Vgl. H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede deel, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 525.
HR, 26-11-2024, nr. 22/03923
ECLI:NL:HR:2024:1702
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-11-2024
- Zaaknummer
22/03923
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1702, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑11‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:2939
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:844
ECLI:NL:PHR:2024:844, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1702
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑06‑2023
- Vindplaatsen
NJ 2025/56 met annotatie van S.F.M. Wortmann
Uitspraak 26‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Vernieling van tablet en telefoon, art. 350.1 Sr. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM in vervolging, vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 316.1 Sr. Moet verdachte worden aangemerkt als “echtgenoot” a.b.i. art. 316.1 jo. 353 Sr, omdat hij volgens islamitische wetgeving met aangeefster is gehuwd? O.g.v. art. 316.1 Sr is strafvervolging van de in die bepaling bedoelde dader of medeplichtige uitgesloten als deze “niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van hem tegen wie misdrijf is gepleegd”. Is wel sprake van zo’n scheiding, dan kan die dader of medeplichtige wel worden vervolgd maar is in de in art. 316.2 Sr bedoelde gevallen een klacht vereist “van degene tegen wie misdrijf is gepleegd”. Alleen in geval van zo’n scheiding is dus sprake van zogenoemd relatief klachtdelict. In deze zaak staat echter uitleg van de in art. 316.1 Sr opgenomen vervolgingsuitsluitingsgrond centraal in het licht van verweer dat verdachte en aangeefster zijn gehuwd volgens islamitische wetgeving. Van (niet van tafel en bed of van goederen gescheiden) “echtgenoot” in de zin van art. 316.1 Sr is sprake in geval van t.t.v. begaan van tlgd. feit bestaand (a) huwelijk dat is gesloten o.g.v. Boek 1, Titel 5 BW, of (b) geregistreerd partnerschap dat is aangegaan o.g.v. Boek 1, Titel 5a BW, of (c) huwelijk dat rechtsgeldig buiten Nederland is gesloten en in Nederland voor erkenning in aanmerking komt o.g.v. Boek 10, Titel 3 BW (vgl. HR:2018:1053). Hof heeft vastgesteld dat verdachte en aangeefster zijn getrouwd volgens islamitische wetgeving maar niet voor Nederlandse wet. ‘s Hofs hierin besloten liggende oordeel dat verdachte niet kan worden aangemerkt als “echtgenoot” in de zin van art. 316.1 Sr en dat OM ontvankelijk is in vervolging van dit feit, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt HR in aanmerking dat in hoger beroep door verdediging niet is aangevoerd dat t.t.v. tlgd. feit sprake was van huwelijk als hiervoor omschreven. V.zv. middel aanvoert dat in dit geval sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen doordat in Nederland volgens islamitische wetgeving gesloten huwelijk niet op één lijn wordt gesteld met huwelijk als hiervoor omschreven, bestaat voor die ongelijke behandeling (als al sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld) een redelijke en objectieve rechtvaardiging, nu vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 316.1 Sr een uitzondering is op vervolgingsvrijheid van OM, terwijl met wettelijke regeling aan uitzondering een duidelijke en werkbare begrenzing is gegeven, waarmee rechtszekerheid is gediend (vgl. HR:2005:AT7587). Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03923
Datum 26 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 oktober 2022, nummer 22-001530-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof maar uitsluitend met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Het voert daartoe aan dat de verdachte moet worden aangemerkt als ‘echtgenoot’ in de zin van artikel 316 lid 1 in samenhang met artikel 353 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) omdat hij volgens de islamitische wetgeving met de aangeefster is gehuwd.
3.2.1
Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat:
“hij, op of omstreeks 5 maart 2020 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een tablet (Microsoft) en/of een televisie (Samsung) en/of een telefoon (Iphone X) en/of een stoel en/of een muur, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangeefster] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.”
3.2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2022 heeft de raadsman daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Ingevolge artikel 353 jo. artikel 316 van het Wetboek van Strafrecht dient vernieling te worden aanmerkt als een relatief klachtdelict. Vervolging wegens vernieling kan enkel plaatsvinden op een tegen verdachte gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd.
Alhoewel de vernieling heeft plaatsgevonden met betrekking tot goederen die toebehoren aan cliënt, en in bruikleen waren bij [aangeefster] , gaat het OM er vanuit dat deze goederen in eigendom toebehoorde aan [aangeefster] . Dat leidt in deze evenwel tot een onoverkomelijke complicatie.
Zoals [aangeefster] zelf heeft aangegeven tegenover de politie is zij met cliënt getrouwd volgens de Islamitische wetgeving. Nu sprake is van een huwelijk tussen cliënt en [aangeefster] , maakt dit dat de vernieling gezien dient te worden als een klachtdelict. Dat wordt aangenomen dat sprake is van een huwelijk tussen cliënt en [aangeefster] blijkt ook uit het feit dat de raadsheer-commissaris haar voorafgaand aan het verhoor gewezen heeft op haar verschoningsrecht. Om die reden dienen cliënt en [aangeefster] aangemerkt te worden als zijnde echtgenoten dan wel daarmee gelijk gesteld te worden. Nu uit het dossier niet blijkt dat [aangeefster] een klacht heeft ingediend vanwege de vernieling, dient geconcludeerd te worden dat niet overgegaan had kunnen worden tot vervolging. Nu zulks wel is gebeurd, kan het OM daarin niet ontvangen worden. Om die reden verzoekt de verdediging uw Gerechtshof primair om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging ten aanzien van feit 2.”
