Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.4.1.4
IV.4.1.4 Toelaatbare en ontoelaatbare gronden voor non-verbale bejegening
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595133:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. Trechsel 1981, p. 336; Keijzer 1987, p. 245; Den Hartog 1990, p. 132-134; Groenhuijsen 2000, p. 95; Tophinke 2000, p. 369; Kitai 2002, p. 287; Van Kempen & Kristen 2005, p. 318 e.v.; Hirsch Ballin 2008, p. 149; Van Sliedregt 2009, p. 35-37; Stuckenberg 2014, p. 313; Knigge 2013, p. 228; Corstens/Borgers 2014, p. 46-47; Weigend 2014, p. 287.
Zie Uit Beijerse 1998; Uit Beijerse 2008, p. 470 onder verwijzing naar de Nederlandse rechtsgeschiedenis.
Vgl. Stolwijk 1985, p. 8; Groenhuijsen 2000, p. 94
Den Hartog 1990, p. 137.
Duff 2013a.
Weigend 2014, p. 295-296.
Zie o.a. Den Hartog 1990, p. 137; Llobet Rodríquez 1995, p. 122-128.
Schubarth 1978, p. 31-32; Llobet Rodriguez 1995, p. 134-150; Albrecht 2002, p. 357-358; Kitai-Sangero 2009, i.h.b. p. 921; Baradaran 2011; Duff 2013b; Weigend 2014.
Weigend 2013, p. 197-198.
Die kritiek is overigens niet eenstemmig. De in de meeste rechtsstelsels bestaande gronden voor voorlopige hechtenis worden bijvoorbeeld met de onschuldpresumptie niet in strijd geacht door Groenhuijsen 2000; Stevens 2009.
Andersom kan ook worden verdedigd dat een norm op de overtreding waarvan nooit afkeurend gereageerd wordt, niet bestaat. Zie op die manier Knigge 1988, p. 1-2.
Zie over de juridische context van en grenzen aan preventie en voor talrijke voorbeelden van op preventie gericht overheidsbeleid Ashworth & Zedner 2014.
. Zie over het onderscheid tussen generale preventie en afschrikking reeds Van Veen 1949, p. 193 e.v. Zie soortgelijk recenter Van Dijk 2008, p. 90-91; Kennedy 2009, p. 1.
De term incapacitatie gebruik ik in de ruime definitie die ook Malsch & Duker (2012, p. 2 e.v.) gebruiken. Incapacitatie is elke vorm van het onmogelijk maken van bepaald – doorgaans delinquent – gedrag. Daaronder vallen derhalve niet alleen strafrechtelijke instrumenten. Zij noemen het ontbinden van rechtspersonen en in- en uitreisverboden.
Een vergelijkbare redenering volgt het Duitse Bundesverfassungsgericht, zie BVerfG 15 december 1965, 1 BvR 513/65; BVerfG 30 mei 1973, 2 BvL 4/73.
Het gaat te ver om de inschatting dat het individu een gevaar vormt voor anderen te beschouwen als een bejegening als schuldige aan dat toekomstige feit. Degene die zich van de voorspelling bedient, zal zich juist realiseren dat een risicovoorspelling per definitie onzeker is en derhalve de betrokkene niet als schuldige, maar hooguit als potentieel schuldige beschouwen. Dergelijke voorspellingen over de toekomst zijn niet onproblematisch, maar treffen mijns inziens niet rechtstreeks de onschuldpresumptie. Zie nader Young 2014; Butler 2014.
Weigend 2013, p. 197-198; Weigend 2014, p. 295-296. In dat licht vindt hij bijvoorbeeld vluchtgevaar als grond voor voorlopige hechtenis te billijken indien een aanwezigheidsplicht ter zitting bestaat, maar heeft hij daarmee moeite als die grond vooral dient ter verzekering van de executie van mogelijke straf.
Dit betekent ook dat ik – anders dan Weigend – het verzekeren dat een eventuele straf kan worden geëxecuteerd, niet zo inherent problematisch vindt. Conservatoir beslag of voorlopige hechtenis op grond van vluchtgevaar houden juist rekening met mogelijke onjuistheid van de verdenking, maar ook met de juistheid daarvan. Dat wordt natuurlijk anders wanneer dergelijke gronden worden benut om de tenuitvoerlegging van een straf alvast te doen aanvangen.
