Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (11/04065), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.
HR, 12-02-2013, nr. 11/01134
ECLI:NL:HR:2013:BZ1897
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-02-2013
- Zaaknummer
11/01134
- Conclusie
Mr. Knigge
- LJN
BZ1897
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2013:BZ1897, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 12‑02‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ1897
ECLI:NL:HR:2013:BZ1897, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 12‑02‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ1897
- Wetingang
art. 33a Wetboek van Strafrecht
- Vindplaatsen
NbSr 2013/117
Conclusie 12‑02‑2013
Mr. Knigge
Partij(en)
Nr. 11/01134
Mr. Knigge
Zitting: 11 december 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 18 februari 2011 verdachte wegens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden. Voorts heeft het Hof inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten één vliegticket, één instapkaart van Turkish Airlines en twintig kledingstukken, verbeurdverklaard.
2.
Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.1.
3.
Namens verdachte heeft mr. M. van Stratum, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4.
Het eerste middel
- 4.1.
Het middel keert zich tegen de motivering van het bewezenverklaarde opzet.
- 4.2.
Ten laste van verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:
"zij op 4 mei 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne."
- 4.3.
Ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2011 heeft de raadsman van verdachte bepleit dat verdachte geen opzet had op de invoer van de heroïne. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd - kort gezegd - dat de moeder van verdachte (medeverdachte [medeverdachte]) met [betrokkene 1] de afspraak had gemaakt dat [betrokkene 1] voor haar, [medeverdachte], en verdachte vliegtickets naar Nederland zou kopen, dat [betrokkene 1] op de dag van vertrek, op het vliegveld, aan [medeverdachte] en verdachte een koffer heeft gegeven om mee te nemen voor ene '[...]' in Nederland, dat [betrokkene 1] heeft gezegd dat er kleren in de koffer zaten, dat verdachte niet in de koffer heeft gekeken en dat verdachte dus niet wist dat er drugs in de koffer zaten.
- 4.4.
Het Hof heeft het verweer verworpen en daartoe overwogen dat verdachte door onder deze omstandigheden voor het inchecken van de koffer geen gedegen onderzoek te verrichten naar de inhoud van de koffer, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de koffer verdovende middelen zou bevatten.
- 4.5.
Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat 's Hofs verwerping van het verweer onbegrijpelijk is, nu ook indien verdachte wel een onderzoek aan de koffer zou hebben ingesteld, zij niets had kunnen aantreffen, omdat de drugs zich achter een dubbele bodem bevonden.
- 4.6.
Het middel faalt. Het feit dat de drugs misschien niet door verdachte ontdekt zouden zijn als zij de koffer had onderzocht, doet niet af aan het feit dat zij geen onderzoek aan de koffer heeft verricht en dat zij aldus kennelijk op de koop heeft toegenomen dat de koffer drugs zou bevatten.
5.
Het tweede middel
- 5.1.
Het middel behelst ten eerste de klacht dat het Hof heeft verzuimd een beslissing te nemen op de vordering van de advocaat-generaal tot het teruggeven aan verdachte van inbeslaggenomen geld.
- 5.2.
Bij de stukken van het geding bevindt zich de "vordering ter terechtzitting" gedaan ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2011. Deze vordering houdt onder meer in:
"De advocaat-generaal bij het ressortsparket te Amsterdam gezien het vonnis, op 28 augustus 2009 door de Meervoudige kamer in de arrondissementsrechtbank te Haarlem rechtdoende in strafzaken, gewezen tegen
[verdachte]
en het daartegen ingestelde beroep;
Gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep;
Vordert, dat het gerechtshof
(...)
en dat het (de) inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp(en) zal (zullen) worden verbeurd verklaard ticket etc.
(...)
teruggegeven aan verdachte: geld."
- 5.3.
De vordering tot teruggave aan verdachte van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geld betreft een kennelijke misslag. Blijkens de "kennisgeving inbeslagneming algemeen" is onder verdachte geen geld in beslag genomen. Blijkens een zich bij de stukken van het geding bevindende "lijst van inbeslaggenomen voorwerpen" is onder medeverdachte [medeverdachte], de moeder van verdachte, een geldbedrag van € 260 in beslag genomen. De advocaat-generaal is er kennelijk per abuis vanuit gegaan dat onder verdachte geld in beslag is genomen. Het Hof heeft derhalve terecht niet beslist dat 'geld' aan verdachte zal worden teruggegeven. De klacht faalt. 2.
- 5.4.
Het middel keert zich voorts tegen de verbeurdverklaring van twintig stuks kleding.
- 5.5.
Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
"De hierna als zodanig te melden in beslag genomen voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien het bewezen verklaarde met behulp van die voorwerpen is begaan of voorbereid.
(...)
Beslissing:
Het hof:
(...)
Verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1.00.
STK Vliegticket, nr. [001];
- 1.00.