3.2.3
Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:
“Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat vernieling een relatief klachtdelict is, de aangeefster en de verdachte voor de islamitische wet zijn getrouwd en de aangeefster geen klacht heeft ingediend.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 353 jo. artikel 316 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dient vernieling te worden aangemerkt als een relatief klachtdelict. Indien de verdachte een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot van het slachtoffer is, kan vervolging wegens vernieling enkel plaatsvinden op een tegen verdachte gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd.
De aangeefster heeft tegenover de politie verklaard dat de verdachte en zij zijn getrouwd volgens de Islamitische wetgeving, maar niet voor de Nederlandse wet. Bovendien volgt uit het dossier dat verdachte niet samenwoont met aangeefster. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot in de zin van artikel 316 Sr en is in dit geval geen klacht nodig voor de vervolging van de verdachte wegens vernieling.
Het verweer wordt verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.”
3.3
Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen van belang.
- Artikel 90octies Sr:
“Waar van huwelijk of echtgenoot wordt gesproken wordt, met uitzondering van artikel 449, daaronder mede begrepen geregistreerd partnerschap dan wel geregistreerde partner.”
“1. Indien de dader van of medeplichtige aan een der in deze titel omschreven misdrijven de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd, is de strafvervolging tegen die dader of die medeplichtige uitgesloten.
2. Indien hij zijn van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is of zijn bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte linie, hetzij in de tweede graad van de zijlinie, heeft de vervolging, voor zover hem betreft, alleen plaats op een tegen hem gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd.”
- Artikel 350 lid 1 Sr:
“Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”
- Artikel 353 Sr, dat evenals artikel 350 Sr is opgenomen in Titel XXVII (“Vernieling of beschadiging”) van Boek 2 (“Misdrijven”):
“De bepaling van artikel 316 is op de in deze titel omschreven misdrijven van toepassing.”
- Artikel 1:68 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), opgenomen in Titel 5 (“Het huwelijk”):
“Geen godsdienstige plechtigheden zullen mogen plaats hebben, voordat de partijen aan de bedienaar van de eredienst zullen hebben doen blijken, dat het huwelijk ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand is voltrokken.”
“1. Een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, wordt als zodanig erkend.
4. Een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.”
- Artikel 10:32 BW, dat evenals artikel 10:31 BW is opgenomen in Titel 3 (“Het huwelijk”):
“Ongeacht artikel 31 van dit Boek wordt aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde en in ieder geval indien een der echtgenoten op het tijdstip van de sluiting van dat huwelijk:
a. reeds gehuwd was of een geregistreerd partnerschap had gesloten met een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezat of zelf de Nederlandse nationaliteit bezat of in Nederland zijn gewone verblijfplaats had, tenzij het eerder gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap is ontbonden of nietig verklaard;
b. aan de andere echtgenoot in rechte lijn verwant was of de broer of zuster van die echtgenoot was, hetzij door bloedverwantschap, hetzij door adoptie, tenzij deze familierechtelijke betrekking later is verbroken vanwege het ontbreken van biologische verwantschap of herroeping van de adoptie;
c. niet de leeftijd van achttien jaar had bereikt, tenzij de echtgenoten op het moment dat erkenning van het huwelijk gevraagd wordt beiden de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt;
d. geestelijk niet in staat was zijn toestemming te geven, tenzij deze daartoe wel in staat is op het moment dat de erkenning van het huwelijk gevraagd wordt en uitdrukkelijk met de erkenning van het huwelijk instemt; of
e. niet vrijelijk zijn toestemming tot het huwelijk had gegeven, tenzij deze uitdrukkelijk met de erkenning van het huwelijk instemt.”
3.4.1
Op grond van artikel 316 lid 1 Sr is strafvervolging van de in die bepaling bedoelde dader of medeplichtige uitgesloten als deze “de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd”. Is wel sprake van zo’n scheiding, dan kan die dader of medeplichtige wel worden vervolgd, maar is in de in artikel 316 lid 2 Sr bedoelde gevallen een klacht vereist “van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd”. Alleen in geval van zo’n scheiding is dus sprake van een zogenoemd relatief klachtdelict. In deze zaak staat echter de uitleg van de in artikel 316 lid 1 Sr opgenomen vervolgingsuitsluitingsgrond centraal, in het licht van het in het cassatiemiddel bedoelde verweer dat de verdachte en de aangeefster zijn gehuwd volgens de islamitische wetgeving.
3.4.2
Van een (niet van tafel en bed of van goederen gescheiden) ‘echtgenoot’ in de zin van artikel 316 lid 1 Sr is sprake in geval van een ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde feit bestaand (a) huwelijk dat is gesloten op grond van Boek 1, Titel 5, BW, of (b) geregistreerd partnerschap dat is aangegaan op grond van Boek 1, Titel 5a BW, of (c) huwelijk dat rechtsgeldig buiten Nederland is gesloten en in Nederland voor erkenning in aanmerking komt op grond van Boek 10, Titel 3, BW. (Vgl., over artikel 304 lid 1, aanhef en onder 1°, Sr, HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1053.)
3.5.1
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en de aangeefster zijn getrouwd volgens de islamitische wetgeving, maar niet voor de Nederlandse wet. Het hierin besloten liggende oordeel van het hof dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als een ‘echtgenoot’ in de zin van artikel 316 lid 1 Sr en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van feit 2, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat in hoger beroep door de verdediging niet is aangevoerd dat ten tijde van het onder 2 tenlastegelegde feit sprake was van een huwelijk als omschreven onder 3.4.2.
