Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/295
295 Jurisprudentie
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS452240:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6809, NJ 2005, 442, m.nt.W.D.H. Asser en JBPr 2005, 21, m.nt. E.F. Groot (Frog/Floriade).
Hof Leeuwarden 6 september 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AY8002. Het verzoek werd mondeling behandeld op 31 augustus en het pleidooi in de hoofdzaak zou twee weken na de mondelinge behandeling van het verzoek worden gehouden, dus ongeveer een week na de beslissing op het verzoek op 6 september.
Het hof wijst het verzoek af, maar legt daarbij onder andere een verband tussen het belang van de verzoeker en de duidelijkheid die een tussenarrest kan scheppen ten aanzien van de te bewijzen stellingen en de bewijslastverdeling. De achtergrond van deze overweging lijkt echter te zijn, dat maar de vraag is of de feiten waarover de verzoeker de getuige wil doen horen wel binnen het kader vallen van de rechtsstrijd in hoger beroep. Het hof overweegt namelijk dat een tussenvonnis duidelijkheid kan scheppen over het bewijs “voor zover de door de rechtbank als vaststaand aangenomen feiten al in hoger beroep door Van der Graaf c.s. in haar grieven zijn bestreden” (cursivering van mij, EG). Net als in de zaak Udo/Renault gaat het dan om de vraag of de feiten wel ter zake dienend zijn. Zie verder par. 7.5.3.
Hof Amsterdam 16 juli 1992, ECLI:NL:GHAMS:1992:AD1714, NJ 1993, 159.
Hof ’s-Gravenhage 9 september 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BF1785.
Hof ’s-Gravenhage 30 juni 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ1594. Het verzoek werd ingediend twee maanden voor het pleidooi in de hoofdzaak. Behandeling van het verzoek en het houden van de (contra-)enquête was binnen die twee maanden niet mogelijk.
In de reeds besproken zaak Frog/Floriade1 zou de laatste proceshandeling in de hoofdzaak (pleidooi) zes dagen na de beslissing op het verzoek worden verricht. Vergelijkbaar met deze zaak is de zaak Van der Graaf/Europe2 en de reden om dit verzoek af te wijzen had dan ook onvoldoende belang vanwege het stadium waarin de hoofdzaak verkeerde moeten zijn.3 De verzoeker wilde één getuige horen ten behoeve van het slotpleidooi in de hoofdzaak. Aangezien het slotpleidooi een week na de beslissing op het verzoekschrift zou worden gehouden, kon het voorlopig getuigenverhoor niet plaatsvinden vóór het slotpleidooi (van het gerecht hoeft niet te worden verwacht dat halsoverkop een getuigenverhoor wordt gepland). De verzoeker kon de getuigenverklaring dus niet gebruiken ten behoeve van het slotpleidooi. Hij had er rekening mee moeten houden dat het organiseren van een voorlopig getuigenverhoor meer tijd kost dan een week en had daarom maar eerder – hiertoe bestond ook de mogelijkheid – een voorlopig getuigenverhoor moeten verzoeken.
In een volgende zaak werd de laatste proceshandeling door de ene gedaagde veertien dagen vóór de beslissing over het voorlopig getuigenverhoor verricht, terwijl die door de andere gedaagde veertien dagen na de beslissing zou worden verricht.4 Het hof besliste dat verzoeksters onvoldoende duidelijk hadden kunnen maken waarom een voorlopig getuigenverhoor diende te worden gehouden, terwijl in de hoofdzaken spoedig arrest kon worden gevraagd en wees het verzoek af op grond van de goede procesorde. Het hof liet hierbij een rol spelen dat de verzoeker er in de hoofdzaak een jaar over had gedaan om van grieven te dienen en dat er geen gevaar bestond voor het wegvallen van de getuigen, bijvoorbeeld door de dood. Naar mijn mening doet de eerste omstandigheid bij de beoordeling van het belang van de verzoeker niet ter zake.
In de laatste zaak stonden de hoofdzaak en het voorlopig getuigenverhoor op dezelfde dag voor arrest respectievelijk beschikking in appel.5 Het hof nam in deze zaak strijd met de goede procesorde aan, omdat een voorlopig getuigenverhoor “zal leiden tot een aanzienlijke vertraging van de hoofdprocedure, dat – behoudens in geval van toewijzing van de verzoeken – ten tijde van de indiening van het verzoekschrift een uitspraak van het hof in de hoofdzaak op afzienbare termijn was te verwachten en dat bovendien ook in de hoofdprocedure door [appellant] een (vrijwel gelijkluidend) bewijsaanbod is gedaan dat door het hof in zijn beoordeling zal worden betrokken”. In deze situatie staat vast dat de verklaringen alleen kunnen worden gebruikt ten behoeve van de hoofdzaak als de behandeling van de hoofdzaak wordt opgeschort. In nr. 290 heb ik reeds aangegeven dat de voortgang van de hoofdzaak niet mag worden belemmerd door een voorlopig getuigenverhoor. Aangezien de getuigenverklaringen niet meer ten behoeve van de hoofdzaak konden worden gebruikt, had het hof onvoldoende belang bij het voorlopig getuigenverhoor moeten aannemen. Hetzelfde geldt als tijdens de behandeling van het verzoek in de hoofdzaak in hoger beroep een eindarrest wordt gewezen.6 Het belang kan later wel herleven, zoals blijkt uit de volgende paragraaf.