Uit een verbod op behandeling als schuldige vloeit voort dat de schuld van de verdachte niet als legitimatie voor een bepaalde bejegeningswijze kan worden gehanteerd. Algemeen aanvaard is dan ook dat de onschuldpresumptie in de weg staat aan handelingen jegens niet-veroordeelden met ‘punitieve’ doelen.1 Welke gronden voor beperking van de subjectieve rechten van het individu aan die kwalificatie voldoen, is echter betwist. Verschillende criteria zijn geopperd. Gronden zouden enkel legitiem zijn als zij een uit de verdachte zelf komend gevaar betreffen,2 een procedureel doel hebben,3 op de toekomst gericht zijn en niet op het verleden,4 de belangen van derden beschermen5 of de beperking blijvend rechtvaardigen als de betrokkene achteraf onschuldig blijkt.6 Dat heeft geleid tot kritiek op onder meer bestaande gronden voor dwangmiddelen als de ernstige geschoktheid van de rechtsorde,7 bescherming van de samenleving tegen nieuwe strafbare feiten,8 en het veilig stellen van de executeerbaarheid van een mogelijk op te leggen straf.9,10
Veel van die kritiek gaat uit van een mijns inziens te extensief begrip van de onschuldpresumptie. In de hier bepleite opvatting dat de onschuldpresumptie geen recht op behandeling als onschuldige garandeert, maar enkel belooft dat geen behandeling als schuldige zal plaatsvinden, voorkomt het beginsel uitsluitend dat op de uitkomst van de procedure wordt vooruitgelopen. Noch dat een grond voor een bejegeningswijze óók strafdoel zou kunnen zijn, noch dat die grond zich vanwege de verdenking van een strafbaar feit aandient, impliceert schuld aan een strafbaar feit. Ook kan niet beslissend zijn of de handeling tegenover een achteraf onschuldige gerechtvaardigd is. Enkele voorbeelden verhelderen dit.
Dat met een bejegeningswijze doelen van de straf worden nagestreefd, kan erop wijzen dat iemand als schuldige wordt behandeld. Sommige strafdoelen zijn volstrekt onzinnig zonder dat de verdachte schuldig is aan een strafbaar feit. Genoegdoening, in de vorm van wraak of vergelding, vindt altijd plaats ter wraking of vergelding van de overtreding van een norm. Zij zijn doelloos waar die gebeurtenis niet of niet door de verdachte heeft plaatsgevonden, en impliceren mitsdien dat de betrokkene zich daaraan daadwerkelijk heeft schuldig gemaakt.11 Genoegdoening van slachtoffers, de verdachte alvast zijn verdiende loon bezorgen, en afkeuring uitdrukken voor het strafbaar feit, zijn dus exclusief verbonden met schuld. Het is echter niet zo dat behartiging van een strafdoel altijd schuld veronderstelt. Generaal- en speciaalpreventieve strafdoelen zijn niet alle noodzakelijk verbonden aan normoverschrijdend gedrag. Preventie vindt op talrijke wijzen plaats die uiteenlopen van vrijheidsbeneming van gevaarlijke personen tot het plaatsen van betere sloten op de eigen voordeur ter voorkoming van inbraak.12 Het is derhalve een doel dat niet uitsluitend door middel van bestraffing mag en kan worden nagestreefd. Sommige preventiewijzen zijn echter niet anders te begrijpen dan als schuldveronderstelling. Afschrikking en normbevestiging zijn preventiemodaliteiten die vereisen dat er een gedraging is om van af te schrikken, respectievelijk een norm is geschonden die bevestiging behoeft.13 Socialiserende en incapaciterende maatregelen zijn daarentegen weer niet noodzakelijk verbonden aan schuld aan een strafbaar feit. De plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet BOPZ maakt duidelijk dat ook preventie door middel van incapaciterende vrijheidsbeneming op zichzelf niet vereist dat diegene een strafbaar feit heeft begaan.14 Net als de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet BOPZ, impliceert de voorlopige hechtenis op grond van het risico dat de betrokkene strafbare feiten zal begaan, geen schuld aan een in het verleden begaan strafbaar feit. Die voorlopige hechtenis is als het goed is in de regel toekomstgericht en niet bedoeld als reactie op een eerder strafbaar feit.15 , 16 Dat is in elk geval de rechtvaardigende gedachte erachter.
