NJB 2024/2593:Civiele rechter in verband met een gratieverzoek in een strafzaak. Verjaring strafvervolging. Koerswijziging van de strafkamer van de Hoge Raad. Gratie. De strafkamer van het hof veroordeelt een verdachte, ook al is het recht op strafvervolging verjaard. De veroordeelde gaat in cassatie, maar zijn advocaten wijzen niet op de verjaring. Hangende het cassatieberoep wijzigt de Hoge Raad zijn koers aldus dat hij niet meer ambtshalve casseert wegens verjaring. In lijn daarmee verwerpt de Hoge Raad het cassatieberoep. De veroordeelde verzoekt gratie, maar zonder succes. In deze civiele rechtszaak vordert de veroordeelde dat hem alsnog gratie wordt verleend. Het hof overweegt dat de minister in redelijkheid kon oordelen dat toewijzing van het gratieverzoek zou neerkomen op een doorkruising van een bewuste keuze dan wel inzicht van de rechter. Hoge Raad: Het oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.