Zie nader over die rechtsmachtbepalingen het heldere en rijk gedocumenteerde commentaar daarbij van R. van Elst, in T&C Strafrecht.
HR, 25-06-2024, nr. 23/04869
ECLI:NL:HR:2024:935
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-06-2024
- Zaaknummer
23/04869
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:935, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑06‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:528
ECLI:NL:PHR:2024:528, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑05‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:935
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑03‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0142
NJ 2024/309 met annotatie van N. Keijzer
Uitspraak 25‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Nederlandse nationaliteit) naar Verenigde Staten t.z.v. medeplegen opzettelijk distribueren en bezitten met oogmerk om te distribueren van meer dan 5 kilogram cocaïne aan boord van vaartuig dat valt onder jurisdictie van VS, namelijk een op open zee, onder Venezolaanse vlag varend vissersschip. Rechtsmachtvoorwaarde, extraterritoriale rechtsmacht VS en rechtsmacht Nederland “in gelijksoortige omstandigheden”. Is de door VS verzochte uitlevering van persoon van wie betrokkenheid wordt aangenomen bij een in art. 13.4 Opiumwet bedoeld strafbaar feit gepleegd aan boord van schip op open zee dat vaart onder vlag van Staat die geen partij is bij Verdrag inzake sluikhandel over zee maar wel bij (onderliggend) Verdrag tegen sluikhandel, terwijl die vlaggenstaat ermee heeft ingestemd dat recht tot vervolging wordt uitgeoefend door andere staat, toelaatbaar? O.g.v. art. 2.3.a Uitleveringsverdrag wordt uitlevering toegestaan voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden en die zijn gepleegd buiten grondgebied van verzoekende Staat als aangezochte Staat in gelijksoortige omstandigheden bevoegd zou zijn daarover rechtsmacht uit te oefenen. Art. 13.4 Opiumwet bepaalt dat Nederlandse strafwet toepasselijk is op de in deze bepaling genoemde feiten, als feit is gepleegd aan boord van buitenlands vaartuig dan wel vaartuig zonder nationaliteit of daarmee gelijk gesteld vaartuig uit hoofde van internationaal recht, op open zee, en wordt opgetreden i.h.k.v. toepassing van Verdrag ter uitvoering van art. 17 Verdrag tegen sluikhandel. Ter uitvoering van art. 17 Verdrag tegen sluikhandel is onder meer Verdrag inzake sluikhandel over zee tot stand gebracht in het verband van Raad van Europa. Volgens preambule van laatstgenoemd verdrag moet art. 17 Verdrag tegen sluikhandel worden “aangevuld met regionaal verdrag teneinde hieraan uitvoering te geven en doeltreffendheid daarvan te vergroten”. Door o.m. invoering van art. 13.4 Opiumwet is in Nederland voorzien in rechtsmachtregeling die in overeenstemming is met art. 4.1.b.ii Verdrag tegen sluikhandel en art. 3 Verdrag inzake sluikhandel over zee. In een geval als het onderhavige moet worden aangenomen dat de in art. 2.3.a Uitleveringsverdrag bedoelde rechtsmacht kan worden gebaseerd op art. 13.4 Opiumwet dat er immers toe strekt bepalingen van art. 17 Verdrag tegen sluikhandel over samenwerking tussen verdragspartijen om sluikhandel tegen te gaan, “uit te voeren of doeltreffendheid ervan te vergroten”. Rb heeft uitlevering toelaatbaar verklaard en daartoe kennelijk geoordeeld dat aan voorwaarde in art. 2.3.a Uitleveringsverdrag is voldaan. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en het is ook niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04869 U
Datum 25 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 december 2023, nummer […], op verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering
van
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de opgeëiste persoon.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de toelaatbaarverklaring van de uitlevering door de rechtbank. Het voert daartoe aan dat de rechtbank geen blijk ervan heeft gegeven dat aan “de rechtsmachtvoorwaarde” is voldaan.
2.2.1
De rechtbank heeft de verzochte uitlevering met als doel de vervolging van de opgeëiste persoon in de Verenigde Staten toelaatbaar verklaard. De uitspraak van de rechtbank houdt onder meer in:
“3. Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering
3.1
Inleiding
De Uitleveringswet (hierna: UW) kent diverse gronden om een uitlevering te weigeren. In multilaterale en bilaterale verdragen zijn daarnaast veelal nog aanvullende imperatieve en facultatieve weigeringsgronden opgenomen. De opgeëiste persoon kan zich in de uitleveringsprocedure rechtstreeks beroepen op die bepalingen. In Nederland kent men een strikte scheiding tussen de bevoegdheden van de uitleveringsrechter enerzijds en de Minister anderzijds. Het is aan de uitleveringsrechter om te oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering, terwijl de Minister dient te beslissen of het verzoek wordt ingewilligd (waarbij hij is gebonden aan het oordeel van de uitleveringsrechter indien deze de uitlevering ontoelaatbaar heeft verklaard). Dit brengt met zich mee dat niet alle weigeringsgronden die de UW en de verdragen kennen, zijn onderworpen aan het oordeel van de uitleveringsrechter. De uitleveringsrechter is - voor zover dit niet reeds uit de UW volgt - alleen bevoegd om over weigeringsgronden te oordelen, indien daarvoor geen beoordeling van de politieke situatie en rechtspleging in de verzoekende staat nodig is die toegang tot voor de rechter gesloten informatiebronnen vereist, er niet onderhandeld hoeft te worden over eventueel aanvullende garanties en er geen afwegingen moeten worden gemaakt waarbij beleidskeuzes een rol spelen. Het toetsingskader van de uitleveringsrechter is derhalve veel beperkter dan dat van de Minister. De uitleveringsrechter kan de Minister in een advies bij de uitspraak echter wel over alle aspecten adviseren.
De rechtbank zal het vorenstaande als uitgangspunten nemen bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek. Voor zover van belang zal zij naar aanleiding van de gevoerde verweren verder ingaan op de bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds de Minister en anderzijds de uitleveringsrechter.
3.2
Toepasselijke wet en verdragen
Op de beoordeling van de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek zijn van toepassing:
- de UW;
- het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (hierna: het Uitleveringsverdrag);
3.3
Genoegzaamheid van de stukken
Het verzoek is schriftelijk gedaan en is rechtstreeks toegezonden aan de Minister. Uit de stukken volgt dat tegen de opgeëiste persoon een verdenking bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan Samenzwering om vijf kilo cocaïne of meer te distribueren en te bezitten met het oogmerk om te distribueren aan boord van een vaartuig dat valt onder de jurisdictie van de Verenigde Staten. Het is in de uitleveringsprocedure niet aan de rechter om te toetsen of er voldoende onderbouwing is voor die verdenking.
De raadsman heeft het verweer gevoerd dat het ontbreken van een verklaring van Venezuela betreffende de toekenning van rechtsmacht aan de verzoekende staat, dient te leiden tot het ontoelaatbaar verklaren van de uitlevering, althans tot aanhouding van het onderzoek ter zitting. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
De verzoekende staat heeft gesteld dat het strafbare feit buiten haar grondgebied werd gepleegd. Het vissersvaartuig [naam 1] , varend onder een Venezolaanse vlag in internationale wateren, is ongeveer 42 zeemijlen ten noorden van Puerto Cabello, Venezuela, tegengehouden. Voorts is gesteld dat de overheid van Venezuela de verzoekende staat toestemming heeft gegeven om aan boord van het vaartuig te gaan en afstand heeft gedaan van diens primaire recht op de uitoefening van jurisdictie over het vaartuig, de bemanning en lading, voor zover noodzakelijk ingevolge Amerikaanse wetgeving.
