Rechtbank Gelderland 9 juli 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:4585 (schriftelijke uitwerking 16 juli 2024).
HR, 26-09-2025, nr. 24/03612
ECLI:NL:HR:2025:1384
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-09-2025
- Zaaknummer
24/03612
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1384, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑09‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:132
ECLI:NL:PHR:2025:132, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑01‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1384
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑09‑2024
- Vindplaatsen
NJ 2025/300 met annotatie van J. Legemaate
JGz 2025/61 met annotatie van drs. L.P.A. Voogd, mr. Y.H.J.M. Custers-Slot
Uitspraak 26‑09‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/03612
Datum 26 september 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: M.A.M. Wagemakers,
tegen
CENTRUM INDICATIESTELLING ZORG,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: het CIZ,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/05/437719 / FZ RK 24 1550 van de rechtbank Gelderland van 9 juli 2024.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
Het CIZ heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In dit geding heeft het CIZ een rechterlijke machtiging verzocht tot opname en verblijf van betrokkene in een accommodatie voor de duur van zes maanden, in aansluiting op een eerdere zorgmachtiging op grond van de Wvggz.
2.2
Bij het verzoekschrift is een medische verklaring van een onafhankelijke psychiater overgelegd. In deze medische verklaring is onder meer vermeld:
“a. Is er naar uw oordeel sprake van een psychogeriatrische aandoening, een verstandelijke beperking, een daarmee gepaard gaande psychische stoornis (danwel een combinatie hiervan) of een daaraan gelijkgestelde aandoening?
X Ja
(…)
b. Tot welke diagnose bent u gekomen?
Er is sprake van de ziekte van Korsakow
(…)
d. Zijn er andere relevante diagnoses en welke?
Er is in ieder geval sprake van een chronisch-recidiverende alcoholverslaving. Deze is de oorzaak van de ziekte van Korsakow die bij patiente ontstaan is. Er is sprake van reeds langer bestaande emotionele problematiek. Deze is eerder benoemd als borderline persoonlijkheidsstoornis en als posttraumatische stressstoornis.
(…)”
2.3
Op 9 juli 2024 heeft een mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Tijdens de zitting heeft de advocaat van betrokkene de rechtbank verzocht een second opinion te gelasten.
2.4
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking1.een machtiging tot opname en verblijf ten aanzien van betrokkene verleend voor de duur van zes maanden (tot en met uiterlijk 9 januari 2025) en het namens betrokkene gedane verzoek om een second opinion te gelasten afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
“3.6. De rechtbank stelt vast dat de diagnose Korsakov die in de medische verklaring is opgenomen veel discussie heeft doen ontstaan. Op grond van wat is besproken is de diagnose Korsakov voor de rechtbank niet komen vast te staan. Wel staat vast voor de rechtbank dat sprake is van (enige) cognitieve problemen. Dat is niet betwist en uit meerdere testen gebleken. Daarnaast is sprake van meerdere psychische aandoeningen, waaronder een chronisch-recidiverende alcoholverslaving. Tot slot is sprake van reeds langer bestaande emotionele problematiek. Deze is eerder benoemd als borderline persoonlijkheidsstoornis en posttraumatische stressstoornis.
3.7.
Bij de vraag of de Wzd in een dergelijke situatie van toepassing is, heeft de wetgever (na een wetswijziging) de zorgbehoefte naast de stoornis mede leidend laten zijn. Kort samengevat betekent dat, dat als er geen behandelmogelijkheden zijn en er met name zorg nodig is om ‘regieverlies’ tegen te gaan, de WZD van toepassing is, ook als er sprake is van een psychische stoornis en niet van een psychogeriatrische stoornis, een verstandelijke beperking of een gelijkgestelde aandoening (op grond van artikel 24 lid 4 Wzd). De rechtbank is van oordeel dat die situatie zich hier voordoet. Cliënt worstelt al jaren met diverse psychische problemen waaronder een ernstige alcoholverslaving. Zij is als gevolg van die problemen al jarenlang in behandeling, maar zonder enig (blijvend) resultaat. In periodes dat cliënt is opgenomen functioneert zij redelijk goed maar zodra ze met ontslag naar huis gaat valt zij onmiddellijk terug in haar verslaving. Dat heeft ertoe geleid dat ze meerdere malen binnen korte tijd weer opgenomen moest worden, zelfs op de SEH afdeling van het ziekenhuis. Naast deze problematiek speelt sinds enige tijd ook cognitieve problematiek. Hoewel niet helemaal duidelijk is hoe ernstig die problematiek is, is het de rechtbank wel duidelijk dat de combinatie van problemen ernstig genoeg is om een opname te rechtvaardigen. En het is de rechtbank ook duidelijk dat de zorgbehoefte (gericht op het tegengaan van het ernstig nadeel) van cliënt het beste past bij het zorgregiem van de Wzd.
(…)
Second opinion
3.12.
Omdat de huidige combinatie van psychische problemen en cognitieve problemen op grond van artikel 24 lid 4 Wzd voldoende zijn om een rechterlijke machtiging toe te wijzen, zal de rechtbank het verzoek van de advocaat om een second opinion te gelasten afwijzen. De mogelijke antwoorden op de door de advocaat van cliënt voorgestelde vragen is daarvoor niet relevant. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat de plaatsing bij [woonzorglocatie] (afdeling (…)) juist plaatsvindt om de diagnose te verfijnen en om te onderzoeken welke precieze zorgbehoefte passend is. Daarbij is het ook mogelijk dat de conclusie wordt dat ze niet (langer) zal worden opgenomen maar dat toegewerkt wordt naar terugkeer naar huis in combinatie met intensieve thuiszorg of dat ze begeleid zal moeten gaan wonen.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1.2 van het middel is gericht tegen het oordeel in rov. 3.7 dat bij betrokkene sprake is van een psychische stoornis als bedoeld in art. 24 lid 4 Wzd. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist is dan wel onvoldoende is gemotiveerd, omdat de rechtbank slechts cognitieve tekorten en een chronisch recidiverende alcoholverslaving heeft vastgesteld, zonder vast te stellen of de alcoholverslaving van betrokkene het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen zo ingrijpend beïnvloedt dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend. Volgens het onderdeel zijn louter cognitieve tekorten geen psychische stoornis in de zin van de Wvggz op basis waarvan een Wzd-machtiging kan worden verleend.