3.5.2
Voor zover het cassatiemiddel aanvoert dat in dit geval sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen doordat een in Nederland volgens de islamitische wetgeving gesloten huwelijk niet op één lijn wordt gesteld met een huwelijk als omschreven onder 3.4.2, bestaat voor die ongelijke behandeling – als al sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld – een redelijke en objectieve rechtvaardiging, in aanmerking genomen dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 316 lid 1 Sr een uitzondering is op de vervolgingsvrijheid van het openbaar ministerie, terwijl met de wettelijke regeling aan de uitzondering een duidelijke en werkbare begrenzing is gegeven, waarmee de rechtszekerheid is gediend (vgl. HR 1 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7587).
3.6
Het cassatiemiddel faalt.
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van dertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2024.
Conclusie 24‑09‑2024
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03923
Zitting 24 september 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 18 oktober 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens onder 2 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” en onder 3 “wederspannigheid”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2019, parketnummer 10-700078-19, verlengd met een termijn van 1 jaar.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel
3.1
Het middel bevat de klacht dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, doordat het enerzijds heeft vastgesteld dat sprake is van een situatie zoals omschreven in art. 316 lid 2 Sr, maar anderzijds heeft geoordeeld dat geen klacht vereist is.
3.2
Het hof heeft het preliminaire verweer van de verdediging als volgt samengevat en verworpen:
“Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ter zake van het onder 2 tenlastegelegde
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat vernieling een relatief klachtdelict is, de aangeefster en de verdachte voor de islamitische wet zijn getrouwd en de aangeefster geen klacht heeft ingediend.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 353 jo. artikel 316 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dient vernieling te worden aangemerkt als een relatief klachtdelict. Indien de verdachte een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot van het slachtoffer is, kan vervolging wegens vernieling enkel plaatsvinden op een tegen verdachte gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd. De aangeefster heeft tegenover de politie verklaard dat de verdachte en zij zijn getrouwd volgens de Islamitische wetgeving, maar niet voor de Nederlandse wet. Bovendien volgt uit het dossier dat verdachte niet samenwoont met aangeefster. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot in de zin van artikel 316 Sr en is in dit geval geen klacht nodig voor de vervolging van de verdachte wegens vernieling.
Het verweer wordt verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.”
3.3
Ten laste van de verdachte is voor zover hier van belang bewezenverklaard dat:
“2.
Hij op 5 maart 2020 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een tablet (Microsoft) en een telefoon (iPhone X) die aan een ander, te weten aan [aangeefster] toebehoorden, heeft vernield;”
3.4
Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen, die zijn opgenomen in de bijlage inhoudende de bewijsmiddelen:
“4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2020 van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2020071062-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 32 en 33) :
als relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam:
[…]
Het gaat al enige tijd niet goed tussen mijn man en mij. Mijn man is genaamd [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats]. Wij zijn getrouwd volgens de Islamitische wetgeving niet voor de Nederlandse wet.
[…]
6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 maart 2020 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2020071062-13. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 8 t/m 20, inclusief fotobladen):
als de op 6 maart 2020 afgelegde verklaring van de verdachte:
Ik woon niet samen met mijn vriendin, maar ik ben daar 70/80% van de tijd daar.
Maar eigen huis, eigen spullen.”
3.5
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- art. 353 Sr:
“De bepaling van artikel 316 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0001854/2024-07-01/0) is op de in deze titel omschreven misdrijven van toepassing.”
- art. 316 Sr:
“1. Indien de dader van of medeplichtige aan een der in deze titel omschreven misdrijven de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd, is de strafvervolging tegen die dader of die medeplichtige uitgesloten.
2. Indien hij zijn van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is of zijn bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte linie, hetzij in de tweede graad van de zijlinie, heeft de vervolging, voor zover hem betreft, alleen plaats op een tegen hem gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd.
3. Indien het vorige lid van toepassing is, neemt de termijn bedoeld in artikel 66 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0001854/2024-07-01/0) een aanvang op de dag nadat de identiteit van de verdachte aan de tot de klacht gerechtigde bekend werd.”
3.6
Uit art. 316 Sr volgt dat strafvervolging uitgesloten is wanneer de dader de niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot van het slachtoffer is (art. 316 lid 1 Sr). Indien sprake is van een echtgenoot die van tafel en bed of goederen gescheiden is, kan wel worden vervolgd, maar alleen als een klacht is ingediend door degene tegen wie het misdrijf is gepleegd (art. 316 lid 2 Sr).
3.7
In de onderhavige zaak doet zich het volgende voor. Namens de verdachte is in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat de aangeefster geen klacht heeft ingediend, terwijl de aangeefster en de verdachte (voor de islamitische wet) getrouwd zijn. Art. 316 lid 1 Sr bepaalt echter dat wanneer de dader de echtgenoot is van de persoon tegen wie het misdrijf is gepleegd, strafvervolging hoe dan ook uitgesloten is. Het hof is naar ik vermoed door de formulering van het verweer op het ‘verkeerde been’ gezet en is meegegaan met de redenering van de verdediging en heeft overwogen dat vervolging wegens vernieling enkel kan plaatsvinden op een tegen de verdachte gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd indien de verdachte een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot is. Dit oordeel geeft strikt gelezen blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 316 Sr. De misslag van het hof kan echter ook verbeterd worden gelezen. Op zich beschouwd heeft het middel dus wel een punt, maar tot cassatie behoeft dat niet te leiden.
3.8
Het middel faalt.
