Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 73) 2010/7.3.2.0:7.3.2.0 Introductie
Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 73) 2010/7.3.2.0
7.3.2.0 Introductie
Documentgegevens:
mr. D.A.M.H.W. Strik, datum 20-07-2010
- Datum
20-07-2010
- Auteur
mr. D.A.M.H.W. Strik
- JCDI
JCDI:ADS433413:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Kamerstukken II 2006/07, 31 093, nr. 3, p. 20.
Ten onrechte stellen Tweede Kamerleden Weekers en Blanksma in hun Amendement d.d. 5 juni 2008 dat art. 4 lid 2 sub c van de Transparantierichtlijn betrekking heeft op een verklaring van het bestuur. Zie Kamerstukken II 2007/08, 31 093, nr. 11, p. 1, 2.
Toelichting Tranparantierichtlijn, par. 4.2.1.
Kamerstukken II 2006/07, 31 093, nr. 3, p. 20.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De implementatiewet Transparantierichtlijn voorziet in een aantal verklaringen die dienen te worden afgelegd in verband met jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslaggeving. Art. 5:25c lid 2 Wft schrijft voor dat de jaarlijkse financiële verslaggeving omvat:
"verklaringen van de bij de uitgevende instelling als ter zake verantwoordelijk aangewezen personen, met duidelijke vermelding van naam en functie, van het feit dat, voor zover hun bekend,
1°. de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de activa, de passiva, de financiële positie en de winst of het verlies van de uitgevende instelling en de gezamenlijk in de consolidatie opgenomen ondernemingen; en
2°. het jaarverslag een getrouw beeld geeft omtrent de toestand op de balansdatum, de gang van zaken gedurende het boekjaar van de uitgevende instelling en van de met haar verbonden ondernemingen waarvan de gegevens in haar jaarrekening zijn opgenomen en dat in het jaarverslag de wezenlijke risico's waarmee de uitgevende instelling wordt geconfronteerd, zijn beschreven."
De "getrouw beeld"-verklaringen in de zin van art. 5:25c Wft zijn feitelijk een expliciete bevestiging dat voldaan is aan art. 2:362 leden 2 en 3 en 391 lid 11 BW. Zij voegen daar inhoudelijk niets aan toe. In zoverre brengt art. 5:25c Wft niets nieuws. Art. 5:25d Wft bevat een zelfde bepaling aangaande de halfjaarlijkse financiële verslaggeving.
Art. 5:25c en 25d Wft, die strekken ter implementatie van art. 4 lid 2 sub c en 5 lid 2 sub c Transparantierichtlijn, bepalen niet wie "de bij de uitgevende instelling als ter zake verantwoordelijk aangewezen personen" zijn.2 Met deze tekst is aangesloten bij de tekst van voornoemde bepalingen van de Transparantierichtlijn. Deze richtlijn wijst dus ook niet aan wie die personen zijn. In de Toelichting bij de Transparantierichtlijn werd vermeld dat het gaat om het bestuursorgaan en dat in landen met een dualistische structuur de stukken ook door het toezichthoudende orgaan moeten zijn gezien.3 Uiteindelijk dient het nationale recht te bepalen wie de verantwoordelijke personen zijn.
Hoewel de wetsgeschiedenis vermeldt dat het bestuur van een N.V. verantwoordelijk is voor de opgemaakte jaarrekening als bedoeld in art. 5:25c lid 1 Wft4, wordt niet aangegeven wie geacht worden de "getrouw beeld"-verklaringen te ondertekenen.
De vraag is hoe de zinsnede "ter zake verantwoordelijk aangewezen personen" moet worden geïnterpreteerd. Mijn inziens slaat het woord "ter zake" niet op de "getrouw beeld"-verklaringen zelf.
De vennootschap kan niet zelf aanwijzen welke personen de "getrouw beeld"-verklaringen moeten tekenen. Zo is het niet mogelijk dat de vennootschap een niet-bestuurder — zoals de controller of de general counsel — aanwijst als "ter zake verantwoordelijk persoon" die de "getrouw beeld"-verklaringen dient te ondertekenen.
Ik begrijp de zinsnede aldus, dat het woord "ter zake" ziet op het betreffende financiële stuk waarop de betreffende "getrouw beeld"-verklaring ziet: de jaarrekening (5:25c 1° Wft), het jaarverslag (5:25c 2° Wft) en de halfjaarrekening (5:25d 1° Wft) of het halfjaarverslag (5:25d 2° Wft). En dat het er dus om gaat om vast te stellen wie terzake van voornoemde verschillende financiële verslaggeving verantwoordelijk is. Diezelfde personen zullen dan de onderscheidende relevante "getrouw beeld"-verklaringen dienen te tekenen.
Belangrijk is te constateren dat art. 5:25c Wft spreekt over verklaringen meervoud. Betoogd kan worden dat het twee verklaringen zijn: één heeft betrekking op de jaarrekening, de andere op het jaarverslag. Eenzelfde redenering gaat op voor de art. 5:25d "getrouw beeld"-verklaringen. Het is denkbaar dat verschillende functionarissen verantwoordelijk zijn voor de verschillende verklaringen. Die conclusie is ook logisch als op grond van de op de N.V. toepasselijke Nederlandse wettelijke bepalingen wordt geanalyseerd welk orgaan voor de verschillende financiële verslaggeving verantwoordelijk is. Deze analyse luidt als volgt.