3.2
Op grond van art. 24 lid 4 Wzd kan de rechter op verzoek van het CIZ een machtiging als bedoeld in art. 24 lid 1 Wzd voor onvrijwillige opname en (voortgezet) verblijf in een geregistreerde accommodatie verlenen ten aanzien van een persoon met een psychische stoornis. Daarvoor is vereist dat de rechter op basis van de verklaring van een ter zake kundige arts oordeelt dat sprake is van een psychische stoornis (a) die dezelfde gedragsproblemen of regieverlies als een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap kan veroorzaken, (b) waarbij de benodigde zorg in verband met deze gedragsproblemen of regieverlies vergelijkbaar is met de zorg die nodig is bij een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, en (c) waarbij deze gedragsproblemen kunnen of dit regieverlies kan leiden tot ernstig nadeel.
3.3
Uit de toelichting op het amendement waarmee art. 24 lid 4 Wzd is opgenomen in de wet2., blijkt dat deze bepaling beoogt mogelijk te maken dat een betrokkene bij een wisselende zorgbehoefte kan ‘overstappen’ van de geestelijke gezondheidszorg naar de ouderenzorg of gehandicaptenzorg, zodat aan de betrokkene de juiste zorg op de juiste plek kan worden verleend. Op grond van deze bepaling kan een betrokkene met een psychische stoornis onvrijwillig worden opgenomen in een Wzd-accommodatie, in plaats van in een Wvggz-accommodatie, indien zijn zorgbehoefte daartoe aanleiding geeft. Gelet op deze toelichting moet worden aangenomen dat met ‘psychische stoornis’ in art. 24 lid 4 Wzd een psychische stoornis in de zin van de Wvggz is bedoeld.
3.4
De rechtbank heeft in rov. 3.7 toepassing gegeven aan art. 24 lid 4 Wzd en in dat kader geoordeeld dat sprake is van (i) ‘diverse psychische problemen waaronder een ernstige alcoholverslaving’ en (ii) cognitieve problematiek waarvan de ernst niet helemaal duidelijk is. Cognitieve problematiek is, zoals het onderdeel terecht aanvoert, op zichzelf niet aan te merken als een psychische stoornis in de zin van de Wvggz. Wat betreft psychische problematiek noemt de rechtbank alleen de ernstige alcoholverslaving. Voor het overige is volgens de rechtbank slechts sprake van emotionele problematiek.
Verslaving aan middelen als alcohol en drugs kan echter op zichzelf niet tot toepassing van de Wvggz leiden. Er moet om tot toepassing van de Wvggz te komen sprake zijn van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Deze psychische stoornis kan voortvloeien uit of samenhangen met de verslaving aan middelen. Het kan ook gaan om een van de verslaving losstaande psychische stoornis van andere aard (‘comorbiditeit’).3.De rechtbank heeft niet (kenbaar) vastgesteld dat bij betrokkene van zodanige psychische stoornis sprake is. Onderdeel 1.2 slaagt dus.
3.5
Onderdeel 2 klaagt dat de rechtbank in rov. 3.12 het verzoek om een second opinion ten onrechte en zonder toereikende motivering heeft afgewezen. Ook deze klacht slaagt. De rechtbank heeft deze beslissing gebaseerd op het door onderdeel 1.2 met succes bestreden oordeel dat de huidige combinatie van psychische en cognitieve problemen op grond van art. 24 lid 4 Wzd voldoende is om een rechterlijke machtiging te verlenen.
3.6
Voor zover de onderdelen 3 en 4 voortbouwen op de hiervoor genoemde slagende klachten, slagen deze onderdelen eveneens.
3.7
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 9 juli 2024;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 26 september 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑09‑2025
Kamerstukken II 2020/21, 35667, nr. 38, p. 2-3; Wet van 29 september 2021 tot wijziging van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten teneinde de uitvoering te vereenvoudigen en technische onvolkomenheden en omissies te herstellen, Stb. 2021, 468.
Zie o.a. HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1433, rov. 3.2.1.
Conclusie 31‑01‑2025
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03612
Zitting 31 januari 2025
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,verzoekster tot cassatie,hierna: betrokkene,advocaat: mr. M.A.M. Wagemakers,
tegen
Centrum Indicatiestelling Zorg,verweerder in cassatie,hierna: CIZ.
1. Inleiding
In deze Wzd-zaak heeft de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf verleend voor de duur van zes maanden op grond van artikel 24 lid 4 Wzd. Deze bepaling maakt het mogelijk een Wzd-machtiging te verlenen ten aanzien van een betrokkene met een psychische stoornis. Hoewel in de medische verklaring de diagnose Korsakov is gesteld, is deze diagnose volgens de rechtbank niet komen vast te staan. Wel staat volgens de rechtbank vast dat sprake is van (enige) cognitieve problemen, van meerdere psychische aandoeningen, waaronder een chronisch-recidiverende alcoholverslaving en van emotionele problematiek. De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend en het verzoek van betrokkene om een second opinion afgewezen. Tegen deze beslissingen richt zich het middel.
2. Feiten en procesverloop
2.1
Bij verzoekschrift, ingekomen op 25 juni 2024, heeft het CIZ de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) verzocht ten aanzien van betrokkene een machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 Wzd.
2.2
Bij het verzoekschrift is, voor zover in cassatie relevant, een medische verklaring van 18 juni 2024, opgemaakt door een onafhankelijk psychiater, overgelegd.
