Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/12.4.3
12.4.3 (Een systeem in) de toegekende bevoegdheden bij de verschillende rechtsvormen
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS585965:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
En voor de volledigheid: huwelijkse gemeenschappen, personenvennootschappen en rechtspersonen hebben betrekking op een vermogen en bestaan in het belang van een of meer rechthebbenden.
Zie HR 7 januari 1983, NJ 1983, 542 (Ontvanger/Guensberg), m.nt. BW.
De pandhouder kan bevoegd zijn tot herverpanding, als deze bevoegdheid aan hem is toegekend door de pandgever.
De pandhouder en de beslaglegger kunnen zich tegen door de pandgever respectievelijk de gexecuteerde verrichte rechtshandelingen jegens de schuldenaar die nadelig voor hen zijn, beschermen door deze te vernietigen met een beroep op art. 3:45 BW (actio Pauliana). De pandhouder is op grond van zaaksgevolg beschermd tegen na de vestiging van het pandrecht door de pandgever verrichte vervreemding of bezwaring van de verpande vordering. De beslaglegger is op grond van art. 475h lid 1 Rv beschermd na het beslag door de geëxecuteerde verrichte vervreemding, bezwaring of afstand van de vordering.
768. Ondanks de verschillende regelingen van de rechtsvormen waarbij een ander dan de rechthebbende bevoegd is ten aanzien van een goed, en de verschillende accenten die in deze regelingen worden gelegd, is in deze regelingen een systeem te ontwaren. Beantwoording van de vraag of de derde bevoegd is ten aanzien van een goed of ten aanzien van een vermogen en de vraag in wiens belang of met welk doel de bevoegdheden zijn toegekend, geeft aanwijzingen over de omvang van de toegekende bevoegdheden. In deze studie zijn de rechtsvormen beperkt tot pand, vruchtgebruik, beslag, gemeenschap, bewind, kwaliteitsrekening, faillissement, vereffening van nalatenschappen en executele. Pand, derdenbeslag, vruchtgebruik, bewind, gemeenschap en kwaliteitsrekening hebben betrekking op een of meer bepaalde goederen; faillissement, vereffening van nalatenschappen en executele op een vermogen. Pand, derdenbeslag, faillissement, vereffening en (ten dele) executele bestaan in het belang van een of meer schuldeisers; vruchtgebruik, bewind, gemeenschap, kwaliteitsrekening en (ten dele) executele in het belang van een of meer rechthebbenden.1 Twee constateringen zijn van belang: (1) op grond van de wet komen aan een derde meer bevoegdheden toe als hij bevoegd is ten aanzien van een vermogen dan wanneer hij bevoegd is ten aanzien van een of meer bepaalde goederen; en (2) op grond van de wet kunnen aan een derde meer bevoegdheden worden toegekend als deze aan hem zijn toegekend in het belang van een of meer rechthebbenden, dan wanneer de bevoegdheden aan hem zijn toegekend in het belang van een of meer schuldeisers. Beide regels vertalen zich in het volgende schema:
In wiens belang
Object
Exclusieve bevoegdheid
Rechtsfiguur
Schuldeiser(s)
Goed
Vereffening
Pand, beslag
Rechthebbende(n)
Goed
Beheer
Bewind, vruchtgebruik, gemeenschap, kwaliteitsrekening
Schuldeiser(s)
Vermogen
Beheer en vereffening
Faillissement, vereffening, executele
Rechthebbende(n)
Vermogen
Bestuur
Huwelijkse gemeenschap, personenvennootschappen, rechtspersoon
Op grond van de inzichten ontleend aan de hoofdstukken 3 t/m 9 kan over de bevoegdheden van (a) de pandhouder en de beslaglegger, (b) de vruchtgebruiker, de bewindvoerder en de beheersbevoegde deelgenoot, (c) de rekeninghouder van een kwaliteitsrekening en (d) de curator, de vereffenaar en de executeur in het bijzonder het volgende worden gezegd.
769. Ad a. De bevoegdheden van de openbaar pandhouder en (de deurwaarder van) de beslaglegger zijn wettelijk vastgesteld en beperkt omschreven. Zij zijn in beginsel alleen bevoegd om de vordering te innen en de vordering door verkoop en overdracht te gel de te maken ( executie ), en zich vervolgens op de opbrengst in geld te verhalen. Deze bevoegdheden zijn wettelijk vastgesteld in art. 3:246 lid 1 BW en art. 477 lid 1 en 477a Rv, en in art. 3:248 e.v. BW, en art. 474bb lid 1 jo 463 e.v. Rv.
Omdat aan hen de inningsbevoegdheid is toegekend, ligt het in de rede dat zij ook bevoegd zijn om de bevoegdheden en de rechten uit te oefenen die onlosmakelijk met de inning van de vordering zijn verbonden. De bevoegdheid om voor de betaling een kwitantie af te geven en om desverlangd een ter zake van de schuld afgegeven bewijsstuk zoals een schuldbekentenis af te geven, de schuldenaar aansprakelijk te stellen en/of in gebreke te stellen, de lopende verjaring te stuiten en conservatoir en executoriaal beslag te leggen op goederen van de schuldenaar, volgt haast vanzelfsprekend uit de inningsbevoegd zelf. De bevoegdheid om de vordering vervroegd opeisbaar te maken, is bij pand en derdenbeslag wettelijk geregeld in vrijwel gelijkluidende bepalingen. Zie art. 3:246 lid 2 BW, 477 lid 4 Rv, art. 6:19 lid 3 BW, art. 7:984 lid 1 BW en art. 479m-479n Rv.
