Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/13.2.3
13.2.3 Pandrecht
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90889:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 december 2015, NJ 2016/34 (ABN Amro/Marell). Zie ook Kortmann, TvI 2005/3, p. 67-69; Verdaas 2008, nr. 377-387; Steneker 2012, nr. 54; Rongen 2012, nr. 977-978; A.I.M. van Mierlo, ‘Storm in de polder van herverpanding?’, WPNR 2014/7040, p. 1107-1108; Asser/Sieburgh 6-II 2017/257-258; Snijders & Rank-Berenschot 2017/550; Ferwerda, MvV 2016/3, p. 91-96; Houdijk & Breeman, FIP 2016/5, p. 43; Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/211; Faber & Vermunt in hun noot onder JOR 2016/105; Krzemiński, WPNR 2018/7200, p. 503-505. Anders: Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/825.
Vgl. HR 28 juni 2002, NJ 2002/447(Akzo/ING); Verdaas 2008, nr. 389; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/825; Steneker 2012, nr. 54; Rongen 2012, nr. 984; Asser/Sieburgh 6-II 2017/257-258; Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/211; Ferwerda, MvV 2016/3, p. 91-96; Snijders & Rank-Berenschot 2017/550; Krzemiński, WPNR 2018/7200, p. 505; Stein 2018, GS Vermogensrecht, art. 3:246 BW, aant. 6.4. Anders: Faber & Vermunt in zijn noot onder JOR 2016/105.
HR 28 juni 2002, NJ 2002/447 (Akzo/ING); HR 11 maart 2005, NJ 2006/362. (Rabobank/Stormpolder); HR 18 december 2015, NJ 2016/34 (ABN Amro/Marell).
Krzemiński, WPNR 2018/7200, p. 503-505.
Faber & Vermunt in hun noot onder HR 18 december 2015, JOR 2016/105 (ABN AMRO/Marell). Anders: Verdaas 2008, nr. 389; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/825; Steneker 2012, nr. 54; Rongen 2012, nr. 984; Asser/Sieburgh 6-II 2017/257-258; Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/211; Houdijk & Breeman, FIP 2016/5, p. 43; Ferwerda, MvV 2016/3, p. 91-96; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht 2017/550; Krzemiński, WPNR 2018/7200, p. 505; Stein 2018, GS Vermogensrecht, art. 3:246 BW, aant. 6.4.
Zie hoofdstuk 13, paragraaf 13.2.1.
Vgl. HR 3 juni 2016, NJ 2016/290 (Rabobank/Reuser).
Verpanding van de vordering op de koper aan de financier vormt een alternatief voor de cessie. Dit pandrecht strekt tot zekerheid van het krediet dat de financier verstrekt aan de leverancier.
De leverancier dient het krediet terug te betalen aan de financier. Ervan uitgaande dat een stil pandrecht ten gunste van de financier is gevestigd, zal de koper de koopprijs(termijnen) aan de leverancier blijven voldoen. De leverancier kan deze betaling(en) aanwenden om de financier te betalen. Is de leverancier echter in verzuim met de voldoening van zijn schuld aan de financier, bijvoorbeeld doordat de koper hem niet voldoet, dan kan de financier mededeling doen van het pandrecht en de vordering op de koper innen.
Is deze koper ook in verzuim, dan kan de financier het zekerheidsrecht dat is gevestigd voor deze koopprijsvordering uitoefenen. Dit volgt uit de inningsbevoegdheid die toekomt aan de openbaar pandhouder.1 Het is evident dat de financier als inningsbevoegde het pandrecht dat strekt tot zekerheid van de vordering kan uitoefenen. Daarentegen lijkt de financier niet het door de leverancier bedongen eigendomsvoorbehoud te kunnen uitoefenen. Het eigendomsvoorbehoud is geen afhankelijk of nevenrecht van de vordering en verschaft geen verhaalsbevoegdheid aan de zekerheidsnemer.2 Ook is in de rechtspraak van de Hoge Raad tot op heden slechts aangenomen dat de financier de afhankelijke rechten en nevenrechten van de verpande (of beslagen) vordering kan uitoefenen.3
Een minderheid in de literatuur verdedigt dat de financier ook niet-accessoire zekerheden die strekken tot zekerheid van de verpande vordering kan of moet kunnen uitwinnen. De Hoge Raad heeft in de arresten Rabobank/Stormpolder en ABN AMRO/Marell de bevoegdheid tot uitoefening van het zekerheidsrecht immers gekoppeld aan de inningsbevoegdheid met betrekking tot de vordering en niet aan het afhankelijke karakter van het zekerheidsrecht. De op inning en verhaal gerichte schuldeisersbevoegdheden kunnen door de pandhouder worden uitgeoefend.4
Op grond van deze arresten kan volgens sommigen zelfs het eigendomsvoorbehoud worden uitgeoefend door de pandhouder.5Als argument wordt aangevoerd dat het eigendomsvoorbehoud strekt tot zekerheid van betaling van de koopprijs. Betaalt de koper niet, dan kan de leverancier besluiten om de overeenkomst te ontbinden en de zaken te revindiceren. Hij ‘verhaalt’ zich als het ware op de zaken tot voldoening van zijn vordering.
Naar mijn mening spelen hierbij twee moeilijkheden. Ten eerste verschaft het eigendomsvoorbehoud de leverancier in strikte zin geen verhaalsbevoegdheid. Hij neemt de geleverde zaken juist terug, omdat de tegenprestatie niet wordt voldaan. Er is geen sprake van een executie, maar van een ontbinding van de koopovereenkomst en revindicatie van de zaken. Deze bevoegdheid tot ontbinding van de koopovereenkomst rust zoals gezegd bij de leverancier en niet bij de financier. De financier krijgt deze bevoegdheid niet tezamen met de cessie van de koopprijsvordering aan hem.6
Ten tweede baat de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud de financier niet. Door ontbinding groeit de eigendom onder ontbindende voorwaarde van de leverancier weer aan tot onvoorwaardelijke eigendom.7 De financier verkrijgt deze eigendom niet, want de leverancier is voorwaardelijk eigenaar gebleven.
Beide problemen kan de financier eenvoudig ondervangen. Ten eerste kan de leverancier hem een volmacht verlenen om de koopovereenkomst te ontbinden. Ten tweede kan de leverancier een pandrecht vestigen op zijn eigendom onder ontbindende voorwaarde ten gunste van de financier. Bij ontbinding van de koopovereenkomst wordt de leverancier dan weer onvoorwaardelijk eigenaar van de zaak en komt het pandrecht van de financier te rusten op de onvoorwaardelijke eigendom. In plaats van de vestiging van een pandrecht kunnen partijen ook kiezen voor een overdracht van de eigendom onder ontbindende voorwaarde. Op deze wijzen wordt een met het arrest ABN Amro/Marell vergelijkbaar resultaat bereikt.