Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/6.6.3
6.6.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS583648:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de kosten van executie o.a. art. 3:253 lid 1 BW (pand); art. 3:277 lid 1 BW (verhaal, algemeen); art. 480 lid 1 Rv (derdenbeslag); art. 182 Fw (faillissement); en art. 4:7 lid 1 sub c jo 4:2 sub 1 BW (vereffening). Zie voor de kosten van onderhoud en behoud: art. 3:243 lid 2 BW (pand); art. 1:358 lid 1 BW (minderjarigenbewind); vgl. art. 1:442 lid 2 BW (meerderjarigenbewind) en art. 4:174 lid 1 BW (testamentair bewind); art. 3:172 BW (gemeenschap); art. 4:144 lid 1 en 4:147 lid 1 BW (executele); art. 6:200 lid 2 BW (zaakwaarneming). Bij vruchtgebruik dient de vruchtgebruiker in de regel de kosten zelf te betalen, zie bijvoorbeeld art. 3:205 lid 6 BW, art. 3:209 lid 2 BW en art. 3:220 BW, en vgl. art. 3:223 BW en art. 3:206 BW. Bij pand geldt in voorkomende gevallen een toestemmingsvereiste van de pandgever, zie art. 3:243 lid 2 BW. Een andere uitzondering is de verdeling van de proceskosten in de procedures zoals bedoeld in art. 3:218 BW en art. 3:245 BW, zie hierna nr. 651 en 715.
Vgl. o.a. Losbladige Vermogensrecht 2009 (P.A. Stein) art. 3:243, aant. 9.2.
Zie bijvoorbeeld in het kader van art .3:172 BW, Asser/Perrick 3-IV 2007, nr. 17.
De enige eis die art. 6:96 lid 2 BW stelt, is dat de kosten worden gemaakt voor het verhaal van de vordering. Art. 6:96 lid 2 BW stelt niet als eis dat de persoon aan wie deze kosten worden vergoed, de schuldeiser dient te zijn. Vgl. N.v.W., Parl. Gesch. Boek 6, p. 338.
Zie HR 22 december 2000, NJ 2002,35, m.nt. HJS. Vgl. reeds Hermans 1996, p. 234.
Zie T&C Burgerlijke Rechtsvordering 2002 (Van Maanen), art. 254, aant. 3a; Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering 2003 (E.J. Numann), art. 237, aant. 17. Vgl. voor de executele: Asser/Perrick 4* 2009, nr. 516; en voor onmiddellijke vertegenwoordiging Asser 1999, nr. 5.15 en nr. 6.1. Vgl. voor een ongunstige proceskostenveroordeling, F.H. J. Mijnssen in zijn noot (sub 5) onder HR 19 oktober 1979, NJ 1980, 299.
Vgl. hierna nr. 716.
Zie voor de pandhouder, Losbladige Vermogensrecht 2009 (P.A. Stein), art. 3:243, aant. 14. Vgl. voor de executeur, Gem. Hof NA en Aruba 31 maart 2009, LJN: BI0033, en daarover Luijten en Meijer 2009. Vgl. voorts art. 3: 253 lid 1 BW, art. 480 Rv en art. 182 Fw. Zie ook hierna nr. 716.
Een andere benadering is dat de vergoedingsvordering meteen in het vermogen van de stille cessionaris ontstaat (voor wiens rekening de kosten komen), zodra de kosten worden gemaakt. De stille cedent kan deze vordering innen en zijn verplichting tot afdracht eventueel verrekenen met hetgeen de stille cessionaris hem verschuldigd is op grond van art. 7:406 lid 1 BW.
372. Ten aanzien van de vergoedingsvorderingen is het niet alleen de vraag of de stille cedent deze vorderingen van rechtswege kan innen, maar ook of deze vergoedingsvorderingen in zijn vermogen kunnen ontstaan.
Heeft de schuldeiser vaststellingskosten, buitengerechtelijke kosten of proceskosten gemaakt, dan is de vordering tot vergoeding daarvan in zijn vermogen ontstaan. Is de derde inningsbevoegd ten aanzien van de hoofdvordering, dan is hij uit dien hoofde niet van rechtswege ook inningsbevoegd ten aanzien van deze vergoedingsvorderingen. Indien nodig kan hij ten aanzien van deze vorderingen afzonderlijk inningsbevoegd worden. Na inning dient de inningsbevoegde de vergoeding aan de rechthebbende af te dragen.
373. Als de inningsbevoegde derde voor het verhaal van de vordering zelf vaststellingskosten, buitengerechtelijke kosten of proceskosten maakt, is het de vraag van wie hij deze kosten vergoed kan krijgen: van de schuldenaar of van de schuldeiser, en op grond waarvan.