2.3
De mondelinge behandeling van het verzoek door een meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 9 juli 2024. Daarbij zijn betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, de zorgverantwoordelijke, de eerst verantwoordelijke verpleegkundige en de mentor van betrokkene gehoord.
2.4
Bij beschikking van 9 juli 20241.heeft de rechtbank een machtiging tot opname en verblijf ten aanzien van betrokkene verleend tot en met uiterlijk 9 januari 2025 en het verzoek van betrokkene om een second opinion afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank – voor zover in cassatie van belang – overwogen:
“3.6. De rechtbank stelt vast dat de diagnose Korsakov die in de medische verklaring is opgenomen veel discussie heeft doen ontstaan. Op grond van wat is besproken is de diagnose Korsakov voor de rechtbank niet komen vast te staan. Wel staat vast voor de rechtbank dat sprake is van (enige) cognitieve problemen. Dat is niet betwist en uit meerdere testen gebleken. Daarnaast is sprake van meerdere psychische aandoeningen, waaronder een chronisch-recidiverende alcoholverslaving. Tot slot is sprake van reeds langer bestaande emotionele problematiek. Deze is eerder benoemd als borderlinepersoonlijkheidsstoornis en posttraumatische stressstoornis.
3.7.
Bij de vraag of de Wzd in een dergelijke situatie van toepassing is, heeft de wetgever (na een wetswijziging) de zorgbehoefte naast de stoornis mede leidend laten zijn. Kort samengevat betekent dat, dat als er geen behandelmogelijkheden zijn en er met name zorg nodig is om ‘regieverlies’ tegen te gaan, de WZD van toepassing is, ook als er sprake is van een psychische stoornis en niet van een psychogeriatrische stoornis, een verstandelijke beperking of een gelijkgestelde aandoening (op grond van artikel 24 lid 4 Wzd). De rechtbank is van oordeel dat die situatie zich hier voordoet. Cliënt worstelt al jaren met diverse psychische problemen waaronder een ernstige alcoholverslaving. Zij is als gevolg van die problemen al jarenlang in behandeling, maar zonder enig (blijvend) resultaat. In periodes dat cliënt is opgenomen functioneert zij redelijk goed maar zodra ze met ontslag naar huis gaat valt zij onmiddellijk terug in haar verslaving. Dat heeft ertoe geleid dat ze meerdere malen binnen korte tijd weer opgenomen moest worden, zelfs op de SEH afdeling van het ziekenhuis. Naast deze problematiek speelt sinds enige tijd ook cognitieve problematiek. Hoewel niet helemaal duidelijk is hoe ernstig die problematiek is, is het de rechtbank wel duidelijk dat de combinatie van problemen ernstig genoeg is om een opname te rechtvaardigen. En het is de rechtbank ook duidelijk dat de zorgbehoefte (gericht op het tegen gaan van het ernstig nadeel) van cliënt het beste past bij het zorgregiem van de Wzd.
(…)
3.9.
De rechtbank vindt dan ook dat de opname en het verblijf op dit moment nog noodzakelijk zijn om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Cliënt is niet in staat zichzelf te handhaven buiten een opname-setting en zonder 24-uurs toezicht, zorg en begeleiding. Ambulante behandeling lijkt daarom in de huidige situatie onvoldoende. Dat is in het verleden, en laatst nog in de periode maart/april 2024 steeds weer gebleken.Tijdens de mondelinge behandeling heeft de mentor aangegeven dat er bij [woonzorglocatie] ( [afdeling] ) een plek vrij is voor cliënt bij het observatiecentrum. De afdeling biedt de mogelijkheid om via observatie te onderzoeken welke zorgbehoefte en woon(zorg)locatie voor cliënt het meest geschikt is. Cliënt kan hier direct terecht. Binnen de [afdeling] kan cliënt voor nu de 24-uurszorg geboden worden zodat het risico op ernstig lichamelijk letsel, verdere verwaarlozing en kans op overlijden kan worden voorkomen. In een beschermde omgeving lukt het cliënt namelijk wel om abstinent te blijven. Binnen deze afdeling zal ook onderzocht worden hoe cliënt in de toekomst zo zelfstandig mogelijk kan blijven functioneren en wat hiervoor nodig is. Het is niet uitgesloten dat ze in de toekomst terug naar huis kan, maar hiervoor moet eerst goed onderzocht worden hoe om te gaan met haar ernstige verslavingsproblematiek.
(…)
3.11.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De rechterlijke machtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van zes maanden, en geldt dus tot en met 9 januari 2025.
Second opinion
3.12.
Omdat de huidige combinatie van psychische problemen en cognitieve problemen op grond van artikel 24 lid 4 Wzd voldoende zijn om een rechterlijke machtiging toe te wijzen, zal de rechtbank het verzoek van de advocaat om een second opinion te gelasten afwijzen. De mogelijke antwoorden op de door de advocaat van cliënt voor gestelde vragen is daarvoor niet relevant. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat de plaatsing bij [woonzorglocatie] ( [afdeling] ) juist plaatsvindt om de diagnose te verfijnen en om te onderzoeken welke precieze zorgbehoefte passend is. Daarbij is het ook mogelijk dat de conclusie wordt dat ze niet (langer) zal worden opgenomen maar dat toegewerkt wordt naar terugkeer naar huis in combinatie met intensieve thuiszorg of dat ze begeleid zal moeten gaan wonen.”
2.5
Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 9 juli 2024. Bij brief, ingekomen op 7 oktober 2024, heeft het CIZ laten weten geen verweer te voeren.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen. Onderdeel 1 ziet op de vraag of de rechtbank de machtiging op grond van de Wzd kon verlenen. Onderdeel 2 klaagt over de afwijzing van het verzoek om een second opinion. Onderdeel 3 is een voortbouwklacht en onderdeel 4 een veegklacht.
