een wijze waardoor één of meer door het EVRM gewaarborgde mensenrechten worden geschonden of waardoor wordt nagelaten een schending van één of meer door het EVRM gewaarborgde mensenrechten zoveel mogelijk te herstellen of te voorkomen;16. en/althans
- c.
dat onder bijzondere omstandigheden de Minister het verlenen van gratie in redelijkheid niet kan weigeren en de Staat jegens een verzoeker van gratie onrechtmatig handelt door het verlenen van gratie te weigeren.
Aangenomen moet worden dat van één of meer van deze gevallen onder a, b of c sprake is indien niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat ter zake van het strafbare feit waarvoor om gratie wordt verzocht het recht tot strafvordering wegens verjaring al is komen te vervallen vóórdat de straf of maatregel werd opgelegd en de Minister desondanks weigert gratie te verlenen ter zake van de voor dat feit opgelegde straf of maatregel. In zo een geval, waarin niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat de straf of maatregel waarvoor om gratie wordt verzocht, rechtens niet had kunnen of mogen worden opgelegd en de veroordeling dus het gevolg is van een ernstige gerechtelijke fout, is de Minister gehouden om, zo nodig in afwijking van het gerechtsadvies,17. desverzocht gratie te verlenen opdat de veroordeelde zoveel mogelijk wordt hersteld in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd indien de gerechtelijke fout niet zou zijn gemaakt.
Het voorgaande brengt mee dat in zulke gevallen de civiele rechter de vrijheid en de taak heeft om, desgevorderd, voor recht te verklaren dat de Staat jegens de verzoeker onrechtmatig handelt door het verlenen van gratie te weigeren (3:302 BW) en deze dit onrechtmatig handelen te verbieden (3:296 lid 1 BW).
1.2.
Het hof heeft met de bestreden oordelen het voorgaande miskend. In deze zaak moet immers worden uitgegaan van het volgende:
- a.
Het recht tot strafvordering met betrekking tot feit 2 is door verjaring vervallen op 29 juli 2016 althans in augustus 2016, en geruime tijd voordat het hof Den Bosch op 24 mei 2017 zijn arrest in de strafzaak wees.18.
- b.
Het hof Den Bosch had in de strafzaak tegen [eiser] op 24 mei 2017 ambtshalve moeten vaststellen dat het recht tot strafvordering met betrekking tot feit 2 door verjaring was vervallen. Het hof Den Bosch was gehouden ambtshalve onderzoek te doen naar de ontvankelijkheid van het OM in de vervolging (en in zijn arrest ervan blijk te geven dat het dit onderzoek heeft verricht), aangezien [eiser] ten laste was gelegd dat hij feit 2 had gepleegd in de periode van 5 december 2003 tot en met 28 juli 2004, terwijl voor feit 2 een absolute verjaringstermijn geldt die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn van zes jaar (artikel 70 lid 1 onder 2o jo. artikel 72 lid 2 Sr), zijnde twaalf jaar.19. Buiten redelijke twijfel staat derhalve dat het hof Den Bosch ambtshalve het OM niet-ontvankelijk in de vervolging had moeten verklaren en [eiser] rechtens geen straf had mogen en kunnen opleggen ter zake van feit 2, en dat de veroordeling van [eiser] ter zake van feit 2 het gevolg is van een ernstige gerechtelijke fout van het hof Den Bosch.
- c.
Aan de gerechtelijke fout van het hof Den Bosch doet niet af dat de Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 oktober 2018 heeft beslist dat hij niet langer ambtshalve onderzoek zal doen naar de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens verjaring. Dat betekent immers niet dat het hof Den Bosch geen fout heeft gemaakt door de verjaring over het hoofd te zien — het hof was immers wél gehouden de verjaring ambtshalve te onderzoeken20. — maar enkel dat de Hoge Raad in een cassatieprocedure die fout niet langer ambtshalve herstelt.
- d.