In de interne verhouding tussen de inningsbevoegde derde en de schuldeiser van de hoofdvordering, is de schuldeiser in de regel gehouden tot vergoeding van de kosten van executie en de kosten tot behoud en onderhoud.1 Onder deze kosten vallen de kosten voor het verhaal van de hoofdvordering als bedoeld in art. 6:96 lid 2 sub ben c BW en art. 237 e.v Rv.2 Deze kosten komen voor rekening van de schuldeiser. Hij dient de kosten aan de inningsbevoegde derde te vergoeden. Die verplichting kan ook bestaan ten aanzien van uitgaven die nog moeten plaatsvinden.3
De inningsbevoegde derde kan de vaststellingskosten, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten van de schuldenaar vorderen. Heeft hij de vaststellingskosten en de buitengerechtelijke kosten zelf gemaakt, dan is goed verdedigbaar dat deze vergoedingsvorderingen op grond van art. 6:96 lid 2 BW in zijn vermogen ontstaan.4 Hetzelfde geldt voor de proceskosten. Deze benadering wordt in ieder geval bij derdenbeslag gevolgd. De Hoge Raad stond toe dat, nadat een door de beslaglegger gevoerde nakomingsprocedure (art. 477a lid 4 Rv) tot een einde was gekomen door het faillissement van de geëxecuteerde, de beslaglegger de procedure jegens de derde-beslagene voortzette voorzover deze betrekking had op de vordering tot vergoeding van de proceskosten.5 Daaruit volgt dat de vordering tot vergoeding van de proceskosten niet aan de (inmiddels gefailleerde) geëxecuteerde toekwam, aangezien anders de curator nakoming had kunnen eisen van deze vordering. Wordt deze benadering gevolgd, en is de schuldeiser ook gehouden om de door de inningsbevoegde derde gemaakte kosten van inning te vergoeden, dan heeft de inningsbevoegde derde de keuze om de schuldenaar aan te spreken of de schuldeiser. Voldoet de schuldeiser de inningsbevoegde derde voordat deze zich heeft kunnen verhalen op de schuldenaar (of voldoet de inningsbevoegde derde zichzelf uit het vermogen van de schuldeiser, indien hij daartoe bevoegd is), dan is verdedigbaar dat de schuldeiser wordt gesubrogeerd in de rechten van de inningsbevoegde derde jegens de schuldenaar (art. 6:150 BW) en van die vordering vervolgens nakoming wordt gevorderd.
Het is ook verdedigbaar dat de inningsbevoegde derde nakoming vordert van een vordering die aan de schuldeiser toekomt voorzover de kosten voor diens rekening komen. De proceskostenveroordeling vindt dan in hoedanigheid plaats: de vordering tot vergoeding van de proceskosten komt niet toe aan de formele procespartij (de inningsbevoegde derde), maar aan de materiële procespartij (de schuldeiser).6 Ontstaat de vergoedingsvordering in het vermogen van de schuldeiser, dan kan de derde na inning van deze vordering zijn verplichting tot afdracht van het geïnde verrekenen (voor zover toegestaan)7 met zijn vordering jegens de schuldeiser tot vergoeding van de door hem gemaakte kosten.
De eerste benadering heeft mijn voorkeur. De uitkomst van beide benaderingen zal in het merendeel van de gevallen dezelfde zijn. De inningsbevoegde derde zal de kosten die hij heeft gemaakt in het kader van de inning van de vordering kunnen voldoen uit de opbrengst van de vergoedingsvordering.8
374. In de interne verhouding tussen stille cedent en stille cessionaris draagt de stille cessionaris de kosten voor het verhaal van de vordering, tenzij anders is overeengekomen (zie art. 7:406 lid 1 BW).
Maakt de stille cessionaris de vaststellingskosten en de buitengerechtelijke kosten (art. 6:96 lid 2 sub ben c BW), dan ontstaat de vordering tot vergoeding daarvan in zijn vermogen. De stille cedent zal in beginsel bevoegd zijn om jegens de schuldenaar vergoeding van deze kosten te vragen. Na inning dient hij de vergoeding aan de stille cessionaris af te dragen. Maakt de stille cedent deze kosten, dan is goed verdedigbaar dat de vergoedingsvordering in zijn vermogen ontstaat. Hij is in dat geval als schuldeiser bevoegd om deze vordering te innen. Vergoedt de stille cessionaris aan de stille cedent diens kosten van inning op grond van art. 7:406 BW lid 1 BW, dan wordt de stille cessionaris gesubrogeerd in de vordering jegens de schuldenaar en int de stille cedent vervolgens deze vordering.9
De vordering uit hoofde van een proceskostenveroordeling ontstaat bij de stille cessionaris als materiële procespartij. De stille cedent als formele procespartij is bevoegd om ten behoeve van de stille cessionaris een proceskostenveroordeling te vragen. Hij is als lasthebber in beginsel ook bevoegd om de daaruit ontstane vordering te innen. Heeft hij de proceskosten zelf gemaakt, dan kan hij zijn verplichting tot afdracht van het geïnde verrekenen met zijn vordering jegens de stille cessionaris tot vergoeding van deze kosten.