4. Het tweede middel
4.1
Het middel behelst de klacht dat het hof bij de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten onrechte en ongemotiveerd een onderscheid heeft gemaakt tussen een huwelijk conform de Nederlandse wetgeving en een huwelijk conform de islamitische wetgeving.
4.2
Het hof heeft overwogen dat geen sprake is van een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot in de zin van artikel 316 Sr, ondanks dat de verdachte en de aangeefster getrouwd waren volgens de islamitische wetgeving. Dit doet de vraag rijzen hoe de term echtgenoot zoals bedoeld in art. 316 Sr moet worden begrepen.
4.3
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- art. 90octies Sr:
“Waar van huwelijk of echtgenoot wordt gesproken wordt, met uitzondering van artikel 449, daaronder mede begrepen geregistreerd partnerschap dan wel geregistreerde partner.”
“1. Een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, wordt als zodanig erkend.
[…]
4. Een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.”
- Art. 10:32 BW:
“Ongeacht artikel 31 van dit Boek wordt aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde en in ieder geval indien een der echtgenoten op het tijdstip van de sluiting van dat huwelijk:
a. reeds gehuwd was of een geregistreerd partnerschap had gesloten met een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezat of zelf de Nederlandse nationaliteit bezat of in Nederland zijn gewone verblijfplaats had, tenzij het eerder gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap is ontbonden of nietig verklaard;
b. aan de andere echtgenoot in rechte lijn verwant was of de broer of zuster van die echtgenoot was, hetzij door bloedverwantschap, hetzij door adoptie, tenzij deze familierechtelijke betrekking later is verbroken vanwege het ontbreken van biologische verwantschap of herroeping van de adoptie;
c. niet de leeftijd van achttien jaar had bereikt, tenzij de echtgenoten op het moment dat erkenning van het huwelijk gevraagd wordt beiden de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt;
d. geestelijk niet in staat was zijn toestemming te geven, tenzij deze daartoe wel in staat is op het moment dat de erkenning van het huwelijk gevraagd wordt en uitdrukkelijk met de erkenning van het huwelijk instemt; of
e. niet vrijelijk zijn toestemming tot het huwelijk had gegeven, tenzij deze uitdrukkelijk met de erkenning van het huwelijk instemt.”
4.4
De regeling van art. 316 Sr is al sinds 1886 opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (destijds in art. 343 ORO). Op een aantal wetstechnische en redactionele wijzigingen na is de tekst hetzelfde als in 1886. Uit de parlementaire behandeling ten tijde van de invoering van het Wetboek van Strafrecht blijkt dat de ratio achter de regeling is gelegen in een zedelijke en een materiële grond. De zedelijke grond houdt in dat men wilde voorkomen dat personen “die in de innigste betrekking tot elkander staan” in een strafzaak tegenover elkaar komen te staan. De materiële grond komt erop neer dat echtgenoten een bijzondere vermogensrechtelijke verhouding hebben en allebei zeggenschap hebben over de goederen binnen de gemeenschap.1.Een omschrijving of nadere duiding van het begrip echtgenoot heb ik in de wetsgeschiedenis met betrekking tot art. 316 Sr niet aangetroffen.
4.5
In 1997 werd art. 90octies Sr ingevoerd.2.De aanleiding hiervoor was de invoering van het geregistreerd partnerschap in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Deze definitiebepaling houdt in dat onder een echtgenoot ook een geregistreerde partner wordt begrepen. Ook in de parlementaire stukken met betrekking tot de invoering van art. 90octies Sr heb ik geen informatie aangetroffen over het begrip echtgenoot in het Wetboek van Strafrecht.
4.6
De jurisprudentie van de Hoge Raad hieromtrent is schaars. In de eerste plaats kan gewezen worden op het arrest van 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2872. In deze zaak oordeelde de Hoge Raad dat wanneer het huwelijk tussen de verdachte en de persoon tegen wie het misdrijf is gepleegd ten tijde van de tenlastegelegde periode door echtscheiding is ontbonden, geen sprake is van een echtgenoot als bedoeld in art. 316 Sr.3.
4.7
Een tweede arrest betreft HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1574. In deze zaak had het hof geoordeeld dat het openbaar ministerie ontvankelijk was in de vervolging. Het hof had echter ook vastgesteld dat, hoewel de samenwoning was beëindigd, althans ten minste onderbroken, de verdachte nog was getrouwd met het slachtoffer. Een klacht ontbrak in het dossier. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie kon worden ontvangen in de strafvervolging niet zonder meer begrijpelijk en casseerde.4.
4.8
In het arrest van 1 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7587, ging het om een geval waarin de verdachte meende dat zij vanwege haar samenlevingsrelatie met de aangever een beroep kon doen op art. 316 lid 1 Sr. De Hoge Raad oordeelde dat art. 14 EVRM op zichzelf beschouwd niet noopt tot analoge toepassing van art. 316 lid 1 Sr op een ander samenlevingsverband dan dat van echtgenoten en geregistreerde partners. Ook voor zover een beroep werd gedaan op het verbod van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, zoals bedoeld in art. 26 IVBPR, faalde het cassatieberoep, omdat voor zover al gesproken zou kunnen worden van gelijke gevallen en van een ongelijke behandeling daarvan, voor die ongelijke behandeling een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat, in aanmerking genomen dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 316 lid 1 jo. art. 90octies Sr een uitzondering is op de vervolgingsvrijheid van het openbaar ministerie, terwijl met de wettelijke regeling aan de uitzondering een duidelijke en werkbare begrenzing is gegeven, waarmee de rechtszekerheid is gediend.5.