Ook voor de Minister stond buiten redelijke twijfel dat het recht tot strafvordering met betrekking tot feit 2 door verjaring was vervallen toen het hof Den Bosch op 24 mei 2017 zijn arrest wees. Het OM had immers hierop gewezen in zijn advies d.d. 7 augustus 2019,21. welk advies het gerechtshof Den Bosch tot het zijne heeft gemaakt in zijn gerechtsadvies.22. Blijkens zijn motivering van het Gratiebesluit bij brief van 19 mei 2020, is ook de Minister ervan uitgegaan dat feit 2 tijdens de appelprocedure is verjaard. Daarmee moest voor de Minister ook buiten redelijke twijfel staan dat het hof Den Bosch [eiser] had veroordeeld voor een feit waarvoor hij rechtens niet meer had kunnen en mogen worden veroordeeld. Onder die omstandigheden was de Minister gehouden om, zo nodig in afwijking van het gerechtsadvies, [eiser] op diens verzoek gratie te verlenen opdat [eiser] zoveel mogelijk zou worden hersteld in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd indien de gerechtelijke fout niet zou zijn gemaakt.
- e.
Ook voor het hof Den Haag stond buiten redelijke twijfel dat het recht tot strafvordering met betrekking tot feit 2 door verjaring was vervallen toen het hof Den Bosch op 24 mei 2017 zijn arrest wees.23. Het hof is hiervan ook uitgegaan in zijn arrest, al was het maar bij wijze van veronderstelling.24. Dat zo zijnde, heeft het hof niet kunnen oordelen zoals het heeft gedaan.
1.3.
Het hof heeft met de bestreden oordelen en in rov. 6.6 bovendien miskend dat de veroordeling van [eiser] door het hof Den Bosch een schending oplevert van artikel 7 lid 1 EVRM. Artikel 7 lid 1 EVRM bepaalt onder meer dat niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Deze bepaling brengt ook mee dat niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten waarvoor, als gevolg van verjaring, niet langer een straf opgelegd kan worden.25. Wanneer een verdachte wordt veroordeeld voor een strafbaar feit waarvoor hij of zij niet veroordeeld had kunnen worden vanwege het verstrijken van de verjaringstermijn, dan ontbreekt een rechtsgeldige juridische basis (‘valid legal basis’) voor de veroordeling, en is sprake van een schending van artikel 7 EVRM.26. [eiser] heeft dit in feitelijke instanties ook gemotiveerd betoogd. Hij heeft gesteld dat het hof Den Bosch hem heeft veroordeeld voor een verjaard strafbaar feit27. en dat artikel 7 EVRM voorziet in een recht niet te worden veroordeeld voor een strafbaar feit dat reeds is verjaard.28. Zijn veroordeling voor een verjaard feit levert aldus een schending op van zijn door artikel 7 EVRM beschermde recht, evenals zijn verdere vervolging wegens het reeds verjaarde feit,29. de beslissing van de Hoge Raad om — als gevolg van een koerswijziging waarop [eiser] niet bedacht heeft hoeven zijn — het arrest van het hof Den Bosch niet ambtshalve te vernietigen30. en het Gratiebesluit.31. Het hof heeft dit betoog van [eiser] niet verworpen en heeft niet geoordeeld dat de veroordeling van [eiser] voor een verjaard feit, zijn verdere vervolging en/of de verwerping van zijn cassatieberoep géén schending van zijn door artikel 7 EVRM beschermde recht zou opleveren. Onder deze omstandigheden heeft het hof niet kunnen oordelen zoals het heeft gedaan. Het hof heeft miskend dat het gehouden was om de schending van [eiser]s door artikel 7 EVRM beschermde recht zoveel mogelijk te herstellen en verdere schending daarvan zoveel mogelijk te voorkomen door [eiser]s vorderingen toe te wijzen.32.
2. Hof-oordeel over de motivering van het gratiebesluit
2.1.
Het hof heeft in rov. 6.5 gerespondeerd op [eiser]s betoog dat het hof Den Bosch in 2017 de verjaring over het hoofd heeft gezien, en dat dit een grond oplevert als bedoeld in artikel 2 sub a Gratiewet. Volgens het hof betekent dat echter dat op die grond gratie kan worden verleend en niet moet worden verleend; het betekent zeker niet dat de Minister onrechtmatig handelt wanneer hij het op redelijke gronden gebaseerde gerechtsadvies volgt, aldus het hof. Het hof overweegt vervolgens:
‘In dit geval geldt dat [eiser] zelf in de gelegenheid was om de fout te voorkomen (door het hof op de verjaring te wijzen), dan wel te doen herstellen (door dit punt alsnog naar voren te brengen in cassatie). [eiser] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Omdat [eiser] geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid die hij had, bracht de koerswijziging van de HR in oktober 2018 vervolgens mee dat geen ambtshalve cassatie heeft plaatsgevonden.’