Op grond van het bepaalde in artikel 9, tweede lid aanhef en onder e, van het Uitleveringsverdrag dienen bij het verzoek tot uitlevering te worden gevoegd ‘de wetsbepalingen houdende toekenning van rechtsmacht ingeval het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat werd gepleegd.’
Het uitleveringsverzoek is vergezeld van de hiervoor in artikel 9 van het Uitleveringsverdrag bedoelde wetsbepalingen betreffende de rechtsmacht van de verzoekende staat. In het uitleveringsverzoek is (onder punt 20.) opgenomen: ‘Title 46, United States Code, Section 70502(c)(1)(C) provides that a “vessel subject to the jurisdiction of the United States” includes “a vessel registered in a foreign nation if that nation has consented or waived objection to the enforcement of United States law by the United States.”
De rechtbank stelt vast dat het verzoek conform artikel 18 van UW en artikel 9 van het Uitleveringsverdrag is vergezeld van alle onder 1.2 genoemde vereiste stukken. De stukken zijn derhalve genoegzaam.
Ten aanzien van de door de overheid van Venezuela aan de verzoekende staat verleende toestemming om aan boord te gaan van het vaartuig en afstand te doen van het primaire recht op de uitoefening van jurisdictie geldt het volgende.
Bij interstatelijk contact wordt uitgegaan van het vertrouwensbeginsel, hetgeen betekent dat wordt uitgegaan van de juistheid van hetgeen door een verzoekende staat wordt gesteld. Hierop wordt slechts een uitzondering gemaakt indien concrete aanwijzingen bestaan die doen twijfelen aan de juistheid van hetgeen wordt gesteld. Van zodanige aanwijzingen is echter niet gebleken; de enkele stelling dat Venezuela en de verzoekende staat niet bevriend zijn, is daartoe onvoldoende.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de stukken genoegzaam zijn. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman strekkende tot het ontoelaatbaar verklaren van de uitlevering wegens het ontbreken van stukken betreffende de toestemming van Venezuela omtrent het verlenen van rechtsmacht aan de verzoekende staat. Het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter zitting teneinde nader onderzoek te laten plaatsvinden ten aanzien van dit punt, wordt afgewezen.
3.4
Dubbele strafbaarheid en strafbedreiging met vrijheidsstraffen van ten minste één jaar
Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de UW kan de uitlevering zoals thans wordt verzocht alleen worden toegestaan indien zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar Nederlands recht een vrijheidsstraf van een jaar of langer kan worden opgelegd voor het strafbare feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht.
Tegen de opgeëiste persoon bestaat in de verzoekende staat de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan: Samenzwering om vijf kilo cocaïne of meer te distribueren en te bezitten met het oogmerk om te distribueren aan boord van een vaartuig dat valt onder de jurisdictie van de Verenigde Staten. Naar Amerikaans recht staat op dit feit een vrijheidsbenemende straf van minimaal 10 jaren.
Naar Nederlands recht wordt dit feit omschreven als: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B (en C) van de Opiumwet gegeven verbod, welk feit - met inachtneming van het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van de UW - strafbaar is gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet en wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar.
Aan de vereisten als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de UW wordt derhalve voldaan.
3.5
Ne bis in idem en verjaring
(...)
3.6
Vervolging wegens een politiek delict
(...)
3.7
Kennelijke onschuld
(...)
3.8 (
Dreigende) schending van fundamentele mensenrechten
(...)
3.9
Tot slot
Door of namens de opgeëiste persoon is ter zitting ook overigens niets van zodanige strekking naar voren gebracht, dat de rechtbank daarin een beletsel voor de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering zou moeten zien, terwijl de rechtbank ook ambtshalve niet van zodanig beletsel is gebleken.”
2.2.2
Bij de stukken die de verzoekende Staat bij het uitleveringsverzoek heeft overgelegd bevindt zich een “Affidavit in Support of Request for Extradition” dat in de Nederlandse vertaling inhoudt:
“6. Op of omstreeks 27 augustus 2019 heeft de HNLMS Groningen met aan boord een gedetacheerd team van de United States Coast Guard Law Enforcement, een vissersvaartuig, de [naam 1] , varend onder een Venezolaanse vlag in internationale wateren, ongeveer 42 zeemijlen ten noorden van Puerto Cabello, Venezuela, tegengehouden. De overheid van Venezuela heeft de Verenigde Staten toestemming gegeven om aan boord van het vaartuig te gaan en de lading en bemanning van het vaartuig aan een huiszoeking te onderwerpen en heeft afstand gedaan van diens primaire recht op de uitoefening van jurisdictie over het vaartuig, de bemanning en lading, voorzover noodzakelijk ingevolge Amerikaanse wetgeving. Dit heeft geresulteerd in de inbeslagname van ongeveer 295 kilo cocaïne. Een van de bemanningsleden had een briefje met een Nederlands telefoonnummer en de naam “ [naam 2] ” erop. De Amerikaanse autoriteiten hebben vervolgens de 14 bemanningsleden van de [naam 1] gearresteerd en hen voor vervolging naar het midden district van Florida vervoerd.
7. Vier meewerkende getuigen (“CW’s”) hebben [opgeëiste persoon] op basis van een reeks foto’s geïdentificeerd als “ [naam 2] ” en hebben verklaringen afgelegd omtrent de betrokkenheid van [opgeëiste persoon] bij de drugssmokkel met de [naam 1] . CW1 was één van de gearresteerde bemanningsleden. CW1 heeft [opgeëiste persoon] geïdentificeerd als zijn baas en de persoon die hem geronseld heeft om deel te nemen aan de drugssmokkel. CW1 heeft aan verschillende besprekingen deelgenomen om de drugssmokkel namens [opgeëiste persoon] te plannen. Documenten verkregen van Western Union hebben bevestigd dat [opgeëiste persoon] tussen mei 2019 en augustus 2019 meerdere malen geld heeft overgemaakt aan CW1 voor haar/zijn kosten tijdens diens verblijf in Colombia.
8. CW2 was één van de belangrijke leiders binnen de Colombiaanse Transnationale Criminele Organisatie die betrokken was bij de planning van de drugssmokkel met de [naam 1] . CW2 heeft [opgeëiste persoon] geïdentificeerd als de persoon die hem heeft ingehuurd om een bulklading cocaïne van Colombia naar Europa te vervoeren. [opgeëiste persoon] heeft CW2 geld gegeven om voor de logistieke aspecten van de drugssmokkel te betalen. CW2 heeft verklaard dat hij/zij het door [opgeëiste persoon] verstrekte geld gebruikt heeft om de [naam 1] en bemanningsleden in te huren.
9. CW3 heeft gewerkt als vertaler en chauffeur van [opgeëiste persoon] terwijl [opgeëiste persoon] in februari en maart 2019 in Colombia verbleef om de drugssmokkel te plannen. CW3 heeft verklaard dat hij tijdens verschillende besprekingen om de drugssmokkel te plannen voor [opgeëiste persoon] vertaald heeft en [opgeëiste persoon] naar een locatie heeft gereden om de cocaïne te inspecteren.