3.2
Onderdeel 1 is gericht tegen r.o. 3.6, 3.7, 3.9 en 3.11, zoals hiervoor onder 2.4 weergegeven en valt uiteen in twee subonderdelen.
3.3
Subonderdeel 1.1 klaagt dat de rechtbank ten onrechte en/of zonder toereikende motivering heeft geoordeeld dat, als er geen behandelmogelijkheden zijn en zorg nodig is om regieverlies tegen te gaan, de Wzd van toepassing is, ook als sprake is van een psychische stoornis en dat die omstandigheid zich hier voordoet (zie in het bijzonder r.o. 3.7). Met verwijzing naar een uitspraak van de Hoge Raad van 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:10632.betoogt het onderdeel dat dit slechts toelaatbaar is indien de machtiging wordt verleend met het oog op een voorziene overgang van betrokkene naar een instelling met het andere regime en voor een daarop toegesneden beperkte duur (overbruggingsmachtiging). Ook is opname en verblijf in een Wzd-instelling ter afwending van ernstig nadeel, observatie en onderzoek geen rechtens toelaatbare reden, aldus nog steeds het subonderdeel.
3.4
Subonderdeel 1.1 faalt. Hierover kan ik kort zijn. Het onderdeel gaat er ten onrechte van uit dat de rechtbank slechts had kunnen oordelen dat de Wzd van toepassing is, ook al is sprake van een psychische stoornis, indien voldaan zou zijn aan de eisen die de Hoge Raad in zijn uitspraak van 7 juli 20233.heeft gesteld voor een zogeheten overbruggingsmachtiging. Dit subonderdeel miskent echter dat de rechter op grond van artikel 24 lid 4 Wzd een machtiging op grond van de Wzd kan verlenen ten aanzien van een persoon met een psychische stoornis, indien aan de eisen van deze wetsbepaling is voldaan. De rechtbank heeft haar oordeel in de bestreden beschikking gebaseerd op artikel 24 lid 4 Wzd. Dit brengt mij op de klachten in het volgende subonderdeel.
3.5
Subonderdeel 1.2 klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat, als er geen behandelmogelijkheden zijn en zorg nodig is om regieverlies tegen te gaan, de Wzd van toepassing is, ook als sprake is van een psychische stoornis en dat die omstandigheid zich hier voordoet, om nog een reden onjuist en/of ontoereikend is gemotiveerd. Het subonderdeel voert hiertoe aan dat Korsakov niet is vastgesteld, maar slechts cognitieve tekorten en een chronisch recidiverende alcoholverslaving, zonder dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de alcoholverslaving het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen van betrokkene zo ingrijpend beïnvloedt dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend. Louter cognitieve tekorten zijn volgens het onderdeel ook geen psychische stoornis in de zin van de Wvggz op basis waarvan een Wzd machtiging kan worden verleend.
3.6
3.7
Bij de bespreking van dit subonderdeel stel ik het volgende voorop.
3.8
Artikel 1 lid 4 Wzd luidt:
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ziekten en aandoeningen worden aangewezen die voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden gelijkgesteld met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap indien:
a. deze ziekten en aandoeningen dezelfde gedragsproblemen of regieverlies als een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap kunnen veroorzaken;
b. de benodigde zorg in verband met deze gedragsproblemen of regieverlies vergelijkbaar is met de zorg die nodig is bij een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap;
c. deze gedragsproblemen kunnen of dit regieverlies kan leiden tot ernstig nadeel.
3.9
Bij het Besluit gelijkgestelde aandoeningen zijn in artikel 1a.1 lid 1 Besluit zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapten cliënten (hierna: Bzd) de volgende drie aandoeningen gelijkgesteld met een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, mits voldaan is aan de in laatstgenoemd besluit genoemde aanvullende voorwaarden: het syndroom van Korsakov, de ziekte van Huntington en niet-aangeboren hersenletsel (NAH).4.
3.10
Bij het Besluit uitbreiding gelijkgestelde aandoeningen zijn in artikel 1a.1 lid 1 Bzd nog twee aandoeningen gelijkgesteld met een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, mits voldaan is aan de in laatstgenoemd besluit genoemde aanvullende voorwaarden: een chronische psychische stoornis, waarbij sprake is van gerontopsychiatrische problematiek en een autismespectrumstoornis.5.Dit Besluit uitbreiding gelijkgestelde aandoeningen is nog niet in werking getreden, maar krachtens bestuurlijke afspraken wordt er in de praktijk wel al zoveel mogelijk rekening mee gehouden.6.
3.11
Uit de Nota van Toelichting bij het Besluit uitbreiding gelijkgestelde aandoeningen volgt dat het spectrum van gelijkgestelde aandoeningen op grond van artikel 1 lid 4 Wzd in verbinding met artikel 1a.1 lid 1 Bzd breed kan zijn:7.
“Het gaat niet zozeer om de oorzaak van de gedragsproblemen of het regieverlies, maar om de gevolgen daarvan. Er kunnen zowel somatische aandoeningen als psychische stoornissen onder vallen.”
3.12
Daarnaast geeft artikel 24 lid 4 Wzd de rechter de mogelijkheid een Wzd-machtiging te verlenen in geval van psychische stoornis, die niet als gelijkgestelde aandoening is aangewezen op grond van artikel 1 lid 4 Wzd in verbinding met artikel 1a.1 lid 1 Bzd.Artikel 24 lid 4 Wzd luidt:
Onverminderd artikel 1, vierde lid, kan de rechter op verzoek van het CIZ een machtiging als bedoeld in het eerste lid verlenen ten aanzien van een persoon met een psychische stoornis en de stoornis van die persoon gelijkstellen met een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, indien de rechter op basis van de verklaring van een ter zake kundige arts oordeelt dat sprake is van een psychische stoornis:
a. die dezelfde gedragsproblemen of regieverlies als een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap kan veroorzaken;
b. waarbij de benodigde zorg in verband met deze gedragsproblemen of regieverlies vergelijkbaar is met de zorg die nodig is bij een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap; en
c. waarbij deze gedragsproblemen kunnen of dit regieverlies kan leiden tot ernstig nadeel.