2.1.1.
Indien het hof hiermee heeft bedoeld te oordelen dat de in het OM-advies opgenomen motivering de afwijzende beslissing in redelijkheid kan dragen, is dat oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Immers:
- a.
De omstandigheid dat [eiser] het hof op de verjaring had kunnen wijzen, laat onverlet dat het hof deze verjaring ambtshalve had kunnen en moeten opmerken. [eiser] mocht erop vertrouwen dat het hof dit ook zou doen zonder dat [eiser] hierop zou wijzen, aangezien het hier gaat om een onderzoek dat het hof ambtshalve moest verrichten.33. Het hof heeft niet kenbaar gerespondeerd op dit argument van [eiser] en hieromtrent ook niet iets anders geoordeeld. [eiser] had het hof Den Bosch dus wel kunnen maar niet hoeven wijzen op de verjaring voor een beoordeling van de (niet-)ontvankelijkheid van het OM in de vervolging. Onbegrijpelijk is hoe deze omstandigheid de afwijzing van [eiser]s gratieverzoek in redelijkheid kan dragen.
- b.
De omstandigheid dat [eiser] de Hoge Raad op de verjaring had kunnen wijzen, laat onverlet dat [eiser], toen namens hem op 4 april 2018 een cassatieschriftuur werd ingediend, erop mocht vertrouwen dat de Hoge Raad ambtshalve onderzoek zou doen naar de (niet-)ontvankelijkheid van het OM in de vervolging wegens verjaring, aangezien het hier gaat om een onderzoek dat de Hoge Raad tot 30 oktober 2018 steeds ambtshalve verrichtte.34. Het hof heeft niet kenbaar gerespondeerd op dit argument van [eiser] en hieromtrent ook niet iets anders geoordeeld. [eiser] had de Hoge Raad dus wel kunnen wijzen op de verjaring maar mocht ervan uitgaan dat hij de Hoge Raad niet heeft hoeven wijzen op de verjaring voor een beoordeling van de (niet-)ontvankelijkheid van het OM in de vervolging. Onbegrijpelijk is hoe deze omstandigheid de afwijzing van [eiser]s gratieverzoek in redelijkheid kan dragen.
- c.
De omstandigheden dat [eiser] het hof Den Bosch en de Hoge Raad niet op de verjaring heeft gewezen en dat geen (ambtshalve) cassatie heeft plaatsgevonden, laten onverlet dat sprake is van een ernstige gerechtelijke fout van het hof Den Bosch en dat [eiser] rechtens niet had kunnen en mogen worden bestraft voor feit 2 omdat het recht tot strafvordering wegens verjaring was vervallen toen het hof Den Bosch uitspraak deed. Onbegrijpelijk is hoe deze omstandigheden de afwijzing van [eiser]s gratieverzoek in redelijkheid kunnen dragen.
- d.
Aan het voorgaande doet niet af de inhoud van het gerechtelijk advies van het hof Den Bosch, waarin die fout niet expliciet is erkend. Voor zover het hof Den Haag in de bestreden uitspraak als uitgangspunt heeft genomen dat het bieden van redres tegen een evidente en ernstige rechterlijke fout afhankelijk is van hetgeen de verdachte in de strafzaak naar voren heeft gebracht of doen brengen, heeft het miskend dat in dit opzicht in de gratieprocedure van de veroordeelde slechts wordt verlangd dat hij of zij de fout ten grondslag legt aan het verzoek, opdat deze — zo deze wordt erkend — door de Kroon kan worden hersteld.
2.2.
