Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/8.7:8.7 Conclusie en rechtsvergelijking
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/8.7
8.7 Conclusie en rechtsvergelijking
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90825:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De gevolgen van natrekking voor de voorrangspositie voor leverancierskrediet zijn in het Nederlandse recht afhankelijk van het antwoord op twee vragen: (1) vormen de zaken tezamen een eenheidszaak? (2) zo ja, welke zaak is de hoofdzaak?1 In het Duitse, Amerikaanse en Belgische recht wordt een andere (normatieve) keuze gemaakt. De wetgevers in deze rechtsstelsels menen dat de voorrangspositie voor leverancierskrediet niet dient te vervallen als gevolg van natrekking. Deze keuze wordt op verschillende wijzen vormgegeven.
In het Duitse recht geschiedt dit op twee wijzen. Ten eerste is natrekking beperkt tot het verenigen van wezenlijke bestanddelen. Het begrip wezenlijkebestanddeelwordt vervolgens restrictief ingevuld door de wetgever en het BGH. Slechts een zaak die niet kan worden afgescheiden zonder substantiële beschadiging of zonder een wezenlijke verandering van de aard van het bestanddeel of de overblijvende zaak is een wezenlijk bestanddeel. De reikwijdte van het leerstuk van natrekking is daardoor beperkt. Ten tweede verkrijgt de leverancier in het Duitse recht in beginsel een aandeel in de mede-eigendom van de eenheidszaak, indien de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak wel wordt nagetrokken. Slechts in uitzonderingsgevallen wordt een hoofdzaak aangewezen en verliest de leverancier zijn eigendomsvoorbehoud ten gunste van de eigenaar van de hoofdzaak. Het begrip hoofdzaak wordt restrictief ingevuld, want de Duitse wetgever en het BGH achten het niet gerechtvaardigd dat de leverancier, evenals andere eigenaren of beperkt gerechtigden, zijn recht verliest door natrekking. Zijn zaak vormt samen met andere zaken de (meer)waarde van de eenheidszaak. Deze zaak is het gedeeltelijke surrogaat van de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak.2 Overigens wordt in de literatuur verdedigd dat een uitzondering moet worden gemaakt op de prioriteitsregel, zodat de leverancier een voorrangspositie verkrijgt op de eenheidszaak. Het BGH heeft zich hierover echter nog niet uitgelaten, waardoor niet gezegd kan worden dat dit het geldende Duitse recht is.
Ook de ontwerpers van Article 9 UCC achten het niet billijk dat natrekking leidt tot het verlies van de voorrangspositie voor leveranciers. Op grond van §9-335 UCC blijft de purchase-money security interest steeds rusten op de zaak die een bestanddeel wordt. Om deze reden is het niet problematisch voor de leverancier dat de drempel voor natrekking laag is dan in het Nederlandse recht. In article 9 UCC wordt evenwel één uitzondering gemaakt op het voortzetten van een zekerheidsrecht mét superprioriteit op het bestanddeel.3 Een zekerheidsrecht dat is gevestigd op een certificate of title-zaak door middel van een aantekening op de eigendomsakte heeft voorrang op een purchase-money security interest op een bestanddeel van deze eenheidszaak. Deze uitzondering doorbreekt zowel de prioriteitsregel als de superprioriteit die is verbonden aan de purchase-money security interest. In dit geval leidt natrekking niet tot het verlies van het zekerheidsrecht van de leverancier, maar wel van zijn voorrangspositie.4
Ook het Belgischerecht vervalt de voorrangspositie in beginsel niet door natrekking. Deze beschermingsgedachte is neergelegd in art. 18 Pandwet. Worden zaken van de leverancier verenigd, dan wordt hij zekerheidseigenaar van de eenheidszaak. Zijn zaken van meerdere eigenaren verbonden, dan blijft het eigendomsvoorbehoud ook bestaan indien de zaken fysiek en economisch verantwoord te scheiden zijn. Is dit niet mogelijk is, dan verlengt de voorrangspositie zich nog steeds tot de eenheidszaak, mits de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak het voornaamste gedeelte van de eenheidszaak is.5 De voorrangspositie voor leverancierskrediet vervalt alleen als de geleverde zaak een bestanddeel wordt van een hoofdzaak in het Belgische recht.
In het Nederlandserecht worden de gevolgen van natrekking voor de voorrangspositie bepaald door de regels van bestanddeelvorming en natrekking. In tegenstelling tot het Duitse recht ligt aan (de invulling van) deze regels geen beschermingsgedachte van de oorspronkelijke gerechtigden, zoals de leverancier, ten grondslag. Ook is een dergelijke bescherming niet vormgegeven door een wettelijke bepaling die regelt dat de voorrangspositie behouden blijft ondanks natrekking zoals in het Amerikaanse en Belgische recht.6
Dit betekent niet dat elke vereniging van zaken in het Nederlandse recht leidt tot het verlies van de voorrangspositie. Ten eerste moet de geleverde zaak een bestanddeel worden van een andere zaak op grond van de verkeersopvatting of het hechte verbindingscriterium.7 Ten tweede verliest de leverancier slechts zijn voorbehouden eigendom indien zijn zaak een bestanddeel wordt van een hoofdzaak van een derde. Is de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak daarentegen de hoofdzaak, dan strekt de voorbehouden eigendom zich uit over de bestanddelen. Valt geen hoofdzaak aan te wijzen, dan zet de voorrangspositie van de leverancier zich voort op een aandeel in de mede-eigendom van de nieuwe zaak.8