Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/9.2.2.2
9.2.2.2 Ontbinding door de oude schuldeiser
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS587130:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Wiarda 1937, p. 291; Asser/Beekhuis 3-I 1980, p. 228; Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 283; Losbladige Verbintenissenrecht 2004 (Van Mierlo), art. 6:142, aant. 20; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 261; Van Achterberg 1999, nr. 12; Wibier 2009a, nr. 20; Van der Grinten 1993a, nr. 41; Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 110.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 933. De oude schuldeiser doet door de overgang van de vordering dan ook niet afstand van zijn bevoegdheid tot ontbinding. Anders: Heyning-Plate 1969, p. 103-104.
Zie Wiarda 1937, p. 291.
Zie Wiarda 1937, p. 291; Van der Grinten 1993a, nr. 41; en Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 110.
Zie hierna nr. 687.
De objectieve goede trouw onder het oude recht, zie art. 1374 III BW (oud). Vgl. art. 6:2 lid 1, 6:248 lid 1 BW.
Zie Wiarda 1937, p. 291. Vgl. Asser/Beekhuis 3-I 1980, p. 228; Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 283; en Losbladige Verbintenissenrecht 2004 (Van Mierlo), art. 6:142, aant. 20; Wibier 2009a, nr. 20; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 261.
Zie in deze laatste zin bijvoorbeeld, in een eerdere druk, Asser/Hartkamp 4-I 2004, nr. 566.
Zie Van Achterberg 1999, nr. 12.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 933.
Zie Verhagen & Rongen 2000, p. 134-136; en vgl. Rongen 2002b, p. 289-291. Een verschil tussen het gezamenlijk ontbinden en het verlenen van toestemming aan een ontbinding is dat in het eerste geval de eenzijdige rechtshandeling door de oude en de nieuwe schuldeiser tezamen wordt verricht, en in het laatste geval door de oude schuldeiser zelfstandig.
Zie voor enige kanttekeningen bij de dogmatische onderbouwing, Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 283.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 261. Vgl. ook de vorige druk, Asser/Hartkamp 4-I 2004, nr. 566.
Als hoofdregel geldt dus ook volgens Hartkamp en Sieburgh dat de oude schuldeiser zonder de medewerking of toestemming van de nieuwe schuldeiser bevoegd is om de overeenkomst te ontbinden. Zelfstandig bevoegd is de heersende leer; gezamenlijk bevoegd is de afwijkende opvatting van Verhagen en Rongen.
508. De parlementaire geschiedenis zwijgt over de vraag of de oude schuldeiser ook na de overgang van de vordering bevoegd blijft om de overeenkomst te ontbinden als de schuldenaar tekortschiet met betrekking tot de overgegane vordering. Deze vraag dient bevestigend te worden beantwoord: schiet de schuldenaar tekort in de nakoming van de vordering die is overgegaan, dan is de oude schuldeiser als partij zelfstandig bevoegd om de overeenkomst te ontbinden.1 De oude schuldeiser is hiertoe bevoegd op grond van de wet als partij bij de rechtsverhouding uit overeenkomst, óók als de vordering ten aanzien waarvan de schuldenaar tekortschiet is overgegaan op de nieuwe schuldeiser. Voldoende is dat de schuldenaar, als wederpartij, tekortschiet ten aanzien van de vordering.
Niet van belang is of de vordering zich nog in het vermogen van de oude schuldeiser bevindt. De oude schuldeiser is als verkoper ook bevoegd tot het stellen van de redelijke termijn als bedoeld in art. 7:40 lid 1 BW.