10. CW4 was de kapitein van het vaartuig waarop de cocaïne van Colombia naar de [naam 1] bij de kust van Venezuela vervoerd werd en waar hij en anderen de cocaïne aan boord van de [naam 1] overgebracht hebben om verder richting Europa vervoerd te worden. CW4 heeft [opgeëiste persoon] geïdentificeerd als de primaire contactpersoon die de ontvangst van de cocaïne in Europa coördineerde. CW4 heeft [opgeëiste persoon] vijf tot zes keer ontmoet om de drugssmokkel te bespreken.
11. Uit Colombiaanse immigratiedocumenten blijkt dat [opgeëiste persoon] op 20 februari 2019 van Amsterdam naar Bogota vloog en op 31 maart 2019 van Cartagena, Colombia naar Amsterdam. De documenten bevestigen de verklaring van de CW’s dat zij [opgeëiste persoon] tijdens de relevante tijdsperiode in Colombia ontmoet hebben.”
2.3
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende verdragsrechtelijke en wettelijke bepalingen van belang.
- Artikel 2 lid 1, aanhef en onder a en b, alsmede lid 2, aanhef en onder a, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: Uitleveringsverdrag):
“1. Feiten die tot uitlevering kunnen leiden krachtens dit verdrag zijn:
a. feiten, vermeld in de Bijlage bij dit Verdrag, die strafbaar zijn krachtens de wetten van beide Verdragsluitende Partijen;
b. feiten, al dan niet in de Bijlage bij dit Verdrag opgenomen, mits zij strafbaar zijn krachtens de federale wetten van de Verenigde Staten van Amerika en de wetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden.
In dit verband is het niet van belang of de wetten van de Verdragsluitende Partijen het feit onder dezelfde categorie strafbare feiten rangschikken dan wel een feit met dezelfde termen aanduiden.
2. Uitlevering wordt toegestaan voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden:
a. met het oog op vervolging, indien het feit krachtens het recht van beide Verdragsluitende Partijen strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar.”
- Artikel 2 lid 3 Uitleveringsverdrag:
“Uitlevering wordt toegestaan voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden en die zijn gepleegd buiten het grondgebied van de verzoekende Staat indien:
a. de rechters van de aangezochte Staat in gelijksoortige omstandigheden bevoegd zouden zijn daarover rechtsmacht uit te oefenen, of
b. de opgeëiste persoon onderdaan is van de verzoekende Staat.”
- Artikel 9 lid 2, aanhef en onder e, Uitleveringsverdrag:
“Bij het verzoek tot uitlevering dienen te worden gevoegd:
(...)
e. de wetsbepalingen houdende toekenning van rechtsmacht ingeval het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat werd gepleegd.”
- Artikel 3 lid 1, aanhef en onder a (i), van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, gesloten in Wenen op 20 december 1988 (Trb. 1989, 97) (hierna: Verdrag tegen sluikhandel):
“1. Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om de volgende feiten, indien opzettelijk begaan, strafbaar te stellen krachtens haar nationale wetgeving:
a (i) produktie, vervaardiging, extractie, bereiding, aanbod, aanbod ten verkoop, distributie, verkoop, levering op welke voorwaarde ook, bemiddeling, verzending, verzending in doorvoer, vervoer of in- of uitvoer van verdovende middelen of psychotrope stoffen in strijd met de bepalingen van het Verdrag van 1961, het Verdrag van 1961 zoals gewijzigd, of het Verdrag van 1971.”
- Artikel 4 leden 1, aanhef en onder b (ii), en 3 Verdrag tegen sluikhandel:
“1. Elke Partij:
(...)
b. kan de maatregelen nemen die nodig zijn om haar rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in overeenstemming met artikel 3, eerste lid, strafbaar gestelde feiten, wanneer:
(...)
(ii) het strafbare feit is begaan aan boord van een vaartuig ten aanzien waarvan die Partij ingevolge artikel 17 passende maatregelen kan nemen, mits deze rechtsmacht slechts wordt uitgeoefend op grondslag van de in het vierde lid en het negende lid van dat artikel bedoelde overeenkomsten of regelingen.
(...)
3. Dit Verdrag sluit niet de uitoefening uit van strafrechtelijke rechtsmacht die een Partij heeft gevestigd overeenkomstig haar nationale wetgeving.”
“1. De Partijen werken zoveel mogelijk samen om, in overeenstemming met het internationale zeerecht, de sluikhandel over zee tegen te gaan.
3. Een Partij die redelijke gronden heeft om te vermoeden dat een vaartuig dat in overeenstemming met het internationale recht de vrijheid van scheepvaart uitoefent en dat de vlag voert of de nationaliteitskentekens toont van een andere Partij, is betrokken bij sluikhandel, kan dit melden aan de vlaggestaat, kan verzoeken om bevestiging van de registratie en kan, indien de nationaliteit wordt bevestigd, de vlaggestaat verzoeken haar te machtigen ten aanzien van dat vaartuig passende maatregelen te nemen.
4. In overeenstemming met het derde lid of in overeenstemming met verdragen die tussen hen van kracht zijn of in overeenstemming met anderszins tussen die Partijen bestaande overeenkomsten of regelingen kan de vlaggestaat de verzoekende Staat machtigen om, onder andere:
a. het vaartuig aan te houden;
b. het vaartuig te doorzoeken;
c. indien bewijs van betrokkenheid bij sluikhandel wordt gevonden, passende maatregelen te nemen ten aanzien van het vaartuig, de personen en de lading aan boord.
9. De Partijen overwegen bilaterale of regionale overeenkomsten of regelingen aan te gaan om de bepalingen van dit artikel uit te voeren of de doeltreffendheid ervan te vergroten.”
- Artikel 3 leden 2 en 4 van het Verdrag inzake de sluikhandel over zee, ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, gesloten in Straatsburg op 31 januari 1995 (Trb. 2010, 165) (hierna: Verdrag inzake de sluikhandel over zee):
“2. Voor de toepassing van dit Verdrag neemt elke partij de maatregelen die nodig zijn om haar rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de relevante strafbare feiten die zijn begaan aan boord van een vaartuig dat de vlag voert dan wel de nationaliteitskentekens toont of een andere nationaliteitsaanduiding voert van een andere partij bij dit Verdrag. Deze rechtsmacht kan slechts worden uitgeoefend in overeenstemming met dit Verdrag.
4. De vlaggestaat heeft primaire rechtsmacht met betrekking tot ieder relevant strafbaar feit dat is begaan aan boord van zijn schip.”
“1. Een vlaggestaat die zijn primaire rechtsmacht wenst uit te oefenen, doet dat in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel.
2. Hij stelt de tussenkomende staat zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 14 dagen na de ontvangst van de samenvatting van het bewijsmateriaal als bedoeld in artikel 13, daarvan in kennis. Indien de vlaggestaat dit nalaat, wordt hij geacht afstand te hebben gedaan van het recht tot uitoefening van zijn primaire rechtsmacht.”
- Artikel 1, aanhef en onder i en j, van de Opiumwet:
“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
i. Verdrag tegen sluikhandel: het op 20 december 1988 tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Trb. 1989, 97);
j. Verdrag ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag tegen sluikhandel: het op 31 januari 1995 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de sluikhandel over zee, ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Trb. 2010, 165 en 239).”