STK Instapkaart van Turkish Airlines;
- 20.00.
STK Kleding (4 broeken / 1 jurk / 2 truien / 1 polo / 9 shirts / 2 overh)."
- 5.6.
Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat het oordeel van het Hof dat de inbeslaggenomen kleding aan verdachte toebehoort niet begrijpelijk is, nu verdachte zelf heeft verklaard dat de koffer waarin de kleding zat van een ander was, terwijl het bagagelabel van die koffer ook niet op naam van verdachte stond.
- 5.7.
Die klacht komt mij in het licht van de bewijsvoering gegrond voor. Aannemelijker lijkt mij dat de kleding toebehoorde aan iemand die met het gebruik daarvan als dekmantel bekend was (art. 33a lid 2 Sr), maar dat is niet wat het Hof heeft vastgesteld.
- 5.8.
Ik heb mij afgevraagd of de verdachte bij haar klacht een rechtens te respecteren belang heeft. De verbeurdverklaring van kleding die aan een ander toebehoort, raakt de verdachte immers niet. Door die verbeurdverklaring wordt de ander getroffen, maar zijn belang levert kennelijk geen grond voor ambtshalve cassatie op.3. De lijn in de jurisprudentie is echter dat een verdachte wel kan klagen over een gebrek in de motivering met betrekking tot de eis van toebehoren.4. Misschien wordt dat anders in zaken die onder het nieuwe, op art. 80a RO gebaseerde regime vallen, maar het lijkt minder juist daarop vooruit te lopen.
- 5.9.
Het middel slaagt ten dele.
6.
Het tweede middel slaagt ten dele. De middelen falen voor het overige en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
7.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de beslissing tot verbeurdverklaring van twintig kledingstukken, in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑02‑2013
Ik laat nog daar dat de vordering tot teruggave van het geld geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt oplevert en dat, ware dat anders, de verdachte geen belang heeft bij de klacht dat het Hof zonder motivering aan dat standpunt is voorbij gegaan.
HR 23 november 2010, LJN BN9197.
Zie o.m. HR 12 oktober 2010, LJN BN4241.
Uitspraak 12‑02‑2013
Inhoudsindicatie
Motivering v.v. HR wijkt af van eerdere rechtspraak. Het Hof heeft voorwerpen verbeurd verklaard waarvan de verdediging heeft gesteld dat zij niet aan verdachte toebehoren. Gelet daarop is de motivering van de v.v., inhoudende dat de voorwerpen aan verdachte toebehoren, niet zonder meer begrijpelijk. Anders dan tot nu toe aan de rechtspraak van de HR kon worden ontleend, heeft verdachte evenwel bij haar klacht dienaangaande geen rechtens te respecteren belang. Verbeurdverklaring van voorwerpen die een verdachte niet (zouden) toebehoren a.b.i. art. 33a Sr treft hem immers niet in zijn vermogen. Een klacht als hier aan de orde is kan in voorkomende gevallen met toepassing van art. 81.1 RO of art. 80a RO worden afgedaan.
12 februari 2013
Strafkamer
nr. S 11/01134
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 februari 2011, nummer 23/004502-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. van Stratum, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de beslissing tot verbeurdverklaring van twintig kledingstukken, in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen twintig kledingstukken onvoldoende heeft gemotiveerd.
2.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:
"zij op 4 mei 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne."
2.3. De bestreden uitspraak houdt, voor zover van belang, het volgende in:
"De hierna als zodanig te melden in beslag genomen voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien het bewezen verklaarde met behulp van die voorwerpen is begaan of voorbereid.
(...)
Beslissing:
Het hof:
(...)
Verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
(...)
20.00 STK Kleding (4 broeken/1 jurk/2 truien/1 polo/9 shirts/2 overh)."
2.4. Het middel strekt blijkens de daarop gegeven toelichting ten betoge dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gemotiveerd heeft aangevoerd dat de inbeslaggenomen twintig kledingstukken haar niet toebehoren, zodat het andersluidende oordeel van het Hof niet zonder meer begrijpelijk is.
2.5. De motivering van de bijkomende straf van verbeurdverklaring is, gelet op hetgeen de verdachte heeft aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk. Anders dan tot nu toe aan de rechtspraak van de Hoge Raad kon worden ontleend, heeft de verdachte evenwel bij haar klacht dienaangaande geen rechtens te respecteren belang. Verbeurdverklaring van voorwerpen die een verdachte niet (zouden) toebehoren als bedoeld in art. 33a Sr treft hem immers niet in zijn vermogen. De klacht kan dan ook niet tot cassatie leiden.
2.6. Opmerking verdient dat een klacht als hier aan de orde in voorkomende gevallen met toepassing van art. 81, eerste lid, RO of art. 80a RO kan worden afgedaan.
3. Beoordeling van de middelen voor het overige
De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, Y. Buruma, J. Wortel en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 12 februari 2013.