Het hof heeft in rov. 6.6 en 6.8 overwogen dat de Minister in redelijkheid ervan kon uitgaan dat de Hoge Raad onder ogen heeft gezien dat naar de mening van de AG sprake was van verjaring, dat dit vóór de koerswijziging had moeten leiden tot ambtshalve cassatie en dat [eiser] een overgangsgeval was, en dat de HR er niettemin bewust voor heeft gekozen [eiser] geen ambtshalve bescherming te bieden. Het hof verbindt daaraan de gevolgtrekking dat:
‘de Minister in redelijkheid kon oordelen dat toewijzing van het gratieverzoek zou neerkomen op een doorkruising van die bewuste keuze van de rechter.’
2.2.1.
Deze gevolgtrekking behoefde nadere motivering om begrijpelijk te zijn. Zonder nadere motivering valt immers niet in te zien dat de bewuste keuze van de Hoge Raad om [eiser] in de cassatieprocedure geen ambtshalve bescherming te bieden, zou worden doorkruist door toewijzing van het gratieverzoek.
2.2.2.
De Hoge Raad heeft bij arrest d.d. 30 oktober 2018 ervoor gekozen om zijn taak beperkter op te vatten dan hij voorheen deed: sindsdien schiet de Hoge Raad niet langer op eigen initiatief de verdachte te hulp wanneer het OM wegens verjaring in de vervolging niet-ontvankelijk is, maar grijpt hij alleen nog in daartoe uitgenodigd door een cassatiemiddel. Deze keuze heeft dus betrekking op de werkwijze en taakopvatting van de Hoge Raad zelf. Een verdergaande strekking kan daaraan niet worden toegedicht. Daarom is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat de ‘cassatieprocesrechtelijke’ keuze van de Hoge Raad zou worden doorkruist door toewijzing van het gratieverzoek — het één staat geheel los van het ander — noch dat de Minister dit in redelijkheid kon oordelen.
2.2.3.
Indien het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat de Minister in redelijkheid kon oordelen dat de Hoge Raad ervoor heeft gekozen [eiser] geen ambtshalve bescherming te bieden omdat de Hoge Raad het wenselijk zou hebben gevonden dat [eiser] zou worden bestraft voor een feit ter zake waarvan het recht tot strafvordering was komen te vervallen (en toewijzing van het gratieverzoek dáárom een doorkruising van die keuze zou opleveren), is dat oordeel onbegrijpelijk. Uit niets blijkt dat de Hoge Raad het wenselijk vindt dat in Nederland personen worden bestraft voor feiten ter zake waarvan het recht tot strafvordering door verjaring is vervallen.
2.2.4.
De omstandigheid dat de Hoge Raad een cassatieberoep van een verdachte verwerpt, brengt niet reeds daarom met zich dat het daaropvolgende herstel van een gerechtelijke misslag een ontoelaatbare ‘doorkruising’ van de bewuste keuze van de Hoge Raad zou opleveren. Zo vernietigt de Hoge Raad sinds de invoering van artikel 80a RO niet langer uitspraken van de feitenrechter waarin deze verzuimt het in artikel 27 Sr bedoelde aftrek toe te passen omdat in zo'n geval sprake is van ‘een voor eenieder evidente vergissing op grond waarvan die uitspraak verbeterd moet worden gelezen’.35. Dit voorbeeld laat zien dat herstel van een dergelijke evidente vergissing anders dan door vernietiging van de uitspraak door de Hoge Raad, niet reeds daarom een ontoelaatbare doorkruising van de bewuste keuze van de Hoge Raad oplevert. Ook in dit opzicht is onbegrijpelijk hoe toewijzing van het gratieverzoek van [eiser] in redelijkheid kan worden aangemerkt als doorkruising van de bewuste keuze van de Hoge Raad.
2.2.5.
Het oordeel van het hof is ten slotte onbegrijpelijk op de gronden vermeld in onderdeel 2.1.1 hierboven.
2.3.
Het hof heeft in rov. 6.6 overwogen dat het betoog van [eiser], voor zover dit erop neerkomt dat de bewuste keuze van de Hoge Raad onredelijk is en/of onjuist, want in strijd met artikel 7 EVRM, hem niet kan baten:
‘Een dergelijke stelling komt immers ook neer op het ter discussie stellen van de rechtspraak van de HR. De gratieprocedure is niet bedoeld als vierde beroepsinstantie.’