3.13
Artikel 24 lid 4 Wzd is met de zogeheten Reparatiewet ingevoerd en in werking getreden op 6 november 2021.8.Deze bepaling is met een amendement in de Reparatiewet terecht gekomen. De indiener van het amendement heeft de bepaling als volgt toegelicht:9.
“De indiener vindt dat de mogelijkheden voor cliënten om bij een wisselende zorgbehoefte over te stappen van de ouderenzorg of gehandicaptenzorg naar de geestelijke gezondheidszorg en andersom verruimd moeten worden. De cliënt krijgt nu niet altijd op de voor haar meest geschikte plek onvrijwillige dan wel verplichte zorg kan ontvangen. De indiener is ervan overtuigd dat dit ten goede komt aan de juiste zorg op de juist belang en daarmee het belang van de patiënt/cliënt dient.
(…)
Dit amendement regelt dat de rechter op basis van een verklaring van een kundige arts en op verzoek van het CIZ een Wzd-machtiging kan verlenen aan een persoon met een psychische stoornis zonder dat sprake is van een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap. Deze psychische stoornis moet wel dezelfde gedragsproblemen of regieverlies veroorzaken als een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap en de zorg die nodig is, moet hiermee vergelijkbaar zijn. Ten slotte moeten de gedragsproblemen of dit regieverlies kunnen leiden tot ernstig nadeel. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, heeft de rechter de mogelijkheid om een zorgmachtiging te verlenen op grond van de Wzd in plaats van de Wvggz. Hierdoor wordt het wel mogelijk om een cliënt met een psychische stoornis in een Wzd-accommodatie op te nemen.”
3.14
Artikel 24 lid 4 Wzd biedt dus de mogelijkheid de gevolgen van de strikte scheiding tussen de Wvggz en de Wzd te verzachten wanneer de zorgbehoefte van betrokkene daar om vraagt. Op grond van deze bepaling kan de rechter immers een Wzd-machtiging verlenen als weliswaar geen sprake is van een psychogeriatrische aandoening, een verstandelijke handicap of een daarmee gelijkgestelde aandoening,10.maar wel van een psychische stoornis.11.Gelet op de hiervoor geciteerde parlementaire toelichting bij artikel 24 lid 4 Wzd ga ik ervan uit dat het moet gaan om een psychische stoornis in de zin van de Wvggz.12.
3.15
In artikel 24 lid 4 Wzd moet de oorzaak van de gedragsproblemen of het regieverlies dus een psychische stoornis zijn. In zoverre is de reikwijdte van artikel 24 lid 4 Wzd beperkter dan die van artikel 1 lid 4 Wzd in verbinding met artikel 1a.1 lid 1 Bzd. De gelijkgestelde aandoening op grond van laatstgenoemde bepalingen kan immers zowel somatisch als psychisch van aard zijn (zie hiervoor onder 3.11).
3.16
In de literatuur is erop gewezen dat artikel 24 lid 4 Wzd ertoe leidt dat verpleeghuizen en instellingen voor verstandelijk gehandicapten te maken krijgen met een nieuwe doelgroep van betrokkenen met een psychische stoornis voor wie geen behandelmogelijkheden meer zijn.13.Hoewel recent werd opgemerkt dat een beroep op artikel 24 lid 4 Wzd nog bijna niet was voorgekomen,14.zie ik in de gepubliceerde rechtspraak met name in het afgelopen jaar een stijgend aantal zaken waarin artikel 24 lid 4 Wzd wordt toegepast door de rechter.15.De kwestie die in deze zaak speelt, betreft dus een actueel onderwerp.
3.17
Ik keer terug naar de bespreking van subonderdeel 1.2. Dit subonderdeel slaagt.
3.18
De rechtbank heeft een machtiging tot opname en verblijf verleend op grond van artikel 24 lid 4 Wzd. Vereist voor het verlenen van een Wzd-machtiging op grond van artikel 24 lid 4 Wzd is, voor zover in cassatie relevant, dat de rechter op basis van een verklaring van een ter zake kundige arts oordeelt dat sprake is van een psychische stoornis.
3.19
In het subonderdeel wordt er mijns inziens terecht over geklaagd dat uit het oordeel van de rechtbank niet blijkt dat sprake is van een psychische stoornis, dan wel dat een daartoe strekkend oordeel onvoldoende is gemotiveerd.
3.20
In de medische verklaring van de psychiater onder 5 staat over de diagnose van betrokkene, voor zover relevant in cassatie:
“b. Tot welke diagnose bent u gekomen?
Er is sprake van de ziekte van Korsakow
(…)
d. Zijn er andere relevante diagnoses en welke?
Er is in ieder geval sprake van een chronisch-recidiverende alcoholverslaving. Deze is de oorzaak van de ziekte van Korsakow die bij patiënte ontstaan is. Er is sprake van reeds langer bestaande emotionele problematiek. Deze is eerder benoemd als borderline persoonlijkheidsstoornis en als posttraumatische stressstoornis.”
3.21
Over de diagnose van betrokkene overweegt de rechtbank in de overwegingen waartegen het middelonderdeel zich richt:
“3.6. De rechtbank stelt vast dat de diagnose Korsakov die in de medische verklaring is opgenomen veel discussie heeft doen ontstaan. Op grond van wat is besproken is de diagnose Korsakov voor de rechtbank niet komen vast te staan. Wel staat vast voor de rechtbank dat sprake is van (enige) cognitieve problemen. Dat is niet betwist en uit meerdere testen gebleken. Daarnaast is sprake van meerdere psychische aandoeningen, waaronder een chronisch-recidiverende alcoholverslaving. Tot slot is sprake van reeds langer bestaande emotionele problematiek. Deze is eerder benoemd als borderlinepersoonlijkheidsstoornis en posttraumatische stressstoornis.