- Artikel 13 lid 4 Opiumwet:
“De Nederlandse strafwet is toepasselijk op een der in artikel 10, tweede tot en met vijfde lid, artikel 10a, eerste lid, artikel 11, tweede tot en met vierde lid, en artikel 11a strafbaar gestelde feiten, indien het feit is gepleegd aan boord van een buitenlands vaartuig dan wel een vaartuig zonder nationaliteit of een daarmee gelijk gesteld vaartuig uit hoofde van het internationale recht, op open zee, en wordt opgetreden in het kader van de toepassing van het Verdrag ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag tegen sluikhandel.”
2.4
Op grond van artikel 2 lid 3, aanhef en onder a, Uitleveringsverdrag wordt uitlevering toegestaan voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden en die zijn gepleegd buiten het grondgebied van de verzoekende Staat als de aangezochte Staat in gelijksoortige omstandigheden bevoegd zou zijn daarover rechtsmacht uit te oefenen. Artikel 13 lid 4 Opiumwet bepaalt dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op de in deze bepaling genoemde feiten, als het feit is gepleegd aan boord van een buitenlands vaartuig dan wel een vaartuig zonder nationaliteit of een daarmee gelijk gesteld vaartuig uit hoofde van het internationale recht, op open zee, en wordt opgetreden in het kader van de toepassing van het Verdrag ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag tegen sluikhandel.Het Koninkrijk der Nederlanden, Venezuela en de Verenigde Staten van Amerika zijn alle Partij bij het Verdrag tegen sluikhandel. Op grond van artikel 4 lid 1, aanhef en onder b (ii), Verdrag tegen sluikhandel kan elke Partij bij dit verdrag de maatregelen nemen die nodig zijn om haar rechtsmacht te vestigen over de in overeenstemming met artikel 3 lid 1 van dat verdrag strafbaar gestelde feiten wanneer het strafbare feit is begaan aan boord van een vaartuig ten aanzien waarvan die Partij op grond van artikel 17 van dat verdrag passende maatregelen kan nemen, mits deze rechtsmacht slechts wordt uitgeoefend op grondslag van de in artikel 17 leden 4 en 9 van dat verdrag bedoelde overeenkomsten of regelingen. Artikel 4 lid 3 Verdrag tegen sluikhandel bepaalt dat dit verdrag niet de uitoefening uitsluit van strafrechtelijke rechtsmacht die een Partij heeft gevestigd overeenkomstig haar nationale wetgeving.Artikel 17 Verdrag tegen sluikhandel geeft nadere bepalingen die zijn gericht op de samenwerking tussen Partijen om de sluikhandel over zee tegen te gaan (zie artikel 17 lid 1). Artikel 17 leden 3 en 4 Verdrag tegen sluikhandel bevat voorzieningen voor het inzetten van strafvorderlijke bevoegdheden door een Partij aan boord van een vaartuig dat vaart onder de vlag van een andere Partij. Op grond van artikel 17 lid 9 Verdrag tegen sluikhandel overwegen de Partijen bilaterale of regionale overeenkomsten of regelingen aan te gaan “om de bepalingen van dit artikel uit te voeren of de doeltreffendheid ervan te vergroten”.Ter uitvoering van artikel 17 Verdrag tegen sluikhandel is onder meer het Verdrag inzake de sluikhandel over zee tot stand gebracht in het verband van de Raad van Europa. Volgens de preambule van het laatstgenoemde verdrag moet artikel 17 Verdrag tegen sluikhandel worden “aangevuld met een regionaal verdrag teneinde hieraan uitvoering te geven en de doeltreffendheid daarvan te vergroten”. Door onder meer de invoering van artikel 13 lid 4 Opiumwet is in Nederland voorzien in een rechtsmachtregeling die in overeenstemming is met artikel 4 lid 1, aanhef en onder b (ii), Verdrag tegen sluikhandel en artikel 3 Verdrag inzake de sluikhandel over zee.
2.5.1
Deze zaak draait om de vraag naar de toelaatbaarheid van de door de Verenigde Staten verzochte uitlevering van een persoon van wie betrokkenheid wordt aangenomen bij een in artikel 13 lid 4 Opiumwet bedoeld strafbaar feit gepleegd aan boord van een schip op open zee dat vaart onder de vlag van een Staat die geen partij is bij het Verdrag inzake de sluikhandel over zee maar wel bij het (onderliggende) Verdrag tegen sluikhandel, terwijl die vlaggenstaat er mee heeft ingestemd dat het recht tot vervolging wordt uitgeoefend door een andere staat. In zo’n geval moet worden aangenomen dat de in artikel 2 lid 3, aanhef en onder a, Uitleveringsverdrag bedoelde rechtsmacht kan worden gebaseerd op artikel 13 lid 4 Opiumwet dat er immers toe strekt de bepalingen van artikel 17 Verdrag tegen sluikhandel over de samenwerking tussen verdragspartijen om sluikhandel tegen te gaan, “uit te voeren of de doeltreffendheid ervan te vergroten”.
2.5.2
Gelet op artikel 2 lid 3, aanhef en onder a, Uitleveringsverdrag moet de uitleveringsrechter in een geval als dit - met het oog op de beoordeling van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering - onderzoeken of Nederland ‘in gelijksoortige omstandigheden bevoegd zou zijn om rechtsmacht uit te oefenen’ over het betreffende feit. Als de rechter de uitlevering toelaatbaar oordeelt, moet hij in zijn uitspraak blijk geven dat onderzoek te hebben verricht als hierover door of namens de opgeëiste persoon een verweer is gevoerd of als rechtstreeks uit de door de verzoekende Staat overgelegde stukken volgt dat aan deze voorwaarde niet is voldaan.
2.6
De rechtbank heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard en daartoe kennelijk geoordeeld dat aan de onder 2.5.2 bedoelde voorwaarde is voldaan. Dat oordeel getuigt in het licht van wat onder 2.4 is vooropgesteld niet van een onjuiste rechtsopvatting en het is ook niet onbegrijpelijk.
2.7
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2024.
Conclusie 14‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Vervolgingsuitlevering VS. 1. Mocht de uitleveringsrechter de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de VS toestaan, gelet op art. 2 lid 3 onder a en art. 3 van het Uitleveringsverdrag NL-VS op grond waarvan de Nederlandse rechter in gelijksoortige omstandigheden bevoegd moet zijn over het feit waarvoor om uitlevering is verzocht rechtsmacht uit te oefenen? De AG meent van wel mede onder verwijzing naar HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY3440. Overigens gaat de AG in op de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet die onder meer volgt uit een aantal internationale verdragen, waaronder het Verdrag inzake de sluikhandel over zee ter uitvoering van art. 17 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen en dit Verdrag van de Verenigde Naties. 2. Behelst de uitspraak van de rechtbank een genoegzame vermelding van het feit zoals voorgeschreven in art. 28 lid 3 van de Uitleveringswet? De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04869 U
Zitting 14 mei 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de opgeëiste persoon
I Inleiding
De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, heeft bij uitspraak van 5 december 2023 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS) toelaatbaar verklaard “ter fine van strafvervolging ter zake van het in het uitleveringsverzoek vermelde feit”.