2.3.1.
Dit oordeel is rechtens onjuist en onbegrijpelijk. Het hof heeft hiermee miskend dat de Staat verplicht is een ieder die ressorteert onder zijn rechtsmacht, met inbegrip van [eiser], de rechten en vrijheden te verzekeren die zijn vastgesteld in Titel I van het EVRM, waaronder die in artikel 7 EVRM,36. en dat aan de bepalingen van het EVRM c.q.artikel 7 EVRM voorrang toekomt boven daarmee onverenigbaar nationaal recht.37. Daarom brengt de stelling van [eiser] dat de Staat handelt in strijd met zijn door artikel 7 EVRM beschermde rechten, indien gegrond, met zich dat de Staat die schending moet beëindigen en herstellen. Daaraan doet niet af dat die stelling neerkomt op het ‘ter discussie stellen van de rechtspraak van de Hoge Raad’, noch dat ‘de gratieprocedure niet bedoeld is als vierde beroepsinstantie’. Rechtens onjuist en onbegrijpelijk is derhalve dat de bedoelde stelling [eiser] niet zou kunnen baten.
2.3.2.
Voor zover de overweging dat ‘de gratieprocedure niet is bedoeld als vierde beroepsinstantie’ zo moet worden begrepen dat volgens het hof in de gratieprocedure de juistheid van het arrest van het Hof Den Bosch en/of de Hoge Raad niet ter discussie kan staan, getuigt die overweging van een onjuiste rechtsopvatting. Onder de a-grond valt immers ook de omstandigheid dat de rechter blijkt de wet onjuist te hebben toegepast.38. Gratie kan in die gevallen juist een vangnet bieden voor het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.39.
2.4.
Het hof heeft in rov. 6.8 geoordeeld over de tegenwerping van [eiser] dat als wordt aangenomen dat de Hoge Raad er bewust voor heeft gekozen hem in de cassatieprocedure geen bescherming te bieden ten aanzien van feit 2, dit niet uitsluit dat het de bedoeling van de Hoge Raad was om deze kwestie in de executiefase op te lossen via de route van gratie. [eiser] voert in dat verband aan dat uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat gratie in sommige gevallen kan dienen als vangnet. Het hof oordeelt daarover:
‘Ook dit argument slaagt niet. Ten eerste geldt dat op voorhand niet erg aannemelijk is dat de HR specifiek deze bedoeling heeft gehad. Daarbij weegt mee dat de verjaringskwestie in de conclusie AG en door de HR — zo kon de Minister in redelijkheid aannemen — onder ogen is gezien. Het verlenen van gratie zou in zoverre dus wel degelijk neerkomen op een doorkruising van het inzicht van de rechter.’
2.4.1.
Dit oordeel van het hof is onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd op de gronden vermeld in onderdelen 2.2.1–2.2.5 hierboven. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom het verlenen van gratie zou neerkomen op een doorkruising van de keuze van de Hoge Raad om in diens cassatieprocedure [eiser] niet ambtshalve bescherming te bieden. Dat klemt temeer omdat die keuze niet geacht kan worden betrekking te hebben op de materiële toetsing van de zaak van [eiser]. Die keuze is gegrond op de procedurele koerswijziging ten gevolge waarvan de Hoge Raad op formele gronden geen ruimte meer nam tot toetsing van [eiser]s zaak op verjaring.
2.5.
Het hof heeft in rov. 6.8 geoordeeld dat in dit geval geen sprake is van een voor ieder kenbare vergissing die zich voor eenvoudig herstel door middel van een herstelarrest leent.
2.5.1.
Dit oordeel is slechts in zoverre begrijpelijk dat de voor ieder kenbare vergissing waar het in deze zaak om gaat, zich inderdaad niet leent voor eenvoudig herstel door middel van een herstelarrest. Voor het overige is dit oordeel onbegrijpelijk. Voor ieder is immers kenbaar dat het hof Den Bosch een vergissing heeft gemaakt door [eiser] te veroordelen voor een feit ter zake waarvan het recht tot strafvordering door verjaring was vervallen,40. hetgeen de Staat ook niet heeft betwist. Die vergissing leent zich bovendien voor herstel: niet door middel van een herstelarrest, maar wél door middel van gratie.