3.7 (…)
Cliënt worstelt al jaren met diverse psychische problemen waaronder een ernstige alcoholverslaving. Zij is als gevolg van die problemen al jarenlang in behandeling, maar zonder enig (blijvend) resultaat. In periodes dat cliënt is opgenomen functioneert zij redelijk goed maar zodra ze met ontslag naar huis gaat valt zij onmiddellijk terug in haar verslaving. Dat heeft ertoe geleid dat ze meerdere malen binnen korte tijd weer opgenomen moest worden, zelfs op de SEH afdeling van het ziekenhuis. Naast deze problematiek speelt sinds enige tijd ook cognitieve problematiek. Hoewel niet helemaal duidelijk is hoe ernstig die problematiek is, is het de rechtbank wel duidelijk dat de combinatie van problemen ernstig genoeg is om een opname te rechtvaardigen. En het is de rechtbank ook duidelijk dat de zorgbehoefte (gericht op het tegen gaan van het ernstig nadeel) van cliënt het beste past bij het zorgregiem van de Wzd.”
3.22
Hoewel volgens de rechtbank sprake zou zijn van “meerdere psychische aandoeningen” of “diverse psychische problemen” noemt de rechtbank in dat verband alleen de chronisch-recidiverende alcoholverslaving. De borderlinepersoonlijkheidsstoornis en posttraumatische stressstoornis worden door de rechtbank onder de “emotionele problematiek” van betrokkene geschaard en worden bovendien ook niet meer genoemd in r.o. 3.7 of elders in de bestreden beschikking. Daarnaast onderscheidt de rechtbank nog, ten derde, de “cognitieve problematiek” van betrokkene. Over deze laatste categorie merkt het subonderdeel terecht op dat louter cognitieve tekorten geen psychische stoornis in de zin van de Wvggz zijn op basis waarvan een Wzd-machtiging kan worden verleend.
3.23
Ik ga er dus van uit dat de rechtbank als problematiek van psychische aard alleen het oog heeft op de alcoholverslaving van betrokkene.
3.24
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan niet elke verslaving aan middelen tot verplichte zorg op grond van de Wvggz leiden:16.
“Verslaving aan middelen als alcohol en drugs kan op zichzelf niet tot toepassing van de Wvggz leiden. Er moet om tot toepassing van de Wvggz te komen sprake zijn van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Deze psychische stoornis kan voortvloeien uit of samenhangen met de verslaving aan middelen. Het kan ook gaan om een van de verslaving losstaande psychische stoornis van andere aard (‘comorbiditeit’).”
3.25
Het subonderdeel klaagt terecht dat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat de alcoholverslaving van betrokkene het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen zo ingrijpend beïnvloedt dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend. Een dergelijke vaststelling ligt mijns inziens niet besloten in de door de rechtbank gegeven kwalificatie van de verslaving als “chronisch-recidiverend” of in de door de rechtbank in r.o. 3.7 genoemde omstandigheden dat betrokkene al jaren in behandeling is, maar zonder (blijvend) resultaat en dat zij zodra ze met ontslag naar huis gaat onmiddellijk terugvalt in haar verslaving, waardoor ze meerdere malen binnen korte tijd weer opgenomen moest worden, ook op de spoedeisende hulp.17.Dat de rechtbank in r.o. 3.1 heeft overwogen dat betrokkene ten tijde van de mondelinge behandeling is opgenomen bij [A] met een zorgmachtiging op grond van de Wvggz en dat in die procedure is vastgesteld dat betrokkene lijdt aan een ernstige alcoholverslaving en matig tot ernstige cognitieve stoornissen (Korsakov), kan ook niet aangemerkt worden als een vaststelling door de rechtbank in deze nieuwe procedure dat bij betrokkene een psychische stoornis in de hiervoor onder 3.24 geciteerde zin aanwezig is. Ook anderszins is naar mijn mening niet gebleken van een, voldoende gemotiveerde, vaststelling door de rechtbank dat sprake is van een psychische stoornis. De door de rechtbank in r.o. 3.7 genoemde combinatie van psychische en cognitieve problemen levert ook geen psychische stoornis in de zin van de Wvggz op.
3.26
Evenmin is de inhoud van de medische verklaring toereikend om een oordeel van de rechtbank te rechtvaardigen dat van een psychische stoornis sprake is. De onafhankelijke psychiater heeft de diagnose Korsakov gesteld − een gelijkgestelde aandoening in de zin van artikel 1 lid 4 Wzd −, welke diagnose volgens de rechtbank echter niet is komen vast te staan (r.o. 3.6). Daarnaast heeft de psychiater in de medische verklaring als andere relevante diagnose een chronisch-recidiverende alcoholverslaving van betrokkene genoemd, zonder dat blijkt dat voldaan is aan de eisen voor een psychische stoornis in de hiervoor onder 3.24 genoemde zin. Dat laatste geldt ook voor de in de medische verklaring genoemde emotionele problematiek, die blijkens die verklaring eerder is benoemd als borderline persoonlijkheidsstoornis en als posttraumatische stressstoornis.
3.27
Gelet op het voorgaande staat niet vast, dan wel is onvoldoende gemotiveerd dat is voldaan aan de in artikel 24 lid 4 Wzd gestelde eis dat sprake is van een psychische stoornis. De beslissing van de rechtbank lijkt primair ingegeven te zijn door de zorgbehoefte van betrokkene die naar het oordeel van de rechtbank het beste past bij het zorgregime van de Wzd (zie r.o. 3.7 slot). Die zorgbehoefte is een belangrijk aspect van artikel 24 lid 4 Wzd, zie immers in het bijzonder onder b in deze bepaling. Het belang van de zorgbehoefte laat echter onverlet dat ook voldaan moet zijn aan de eis van de psychische stoornis in artikel 24 lid 4 Wzd.