4.9
Dit laatstgenoemde arrest vertoont enige overeenkomsten met het arrest van 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3291. In deze zaak had de verdediging een beroep gedaan op de strafuitsluitingsgrond van art. 189 lid 3 Sr en gesteld dat deze bepaling ook van toepassing is op mensen die anders dan als gehuwden een relatie hebben. Het hof had dit verweer verworpen en daartoe overwogen dat een extensieve uitleg van de uitzonderingsbepaling van art. 189 lid 3 Sr niet aangewezen is, omdat gelet op de rechtszekerheid grenzen moeten worden gesteld aan een uitzonderingsbepaling. Over dit oordeel werd in cassatie geklaagd. Mijn voormalig ambtgenoot Machielse concludeerde dat de wetgever in het kader van de rechtszekerheid zeer bewust voor een scherp geformuleerde exceptie heeft gekozen. Hij achtte het oordeel van het hof dat de verdachte, die niet getrouwd was met de aangeefster, geen bescherming geniet, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.6.De Hoge Raad deed de zaak af met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering en verwees daarbij naar art. 90octies Sr en het zojuist genoemde arrest van 1 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7587.7.
4.10
Een arrest dat evenmin betrekking heeft op art. 316 Sr, maar misschien wel het meest relevant is voor de onderliggende zaak, betreft HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1053. In dit arrest ging het om de uitleg van het begrip echtgenoot in art. 304, aanhef en onder 1°, Sr (mishandeling). Meer in het bijzonder stond de vraag centraal of een in Irak volgens islamitisch recht gesloten huwelijk meebrengt dat het slachtoffer van de mishandeling kan worden aangemerkt als echtgenoot als bedoeld in art. 304, aanhef en onder 1°, Sr. De Hoge Raad stelde vast dat de wetgever bij de uitleg van het begrip echtgenoot zoals bedoeld in art. 304 Sr zoveel mogelijk aansluiting heeft gezocht bij het systeem van het personen- en familierecht, zoals dat is neergelegd in het Burgerlijk Wetboek. Gelet hierop kan ook sprake zijn van zo een echtgenoot in geval van een buiten Nederland aldaar rechtsgeldig gesloten huwelijk, tenzij blijkt dat dit huwelijk ingevolge art. 10:31 BW in verbinding met art. 10:32 BW niet voor erkenning in Nederland in aanmerking komt.8.
4.11
Ik meen dat hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen met betrekking tot het begrip echtgenoot in art. 304 Sr op systematische gronden eveneens zal hebben te gelden voor art. 316 Sr. Bij de uitleg van het begrip echtgenoot zoals bedoeld in art. 316 Sr, moet dan dus ook zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het systeem van het personen- en familierecht. Dat art. 90octies Sr is ingevoerd in het kader van de Wet tot aanpassing van wetgeving aan de invoering van het geregistreerd partnerschap in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en dat een nieuwe rechtsfiguur in het burgerlijk recht dus heeft geleid tot het opnemen van diezelfde rechtsfiguur in het Wetboek van Strafrecht, ondersteunt dit standpunt. Steun daarvoor biedt ook de literatuur. Demeersseman stelt dat uit de tekst van de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht en uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat daaraan een andere betekenis moet worden gegeven dan in het Burgerlijk Wetboek.9.
4.12
Naar burgerlijk recht wordt een huwelijk dat naar islamitisch recht is gesloten in Nederland als rechtsgeldig erkend, wanneer dat huwelijk in het land waar het is gesloten als rechtsgeldig wordt aangemerkt (art. 10:31 lid 1 BW), tenzij de erkenning kennelijk in strijd is met de openbare orde (art. 10:32 BW).10.Dat is het geval wanneer een uitzonderingsgrond als bedoeld in art. 10:32 BW van toepassing is. Kort gezegd gaat het hierbij om situaties waarin één van de echtgenoten al getrouwd was, in rechte lijn verwant was of broer of zus van de echtgenoot was, minderjarig was, geestelijk niet in staat was toestemming te geven, of niet vrijelijk toestemming heeft gegeven voor het huwelijk.
4.13
Het voorgaande brengt mee dat het begrip echtgenoot in art. 316 Sr in zoverre extensief moet worden uitgelegd. Ik heb mij afgevraagd of een dergelijke extensieve interpretatie van art. 316 Sr wel wenselijk is. De reden voor die aarzeling is dat naar huidige maatschappelijke opvattingen vraagtekens te zetten zijn bij de ratio van art. 316 Sr als zodanig.11.Het ‘materiële’ argument uit 1886 is voorstelbaar, maar gaat alleen op wanneer het betreffende goed valt binnen de gemeenschap van goederen van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap. Art. 316 Sr mist een degelijke nuance. Een huwelijk of een geregistreerd partnerschap met een algehele gemeenschap van goederen is vandaag de dag geen vanzelfsprekendheid meer. Er zullen dus steeds meer gevallen zijn waarin art. 316 Sr van toepassing is, terwijl helemaal geen sprake is van een bijzondere vermogensrechtelijke band tussen de dader en het slachtoffer.
4.14
Voor wat betreft het ‘zedelijke’ argument, is het opvallend dat dit argument ook kan worden aangevoerd met betrekking tot de mishandeling van een echtgenoot, geregistreerd partner of levensgezel (art. 304 Sr), terwijl de nauwe band tussen de dader en het slachtoffer in dat geval juist strafverhogend werkt. Daarbij moet worden bedacht dat huiselijk geweld zich niet altijd uit door ‘klassieke’ mishandeling, maar ook tot uitdrukking kan komen in vermogensdelicten in de huiselijke kring.12.Bovendien kan de onwenselijkheid van vervolging van bepaalde gevallen ook tot uitdrukking worden gebracht in beleidsregels met betrekking tot opportuniteit.
