Kamerstukken II, 1992-1993, 22 969, nr. 3, p. 65 (MvT).
HR, 09-03-2018, nr. 17/04948
ECLI:NL:HR:2018:316
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-03-2018
- Zaaknummer
17/04948
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:316, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 09‑03‑2018; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1578, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2017:1578, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 20‑12‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:316, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑10‑2017
- Vindplaatsen
Uitspraak 09‑03‑2018
Inhoudsindicatie
WSNP. Procesrecht. Art. 349a Fw. Schuldsaneringsregeling door rechtbank met twee jaar verlengd. Is schuldenaar in het daartegen ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk? (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, NJ 2014/470 en HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1203, NJ 2017/288)
Partij(en)
9 maart 2018
Eerste Kamer
17/04948
TT/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. F.I. van Dorsser.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/16/13/614 R van de rechtbank Midden-Nederland van 27 juli 2017;
b. het arrest in de zaak 200.220.671/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 oktober 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging en terugverwijzing.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verzoekster] is bij vonnis van 9 juli 2013 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
(ii) Ter zitting van de rechtbank van 13 juli 2017 heeft de bewindvoerder negatief geadviseerd ten aanzien van het verlenen van de schone lei aan [verzoekster]. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de belastingdienst een bedrag van € 13.575,-- van [verzoekster] terugvordert in verband met ten onrechte uitbetaalde kinderopvangtoeslag over 2014. [verzoekster] heeft verklaard, kort gezegd, dat zij beroep heeft ingesteld om de terugvordering ongedaan te maken.
3.2.1
De rechtbank heeft bij vonnis van 27 juli 2017 de looptijd van de schuldsaneringsregeling verlengd met twee jaar, tot 9 juli 2018, of “zoveel korter als de schuldenares aannemelijk maakt dat de nieuwe schuld niet op haar zal worden verhaald”. De rechtbank heeft overwogen, samengevat, dat het terugvorderingsbesluit, ondanks de ingestelde rechtsmiddelen, nog steeds geldt, en dat de schuld aan de belastingdienst bovenmatig is en [verzoekster] kan worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoekster] wel voldoende beargumenteerd dat haar strijd tegen het terugvorderingsbesluit succesvol kan zijn. De rechtbank heeft de beslissing omtrent de schone lei aangehouden en heeft bepaald dat [verzoekster] voor de resterende duur van de schuldsaneringsregeling is ontheven van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.
3.2.2
Het hof heeft [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen het vonnis van 27 juli 2017 en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.
De rechtbank heeft de beslissing ten aanzien van het verlenen van de schone lei aangehouden. Het vonnis is derhalve een tussenvonnis. (rov. 3.5)
De vraag rijst of wellicht toch sprake is van een (deel)vonnis omdat op het punt van de verlenging van de schuldsaneringsregeling door middel van het dictum een einde is gemaakt aan het geding. (rov. 3.7)
Die vraag wordt ontkennend beantwoord. De schuldsaneringsregeling is ten aanzien van [verzoekster] op 9 juli 2013 van toepassing verklaard, zodat de reguliere termijn van drie jaar op 9 juli 2016 reeds was geëindigd. Ook zonder uitdrukkelijke beslissing van de rechtbank was [verzoekster] reeds ontheven van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en bleef zij dat gedurende de door de rechtbank noodzakelijk geoordeelde periode van aanhouding van de behandeling. De uitdrukkelijke beslissing over de verlenging was overbodig en was daarom niet een beslissing over verlenging als bedoeld in art. 349a Fw.Het vonnis kan derhalve niet worden beschouwd als een (deel)vonnis in het dictum waarvan op het nu besproken punt een einde is gemaakt aan het geding. (rov. 3.8)
3.3.1
Het middel klaagt dat het hof het vonnis van de rechtbank ten onrechte heeft aangemerkt als een tussenvonnis en [verzoekster] derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar hoger beroep.