Namens de opgeëiste persoon heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
II Het uitleveringsverzoek, de beslissing van de rechtbank en het verweer van de verdediging
3. Het onderhavige uitleveringsverzoek d.d. 23 mei 2023 houdt omtrent de verdenking tegen de opgeëiste persoon, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“ [opgeëiste persoon] is wanted to stand trial in the United States for conspiracy to distribute and possess with intent to distribute five kilograms or more of cocaine while on board a vessel subject to the jurisdiction ofthe United States. He is the subject of an indictment in case number 8:22-cr-358-KKM-SPF, filed on 19 October 2022, in the United States District Court for the Middle District of Florida, charging [opgeëiste persoon] with the following offense:
Count 1: conspiracy to distribute and possess with intent to distribute five kilograms or more of cocaine while on board a vessel subject to the jurisdiction of the United States, in violation ofTitle 46, United States Code, Sections 70503(a)(1) and 70506(a) and (b), and Title 21, United States Code, Section 960(b)(l)(B)(ii).
The United States seeks the extradition of [opgeëiste persoon] for the offense for which he is charged in the indictment.
[…]
A detailed summary of the facts of the case is included in the supporting documents.”
4. In de Nederlandse vertaling van de Affidavit in support of request for extradition van 24 januari 2023 is onder meer het volgende opgenomen:
“6. Op of omstreeks 27 augustus 2019 heeft de HNLMS Groningen met aan boord een gedetacheerd team van de United States Coast Guard Law Enforcement, een vissersvaartuig, [naam] , varend onder een Venezolaanse vlag in internationale wateren, ongeveer 42 zeemijlen ten noorden van Puerto Cabello, Venezuela, tegengehouden. De overheid van Venezuela heeft de Verenigde Staten toestemming gegeven om aan boord van het vaartuig te gaan en de lading en bemanning van het vaartuig aan een huiszoeking te onderwerpen en heeft afstand gedaan van diens primaire recht op de uitoefening van jurisdictie over het vaartuig, de bemanning en lading, voorzover noodzakelijk ingevolge Amerikaanse wetgeving. Dit heeft geresulteerd in de inbeslagname van ongeveer 295 kilo cocaïne. Een van de bemanningsleden had een briefje met een Nederlands telefoonnummer en de naam “ [opgeëiste persoon] ” erop. De Amerikaanse autoriteiten hebben vervolgens de 14 bemanningsleden van [naam] gearresteerd en hen voor vervolging naar het midden district van Florida vervoerd.
7. Vier meewerkende getuigen (“CW’s”) hebben [opgeëiste persoon] op basis van een reeks foto’s geïdentificeerd als “ [opgeëiste persoon] ” en hebben verklaringen afgelegd omtrent de betrokkenheid van [opgeëiste persoon] bij de drugssmokkel met [naam] .
[…]
16. Aan [opgeëiste persoon] wordt onder één ten laste gelegd de samenzwering om vijf kilo cocaïne of meer te distribueren en bezitten met het oogmerk om te distribueren aan boord van een vaartuig dat valt onder de jurisdictie van de Verenigde Staten, in strijd met Titel 46, United 5 States Code, artikelen 70503(a)(l) en 70506(a) en (b) en Titel 21, United States Code, artikel 960(b)(l)(B)(ii).
[…]
20. De Verenigde Staten heeft jurisdictie over de vervolging van [opgeëiste persoon] voor het in de Tenlastelegging neergelegde strafbare feit. Titel 46, United States Code, artikel 70502(c)(1)(C) bepaalt dat een “vaartuig onderhevig aan de jurisdictie van de Verenigde Staten” omvat “een in het buitenland geregistreerd vaartuig indien dat land heeft ingestemd met de tenuitvoerlegging van een Amerikaanse wet door de Verenigde Staten of afstand heeft gedaan om bezwaar te maken tegen de tenuitvoerlegging daarvan.” De overheid van Venezuela heeft op 29 augustus 2019 afstand gedaan van diens primaire recht om jurisdictie uit te oefenen over [naam] , haar bemanning en lading, voorzover noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van Amerikaanse wetgeving. De afstandsverklaring door Venezuela werd bevestigd in een certificering van de door de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken aangewezen persoon, welke als afdoende bewijs fungeert voor dergelijke afstandsverklaring ingevolge Titel 46, United States Code, artikel 70502(c)(2)(B).”
5. In de Affidavit wordt onder meer verwezen naar de wettelijke bepaling genoemd in “Title 46, United States Code, Section 70502”. Deze bepaling is opgenomen in Exhibit B van de Affidavit en houdt in:
“Title 46, United States Code, Section 70502. Definitions
(c) Vessel subject to the jurisdiction of the United States
(1) In general. In this chapter, the term ‘vessel subject to the jurisdiction of the United States’ includes
(C) a vessel registered in a foreign nation if that nation has consented or waived objection to the enforcement of United States law by the United States […]”
6. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 5 december 2023 onder meer het volgende vastgesteld en overwogen:
“1. Verzoek tot uitlevering en overgelegde stukken
1.1 Het verzoek tot uitlevering
Bij brief van 23 mei 2023 heeft de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika te Den Haag aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland een gewaarmerkt verzoek in de Engelse taal, gedateerd 24 januari 2023, doen toekomen, strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafvervolging (hierna: het uitleveringsverzoek). In het dossier bevindt zich tevens een vertaling van het uitleveringsverzoek in de Nederlandse taal. Blijkens het uitleveringsverzoek wordt de opgeëiste persoon in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de verzoekende staat) verdacht van: Samenzwering om vijf kilo cocaïne of meer te distribueren en te bezitten met het oogmerk om te distribueren aan boord van een vaartuig dat valt onder de jurisdictie van de Verenigde Staten.
[…]
2. Onderzoek ter zitting
[…]
2.2
Het standpunt van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft gesteld dat hij niet betrokken is geweest bij hetgeen hem door de verzoekende staat wordt verweten. De raadsman heeft geconcludeerd tot het ontoelaatbaar verklaren van de verzochte uitlevering van de opgeëiste persoon. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Niet is gebleken dat Venezuela heeft ingestemd met het toekennen van rechtsmacht aan de verzoekende staat. Dit lijkt ook niet aannemelijk omdat Venezuela en de verzoekende staat geen bevriende staten zijn. De enkele mededeling van de verzoekende staat dat zij rechtsmacht bezit op basis van door Venezuela verleende instemming, is onvoldoende. Niet alles valt onder het vertrouwensbeginsel; informatie over de rechtsmacht is dermate essentieel dat dit moet blijken uit door de verzoekende staat aangeleverde stukken. Het ontbreken van deze stukken dient te leiden tot het ontoelaatbaar verklaren van de uitlevering, althans tot aanhouding van het onderzoek ter zitting teneinde nader onderzoek te laten plaatsvinden ten aanzien van dit punt.
[…]
3. Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering
3.1
Inleiding
[…]
3.2
Toepasselijke wet en verdragen
Op de beoordeling van de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek zijn van toepassing:
- de UW;
- het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (hierna: het Uitleveringsverdrag);
3.3
Genoegzaamheid van de stukken
Het verzoek is schriftelijk gedaan en is rechtstreeks toegezonden aan de Minister. Uit de stukken volgt dat tegen de opgeëiste persoon een verdenking bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan Samenzwering om vijf kilo cocaïne of meer te distribueren en te bezitten met het oogmerk om te distribueren aan boord van een vaartuig dat valt onder de Jurisdictie van de Verenigde Staten. Het is in de uitleveringsprocedure niet aan de rechter om te toetsen of er voldoende onderbouwing is voor die verdenking.