3.28
Onderdeel 2 is gericht tegen r.o. 3.12 en 4.3 waarin de rechtbank het verzoek om een second opinion heeft afgewezen. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank ten onrechte en zonder toereikende motivering het verzoek om een second opinion heeft afgewezen.
3.29
Nu de klacht van subonderdeel 1.2 slaagt, slaagt ook deze klacht. De rechtbank heeft in r.o. 3.12 het verzoek van de advocaat om een second opinion te gelasten afgewezen, voortbouwend op haar oordeel dat de machtiging verleend kan worden op grond van de door haar vastgestelde problematiek van betrokkene:
“Omdat de huidige combinatie van psychische problemen en cognitieve problemen op grond van artikel 24 lid 4 Wzd voldoende zijn om een rechterlijke machtiging toe te wijzen, zal de rechtbank het verzoek van de advocaat om een second opinion te gelasten afwijzen.”
3.30
Nu uit de bestreden beslissing niet dan wel onvoldoende gemotiveerd blijkt dat voldaan is aan de uit artikel 24 lid 4 Wzd voor het verlenen van een Wzd-machtiging gestelde eis dat sprake is van een psychische stoornis, is de afwijzing van het verzoek om een second opinion eveneens onvoldoende gemotiveerd.
3.31
Onderdeel 3 bouwt voort op de voorgaande onderdelen en betoogt dat indien een van de vorige klachten slaagt, artikel 5, aanhef en sub e, EVRM en artikel 14 lid 1, sub b, VN Gehandicaptenverdrag zijn geschonden. Met het slagen van subonderdeel 1.2 en onderdeel 2 slaagt ook dit onderdeel.
3.32
In het licht van het voorgaande kan dan ook het dictum niet in stand blijven, zodat ook de veegklacht in onderdeel 4 slaagt.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑01‑2025
Rb. Gelderland 9 juli 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:4585. De schriftelijke uitwerking van de beschikking is vastgesteld op 16 juli 2024.
NJ 2023/275, m.nt. J. Legemaate en JGz 2023/58, m.nt. R.B.M. Keurentjes.
Hoge Raad van 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1063, NJ 2023/275, m.nt. J. Legemaate en JGz 2023/58, m.nt. R.B.M. Keurentjes.
Stb. 2020, 129, in werking getreden op 21 april 2020.
Stb. 2023, 154.
Zie de op 1 januari 2024 in werking getreden bestuurlijke afspraken uitvoering Wet zorg en dwang 2024, p. 7-8, bijlage bij een brief aan de Tweede Kamer van de toenmalig minister voor Langdurige Zorg en Sport van 1 december 2023, Kamerstukken II 2023/24, 25 424, nr. 675. Krachtens de bestuurlijke afspraken wordt in de praktijk wel al zoveel mogelijk rekening gehouden met dit besluit, voor zover het gaat om mensen die al bij een zorgaanbieder verblijven of voor zover er sprake is van ambulante onvrijwillige zorg, zodat cliënten bij wie gerontopsychiatrische problematiek of een autismespectrumstoornis zoals bepaald in het besluit is vastgesteld door een ter zake kundige arts, onder de reikwijde van de Wzd kunnen worden gebracht.
Stb. 2023, 154, p. 3.
Kamerstukken II 2020/21, 35 667, nr. 38, p. 2-3. De kennelijke verschrijvingen in de tweede en derde zin van het citaat heb ik laten staan. De strekking van deze zinnen is ook met de verschrijvingen duidelijk.
Vgl. de parlementaire toelichting: Kamerstukken II 2020-2021, 35 667, nr. 38, in het bijzonder p. 3.
Frederiks in haar JGz-noot onder rb. Midden-Nederland 23 mei 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4026, JGz 2024/80, m.n.t. B.J.M. Frederiks. Deze noot lijkt overigens ook deels betrekking te hebben op de bestreden beschikking.
Swelsen en Arends in hun JGz-noot onder rb. Zeeland-West-Brabant 21 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2570, JGz 2024/63, m.nt, M. Swelsen en L.A.P. Arends.
Rb. Gelderland 21 april 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:2167; rb. Noord-Nederland 6 juni 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:2463, JGz 2023/75, m.n.t. B.J.M. Frederiks; rb. Zeeland-West-Brabant 21 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2570, JGz 2024/63, m.nt, M. Swelsen en L.A.P. Arends; rb. Midden-Nederland 23 mei 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4026, JGz 2024/80, m.n.t. B.J.M. Frederiks; rb. Noord-Nederland 17 juni 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:2432, JGz 2024/58, m.n.t. B.J.M. Frederiks; rb. Zeeland-West-Brabant 25 september 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:7681; vgl. nog voor de inwerkingtreding van de reparatiewet: rb. Noord-Nederland 28 januari 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:1169.
Zie onder meer HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1433, JGz 2023/3, m.nt. red., r.o. 3.2.3 en HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:559, NJ 2022/161, JGz 2022/21, m.nt. red., r.o. 3.2.3.
Vgl. ook de beoordeling van de Hoge Raad in HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:559, NJ 2022/161, JGz 2022/21, m.nt. red., r.o. 3.2.4.
Beroepschrift 26‑09‑2024
Procesinleiding in cassatie
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen,
Mevrouw [betrokkene] (‘Betrokkene’), inmiddels verblijvende te [locatie], [adres], [postcode] [woonplaats] die voor deze zaak woonplaats heeft gekozen aan de Dr Lelykade 10-C, 2583 CM Den Haag ten kantore van mr. M.A.M.
Wagemakers, advocaat bij de Hoge Raad die door Betrokkene is aangewezen om haar als zodanig te vertegenwoordigen en die deze procesinleiding voor haar indient.