2.6.
Het hof heeft in rov. 6.9 geoordeeld dat de motivering van de Minister bij deze stand van zaken toereikend is. De Minister hoefde niet nader te motiveren waarom met de tenuitvoerlegging een met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. [eiser] is onherroepelijk veroordeeld en onherroepelijke uitspraken moeten in beginsel ten uitvoer worden gelegd, aldus nog steeds het hof.
2.6.1.
Dit oordeel van het hof is ontoereikend gemotiveerd. Het hof geeft immers geen enkele reden waarom de Minister in dit bijzondere geval van een evidente en ernstige gerechtelijke fout niet nader hoefde te motiveren waarom met de tenuitvoerlegging een met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Dit had echter wel nader gemotiveerd moeten worden om begrijpelijk te zijn. De omstandigheid dat na het plegen van een strafbaar feit inmiddels zóveel tijd is verstreken dat het Wetboek van Strafrecht het recht tot strafvordering geheel heeft doen vervallen, wijst immers in de richting dat met de tenuitvoerlegging juist geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel meer in redelijkheid wordt gediend. [eiser] heeft in zijn gedingstukken bovendien erop gewezen dat het OM-advies en de rechtbank voorbijgaan aan de ratio van verjaring in strafzaken,41. zodat het hof ook om die reden kenbaar op deze essentiële stelling had moeten responderen. Deze stelling is essentieel omdat zij, indien gegrond, dwingt tot het oordeel dat de redenen die in het Gratiebesluit zijn opgegeven voor het niet-verlenen van gratie, die beslissing niet kunnen dragen.
2.6.2.
Afgezien van het voorgaande, is ook overigens onbegrijpelijk hoe de onverkorte tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor een verjaard feit in overeenstemming is met eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid. Die straf had rechtens immers niet opgelegd kunnen en mogen worden.
Conclusie
[eiser] vordert op grond van dit middel de vernietiging van het arrest, kosten rechtens, en om de Staat te veroordelen om al hetgeen [eiser] ter uitvoering van het bestreden arrest aan de Staat heeft voldaan aan [eiser] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling. [eiser] vordert voorts dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
Advocaat
25 juli 2023
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑07‑2023
Hof, rov. 3.1.
Concl. a-g P.C. Vegter d.d. 6 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1191 (Staat/[eiser]).
Hof, rov. 3.7, citaat, eerste twee volzinnen. [eiser] heeft het advies overgelegd als productie 17.
Zie o.a. hof, rov. 4.2.
B.T.M. van der Wiel (red.) Cassatie, Deventer: Kluwer 2019, § 55 op p. 58.
Hof, rov. 3.2.
Hof, rov. 3.7.
HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022, rov. 3.1–3.5.
HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2343.
Hof, rov. 3.6. [eiser] heeft het gratieverzoek overgelegd als productie 3.
Hof, rov. 3.7. [eiser] heeft het OM-advies overgelegd als productie 17.
Hof, rov. 3.8. [eiser] heeft het OM-advies overgelegd als productie 18.
Hof, rov. 3.9.
De zaak is aanhangig onder application no. 27231/19. Zie: https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-210113
Vgl. Kamerstukken II 1986/86, 19 075 (MvA), nr. 6, p. 1, 2 en 12; inl. dgv. § 14, MvG § 17, Plta II § 31.
Vgl. HR 19 december 2017, HR ECLI:NL:HR:2017:3185, rov. 3.5.4: ‘[D]e burgerlijke rechter (…) kan beoordelen of de negatieve beslissing omtrent de verlening van gratie, in het licht van de eisen die art. 3 EVRM stelt, onrechtmatig is.’ Aldus ook MvG § 19.
Aldus ook inl. dgv. § 67.
Zie § A.II van de Inleiding hierboven.
HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022, rov. 3.1 – 3.3. Zie ook p-v mondelinge behandeling eerste aanleg, p. 3, § 7, MvG § 48, Plta II § 5 (‘rekensom’).
Zie voetnoot 19.
Hof, rov. 3.7.