De raadsman heeft het verweer gevoerd dat het ontbreken van een verklaring van Venezuela betreffende de toekenning van rechtsmacht aan de verzoekende staat, dient te leiden tot het ontoelaatbaar verklaren van de uitlevering, althans tot aanhouding van het onderzoek ter zitting. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
De verzoekende staat heeft gesteld dat het strafbare feit buiten haar grondgebied werd gepleegd. Het vissersvaartuig [naam] , varend onder een Venezolaanse vlag in internationale wateren, is ongeveer 42 zeemijlen ten noorden van Puerto Cabello, Venezuela, tegengehouden. Voorts is gesteld dat de overheid van Venezuela de verzoekende staat toestemming heeft gegeven om aan boord van het vaartuig te gaan en afstand heeft gedaan van diens primaire recht op de uitoefening van jurisdictie over het vaartuig, de bemanning en lading, voor zover noodzakelijk ingevolge Amerikaanse wetgeving.
Op grond van het bepaalde in artikel 9, tweede lid aanhef en onder e, van het Uitleveringsverdrag dienen bij het verzoek tot uitlevering te worden gevoegd 'de wetsbepalingen houdende toekenning van rechtsmacht ingeval het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat werd gepleegd.'
Het uitleveringsverzoek is vergezeld van de hiervoor in artikel 9 van het Uitleveringsverdrag bedoelde wetsbepalingen betreffende de rechtsmacht van de verzoekende staat. In het uitleveringsverzoek is (onder punt 20.) opgenomen: 'Title 46, United States Code, Section 705 02(c)(1)(C) provides that a “vessel subject to the jurisdiction of the United States” includes ”a vessel registered in a foreign nation if that nation has consented or waived objection to the enforcement of United States law by the United States.”
De rechtbank stelt vast dat het verzoek conform artikel 18 van UW en artikel 9 van het Uitleveringsverdrag is vergezeld van alle onder 1.2 genoemde vereiste stukken. De stukken zijn derhalve genoegzaam.
Ten aanzien van de door de overheid van Venezuela aan de verzoekende staat verleende toestemming om aan boord te gaan van het vaartuig en afstand te doen van het primaire recht op de uitoefening van jurisdictie geldt het volgende.
Bij interstatelijk contact wordt uitgegaan van het vertrouwensbeginsel, hetgeen betekent dat wordt uitgegaan van de juistheid van hetgeen door een verzoekende staat wordt gesteld. Hierop wordt slechts een uitzondering gemaakt indien concrete aanwijzingen bestaan die doen twijfelen aan de juistheid van hetgeen wordt gesteld. Van zodanige aanwijzingen is echter niet gebleken; de enkele stelling dat Venezuela en de verzoekende staat niet bevriend zijn, is daartoe onvoldoende.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de stukken genoegzaam zijn. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman strekkende tot het ontoelaatbaar verklaren van de uitlevering wegens het ontbreken van stukken betreffende de toestemming van Venezuela omtrent het verlenen van rechtsmacht aan de verzoekende staat. Het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter zitting teneinde nader onderzoek te laten plaatsvinden ten aanzien van dit punt, wordt afgewezen.
3.4
Dubbele strafbaarheid en strafbedreiging met vrijheidsstraffen van ten minste één jaar
Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de UW kan de uitlevering zoals thans wordt verzocht alleen worden toegestaan indien zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar Nederlands recht een vrijheidsstraf van een jaar of langer kan worden opgelegd voor het strafbare feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht.
Tegen de opgeëiste persoon bestaat in de verzoekende staat de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan: Samenzwering om vijf kilo cocaïne of meer te distribueren en te bezitten met het oogmerk om te distribueren aan boord van een vaartuig dat valt onder de jurisdictie van de Verenigde Staten. Naar Amerikaans recht staat op dit feit een vrijheidsbenemende straf van minimaal 10 jaren.
Naar Nederlands recht wordt dit feit omschreven als: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B (en C) van de Opiumwet gegeven verbod, welk feit - met inachtneming van het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van de UW - strafbaar is gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet en wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar.
Aan de vereisten als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de UW wordt derhalve voldaan
[…]
5. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika van [opgeëiste persoon] voornoemd ter fine van strafvervolging ter zake van het in het uitleveringsverzoek vermelde feit.”`
7. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 21 november 2023, voor zover hier van belang, ter zitting het volgende aangevoerd:
“Er heeft een onderschepping plaatsgevonden van een schip door een Nederlands vaartuig. Mijn cliënt is Nederlander en wij staan nu in een Nederlandse rechtbank. Nederland behoort er te zijn voor de eigen onderdanen. Het uitgangspunt is altijd geweest dat Nederland eigen onderdanen niet uitlevert. Het is bizar om te zien: er is van alles mis in de VS, maar ze presenteren zich als hoeder van de wereld. Ik vraag u: heeft u een stuk gezien waaruit volgt dat Venezuela toestemming heeft gegeven dat de vervolging zal plaatsvinden door de VS? Nee, want dat stuk is er niet. De vermeende toestemming van Venezuela was zeer beperkt; deze is slechts gegeven ten aanzien van de bemanning van het schip. Er kan dus niet worden gesteld dat de VS jurisdictie heeft. Uit de stukken moet blijken dat de rechtsmacht er is maar dit is niet in het dossier aanwezig. Het verbaast ook dat Venezuela toestemming zou hebben gegeven, want de relatie tussen Venezuela en de VS is niet goed; Venezuela en de VS zijn als water en vuur. Ik concludeer dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard; er is geen sprake van rechtsmacht aan de zijde van de VS, althans komt dit uit de stukken onvoldoende naar voren.”
III Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
8. Het eerste middel behelst de klacht dat de rechtbank de uitlevering van het feit waarvoor om uitlevering is verzocht niet had mogen toestaan gelet op art. 2, derde lid aanhef en onder a, en art. 3 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika en art. 4 van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie, omdat de Nederlandse rechter in gelijksoortige omstandigheden niet bevoegd zou zijn over dat feit rechtsmacht uit te oefenen en de rechtbank daarover niets heeft vastgesteld. Daarom zou de beslissing van de rechtbank tot toelaatbaarverklaring van de uitlevering aan nietigheid lijden.
9. In de toelichting wordt aangevoerd dat “een met de bepalingen van de wetgeving van de Verenigde Staten vergelijkbare toekenning van rechtsmacht ontbreekt in de voor de beoordeling relevante artikelen 3 tot en met 8c van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht” en dat derhalve “de rechters van de aangezochte Staat (Nederland) in gelijksoortige omstandigheden niet bevoegd zijn om over het in de uitleveringsstukken genoemde feit rechtsmacht uit te oefenen als bedoeld in artikel 4 lid 4 van de EU-VS Uitleveringsovereenkomst en/of artikel 2 lid 3 onder (a) van het Uitleveringsverdrag KdN-VS”.