Dat anders dan in het geval van de BOPZ-opname de verdenking van een strafbaar feit bij de beoordeling van het toekomstig gevaar bij voorlopige hechtenis een belangrijke rol speelt, kan evenmin tot de conclusie leiden dat sprake is van behandeling als schuldige. Hiervoor legde ik reeds sterk de nadruk op het verschil tussen behandeling als verdachte en als schuldige. Zou het onderbouwen van een grond met de tegen de betrokkene gerezen verdenking met de onschuldpresumptie onverenigbaar zijn, dan maakt dat de strafvordering in het algemeen onmogelijk. Immers, ook bijvoorbeeld de huiszoeking en de afname van DNA-materiaal berusten dikwijls op een verdenking. Dat dergelijke dwangmiddelen ter waarheidsvinding mogelijk zijn en geen bejegening als schuldige opleveren, behoeft ondertussen geen verdediging.
Weigend wijst de op een verdenking gebaseerde preventieve hechtenis niettemin af. Voor hem is voor verenigbaarheid van een bepaalde bejegening met de onschuldpresumptie doorslaggevend of die handelingen gerechtvaardigd blijven indien de verdachte achteraf onschuldig blijkt.17 Die maatstaf acht ik niet functioneel. Wanneer blijft een handeling ook tegenover de achteraf onschuldig gebleken verdachte gerechtvaardigd? Beoordeling ex tunc leidt niet tot de conclusie dat de voorlopige hechtenis op preventieve gronden noodzakelijk ontoelaatbaar is. Immers moet dan worden nagegaan of er op het moment van de hechtenis goede reden bestond om gevaar te vermoeden. Weigend lijkt eerder een ex nunc beoordeling op het oog te hebben. Wanneer de verdachte onschuldig blijkt, heeft hij ontegenzeggelijk ´onverdiende´ hechtenis ondergaan. Mijns inziens is dat evenwel niet wezenlijk anders dan bij andere gronden voor voorlopige hechtenis of bijvoorbeeld de – eveneens ingrijpende – huiszoeking die later ten onrechte blijkt. Een op de wapenwetgeving gebaseerde huiszoeking kan weliswaar ook bij een niet-verdachte plaatsvinden, maar indien in het concrete geval die huiszoeking volledig wordt gebaseerd op de verdenking dat iemand wapens onder zich heeft, zie ik niet in waarom een dergelijke huiszoeking jegens een onschuldige minder ‘onverdiend’ of ‘onterecht’ is dan tijdelijke vrijheidsbeneming. In beide onzekere situaties wordt de betrokkene uit veiligheidsoverwegingen die verband houden met verdenking van een strafbaar feit ernstig in zijn mensenrechten beknot. Ex tunc zijn de dwangmiddelen beide gerechtvaardigd, terwijl ex nunc beide onverdiend blijken. In beide situaties is de verdachte onherstelbaar tekort gedaan, maar niet doordat op zijn schuld is vooruitgelopen.
Kortom, onderscheid moet mijns inziens worden gemaakt tussen motieven die zelf de schuld van de verdachte postuleren en motieven die deze schuld niet of niet noodzakelijk veronderstellen. De eerste categorie gronden (vergelding, afschrikking, normbevestiging) zijn als hoofddoel met de onschuldpresumptie in strijd. Gronden die niet noodzakelijk schuld veronderstellen zijn in beginsel verenigbaar met het onschuldvermoeden (bijv. waarheidsvinding, preventie, verzekeren van de executie van een eventuele straf).18 Dat is niet anders wanneer bij de invulling van die grond sterk waarde wordt gehecht aan de tegen de betrokkene gerezen verdenking, mits daarbij steeds het verschil tussen verdachte en veroordeelde in het oog wordt gehouden. Op zichzelf met het vermoeden van onschuld te rijmen gronden voor dwangmiddelen als socialisatie en het voorkomen van toekomstige strafbare feiten, kunnen evenwel door nadere omstandigheden alsnog blijk geven van een schuldveronderstelling. Bij de wettelijke formulering van gronden, bij de wijze waarop de autoriteiten die gronden toepassen, alsook bij de motivering daarvan moet men namelijk steeds in het oog houden dat de schuldigverklaring is voorbehouden aan de daartoe bevoegde autoriteiten. Formuleringen van wettelijke gronden als ‘recidivegevaar’ en ‘resocialisatie’ nemen, wanneer zij niet op eerdere veroordelingen berusten, het verschil tussen verdachte en veroordeelde onvoldoende in ogenschouw.