3.3.2
Op grond van art. 349a lid 1 Fw bedraagt de termijn van de schuldsaneringsregeling drie jaar, maar kan de rechter in afwijking daarvan de termijn op ten hoogste vijf jaar stellen. Met de in art. 349a lid 2 en 3 Fw voorziene mogelijkheid van verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling is met name beoogd een voorziening te treffen voor gevallen waarin na ommekomst van de reguliere termijn nog geen schone lei kan worden verleend, maar de verwachting gerechtvaardigd is dat dit na een (korte) verlenging van die termijn wel mogelijk zal zijn. De beslissing om op de voet van art. 349a lid 2 en 3 Fw de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen kan worden genomen na het moment waarop de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn van de schuldsaneringsregeling afloopt, maar de schuldsaneringsregeling nog niet met inachtneming van de art. 352-356 Fw is geëindigd (vgl. HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, NJ 2014/470, rov. 3.4.2-3.4.3 en 3.5.4 en HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1203, NJ 2017/288, rov. 3.4.4).
3.3.3
In het bestreden arrest heeft het hof geoordeeld dat van een beslissing in de zin van art. 349a Fw geen sprake is omdat de reguliere termijn van de schuldsaneringsregeling al was verstreken en de uitdrukkelijke beslissing van de rechtbank over de verlenging overbodig was.
Uit hetgeen hiervoor in 3.3.2 is overwogen volgt dat dit oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de rechtbank heeft vastgesteld (zie hiervoor in 3.2.1) dat de schuld aan de belastingdienst een toerekenbare tekortkoming van [verzoekster] oplevert, maar dat [verzoekster] mogelijk succesvol zal zijn in haar strijd tegen het terugvorderingsbesluit, en dat daarom de beslissing omtrent de schone lei wordt aangehouden en de looptijdvan de schuldsaneringsregeling wordt verlengd. Het vonnis van de rechtbank is derhalve niet anders te kwalificeren dan als een beslissing tot verlenging van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 349a lid 3 Fw, waartegen hoger beroep openstaat. De klacht is dus gegrond.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 oktober 2017;
wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 9 maart 2018.
Conclusie 20‑12‑2017
Inhoudsindicatie
WSNP. Procesrecht. Art. 349a Fw. Schuldsaneringsregeling door rechtbank met twee jaar verlengd. Is schuldenaar in het daartegen ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk? (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, NJ 2014/470 en HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1203, NJ 2017/288)
Zaaknr: 17/04948
mr. R.H. de Bock
Zitting: 20 december 2017
Conclusie inzake:
[verzoekster]
Mr. F.I. van Dorsser
1. Feiten en procesverloop
1.1 Bij vonnis van 9 juli 2013 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, de toepassing van de schuldsaneringsregeling op [verzoekster] uitgesproken.
1.2 De rechtbank heeft [verzoekster] en de bewindvoerder opgeroepen om op 13 juli 2017 ter zitting te verschijnen in verband met de beoordeling van vraag of aan [verzoekster] een schone lei kan worden verstrekt.
1.3 De bewindvoerder heeft de rechtbank negatief geadviseerd ten aanzien van de verstrekking van een schone lei. Daarbij heeft zij aangevoerd dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming omdat [verzoekster] tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling een nieuwe schuld heeft laten ontstaan, namelijk een schuld van € 13.575,- aan de belastingdienst ter zake van ten onrechte uitbetaalde kinderopvangtoeslag over 2014. Het door [verzoekster] ingediende verzoek tot herziening van het terugvorderingsbesluit is afgewezen, waarna haar beroep tegen dat besluit door de rechtbank Midden-Nederland bij uitspraak van 23 mei 2017 ongegrond is verklaard. Volgens de bewindvoerder staat de nieuwe schuld aan de belastingdienst hiermee genoegzaam vast.
1.4 Ter zitting heeft [verzoekster] aangevoerd dat zij hoger beroep tegen de ongegrondverklaring van het herzieningsverzoek heeft ingesteld en voornemens is ook tegen de nog te volgen (definitieve) aanslagen te ageren. Volgens [verzoekster] biedt de uitspraak van de rechtbank aanknopingspunten die tot een andere uitkomst kunnen leiden.
1.5 Bij vonnis van 27 juli 2017 (door de rechtbank aangeduid als ‘tussenvonnis’) heeft de rechtbank de looptijd van de schuldsaneringsregeling verlengd met twee jaren, derhalve tot 9 juli 2018, of zoveel korter als [verzoekster] aannemelijk maakt dat de nieuwe schuld niet op haar zal worden verhaald. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat [verzoekster] voor de resterende duur van de schuldsaneringsregeling is ontheven van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank heeft vervolgens iedere verdere beslissing aangehouden. In de voetnoot onder aan het vonnis is vermeld: “Hoger beroep tegen dit vonnis kan slechts worden ingesteld door een advocaat bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De termijn van hoger beroep is acht dagen te rekenen na de dag van de uitspraak van het vonnis.”