4.15
Ik meen echter dat het bij de huidige stand van zaken aan de wetgever is om hieromtrent een keuze te maken. Zolang de huidige wettelijke regeling van art. 316 Sr geldt, moet deze worden toegepast en ligt het niet in de rede om het begrip echtgenoot alleen in dit specifieke geval uit de pas te laten lopen met het burgerlijk recht en anders uit te leggen dan elders in het Wetboek van Strafrecht. Dit betekent dat de dader die een islamitisch huwelijk, dat als rechtsgeldig wordt aangemerkt in het land waar het is gesloten en dat niet kennelijk in strijd is met de openbare orde, heeft gesloten met de persoon tegen wie het misdrijf is gepleegd, moet worden aangemerkt als een echtgenoot in de zin van art. 316 Sr.
4.16
In de voorliggende zaak blijkt uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen dat het slachtoffer heeft verklaard dat zij met de verdachte is getrouwd volgens de islamitische wetgeving, maar niet voor de Nederlandse wet. Het hof heeft niet vastgesteld of dit islamitische huwelijk ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of rechtsgeldig is geworden en evenmin of zich een uitzonderingsgeval zoals bedoeld in art. 10:32 BW voordoet. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan dit ook niet worden opgemaakt.
4.17
Gelet hierop, meen ik dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot in de zin van art. 316 Sr en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte, ontoereikend is gemotiveerd. Dit brengt mee dat ik niet toekom aan de in het middel nog opgeworpen vraag of het discriminatieverbod als bedoeld in onder meer art. 14 EVRM is geschonden. Ten overvloede valt daarover op te merken dat die kwestie zoals hierboven is gemeld al in HR 1 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7587, in ontkennende zin is beantwoord.
4.18
Het middel slaagt.
4.19
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
4.20
Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte cassatie is ingesteld op 20 oktober 2022. Dat betekent dat de Hoge Raad naar verwachting uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee zal de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM waarschijnlijk worden overschreden. De rechter naar wie de zaak wordt teruggewezen zal zo nodig in dat geval ook over de schending van de redelijke behandeltermijn in de cassatiefase moeten oordelen.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak van het hof maar uitsluitend met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑09‑2024
Wet van 17 december 1997, Stb. 1997, 660 (i.w.tr. 1 januari 1998).
HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2872, r.o. 2.5.
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1574, r.o. 3.4.
HR 1 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7587, r.o. 3.3-3.4.
Concl. A-G Machielse 18 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:CA3291, par. 4.6.
HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3291.
HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1053, r.o. 4.4.2.
H.A. Demeersseman, De autonomie van het materiële strafrecht, Arnhem: Gouda Quint 1985, p. 18.
Vgl. Kamerstukken I 2014/15, 33488, C, p. 12.
Zie ook S. van der Aa, ‘What’s yours is mine until death do us part? Over vervolgingsuitsluiting bij vermogensdelicten binnen het huwelijk’, Delikt en Delinkwent 2013/74, p. 760-770.
Zo wordt in art. 3, onder b, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld onder ‘huiselijk geweld’ verstaan: “alle vormen van fysiek, seksueel, psychologisch of economisch geweld dat plaatsvindt binnen het huishouden of tussen voormalige of huidige echtgenoten of partners, ongeacht of de dader in dezelfde woning als het slachtoffer verblijft of heeft verbleven.”
Beroepschrift 30‑06‑2023
Aan de Hoge Raad der Nederlanden te Den Haag
Geeft eerbiedig te kennen:
de heer [verdachte] (geb. [geboortedatum]-1985 te [geboorteplaats] — [land]), in deze domicilie kiezende te Rotterdam (3072 JD) op het adres Hillelaan 30 (postbus 51014, 3007 GA te Rotterdam) ten kantore van zijn advocaat de heer mr. S.C. van Paridon.
Requirant van cassatie draagt van een hem betreffend arrest van het gerechtshof Den Haag, uitgesproken op 18 oktober 2022, de navolgende middelen van cassatie voor: het recht zoals neergelegd in artikel 316 van het Wetboek van Strafrecht (hierna te noemen: ‘Sr’) is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt.
Inleiding
Door requirant worden middels het onderhavige schrijven een tweetal (2) middelen aangevoerd tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag. Nu beide middelen betrekking hebben op het preliminair verweer dat door de verdediging is gevoerd met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van één van de ten laste gelegde feiten, acht requirant het goed om u eerst het gevoerde preliminaire verweer voor te houden alvorens requirant toekomt aan de individuele bespreking van de middelen.
Door de verdediging is in hoger beroep op grond van nadrukkelijk onderbouwde standpunten die blijken uit de aan het procesdossier toegevoegde pleitnota, een preliminair verweer gevoerd strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de verdenking van vernieling, nu vernieling blijkens artikel 353 jo. artikel 316 Sr een relatief klachtdelict betreft en aangeefster de benodigde klacht niet heeft ingediend, zulks door middel van de navolgende motivering:
‘Feit 2 — vernieling
Dat feit 2; de vernieling. Ten aanzien van dat feit stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging en subsidiair dat ook hiervoor een vrijspraak dient te volgen.