De bevoegdheid om de aan de vordering verbonden bijzondere verhaalsrechten op goederen van derden, voorrechten en voorrang op grond van de wet, alsmede de aan de vordering verbonden rechten van pand en hypotheek en rechten uit borgtocht uit te oefenen, is voor pand en derdenbeslag niet wettelijk geregeld. Dit is een lacune in de wettelijke regeling van pand en derdenbeslag, en zeer begrijpelijk heeft over de uitoefening van deze rechten - met name de rechten van pand en hypotheek - door de pandhouder en de beslaglegger in de literatuur lange tijd discussie bestaan. Deze discussie is beslecht door het arrest Rabobank/Stormpolder, waarin de Hoge Raad aan de beslaglegger de bevoegdheid toekent om een aan de vordering verbonden recht van hypotheek uit te oefenen. Dit arrest werd vooraf gegaan door het arrest Ontvanger/Guensberg2 waarin de Hoge Raad oordeelde dat een beslaglegger een aan de vordering verbonden voorrecht mag uitoefenen. Uit de arresten volgt meer in het algemeen dat de beslaglegger en de pandhouder, ondanks dat deze bevoegdheden niet aan hun in de wet zijn toegekend, uit hoofde van de aan hun toegekende inningsbevoegdheid de aan de vordering verbonden rechten van pand en hypotheek en rechten uit borgtocht mogen uitoefenen, alsmede de aan de vordering verbonden bijzondere verhaalsrechten op goederen van derden, voorrechten en voorrang op grond van de wet.
De pandhouder en de beslaglegger zijn buiten de overdracht van de vordering in het kader van de executie niet bevoegd tot het verrichten van beschikkingshandelingen.3 Zij zijn niet de bevoegd om te schikken, toestemming te verlenen aan inbetalinggeving, betaling aan een inningsonbevoegde te bekrachtigen, de vordering te wijzigen, de schuld te vernieuwen, de schuld kwijt te schelden, uitstel van betaling te verlenen, toestemming te verlenen aan betaling in gedeelten en toestemming te verlenen aan schuldoverneming. Deze bevoegdheden zijn aan hen niet als zodanig toegekend. Zij zijn daar ook niet toe bevoegd op grond van de beheersbevoegdheid, die zij missen, en evenmin op grond van de aan hen toegekende inningsbevoegdheid, omdat deze handelingen dienstig zijn aan de inning van de vordering, maar daar juist een bedreiging voor vormen. Het is daarom onjuist om op grond van het arrest Rabobank/Stormpolder een of meer van deze bevoegdheden aan de pandhouder of de beslaglegger toe te kennen. Het gaat om andersoortige bevoegdheden. De pandgever en de geëxecuteerde blijven bevoegd om deze handelingen zelf te verrichten. Zij kunnen voor het verrichten van deze handelingen aan de pandhouder respectievelijk de beslaglegger toestemming verlenen.4
770. Ad b. De vruchtgebruiker, de bewindvoerder en de beheersbevoegde deelgenoot bij een gemeenschappelijke vordering zijn beheersbevoegd ten aanzien van de vordering. In het verlengde daarvan zijn zij bevoegd om de vordering te innen en de bevoegdheden en de rechten uit te oefenen die onlosmakelijk met de inningsbevoegdheid zijn verbonden, en ook, in uitzonderingsgevallen, beschikkingshandelingen te verrichten ten aanzien van de vordering en bevoegdheden ten aanzien van de aan de vordering onderliggende rechtsverhouding uit overeenkomst uit te oefenen, als dit dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering. Tot beschikkingshandelingen die niet dienstig kunnen zijn aan een goed beheer van de vordering, waaronder het vernietigen van de aan de vordering onderliggende overeenkomst, zij zijn slechts met medewerking of met toestemming van de rechthebbende of met machtiging van de rechter bevoegd.
771. Ad d. De curator, de vereffenaar van een nalatenschap en de executeur zijn beheersbevoegd ten aanzien van de vordering. In het verlengde daarvan zijn zij bevoegd om de vordering te innen en de bevoegdheden en de rechten uit te oefenen die onlosmakelijk met de inningsbevoegdheid zijn verbonden, in uitzonderingsgevallen beschikkingshandelingen te verrichten ten aanzien van de vordering en voorts bevoegdheden ten aanzien van de aan de vordering onderliggende rechtsverhouding uit overeenkomst uit te oefenen, steeds als dit dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering. Tot beschikkingshandelingen die niet dienstig kunnen zijn aan een goed beheer van de vordering, zijn zij bevoegd in het kader van de tegeldemaking van de vordering binnen het kader van hun aanstelling.
772. Ad c. De kwaliteitsrekening is een atypisch geval. De rekeninghouder van een kwaliteitsrekening is in zijn externe verhouding exclusief beheers- en beschikkingsbevoegd. Hij kan optreden op dezelfde wijze als schuldeiser. In zijn interne verhouding is hij alleen tot het verrichten van girale betalingen bevoegd in opdracht van de belanghebbenden. Hij is bijvoorbeeld niet bevoegd om de vordering over te dragen of te verpanden. In het faillissement van de notaris kan de curator de vordering overdragen met toestemming van de gezamenlijke rechthebbenden. Hij is evenmin gerechtigd tot de rente van de rekening. De bevoegdheden van de rekeninghouder met betrekking tot het op de kwaliteitsrekening geadministreerde saldo lijken het meeste op de bevoegdheden van de bewaarnemer van roerende zaken (art. 7:600 e.v. BW). Macht het komen tot een algemene regeling van de kwaliteitsrekening, dan kan deze regeling om die reden wetsystematisch gezien het beste worden ondergebracht in een nieuwe, tweede afdeling van de titel van bewaarneming (titel 7.9 BW).ë