1.6 Bij beroepschrift van 4 augustus 2017 heeft [verzoekster] verzocht het vonnis te vernietigen en de schuldsaneringsregeling alsnog te beëindigen met verlening van de schone lei.
1.7 Bij arrest van 12 oktober 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het hof heeft daartoe overwogen:
“3.3 Het hof behandelt eerst de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Ter zitting in hoger beroep heeft het hof deze vraag (ambtshalve) aan de orde gesteld. [verzoekster] en de bewindvoerder zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de ontvankelijkheid.
3.4 Uitgangspunt is dat in artikel 355 Fw hoger beroep wordt opengesteld tegen een vonnis als bedoeld in artikel 354 Fw, derhalve, kort gezegd, tegen een vonnis waarbij wordt vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen.
3.5 Aan een oordeel over deze vraag is de rechtbank niet toegekomen. Zij heeft immers op gronden als hiervoor (in 3.1) genoemd de beslissing ten aanzien van het al dan niet verlenen van de schone lei aangehouden. Het vonnis van de rechtbank is derhalve een tussenvonnis omdat daarin op het nu besproken onderdeel niet reeds door een uitdrukkelijk dictum een einde aan het geding is gemaakt.
3.6 In artikel 355 Fw is niet uitdrukkelijk de beperking aangebracht dat van een in het kader van de toepassing van artikel 354 Fw gewezen tussenvonnis slechts tegelijk met het eindvonnis in hoger beroep kan worden gekomen, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Toch moet worden aangenomen dat een dergelijke beperking van toepassing is omdat de, strakke, regeling van artikel 337 Rv niet is uitgesloten en als algemene regeling van het hoger beroep daarom ook betrekking heeft op beslissingen ex artikel 354 Fw. Deze toepasselijkheid vindt bevestiging in het op dit onderdeel vergelijkbare geval dat is beslist in HR 24 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1139) en het eveneens vergelijkbare geval dat is beslist in Hof 's-Hertogenbosch 29 juni 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:2968).
3.7 Als complicerende, voor deze zaak specifieke, factor kan nog worden aangemerkt het gegeven dat de rechtbank - in het dictum van haar vonnis - ambtshalve de looptijd van de schuldsaneringsregeling heeft verlengd met maximaal twee jaar, of korter als [verzoekster] eerder aannemelijk maakt dat de schuld aan de belastingdienst niet op haar verhaald zal worden, en heeft bepaald dat [verzoekster] is ontheven van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Deze complicatie stelt aan de orde de vraag of wellicht toch sprake is van een (deel)vonnis dat voor hoger beroep vatbaar is omdat daarin op het nu besproken onderdeel (verlenging looptijd) door middel van het dictum een einde is gemaakt aan het geding.
3.8 Die vraag wordt ontkennend beantwoord op basis van de volgende redenering. Met ingang van 9 juli 2013 is de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] van toepassing verklaard, zodat de reguliere termijn van de schuldsanering van drie jaar (artikel 349a lid 1 Fw) op 9 juli 2016 reeds was geëindigd. Het aflopen van die termijn had tot gevolg dat de schuldsanering eindigde voor de toepassing van de tweede afdeling van titel III Fw, welke afdeling de gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling regelt waarin onder meer ook de verplichtingen van de schuldenaar zijn neergelegd. Ook zonder uitdrukkelijke beslissing van de rechtbank was [verzoekster] dus reeds ontheven van de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen en bleef zij dat gedurende de periode van de door de rechtbank noodzakelijk geoordeelde periode van aanhouding van de behandeling. De uitdrukkelijke beslissing over de verlenging was dus overbodig en was om die reden niet een beslissing over verlenging van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 349a Fw. Het vonnis waarin deze beslissing is opgenomen kan bijgevolg niet worden beschouwd als een (deel)vonnis in het dictum waarvan op het nu besproken onderdeel een einde is gemaakt aan het geding.
