Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/6.6.1
6.6.1 Door de schuldeiser gemaakte kosten
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590664:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 109-125. De proceskosten worden onderscheiden in onder meer vaste rechten (griffierechten), rechtsbijstandhonoraria (advocaatkosten) en gerechtsdeurwaardershonoraria en verschotten voor diverse kosten zoals advertentiekosten, getuigentaxen, bewaringskosten, vertalingskosten en reiskosten van rechtshulpverleners. Zie Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 111 e. v. De proceskosten zijn vermogensschade.
Vgl. Lindenbergh 1999, p. 106, r.k. Het verschil tussen de buitengerechtelijke kosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2 sub b en c BW en de gerechtelijke kosten als bedoeld in art. 237 e.v. Rv correspondeert met het verschil tussen het buiten en het in rechte vorderen van nakoming van de schuldenaar. Zie het onderscheid tussen beide: r.o. 3.9, HR 14 januari 2005, NJ 2007, 482 (Van Rossum/Fortis), m.nt. Jac. Hijma onder NJ 2007, 481; vgl. M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 337.
Zie N.v.W., Parl. Gesch. Boek 6, p. 338. Vgl. Lindenbergh 1999, p. 106.
Vgl. HR 11 juli 2003, NJ 2005,50 (Bravenboer/London Verzekeringen), m.nt. JBMV.
Zie Lindenbergh 1999, p. 108-110.
Zie HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 196 (Amev/Staat), m.nt. ARB; Lindenbergh 1999, p.110.
Zie M.v.A., Parl. Gesch. Boek 6, p. 334 e.v.; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 28-30.
Zie voor deurwaarderskosten, art. 240 Rv en Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders; en voor griffierechten, art. 243 Rv en Wet tarieven in burgerlijke zaken.
Uitzonderingen zijn denkbaar, ieder draagt dan zijn eigen kosten, bijvoorbeeld als het een geschil betreft tussen familieleden. Zie Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 118.
Zie HR 5 december 1997, NJ 1998,400 (Terminus/ZAO), m.nt. JH onder NJ 1998, 402; en A-G Hartkamp in zijn conclusie (sub 11 en 17) voor HR 5 december 1997, NJ 1998, 400 (Terminus/ZAO), m.nt. JH onder NJ 1998, 402; Vgl. r.o. 17, in het arrest van het Hof, in de procedure die leidde tot HR 11 februari 1994, NJ 1995,494 m.nt. CJHB; en Hof Amsterdam 23 februari 1995, VR 1995/93. Vgl. Van Boom 2000, p. 73 (par. 3.6.3); Asser/Clausing & Wansink 5-VI 2007, nr. 432.
Zie t.a.v. art. 6:96 lid 2 sub c BW, Lindenbergh 1999, p. 109, l.k., nt. 30; en Lindenbergh 2006, p. 325. Vgl. ook A-G Hartkamp in zijn conclusie (sub 13) vóór HR 5 december 1997, NJ 1998, 400 (Terminus/ZAO), m.nt. JH onder NJ 1998, 402.
Zie voor een voorbeeld onder het oude recht: HR 3 april1987, NJ 1988, 275 (L & L/Drenth), m.nt. CJHB. Vgl. ook HR 15 december 1989, NJ 1990,309 (Arbeid Uurwerken/Schwartz); en HR 17 november 1989, NJ 1990, 749 (Gemeente Velsen/De Waard).
Vergoeding van vaststellingskosten, buitengerechtelijke kosten en proceskosten kan ook plaatsvinden bij het verhaal van vorderingen die geen schadevergoedingsvorderingen zijn. Zie HR 26 september 2003, NJ 2003, 645 (Sterpolis/Amicon); HR 5 december 1997, NJ 1998, 400 (Terminus/ZAG), m.nt. JH onder NJ 1998, 402; N.v.W., Parl. Gesch. Boek 6, p. 338; en vgl. A-G Hartkamp in zijn conclusie (sub 12) vóór HR 5 december 1997, NJ 1998,400 (Terminus/ZAG).
In die zin dient ook het arrest HR 11 juli 2003, NJ 2005, 50 (Bravenboer/London Verzekeringen), m.nt. JBMV te worden begrepen.
Zie Lindenbergh 1999, p. 108, r.k. en p. 109, l.k. en nt. 30. Zie ook Lindenbergh 2006, p. 325.
Zie HR 18 februari 2005, NJ 2005, 216 (A, Ben C/Aegon), bevestigd in HR 8 september 2006, NJ 2006,492. Vgl. hierover Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 117, nt. 19, met verdere literatuurverwijzingen. Art. 241 Rv maakt hierop een uitzondering. Vgl. ook Losbladige Schadevergoeding 2009 (S.D. Lindenbergh), art. 6:96, aant. 198. Deze grondslag is overigens wel passend voor de vergoeding van vertragingsschade.
366. Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (art. 6:96 lid 2 aanhef en sub b BW, 'vaststellingskosten') en de redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (art. 6:96 lid 2 aanhef en sub c BW, 'buitengerechtelijke kosten').1 De schuldenaar kan ook gehouden zijn de proceskosten, waaronder deurwaarderskosten, griffierechten en advocaatkosten te vergoeden aan de schuldeiser, indien hij daartoe veroordeeld wordt (art. 237 e.v. Rv). 2 De kosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2 sub ben c BW en art. 237 e.v. Rv hebben gemeenschappelijk dat zij het gevolg zijn van bepaalde inspanningen aan de kant van de schuldeiser.3 Deze inspanningen houden rechtstreeks verband met het verhaal van de vordering. Voor het verhaal van de vordering kan het nodig zijn om de schade vast te stellen en in en buiten rechte nakoming te vorderen. De schuldeiser kan vergoeding van de vaststellingskosten, buitengerechtelijke kosten en proceskosten vorderen naast de vergoeding van de geleden vertragingsschade en de nakoming van de hoofdvordering, waarvoor de kosten van verhaal worden gemaakt.4
De toewijzing van vergoedingvordering kent als voorwaarde dat de hoofdvordering bestaat dan wel wordt toegewezen. Als geen hoofdvordering bestaat, biedt art. 6:96 lid 2 BW geen grondslag voor de vergoeding van gemaakte vaststellingskosten en buitengerechtelijke kosten.5 Aan de proceskostenveroordeling van art. 237 e.v. Rv ligt hetzelfde uitgangspunt ten grondslag: de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, wordt in de kosten veroordeeld. Als de hoofdvordering niet wordt toegewezen, biedt art. 237 e.v. Rv in beginsel geen grondslag voor de vergoeding van gemaakte kosten.
Alleen de redelijke kosten worden vergoed. Voor de vaststellingskosten en de buitengerechtelijke kosten volgt dit uit art. 6:96 lid 2 BW. Het maken van de kosten moet redelijk zijn geweest en de kosten moeten naar hun omvang redelijk zijn (de zogenaamde 'dubbele redelijkheidstoets').6 Ook zeer geringe kosten en 'interne' kosten (bijvoorbeeld, gemaakt in het bedrijf van de gelaedeerde) komen voor vergoeding in aanmerking.7 Blijkens de parlementaire geschiedenis bestaat een voorkeur voor een meer abstracte wijze van berekening.8 De proceskostenveroordeling wordt toe gewezen aan de hand van vaste tarieven9 of op basis van in de praktijk gehanteerde forfaitaire liquidatietarieven.10 Er is ook hier sprake van een abstracte wijze van berekening. De rechter kan de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening van de partij laten die deze kosten aanwendde of veroorzaakte (art. 237 lid1 Rv).11 Hieruit volgt dat ook bij de proceskostenveroordeling alleen de redelijke proceskosten worden vergoed.
De grondslag van de vergoeding van de kosten ex art. 6:96 lid 2 BW en art. 237 e.v. Rv dient in de bepalingen zelf te worden gevonden. De bepalingen zijn op hun beurt een uitwerking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW).12 Uit de bepalingen zelf volgt de redelijke begrenzing van de te vergoeden kosten.
367. In de literatuur bestaan ook andere opvattingen over de grondslag van deze vorderingen, en daarmee ook – zoals hieronder zal blijken – over de toewijsbaarheid van de vergoedingsvorderingen. Volgens Lindenbergh dient de grondslag voor de vergoeding van de kosten te worden gezocht in dezelfde normschending die ten grondslag ligt aan de primaire schadevergoedingsvordering van de schuldeiser.13 Bijvoorbeeld, bij een schadevergoedingsvordering op grond van onrechtmatige daad, dient dezelfde onrechtmatige daad ook als grondslag voor de vergoedingsvorderingen. Deze opvatting verdient niet de voorkeur. Een dergelijke grondslag biedt alleen soelaas voor de kosten van verhaal die worden gemaakt voor schadevergoedingsvorderingen,14 maar niet voor andersoortige vorderingen.15Art. 6:96 lid 2 sub ben c BW en art. 237 e.v. Rv stellen niet als eis dat het gaat om een schadevergoedingsvordering: het bestaan van een vordering tot verhaal waarvan de kosten worden gemaakt, is voldoende.16 Deze grondslag biedt derhalve geen uitkomst. Ook dient de grondslag voor de vergoeding van de kosten niet te worden gebaseerd op een (veronderstelde) onrechtmatige daad van de schuldenaar of de procespartij, of diens "onterechte weigering tot nakoming van de verplichting tot betaling", zoals Lindenbergh heeft betoogd.17 Een proceskostenveroordeling die ten laste van de verliezende partij en ten gunste van de winnende partij wordt uitgesproken, berust niet op een door de verliezende partij gepleegde onrechtmatige daad. Procederen, ook als dat niet tot een gunstig resultaat leidt, kan op zichzelf niet als onrechtmatig worden aangemerkt, zo volgt uit de rechtspraak.18 Hetzelfde geldt voor het buiten rechte verweer voeren.
Resumerend: art. 6:96 lid 2 sub ben c Rv en art. 237 e.v. Rv bieden een zelfstandige, wettelijke grondslag voor de vergoeding van de gemaakte vaststellingskosten, buitengerechtelijke kosten en proceskosten die zijn gemaakt in verband met het verhaal van een vordering. De omvang van de te vergoeden kosten wordt beperkt door de redelijkheid en billijkheid alsmede door (een voorkeur voor) een abstracte wijze van berekening van de kosten.