De oude schuldeiser heeft een eigen belang bij de uitoefening van de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden, als hij zich langs deze weg kan bevrijden van een eventueel door hem verschuldigde tegenprestatie of een reeds voldane tegenprestatie kan terugvorderen.2 Hij heeft daarbij ook een belang als hij door de nieuwe schuldeiser aansprakelijk wordt gesteld uit hoofde van wanprestatie, omdat de schuldenaar tekortschiet (art. 7:17 jo 7:47 jo 6:74 BW), of als hij gehouden is de voor de vordering ontvangen koopsom aan de nieuwe schuldeiser terug te betalen (art. 7:17 en 7:26 jo 7:47 jo 6:265 jo 6:271 BW).3
Uit de rechtsverhouding tussen de oude schuldeiser en de nieuwe schuldeiser kan voortvloeien dat de oude schuldeiser (verbintenisrechtelijk) ook verplicht is om de overeenkomst te ontbinden of dat hij zich daarvan juist dient te onthouden.4 Een dergelijke verbintenis kan voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2, 6:248 BW).5 Waartoe de oude schuldeiser gehouden is, dient van geval tot geval te worden beoordeeld; een algemene regel is niet te geven. Over het algemeen zal uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeien dat als de schuldenaar tekortschiet ten aanzien van een achtergebleven vordering, maar niet ten aanzien van de overgegane vordering, de oude schuldeiser de overeenkomst gedeeltelijk dient te ontbinden, opdat de nieuwe schuldeiser van de ontbinding geen nadelige gevolgen ondervindt. De oude schuldeiser en de nieuwe schuldeiser kunnen uiteraard ook krachtens partijafspraak de uitoefening van de bevoegdheid van de oude schuldeiser nader bepalen. Ook in dit geval is aileen sprake van een verbintenisrechtelijke inperking.6
509. In de literatuur zijn ook andere dogmatische verklaringen gegeven voor en andere zienswijzen verdedigd met betrekking tot de ontbindingsbevoegdheid van de oude schuldeiser. Wiarda heeft verdedigd dat de oude schuldeiser bevoegd is om de overeenkomst te ontbinden, omdat de tekortkoming van de schuldenaar jegens de nieuwe schuldeiser ook 'indirect' jegens de oude schuldeiser is gericht als de vordering is overgegaan. De schuldenaar blijft uit hoofde van zijn rechtsverhouding met de oude schuldeiser op grond van de redelijkheid en billijkheid7 altijd gehouden om de overeenkomst correct uit te voeren. De tekortkoming is 'direct' in het normale geval dat de vordering niet of slechts gedeeltelijk overgaat en de schuldenaar tekortschiet. 8 Deze constructie is naar mijn mening gekunsteld en wekt bovendien mogelijk verwarring. Zij verdient om die reden niet de voorkeur. De constructie is gekunsteld, omdat een (extra) verbintenis jegens de oude schuldeiser wordt aangenomen teneinde diens bevoegdheid tot ontbinding te redden, terwijl de tekortkoming van de schuldenaar jegens de nieuwe schuldeiser als grond voor ontbinding volstaat. De constructie is mogelijk verwarrend, omdat er geen sprake is van een echte uitzondering, maar alleen van een dogmatische constructie, terwijl dit snel verkeerd kan worden begrepen, namelijk dat de oude schuldeiser niet meer bevoegd zou zijn tot ontbinding.9
Van Achterberg is van mening dat de oude schuldeiser bevoegd is om de overeenkomst ten behoeve van de nieuwe schuldeiser te ontbinden.10 Voor zover dit impliceert dat de oude schuldeiser de bevoegdheid alleen in het belang van de nieuwe schuldeiser mag uitoefenen, vindt deze opvatting naar mijn mening geen steun in het recht. Een dergelijke zienswijze is ook niet wenselijk, omdat ook de oude schuldeiser een eigen belang kan hebben bij de uitoefening van de bevoegdheid tot ontbinding.11 Oak dan moet hij bevoegd zijn tot ontbinding.
Ook het standpunt van Verhagen en Rongen dat door de overdracht van de vordering een driepartijenverhouding tussen de oude schuldeiser, de nieuwe schuldeiser en de schuldenaar ontstaat, waarbij op grond van art. 6:279 lid 2 en lid 3 BW voortvloeit dat de oude en de nieuwe schuldeiser de overeenkomst alleen gezamenlijk kunnen ontbinden, dan wel dat de oude schuldeiser dit alleen met toestemming van de nieuwe schuldeiser kan, vindt geen steun in het recht.12 Uit de wet, de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak volgt niet dat de oude schuldeiser de medewerking of de toestemming van de nieuwe schuldeiser behoeft om de overeenkomst te ontbinden.13 De zienswijze verdient ook niet de voorkeur, omdat het een onnodige (absolute) inperking is van een wettelijke bevoegdheid. De belangen van de nieuwe schuldeiser zijn voldoende gediend door een verbintenisrechtelijke verplichting van de oude schuldeiser om bij een ontbinding met de belangen van de nieuwe schuldeiser rekening te houden.
Hartkamp en Sieburgh verdedigen dat de oude schuldeiser bevoegd blijft tot ontbinding, maar dat hij zijn bevoegdheid naar redelijkheid en billijkheid niet in strijd met het belang van de nieuwe schuldeiser mag uitoefenen. "Daarmee stemt overeen de mening dat de cedent en de cessionaris gezamenlijk tot ontbinding gerechtigd zijn."14 Navraag leert dat deze zin zó dient te worden begrepen dat de oude schuldeiser zelfstandig tot ontbinding bevoegd is, maar dat niet uitgesloten is dat hij zich jegens de nieuwe schuldeiser contractueel verplicht om diens medewerking of toestemming te vragen voordat hij tot ontbinding overgaat.15 De opvatting van Hartkamp en Sieburgh dat de oude schuldeiser zijn bevoegdheid tot ontbinding naar redelijkheid en billijkheid niet in strijd met het belang van de nieuwe schuldeiser mag uitoefenen, verdient naar mijn mening nuancering. Er dient sprake te zijn van een belangenafweging. Weegt het belang van de oude schuldeiser zwaarder dan dat van de nieuwe schuldeiser, dan handelt de oude schuldeiser naar mijn mening niet zonder meer in strijd met de redelijkheid en billijkheid als hij in zijn eigen belang handelt (en dus in strijd met dat van de nieuwe schuldeiser).