3.9 De slotsom is dat tegen het vonnis van 27 juli 2017 geen hoger beroep openstaat. (…)”
1.8 Bij verzoekschrift van 20 oktober 2017 is [verzoekster] in cassatie gekomen van het arrest.
2. De bespreking van het cassatiemiddel
2.1
In het cassatiemiddel wordt aangevoerd dat het hof het vonnis van de rechtbank ten onrechte heeft aangemerkt als tussenvonnis. Aangezien in het vonnis een einduitspraak wordt gedaan, namelijk de verlenging van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in art. 349a Fw jo 352 Fw, is sprake van een einduitspraak. Ingevolge art. 349a lid 3 Fw staat tegen een beslissing tot verlenging van de schuldsaneringsregeling hoger beroep open. De artikelen 354 en 355 Fw missen toepassing omdat deze zien op de situatie waarin de rechtbank de schuldsaneringsregeling beëindigt, al dan niet met verlening van een schone lei. Het hof heeft [verzoekster] dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2.2
Art. 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling in beginsel (dat wil zeggen behoudens verlenging waarover straks meer) drie jaar bedraagt, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Uiterlijk drie maanden voordat de termijn afloopt, brengt de bewindvoerder verslag uit aan de rechter-commissaris over de wijze waarop de schuldenaar gedurende de schuldsaneringsregeling aan zijn verplichtingen heeft voldaan (art. 351a Fw). Vervolgens bepaalt de rechtbank (op voordracht van de rechter-commissaris, op verzoek van de bewindvoerder of de schuldenaar, of ambtshalve) uiterlijk een maand vóór het einde van de termijn een zitting waarop de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt behandeld (art. 352 lid 1 Fw). Deze zitting dient in het bijzonder om de rechter te laten toetsen of de schuldenaar in de nakoming van een uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting toerekenbaar is tekortgeschoten (art. 354 Fw).1.Indien twijfel bestaat over de vraag of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, worden bewindvoerder en schuldenaar schriftelijk opgeroepen en in de gelegenheid gesteld in persoon, bij schriftelijk gemachtigde of bij advocaat het woord te voeren (art. 353 Fw).
2.4
De rechtbank wijst vervolgens uiterlijk op de achtste dag na de zitting vonnis (art. 354 lid 1 Fw). Daarbij wordt een oordeel gegeven over de vraag of de schuldenaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling en, indien daarvan sprake is, of deze aan de schuldenaar kunnen worden toegerekend. Verder kan de rechter bepalen dat indien sprake is van een toerekenbare tekortkoming, deze gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft (art. 354 lid 2 Fw). Vervolgens stelt de bewindvoerder een slotuitdelingslijst op (art. 356 lid 1 Fw). Zodra deze slotuitdelingslijst verbindend is geworden, is de toepassing van de schuldsaneringsregeling van rechtswege beëindigd (art. 356 lid 2 Fw). Door de beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 356 lid 2 Fw krijgt de schuldenaar een schone lei en zijn vorderingen die onbetaald zijn gebleven, niet langer afdwingbaar (art. 358 lid 1 Fw).
2.5
Als de rechter oordeelt dat de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis niet buiten beschouwing blijft, betekent dit dat de schuldsaneringsregeling eindigt zonder dat de schuldenaar een schone lei verkrijgt. De rechter kan echter ook besluiten tot verlenging van de schuldsaneringsregeling met een termijn van maximaal twee jaar.2.Deze mogelijkheid volgt uit art. 349a lid 3 Fw. Als voorbeeld van een situatie waarin verlenging aan de orde kan zijn is in de parlementaire geschiedenis het geval genoemd dat wordt overgegaan tot verlenging om een schuldenaar alsnog in staat te stellen de sollicitatieplicht na te komen.3.Lid 3 van art. 349a Fw bepaalt dat de schuldenaar gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak tegen de beslissing tot wijziging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling in hoger beroep kan komen.
2.6
Indien de termijn van drie jaar verstrijkt vóórdat een beëindigingsbeslissing op grond van art. 354 Fw is genomen, heeft dit tot gevolg dat de schuldsaneringsregeling van rechtswege eindigt ten aanzien van de toepassing van de tweede afdeling van titel III Fw, betreffende de gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. De verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling gelden dan dus niet meer. De schuldsaneringsregeling zelf blijft echter in stand, zolang de rechter geen beslissing over de toekenning van een schone lei heeft genomen.4.De schuldsaneringsregeling eindigt dus niet van rechtswege.
