Hof Amsterdam, 08-02-2023, nr. 23-002124-21
ECLI:NL:GHAMS:2023:3785
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
08-02-2023
- Zaaknummer
23-002124-21
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2023:3785, Uitspraak, Hof Amsterdam, 08‑02‑2023; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:569
Uitspraak 08‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Aangetroffen DNA spoor op de sigarettenpeuk
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002124-21
datum uitspraak: 8 februari 2023
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 20 juli 2021 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-247580-19 (hierna: zaak A) en 09-075648-21 (hierna: zaak B) tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
inschrijfadres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2023.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlasteleggingen
Aan de verdachte is in zaak A tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 14 februari 2019 te Beverwijk, uit een woning aan de [adres 2] , meerdere sieraden en/of een portemonnee (met inhoud) en/of (twee) laptop(s) en/of kledingstukken en/of accessoires en/of een tas, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Aan de verdachte is in zaak B tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 maart 2020 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, een geldkistje met daarin een geldbedrag van 240 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverweging zaak B
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Op camerabeelden is gezien hoe de insluiper een peuk voor de deur heeft weggegooid. Deze peuk is veiliggesteld en hierop is DNA aangetroffen dat matcht met het DNA van de verdachte. Dit is een daderspoor waardoor, in combinatie met de beelden, met voldoende zekerheid is vast te stellen dat het de verdachte is geweest die binnen in de praktijk was.
De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat er op basis van het dossier onvoldoende overtuigend bewijs is nu de verdenking enkel is gebaseerd op het aangetroffen DNA spoor op de sigarettenpeuk. Naar het oordeel van de raadsman kan dit spoor niet als daderspoor worden aangemerkt en is er voorts geen sprake van enige context rond het DNA-spoor, dan wel steunbewijs.
Oordeel van het hof
Anders dan de raadsman heeft betoogd is naar het oordeel van het hof wel sprake van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
Uit zowel het proces-verbaal van aangifte als het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de camerabeelden volgt dat de persoon die op deze beelden te zien is, vlak voordat hij de chiropractorpraktijk binnenloopt een peuk op de grond gooit. De politie komt vrij snel daarna ter plaatse. Uit het aanvullend proces-verbaal met betrekking tot het veiligstellen van de sigarettenpeuk blijkt dat voor de ingang van het bedrijf een peuk is aangetroffen die vervolgens is veiliggesteld en dat dit de enige peuk was die vlak voor de ingang lag. Het hof kwalificeert dit spoor dan ook als een daderspoor. Aan de hand van het rapport van het NFI kan worden vastgesteld dat het op de sigarettenpeuk aangetroffen DNA matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Naar het oordeel van het hof is er, gelet op de combinatie van de beelden, de korte tijd tussen het weggooien van de peuk en het veiligstellen daarvan en de DNA-match sprake van voldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte de persoon is geweest die het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Daarbij komt ook gewicht toe aan de vaststelling dat een alternatief scenario door de verdachte niet is geschetst.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A:
hij op 14 februari 2019 te Beverwijk, uit een woning aan de [adres 2] , een portemonnee met inhoud en twee laptops en een tas, die aan een ander toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen.
Zaak B:
hij op 13 maart 2020 te Voorburg, een geldkistje met daarin een geldbedrag van 240 euro, dat toebehoorde aan [benadeelde] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen in zaak A en in zaak B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in zaak A bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Het in zaak B bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg tenlastegelegde bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, daarbij ook rekening houdend met het bepaalde in artikel 63 Wetboek van Strafrecht (Sr).
De raadsman heeft, in het geval van een bewezenverklaring, verzocht de straf te matigen en te overwegen om, gelet op de persoonlijke omstandigheden, een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee diefstallen. In zaak A heeft hij een portemonnee, twee laptops en een tas uit de woning van het slachtoffer weggenomen. In zaak B heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een geldkistje met hierin een bedrag van € 240,00 uit een chiropractor praktijk. In beide gevallen is er sprake van insluiping in of via de praktijk van een zorgverlener. Daarbij heeft hij zich kennelijk enkel laten leiden door zijn eigen financiële gewin. Dit soort diefstallen zijn ergerlijke feiten, zorgen voor hinder, schade en overlast bij de slachtoffers en versterken daarnaast gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 januari 2023 is de verdachte eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de recidive van de verdachte acht het hof de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden in beginsel passend. Alleen een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, doet voldoende recht.
Het hof ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – zoals deze door de raadsman ter terechtzitting naar voren zijn gebracht - aanleiding een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Een voorwaardelijk deel kan de verdachte op de in positieve zin ingeslagen weg houden en daarmee de kans op herhaling beperken.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.719,95 aan materiële schade en bestaat uit de volgende posten:
Gestolen contant geld € 265,00
Kosten vervangen sleutels en sloten € 1450,00
Kosten aanschaf nieuw geldkistje € 4,95
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij conform het vonnis waarvan beroep toe te wijzen.
De raadsman heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren gelet op het verweer strekkende tot vrijspraak dan wel de vordering ten aanzien van het gestolen contant geld voor een bedrag van € 240,00 toe te wijzen.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
De gevorderde materiële schade kan naar het oordeel van het hof worden toegewezen, met uitzondering van de kosten voor het vervangen van de sleutels en sloten, ten bedrage van € 1.450,00 (schadepost b).
Ten aanzien van de onder b verzochte schade is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Bewezen is verklaard dat de verdachte een geldkistje met daarin een geldbedrag heeft weggenomen. Uit de aangifte noch de tenlastelegging blijkt dat zich sleutels in het geldkistje bevonden. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van een causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en de kosten voor het vervangen van de sleutels en de sloten. De benadeelde partij kan daarom voor dit deel van de vordering niet worden ontvangen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak A en in zaak B bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in zaak B bewezenverklaarde tot het bedrag van € 269,95 (tweehonderdnegenenzestig euro en vijfennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde] , ter zake van het in zaak B bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 269,95 (tweehonderdnegenenzestig euro en vijfennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 13 maart 2020.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. W.S. Ludwig en mr. J.J.J. Schols, in tegenwoordigheid van mr. I. Peetoom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 februari 2023.
mr. J.J.J. Schols is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]