Ingevolge artikel 353 jo. artikel 316 van het Wetboek van Strafrecht dient vernieling te worden aanmerkt als een relatief klachtdelict. Vervolging wegens vernieling kan enkel plaatsvinden op een tegen verdachte gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd.
Alhoewel de vernieling heeft plaatsgevonden met betrekking tot goederen die toebehoren aan cliënt, en in bruikleen waren bij mevrouw [aangeefster], gaat het OM er vanuit dat deze goederen in eigendom toebehoorde aan mevrouw [aangeefster]. Dat leidt in deze evenwel tot een onoverkomelijke complicatie.
Zoals mevrouw [aangeefster] zelf heeft aangegeven tegenover de politie is zij met cliënt getrouwd volgens de Islamitische wetgeving. 1. Nu sprake is van een huwelijk tussen cliënt en mevrouw [aangeefster], maakt dit dat de vernieling gezien dient te worden als een klachtdelict. Dat wordt aangenomen dat sprake is van een huwelijk tussen cliënt en mevrouw [aangeefster] blijkt ook uit het feit dat de raadsheer-commissaris haar voorafgaand aan het verhoor gewezen heeft op haar verschoningsrecht. 2. Om die reden dienen cliënt en mevrouw [aangeefster] aangemerkt te worden als zijnde echtgenoten dan wel daarmee gelijk gesteld te worden Nu uit het dossier niet blijkt dat mevrouw [aangeefster] een klacht heeft ingediend vanwege de vernieling, dient geconcludeerd te worden dat niet overgegaan had kunnen worden tot vervolging. Nu zulks wel is gebeurd, kan het OM daarin niet ontvangen worden. Om die reden verzoekt de verdediging uw Gerechtshof primair om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging ten aanzien van feit 2. 3.’
Het gerechtshof heeft de verdediging hierin niet gevolgd door desalniettemin te oordelen dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is nu in dit geval geen klacht nodig is voor de vervolging van requirant.
Zo heeft het gerechtshof ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de vernieling het navolgende overwogen (onderstreping door mij):
‘Ingevolge artikel 353 jo. artikel 316 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dient vernieling te worden aangemerkt als een relatief klachtdelict. Indien de verdachte een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot van het slachtoffer is, kan vervolging wegens vernieling enkel plaatsvinden op een tegen verdachte gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd. De aangeefster heeft tegenover de politie verklaard dat de verdachte en zij zijn getrouwd volgens de Islamitische wetgeving, maar niet voor de Nederlandse wet. Bovendien volgt uit het dossier dat verdachte niet samenwoont met aangeefster. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot in de zin van artikel 316 Sr en is in dit geval geen klacht nodig voor de vervolging van de verdachte wegens vernieling.
Het verweer wordt verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.’
Naar de mening van requirant doorstaat deze motivering niet hetgeen wordt voorgeschreven én geeft deze motivering blijk van een onjuiste rechtsopvatting nu deze in strijd is met artikel 316 Sr. Daartoe voert requirant een tweetal (2) middelen aan welke hieronder uitgebreid zullen worden besproken. Het eerste middel komt er kortgezegd op neer dat het gerechtshof erkend dat sprake is van een situatie zoals omschreven in artikel 316 tweede lid Sr — en daarmee de facto erkend dat een klacht vereist is alvorens het Openbaar Ministerie tot vervolging over kan gaan — maar daaraan verbindt het gerechtshof de onjuiste conclusie door te stellen dat in deze geen klacht vereist is. Het tweede middel komt er kortgezegd op neer dat het gerechtshof ten onrechte een onderscheid maakt tussen het huwelijk conform de Nederlandse wetgeving en het huwelijk conform de Islamitische wetgeving, hetgeen volgens requirant in strijd is met het discriminatieverbod. Requirant zal de twee (2) middelen nader met u bespreken.
Middel I
Allereerst stelt requirant dat de motivering van het gerechtshof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting nu het gerechtshof middels haar motivering erkend dat sprake is van een situatie zoals omschreven in artikel 316 tweede lid Sr hetgeen maakt dat een klacht vereist is om over te gaan tot vervolging, maar vervolgens concludeert dat in deze geen klacht vereist is. Requirant motiveert dit als volgt.
Ingevolge artikel 353 jo. artikel 316 Sv dient vernieling te worden aangemerkt als een relatief klachtdelict. Met deze bijzondere regeling wil de wetgever enerzijds een confrontatie in een strafprocedure voorkomen van mensen die zeer innig op elkaar zijn betrokken en anderzijds houdt deze regeling rekening met de bijzondere betrekking tussen de bedoelde personen wat het beheer van hun vermogen betreft. De wetgever heeft de toepassing van het strafrecht subsidiair willen stellen ten opzichte van de eigen zorg en verantwoordelijkheid van de direct betrokkenen in de privésfeer.4.
In artikel 316 Sr wordt nader omschreven in welke gevallen een klacht vereist is alvorens overgegaan kan worden tot vervolging. In dit geval is het tweede lid van het voornoemde artikel van belang, waarin het navolgende is opgenomen (onderstreping van mij):
‘Indien hij zijn van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is of zijn bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte linie, hetzij in de tweede graad van de zijlinie, heeft de vervolging, voor zover hem betreft, alleen plaats op een tegen hem gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd.’
Hieruit volgt dat indien sprake is van een van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot een klacht nodig is alvorens kan worden overgegaan tot vervolging.
Het gerechtshof diende daarmee te beoordelen of aangeefster de van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot van requirant betrof. Die beoordeling heeft door het gerechtshof plaatsgevonden. Daaromtrent is in de motivering het navolgende opgenomen:
‘Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een niet van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot in de zin van artikel 316 Sr en is in dit geval geen klacht nodig voor de vervolging van de verdachte wegens vernieling.’