2.7
In antwoord op prejudiciële vragen heeft de Hoge Raad beslist dat de beslissing tot verlenging van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 349a lid 3 Fw ook kan worden genomen als de termijn van drie jaar al is verstreken.5.Voorts besliste de Hoge Raad dat de verplichtingen die op grond van de tweede afdeling van titel III Fw voor de schuldenaar voortvloeien uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet gelden in de periode die is gelegen tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop onherroepelijk is beslist over de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling. Als wordt beslist tot verlenging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling, heeft dat tot gevolg dat een of meer verplichtingen voor de schuldenaar na de uitspraak opnieuw gaan gelden. In hetzelfde arrest is dan ook overwogen dat het aanbeveling verdient dat de rechter die de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengt, zich in zijn beslissing niet ertoe beperkt de duur van die verlenging te bepalen, maar ook preciseert welke in het algemeen uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen gedurende de termijn van de verlenging voor de desbetreffende schuldenaar gelden.6.
2.8
In het bestreden arrest heeft het hof geoordeeld dat van een beslissing in de zin van art. 349a Fw geen sprake is omdat de reguliere termijn voor de schuldsaneringsregeling al was verstreken en dat [verzoekster] ook zonder de uitdrukkelijke beslissing van de rechtbank was ontheven van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.
2.9
Met deze beslissing heeft het hof het hiervoor uiteengezette systeem van beëindiging dan wel verlenging van de schuldsaneringsregeling miskend. In het vonnis van 27 juli 2017 heeft de rechtbank beslist (i) dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen door [verzoekster], (ii) dat er grond is voor verlenging van de schuldsaneringsregeling, en (iii) dat [verzoekster] in de periode waarmee de schuldsaneringsregeling wordt verlengd ontheven is van de op haar rustende verplichtingen. Daarmee is het vonnis van de rechtbank inhoudelijk niet anders te kwalificeren dan een beslissing tot verlenging van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 349a lid 3 Fw, in samenhang met art. 352 Fw. Op grond van art. 349a lid 3, tweede volzin, FW staat tegen die beslissing hoger beroep open.
2.10
Daarmee slaagt het middel.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en tot terugverwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑12‑2017
Zie ook HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1203, NJ 2017/288, rov. 3.4.4.
Kamerstukken I, 2006-2007, 29 942, nr. C, p. 11. Zie uitvoerig over de verlenging van de schuldsaneringsregeling mijn conclusie voor HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1203, NJ 2017/288.
HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, NJ 2012/226 m.nt. Snijders; HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5760; HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0890, NJ 2012/636 m.nt. F.M.J. Verstijlen; HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1411, NJ 2013/305 m.nt. F.M.J. Verstijlen; HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, NJ 2014/470 m.nt. F.M.J. Verstijlen.
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, NJ 2014/470 m.nt. F.M.J. Verstijlen.
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, NJ 2014/470 m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 3.4.4.
Beroepschrift 20‑10‑2017
TOEVOEGING AANGEVRAAGD
VERZOEKSCHRIFT TOT CASSATIE
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
[verzoekster], wonende te [postcode] [woonplaats] aan de [adres], te dezer zake domicilie kiezende te (2282 AE) Rijswijk ZH aan de Haagweg nr. 108, ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. F.I. van Dorsser die ten deze als advocaat wordt aangewezen om verzoeker in cassatie te vertegenwoordigen en als zodanig dit verzoekschrift ondertekent;
Verzoekster stelt hierdoor beroep in cassatie in tegen bijgevoegd arrest van het van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 oktober 2017 waarin zij niet-ontvankelijk is verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 27 juli 2017 (eveneens bijgevoegd). Tegen dat arrest komt verzoekster op bij uw Raad met het navolgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen door te overwegen en op grond daarvan te beslissen als in voormeld vonnis weergegeven, zulks om de navolgende, mede in onderlinge samenhang te lezen redenen:
- 1.
In r.o. 3.5 heeft het hof geoordeeld, dat het vonnis van de rechtbank een tussenvonnis is. Dat oordeel is rechtens onjuist. Hoewel boven dat vonnis het woord ‘tussenvonnis’ prijkt, is sprake van een einduitspraak, nu de rechtbank (anders dan het hof heeft overwogen) in het dictum de looptijd van de toepassing van de schuldsaneringsregeling met twee jaren heeft verlengd (of zoveel korter als de schuldenares aannemelijk maakt dat de nieuwe schuld niet op haar zal worden verhaald, met bepaling dat zij voor de resterende duur van de schuldsaneringsregeling is ontheven van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen). Daartegen staat hoger beroep open (ingevolge lid 3 van art. 349a Fw jo art. 352 Fw).