Het juridisch kader
10. Het middel plaatst de klacht in het licht van enkele specifiek genoemde bepalingen uit twee verdragen, te weten art. 2, derde lid aanhef en onder a, en art. 3 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (verder: het Uitleveringsverdrag) en art. 4 van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie van 25 juni 2003 (verder: de Uitleveringsovereenkomst). Deze bepalingen luiden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in de Nederlandse vertaling als volgt:
- Art. 2 lid 3 Uitleveringsverdrag:
“Uitlevering wordt toegestaan voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden en die zijn gepleegd buiten het grondgebied van de verzoekende Staat indien:
a. de rechters van de aangezochte Staat in gelijksoortige omstandigheden bevoegd zouden zijn daarover rechtsmacht uit te oefenen, […]”
- Art. 3 Uitleveringsverdrag:
“Voor de toepassing van dit Verdrag omvat het grondgebied van een Verdragsluitende Partij het gehele grondgebied onder de rechtsmacht van die Verdragsluitende Partij, met inbegrip van het luchtruim en de territoriale wateren.”
- Art. 4 Uitleveringsovereenkomst, voor zover hier relevant:
“[…]
4. Indien het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende staat is begaan, wordt uitlevering, behoudens de andere toepasselijke voorwaarden voor uitlevering, toegestaan indien de wetten van de aangezochte staat voorzien in de bestraffing van een strafbaar feit dat in soortgelijke omstandigheden buiten zijn grondgebied is gepleegd. Indien de wetten van de aangezochte staat niet voorzien in de bestraffing van een strafbaar feit dat in soortgelijke omstandigheden buiten zijn grondgebied is gepleegd, kan de uitvoerende autoriteit van de aangezochte staat uitlevering naar eigen inzicht toestaan, mits aan alle andere toepasselijke voorwaarden voor uitlevering is voldaan.”
11. Voorts dient het volgende te worden vooropgesteld. De rechtsmachtbepalingen van de artikelen 2 tot en met 8c van ons Nederlands Wetboek van Strafrecht zijn op een geval als het onderhavige niet van toepassing.1.Ook buiten dit wetboek van strafrecht zijn evenwel in bijzondere wetten van Nederlandse snit rechtsmachtbepalingen ingebed. Zo luidt het – meer op een situatie als de onderhavige toegesneden en sterk op de Amerikaanse ‘equivalent’ lijkend – vierde lid van art.13 Opiumwet:
“4. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op een der in artikel 10, tweede tot en met vijfde lid, artikel 10a, eerste lid, artikel 11, tweede tot en met vierde lid, en artikel 11a strafbaar gestelde feiten, indien het feit is gepleegd aan boord van een buitenlands vaartuig dan wel een vaartuig zonder nationaliteit of een daarmee gelijk gesteld vaartuig uit hoofde van het internationale recht, op open zee, en wordt opgetreden in het kader van de toepassing van het Verdrag ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag tegen sluikhandel.”
12. Art. 13 lid 4 Opiumwet is ingevoerd bij de wet die strekt tot “Uitvoering van het op 31 januari 1995 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de sluikhandel over zee, ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen sluikhandel in verdovende en psychotrope stoffen” van 1988 (Wenen). Over onder meer deze verdragen kom ik aanstonds te spreken, maar eerst wijs ik nog op de volgende passage uit de memorie van toelichting behorend bij die uitvoeringswet:2.
“1. Inleiding
Dit voorstel van wet strekt tot uitvoering van het op 31 januari 1995 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de sluikhandel over zee, ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Trb. 2010, 165 en 239, hierna: het Verdrag).
Het Verdrag is een uitwerking van de in artikel 17, derde lid, van het op 20 december 1988 te Wenen tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Trb. 1989, 97, hierna: Verdrag tegen sluikhandel) opgenomen grondslag voor nauwere operationele samenwerking op het gebied van maritieme drugsbestrijding. Onder het Verdrag is het mogelijk dat partijen op open zee optreden tegen van drugssmokkel verdachte vaartuigen van andere partijen.
[…]
2. Rechtsmacht
[…]
Het systeem van het Verdrag is evenals artikel 17 van het Verdrag tegen sluikhandel, waar het op voortbouwt, gebaseerd op het beschreven rechtsmachtregime. De vlaggestaat dient voorafgaand aan het optreden tegen één van zijn vaartuigen toestemming daartoe te verlenen. De vlaggestaat behoudt gedurende het optreden en voor een periode van twee weken na afloop daarvan, de primaire rechtsmacht en de mogelijkheid tot uitoefening daarvan. In het geval de vlaggestaat afstand doet van zijn recht tot uitoefening van de primaire rechtsmacht kan de optredende staat beslissen over te gaan tot vervolging.
Teneinde op te kunnen treden onder het verdrag, is het noodzakelijk dat Nederland strafvorderlijke bevoegdheden kan uitoefenen ingeval met een buitenlands vaartuig op open zee drugssmokkel plaatsvindt. Om die strafvorderlijke bevoegdheden te kunnen uitoefenen is rechtsmacht nodig over de relevante drugsdelicten gepleegd aan boord van het buitenlandse vaartuig op open zee. Daartoe zal, voor zover deze nog niet bestaat, extraterritoriale rechtsmacht moeten worden gevestigd. Het vestigen van rechtsmacht biedt eveneens een oplossing voor de situatie waarin de vlaggestaat afziet van de uitoefening van zijn primaire rechtsmacht. Nederland kan dan op basis van de gevestigde extraterritoriale rechtsmacht als optredende – in de terminologie van het Verdrag «tussenkomende» – staat besluiten om de vervolging zelf ter hand te nemen.
3. Uitoefening strafvorderlijke bevoegdheden op open zee
Optreden onder het Verdrag brengt met zich mee dat strafvorderlijke bevoegdheden buiten Nederlands grondgebied moeten worden toegepast.
Zoals reeds in de voorgaande paragraaf is toegelicht, is toestemming van de vlaggestaat, dan wel een regel van internationaal recht noodzakelijk ter legitimering van de inbreuk op de soevereiniteit van die staat. Deze internationaalrechtelijk erkende bevoegdheden verlangen echter ook een nationale wettelijke basis.
[…]
4. Artikelsgewijze toelichting
Artikel I
A
In dit onderdeel wordt voorgesteld om definities inzake het «Verdrag tegen sluikhandel» en het «Verdrag ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag tegen sluikhandel» aan artikel 1 van de Opiumwet toe te voegen. Eerstgenoemde definitie heeft betrekking op het op 20 december 1988 tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Trb. 1989, 97). Het begrip «Verdrag ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag tegen sluikhandel» ziet op het onderhavige Verdrag.
B Artikel 3 van het Verdrag schrijft voor dat partijen rechtsmacht moeten vestigen ten aanzien van de relevante strafbare feiten van artikel 3, eerste lid, van het Verdrag tegen sluikhandel, begaan aan boord van een vaartuig dat haar vlag voert, een vaartuig dat vaart onder de vlag van een andere partij bij het Verdrag, en een stateloos vaartuig. Onder het Verdrag tegen sluikhandel bestaat deze verplichting niet en de thans bestaande rechtsmachtregeling in de Opiumwet voorziet niet in de benodigde extraterritoriale rechtsmacht. De feiten die door het Verdrag tegen sluikhandel strafbaar zijn gesteld kunnen worden gevonden in de artikelen 10, tweede, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, en 11, tweede en derde lid en artikel 11a van de Opiumwet. Strikt genomen verplicht het Verdrag tegen sluikhandel ook tot strafbaarstelling van het witwassen van drugsgelden, maar deze feiten vallen in praktijk buiten het beoogde toepassingsbereik van artikel 17 het Verdrag tegen sluikhandel en van het Verdrag, dat immers de bestrijding van drugssmokkel op open zee tot doel heeft.