Hof, rov. 3.8.
Zie § A.II van de Inleiding hierboven.
Hof, rov. 6.5, eerste twee volzinnen.
EHRM 18 juni 2020 (appl. nr. 7523/10), ECLI:CE:ECHR:2020:0618JUD000752310 (Antia & Khupenia v. Georgië), punten 38–43.
Kamerstukken I 2022–2023, 32 890, E, p. 3–4 (brief Minister Justitie en Veiligheid d.d. 7 december 2022).
O.a. inl. dgv. § 15, 35, p-v mondelinge behandeling eerste aanleg, p. 3, § 7, MvG § 5, 10, 24, 34, 48, Plta II § 5.
P-v mondelinge behandeling eerste aanleg, p. 5 e.v., § 21, 26, 34, 42, MvG § 66–68, 70, 74, 76–78, Plta II § 1–3.
Plta II § 6–8, 10.
MvG § 41 (‘een dergelijke procedurele beslissing is onrechtmatig en volstrekt onredelijk’), 43 (‘de beslissing van de Hoge Raad om zijn nieuwe koers direct in de zaak van [eiser] toe te passen (en dus de veroordeling voorfeit 2 in stand te laten), [levert] een schending van artikel 7 EVRM op’), 53, 74–78.
MvG § 43, Plta II § 38–40.
Hierbij moet bovendien worden bedacht dat het in de rede ligt dat het arrest van het hof Den Bosch onrechtmatig is jegens [eiser]: zie Asser/Sieburgh 6-IV 2019/387 (‘Schendingen van EVRM: minder strenge norm’).
HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022, rov. 3.1 – 3.3. [eiser] heeft hierop gewezen bij inl. dgv. § 35, p-v mondelinge behandeling eerste aanleg, p. 3, § 7, MvG § 5, 24 (‘het gerechtshof 's‑Hertogenbosch [had] die verjaring ambtshalve kunnen en moeten vaststellen’), 48, 74.
[eiser] heeft hierop gewezen bij inl. dgv. § 26–29, p-v mondelinge behandeling eerste aanleg, p. 4, § 13–14, MvG § 6–7, 10, 40, 50, Plta II § 1–4.
HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4478, rov. 3.3; HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, rov. 2.2 sub c. [eiser] heeft hierop gewezen bij MvG § 59–60.
Artikel 1 EHRM.
Artikel 94 Grondwet.
Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 3 (MvT Gratiewet), p. 20–21. Aldus ook inl. dgv. § 33–34, onder verwijzing naar G.J.M. Corstens, ‘Onrechtmatige strafrechtspraak’, in: G.C.J.J. van den Bergh e.a, Met hoofd en hart, opstellen aangeboden aan prof. mr. C.J.M. Leijten, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1991, p. 211, en naar de memorie van toelichting, p-v mondelinge behandeling eerste aanleg, p. 7, § 33, 38, MvG § 14, 18, met verdere verwijzingen aldaar, en Plta II § 24–27.
MvG § 60.
De dagvaarding van de verdachte behelst immers een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn; verder vermeldt zij de wettelijke voorschriften waarbij het feit is strafbaar gesteld (artikel 261 lid 1 Sv). Artikel 70 Sr houdt de verjaringstermijnen in. Artikel 71 Sr bepaalt wanneer de verjaringstermijn aanvangt. Artikel 72 Sr bevat een stuitingsbepaling en een absolute verjaringstermijn. Aan de hand van deze bepalingen is voor een ieder eenvoudig vast te stellen wanneer de verjaring van een op een bepaald moment gepleegd strafbaar feit is voltooid; zie ook punt 6 van de conclusie van a-g P.C. Vegter d.d. 6 november 2018 in de zaak tegen [eiser], ECLI:NL:PHR:2018:1191, én het OM-advies (Hof, rov. 3.7, citaat, eerste twee volzinnen; overgelegd als productie 17). Zie ook p-v mondelinge behandeling eerste aanleg, p. 3, § 7, en p. 7, § 38, MvG § 48, Plta II § 5 (‘rekensom’).
Inl. dgv. § 41–43, 53, MvG § 62 (grief tegen Rb. rov. 4.11).