- 2.
In r.o. 3.5 overweegt het hof dat de rechtbank niet aan een oordeel is toegekomen over de vraag of de schuldenares toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen. Daarbij gaat het hof evenwel uit van een onjuiste en onbegrijpelijke lezing van dat vonnis. Immers, de rechtbank is wel degelijk tot dat oordeel gekomen. Zo overweegt de rechtbank dat er een nieuwe bovenmatige schuld is ontstaan, welke schuld aan schuldenares kan worden toegerekend en dat, indien thans een beslissing zou moeten worden genomen ten aanzien van de schone lei, deze de schuldenares moet worden geweigerd. De rechtbank heeft hierop niet besloten de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder verlening van de schone lei op grond van art. 355 Fw jo. 354 Fw, doch heeft bepaald de schuldsaneringsregeling te verlengen, hetgeen mogelijk is op grond van artikel 349a Fw jo. 352 Fw.
- 3.
Zoals het hof zelf met juistheid in r.o. 3.6 overweegt, is in artikel 355 Fw. niet uitdrukkelijk de beperking aangebracht dat van een in het kader van de toepassing van artikel 354 Fw. gewezen tussenvonnis slechts tegelijk met het eindvonnis in hoger beroep kan worden gekomen, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Ten onrechte heeft het hof (in dezelfde rechtsoverweging) aangenomen dat een dergelijke beperking in casu van toepassing is. De daarbij door het hof genoemde rechtspraak ziet op geheel andere situaties en mist in casu toepassing. Maar belangdijker nog: de artt. 354 en 355 Fw missen in casu überhaupt toepassing; deze artikelen zien op een eindvonnis waarin de rechtbank heeft bepaald dat de schuldsaneringsregeling wordt beëindigd met al dan niet verlening van de schone lei. Daarvan is in casu geen sprake.
- 4.
In r.o. 3.8 concludeert het hof dat de uitdrukkelijke beslissing over de verlenging ‘dus’ overbodig was en om die reden niet een beslissing over een verlenging van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 349a Fw was. Deze redenering is onbegrijpelijk. Schuldenares is op 9 juli 2013 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, zodat de reguliere termijn van de schuldsanering van drie jaar reeds geëindigd was op 9 jul 2016. Aangezien de rechtbank de schuldsaneringsregeling heeft verlengd (met twee jaren) en heeft bepaald dat deze afloopt op 9 juli 2018, impliceert dit dat de rechtbank feitelijk over de periode vanaf 9 juli 2016 tot en met 27 juli 2017 (de dag van de uitspraak) de schuldsaneringsregeling met terugwerkende kracht heeft verlengd. Wellicht vond het hof het overbodig dat de rechtbank met terugwerkende kracht de schuldsaneringsregeling had verlengd, daar schuldenares reeds vanaf 9 juli 2016 was ontheven van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Echter, een verlenging van de schuldsaneringsregeling met terugwerkende kracht is niet mogelijk. Zie HR 10 oktober 2014 ECLI:NL:HR:2014:2935, waarin Uw Raad onder meer heeft bepaald dat de verplichtingen die op grond van de tweede afdeling van titel III Fw voor de schuldenaar voortvloeien uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet gelden in de periode die is gelegen tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop onherroepelijk is beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling. De door het hof gevolgde redenering gaat derhalve niet op, tevens alleen al omdat met de door de rechtbank genomen beslissing aan de schuldenares geen (zoals zij heeft verzocht) schone lei is verleend (en zij derhalve ook recht en belang heeft bij onderhavig cassatieberoep), zodat (ook) deze rechtsoverweging niet in stand kan blijven.
- 5.
Gegrondbevinding van (een van) voormelde middelonderdelen vitieert ook r.o. 3.9 en 4 (het dictum) van de bestreden beslissing, die dan evenmin in stand kunnen blijven.
MITSDIEN het de Hoge Raad der Nederlanden behage te vernietigen het op 12 oktober 2017 onder zaaknummer 200.220.671/01 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gewezen arrest, met zodanige verdere beslissing als uw Raad juist zal oordelen, kosten rechtens.
Rijswijk, 20 oktober 2017
Advocaat
(A25399)
(voor mr F.I. van Dorsser, mr K. Aantjes)