Volgens requirent geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting nu een onjuiste conclusie wordt verbonden aan de vaststelling.
Het gerechtshof maakt in haar motivering gebruik van een dubbele ontkenning. Het gevolg hiervan is dat het gerechtshof erkend dat sprake is van een van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot. Daarmee wordt aldus voldaan aan de situatie zoals benoemd in artikel 316 tweede lid Sr. Het gerechtshof had daarmee tot de conclusie moeten komen dat het Openbaar Ministerie aldus alleen over kon gaan tot vervolging indien aangeefster een klacht had ingediend jegens requirant. Tot die conclusie komt het gerechtshof echter niet. Het gerechtshof oordeelt namelijk ‘dat geen klacht nodig is voor de vervolging van de verdachte wegens vernieling’. Het gerechtshof verbindt aldus een onjuiste conclusie aan de vaststelling dat sprake is van een van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot.
Nu door het gerechtshof wordt erkend dat sprake is van een van tafel en bed of goederen gescheiden echtgenoot — en aldus van een situatie zoals benoemd in artikel 316 tweede lid Sr — had het gerechtshof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dienen te verklaren ten opzichte van de vernieling. Immers, niet in geschil is dat aangeefster geen klacht heeft ingediend jegens requirant.
Gelet op het vorenstaande stelt requirant zich op het standpunt dat door het gerechtshof ten onrechte heeft nagelaten om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Het arrest van het gerechtshof kan op grond van de hiervoor aangevoerde grond aldus niet in stand blijven en behoort te worden vernietigd.
Middel II
Verder stelt requirant dat het oordeel van het gerechtshof niet in stand kan blijven nu het gerechtshof middels de hiervoor aangehaalde motivering een onderscheid maakt tussen het huwelijk conform de Islamitische wetgeving en het huwelijk conform de Nederlandse wetgeving. Het gerechtshof komt-zoals we onder middel I zagen — namelijk tot de conclusie dat requirant en aangeefster van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoten zijn. Daaraan ten grondslag legt het gerechtshof de navolgende motivering:
‘De aangeefster heeft tegenover de politie verklaard dat de verdachte en zij zijn getrouwd volgens de Islamitische wetgeving, maar niet voor de Nederlandse wet. Bovendien volgt uit het dossier dat verdachte niet samenwoont met aangeefster.’
Deze motivering van het gerechtshof behelst de facto niet meer dan de enkele constatering dat requirant en aangeefster niet volgens de Nederlandse, maar de Islamitische wetgeving zijn getrouwd. Hiermee maakt het gerechtshof aldus een onderscheid tussen het huwelijk conform de Nederlandse en de Islamitische wetgeving. Ook deze motivering doorstaat daarmee niet hetgeen wordt voorgeschreven. Het gerechtshof heeft immers nagelaten om toe te lichten waarom zij een onderscheid maakt tussen het huwelijk conform de Nederlandse wetgeving en het huwelijk conform de Islamitische wetgeving.
Een dergelijke toelichting was in deze wel op zijn plaats geweest gelet op de gevolgen van het oordeel en de motivering van het gerechtshof waarin onderscheid wordt gemaakt tussen een Islamitische en een Nederlands huwelijk. Die gevolgen zijn immers groot. Een huwelijk conform de Islamitische wetgeving wordt namelijk niet op gelijke hoogte gesteld met een huwelijk volgens de Nederlandse wetgeving. Een dergelijk onderscheidt brengt volgens requirant dan ook een schending van het discriminatieverbod zoals onder meer neergelegd in artikel 1 van de Grondwet alsook in artikel 14 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna te noemen: ‘EVRM’) met zich mee. Bij dergelijke schendingen mag volgens de verdediging op zijn minst genomen een uitgebreide en deugdelijke motivering worden verwacht.
Nu van een uitgebreide en deugdelijke motivering niet kan worden gespreken, kan de motivering met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de vernieling niet in stand blijven. Requirant stelt zich dan ook op het standpunt dat het arrest van het gerechtshof nietig is.
Conclusie
Gelet op al het vorenstaande komt requirant tot de conclusie dat het arrest van het gerechtshof om een tweetal (2) redenen niet in stand kan blijven.
In eerste instantie niet vanwege de omstandigheid dat het gerechtshof erkend dat sprake is van een situatie zoals omschreven in artikel 316 tweede lid Sr waarmee de conclusie had moeten zijn dat wel degelijk een klacht was vereist alvorens overgegaan kon worden tot vervolging door het Openbaar Ministerie en aldus niet-ontvankelijkheid had moeten volgen.
Ten tweede maakt het gerechtshof een onderscheid tussen het huwelijk conform de Nederlandse wetgeving en het huwelijk conform de Islamitische wetgeving, zonder dit onderscheid nader te motiveren.
Gezien het voormelde kan het arrest van het gerechtshof op de hiervoor aangehaalde gronden niet in stand blijven en behoort het arrest te worden vernietigd.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, aldaar kantoor houdende aan de Hillelaan 30 (postbus 51014, 3007 GA Rotterdam), die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie.
Rotterdam, 30 juni 2023
(advocaat),
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 30‑06‑2023
ZD p. 32.
Verhoor van getuigen d.d. 8 juni 2022 ten overstaan van de raadsheer-commissaris
Zie onder meer de navolgende conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, ECLI:NL:PHR:2011:BQ5725.