Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/7.9.1:7.9.1 Algemeen
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/7.9.1
7.9.1 Algemeen
Documentgegevens:
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS349791:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Notulen Commissie-De Wal, deel I, p. 537.
Van der Feltz I, p. 439-440.
Zie Keulen 1990, p. 98-101. Zo werd in een uitspraak uit 1929 (HR 27 mei 1929, NJ 1929/1269) overwogen dat ter verkorting van de rechten van de schuldeisers is gehandeld ‘indien de dader weet of begrijpt dat door zijn handelen die rechten werden verkort’.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bedrieglijke-bankbreukbepalingen werden gedurende iets meer dan 130 jaar gekenmerkt door de bewoordingen waarin het vereiste schuldverband tot uitdrukking kwam, namelijk dat de verschillende delictsgedragingen moesten zijn verricht ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers’. Voor alle delictsgedragingen van art. 342 Sr en 343 Sr gold tot 2016 voor het aannemen van strafrechtelijke aansprakelijkheid dat zij ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers waren verricht. Deze bewoordingen waren door de wetgever van 1886 rechtstreeks overgenomen uit art. 777 van het destijds geldende Wetboek van Koophandel.1 In die bepaling was de actio Pauliana geregeld die het mogelijk maakte handelingen van de schuldenaar te vernietigen indien bewezen kon worden dat deze hadden plaatsgehad ‘ter bedriegelijke verkorting van de regten der schuldeischers’. In de Faillissementswet was de vereiste wetenschap voor de vernietigingsactie van de actio Pauliana gewijzigd in een ‘weten of behoren te weten’ dat de schuldeisers worden benadeeld. De wijziging was volgens de wetgever louter ingegeven door de wens om het ‘somtijds’ opduikende misverstand te verhelpen dat voor het bewijs van ‘bedriegelijke verkorting’ geen oogmerk om te benadelen is vereist. De wetgever gaf aan zich aan te sluiten bij hetgeen in de doctrine en de rechtspraak reeds lange tijd was uitgemaakt, namelijk dat voor ‘bedriegelijke verkorting van de regten der schuldeisers’ de ‘wil om te benadeelen, het bewustzijn der benadeeling’ voldoende was.2 De wil om te benadelen werd aldus uitgelegd dat ‘wat men weet, dat volgen zal, wil men, indien men ondanks die wetenschap de handeling toch verricht, welke overigens het motief voor dit handelen moge zijn’. De vraag diende zich aan of de in 1886 ingevoerde bewoordingen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers’ in de bankbreukbepalingen eenzelfde betekenis toekwam of dat de vereiste wetenschap een bepaalde vorm van ‘kwade wil’ veronderstelde.
In de strafrechtelijke rechtspraak van de Hoge Raad lijkt, evenals in het civiele recht onder vigeur van het Wetboek van Koophandel, geen materiële betekenis te zijn toegekend aan het adjectief ‘bedrieglijk’. In de literatuur is geconstateerd dat de Hoge Raad vrijwel steeds de wetenschap van de dader dat door zijn handelen de schuldeisers zouden worden benadeeld voldoende heeft bevonden voor de vervulling van het desbetreffende bestanddeel.3 Die rechtspraak stond er niet aan in de weg dat in de doctrine de vraag bleef leven of een eis van ‘kwade trouw’ niet zou moeten worden ingelezen in het vereiste schuldverband. De noodzaak daarvoor werd voornamelijk bij het bevoordelingsdelict als prangend ervaren.