Bij indiening van deze procesinleiding wordt overgelegd:
- —
de beschikking van de Rechtbank Gelderland d.d. 9 juli 2024;
- —
de aanbiedingsbrief; en
- —
de recente adresgegevens van de in vorige aanleg verschenen personen te weten:
Mr. P Hoezen, advocaat
Gasthuisstraat 47
7101 DT Winterswijk
En
CIZ
Postbus 2891
3500 GW Utrecht
Betrokkene fourneert ter griffie het procesdossier, bestaande uit:
- 1.
Verzoekschrift rechterlijke machtiging d.d. 25 juni 2024 met daarbij:
- 1.
de aanvraag voor de rechterlijke machtiging als bedoeld in art. 25 Wzd;
- 2.
de hiervoor genoemde medische verklaring als bedoeld in art. 26 lid 6 onder d Wzd;
- 3.
het hiervoor genoemde opgestelde zorgplan als bedoeld in art. 26 lid 7 onder b Wzd;
- 4.
opnamebevestiging in [zorginstelling] van 11 juni 2024;
- 5.
een afschrift van het indicatiebesluit, dat op grond van art. 3.2.3 van de Wlz door het CIZ is vastgesteld;
- 6.
een afschrift van de beschikking waarbij het mentorschap is ingesteld en een afschrift van de beschikking waarin de mentor is benoemd;
- 7.
machtiging vertegenwoordiging Aanvraagformulier rechterlijke machtiging d.d. 22 maart 2022;
- 2.
de beschikking van de Rechtbank Gelderland d.d. 9 juli 2024;
- 3.
het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting op 9 juli 2024;
Betrokkene stelt hierbij cassatieberoep in tegen de beschikking, van de Rechtbank Gelderland, uitgesproken op 9 juli 2024 en gewezen in de zaak met zaaknummer C/05/437719 / FZ RK 24/1550 tussen het CIZ als verzoekster en Betrokkene als verweerster.
Betrokkene voert tegen de beschikking aan het navolgende:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat de rechtbank heeft overwogen en beslist als in de beschikking is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden:
Inleiding
Nadat de rechtbank in rov 3.6, anders dan de medische verklaring, geen Korsakov vastgestelde, werd wel vastgesteld dat er sprake is van meerdere psychische aandoeningen, waaronder een chronisch recidiverende alcoholverslaving en emotionele problematiek.
Omdat de zorgbehoefte naast de stoornis leidend is (rov 3.7), ernstig nadeel werd vastgesteld (rov 3.8) en opname en verblijf nog noodzakelijk is (rov 3.9), oordeelde de rechtbank dat is voldaan aan de criteria van de WZD en verleende zij een machtiging tot 9 januari 2025. (3.11).
Het (gemotiveerde) verzoek van de advocaat om een second opinion omdat verschillende psychiaters in dezelfde omstandigheden tot een ander oordeel kwamen1., werd afgewezen (rov 3.12).
1. Geen uitzicht op ander regime en geen stoornis in de zin van Wvggz
1.1
In rov 3.6, leidend tot rov 3.7, 3.9 en 3.11 heeft de rechtbank ten onrechte en/of zonder toereikende motivering geoordeeld dat als er geen behandelmogelijkheden zijn en er zorg nodig is om regieverlies tegen te gaan de WZD van toepassing is, ook als er sprake is van een psychische stoornis en dat die omstandigheid zich hier voordoet. Immers is zulks slechts toelaatbaar indien de machtiging wordt verleend met het oog op een reeds voorziene overgang van betrokkene naar een instelling met het andere (WZD) regime en voor een daarop toegesneden beperkte duur (een overbruggingsmachtiging).2. Daarvan is in het geval van Betrokkene geen sprake en bevat het dossier daarvoor ook geen aanknopingspunten. Ook is opname en verblijf in een WZD instelling (louter) ter afwending van ernstig nadeel, observatie en onderzoek (rov 3.9) geen rechtens toelaatbare reden.
1.2
Dat oordeel is ook onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd omdat Korsakow niet is vastgesteld, maar slechts cognitieve tekorten en een chronisch recidiverende alcoholverslaving, zonder dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de alcoholverslaving van betrokkene het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen zo ingrijpend beïnvloedt dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend. Louter cognitieve tekorten zijn ook geen psychische stoornis in de zin van de Wvggz op basis waarvan een WZD machtiging kan worden verleend.
2. Verzoek om second opinion
In rov 3.12 en 4.3 heeft de rechtbank ten onrechte en/of zonder toereikende motivering het verzoek om een second opinion afgewezen omdat de huidige combinatie van psychische problemen en cognitieve problemen voldoende zijn om een rechterlijke machtiging op voet van artikel 24 lid 4 WZD toe te wijzen en omdat de voorgestelde vragen daarvoor niet relevant zijn. Immers is de, na de discussie ter zitting, overblijvende psychiatrische diagnose cognitieve schade zonder Korsakow3. onvoldoende (gemotiveerd) om een WZD machtiging te kunnen verlenen.
3. EVRM & Gehandicaptenverdrag
Indien enige van de hiervoor gaande klachten slaagt, dan zijn ook artikel 5 aanhef sub e EVRM en artikel 14 lid 1 sub b van het VN Gehandicaptenverdrag geschonden.
Immers is betrokkene dan langdurig haar vrijheid ontnomen terwijl niet ‘een procedure prescribed by law’ is gevolgd.
4. Veegklacht
Indien enige van de hiervoorgaande klachten slaagt, kan ook het dictum-rov 4- niet in stand blijven.
Conclusie
Op bovenstaande gronden verzoekt Betrokkene de Hoge Raad de bestreden beschikking van de Rechtbank Gelderland te vernietigen en te verwijzen.
Deze procesinleiding is ingediend via het digitale portaal van de Hoge Raad.
Den Haag, 26 september 2024
advocaat