Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/294
294 Laatste proceshandeling in de dagvaardingsprocedure in hoger beroep
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS458297:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9038, NJ 2011, 272 en JBPR 2011, 49, m.nt. W.I. Wisman (Distribucion Y Servicio D&S/Ahold); HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7596, NJ 2011, 575 en JBPr 2012, 23, m.nt. P.M. Vos; HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8513, NJ 2012, 76 en JBPr 2012, 26 (Weef/Banque Artesia); HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7254, NJ 2012, 77 en JBPr 2012, 27; HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4124, NJ 2013, 126 (Bureau Pals/Verberne- Houtema). Zie voor een samenvatting van het standpunt van de Hoge Raad in de verschillende beslissingen nr. 3.16 en 3.17 van de conclusie van A-G Wesseling-van Gent voor de zaak Bureau Pals/Verberne-Houtema.
In hoger beroep bestaat de procedure slechts uit een memorie van grieven en een memorie van antwoord (art. 347 lid 1 Rv). Daarna volgt een pleidooi als een partij daarom vraagt; slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag een pleidooi worden geweigerd.1 Vervolgens wordt een arrest gewezen. In hoger beroep geldt hetpleidooi als de laatste proceshandeling, tenzij partijen in de voorlopig getuigenverhoorprocedure hebben aangegeven dat geen pleidooi in de hoofdzaak zal worden gevraagd. In dat geval is de memorie van antwoord (in incidenteel appel) de laatste proceshandeling.