[…]
Onder het Verdrag moet de Nederlandse wetgeving tevens de mogelijkheid kennen om buiten ons grondgebied op te treden tegen een buitenlands vaartuig zonder dat er een rechtstreeks belang voor Nederland is. Het is zeer wel denkbaar dat een Nederlands marinevaartuig in een geografisch betere positie verkeert om op te treden tegen een vaartuig, dan de opsporingsautoriteiten van de vlaggestaat. Het is voorstelbaar dat om deze reden een verzoek aan Nederland zal worden gericht om tussen te komen. Voor wat betreft vaartuigen van een andere staat, dan wel vaartuigen zonder nationaliteit of daaraan gelijkgestelde vaartuigen bestaat thans nog geen regeling die voorziet in de benodigde extraterritoriale rechtsmacht. De rechtsmacht die Nederland op grond van de artikelen 2, 3 en 5 Sr, en de bijzondere regeling van artikel 13, derde lid, Opiumwet thans heeft, beperkt zich immers tot de gevallen waarin er sprake is van een (direct) aanknopingspunt met Nederland. Bovendien is artikel 13, derde lid, Opiumwet alleen van toepassing in geval van smokkel van harddrugs. De huidige rechtsmachtregeling in de Opiumwet dient derhalve te worden uitgebreid.
Voorgesteld wordt om aan artikel 13 Opiumwet een nieuw vierde lid toe te voegen. Hierin wordt bepaald dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op de relevante feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 10, tweede tot en met vijfde lid, artikel 10a, artikel 11, tweede tot en met vierde lid, en artikel 11a, van de Opiumwet, indien het feit is gepleegd aan boord van een buitenlands of stateloos vaartuig op open zee en als opgetreden wordt in het kader van het Verdrag. Onder open zee moet in het verband van het Verdrag worden verstaan alle wateren die buiten de strikte territoriale wateren vallen – zie overweging 13 van het toelichtende rapport bij het Verdrag.
[…].”
13. In het vorige randnummer is in het verband van art. 13 lid 4 Opiumwet tot uitdrukking gekomen dat het op 31 januari 1995 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de sluikhandel over zee(hier verder ook wel het Straatsburgse verdrag genoemd) ter uitvoering dient van art. 17 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen van 20 december 1988 (hier verder ook wel het Weense verdrag genoemd). Dit Weense verdrag uit 1988 wordt binnen het verdragenrecht aangeduid als het moederverdrag van het Straatsburgse verdrag van 1995. Het Straatsburgse verdrag dient als grondslag voor nauwere operationele samenwerking op het gebied van maritieme drugsbestrijding en maakt mogelijk dat partijen onder het regiem van dit verdrag op open zee optreden tegen van drugssmokkel verdachte vaartuigen van andere partijen.3.Wolswijk merkt in het kader van het Straatsburgse verdrag (dus inzake de sluikhandel over zee) op, dat wanneer een verdragsstaat redelijke gronden heeft om te vermoeden dat een vaartuig dat de vlag voert of de nationaliteitstekens toont van een andere verdragspartij, betrokken is bij het begaan van een (relevant) strafbaar feit, de eerstgenoemde staat de vlaggestaat kan verzoeken te worden gemachtigd om het vaartuig aan te houden en om aan boord te gaan buiten de territoriale wateren van enige verdragsstaat en bepaalde maatregelen te nemen (art. 6), waaronder het tot stilstand doen brengen en het doorzoeken van het vaartuig, de aanhouding van personen en de inbeslagneming van goederen (art. 9). Hij wijst er vervolgens op dat Nederland zijn (materiële) rechtsmacht over de relevante drugsdelicten heeft uitgebreid door aanpassing van de Opiumwet door de invoering van art. 13 lid 4 om deze strafvorderlijke bevoegdheden te kunnen uitoefenen.4.Met het oog op de beoordeling van het middel haal ik uit deze verdragen de volgende bepalingen aan:
- Art. 4 lid 1 onderdeel b.(ii) van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen van 20 december 1988 (het Weense verdrag):
“1. Elke Partij
[…]
b. kan de maatregelen nemen die nodig zijn om haar rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in overeenstemming met artikel 3, eerste lid, strafbaar gestelde feiten, wanneer:
[…]
(ii) het strafbare feit is begaan aan boord van een vaartuig ten aanzien waarvan die Partij ingevolge artikel 17 passende maatregelen kan nemen, mits deze rechtsmacht slechts wordt uitgeoefend op grondslag van de in het vierde lid en het negende lid van dat artikel bedoelde overeenkomsten of regelingen.”
- Art. 17 lid 3 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen van 20 december 1988 (het Weense verdrag):
“Een Partij die redelijke gronden heeft om te vermoeden dat een vaartuig dat in overeenstemming met het internationale recht de vrijheid van scheepvaart uitoefent en dat de vlag voert of de nationaliteitskentekens toont van een andere Partij, is betrokken bij sluikhandel, kan dit melden aan de vlaggestaat, kan verzoeken om bevestiging van de registratie en kan, indien de nationaliteit wordt bevestigd, de vlaggestaat verzoeken haar te machtigen ten aanzien van dat vaartuig passende maatregelen te nemen.”
- Art. 3 lid 2 van het Straatsburgse Verdrag inzake de sluikhandel over zee ter uitvoering van art. 17 van het (hier: kort gezegd) vorengenoemde Weense verdrag:
“Voor de toepassing van dit Verdrag neemt elke partij de maatregelen die nodig zijn om haar rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de relevante strafbare feiten die zijn begaan aan boord van een vaartuig dat de vlag voert dan wel de nationaliteitskentekens toont of een andere nationaliteitsaanduiding voert van een andere partij bij dit Verdrag. Deze rechtsmacht kan slechts worden uitgeoefend in overeenstemming met dit Verdrag.”
- Art. 6 van het Straatsburgse Verdrag inzake de sluikhandel over zee ter uitvoering van art. 17 van het (hier: kort gezegd) vorengenoemde Weense verdrag:
“Wanneer de tussenkomende staat redelijke gronden heeft om te vermoeden dat een vaartuig dat de vlag voert of de nationaliteitskentekens toont van een andere partij dan wel een andere nationaliteitsaanduiding voert, betrokken is bij of wordt gebruikt voor het begaan van een relevant strafbaar feit, kan de tussenkomende staat de vlaggestaat verzoeken te worden gemachtigd om het vaartuig aan te houden en om aan boord te gaan buiten de territoriale wateren van enige partij en enkele of alle van de andere in dit Verdrag genoemde maatregelen te nemen. Dergelijke maatregelen kunnen op grond van dit Verdrag niet worden genomen zonder de machtiging van de vlaggestaat.”
- Art. 17 lid 1 van het Straatsburgse Verdrag inzake de sluikhandel over zee ter uitvoering van art.
17 van het (hier: kort gezegd) vorengenoemde Weense verdrag
“Elke partij wijst een autoriteit aan die is belast met de verzending en beantwoording van verzoeken ingevolge de artikelen 6 en 7 van dit Verdrag. Voor zover mogelijk treft elke partij voorzieningen om deze autoriteit in staat te stellen dag en nacht, op elk willekeurig tijdstip verzoeken te ontvangen en deze te beantwoorden.”
14. De landen van het Koninkrijk der Nederlanden zijn partij bij zowel het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen van 20 december 1988 (het Weense verdrag), als bij het Straatsburgse Verdrag inzake de sluikhandel over zee ter uitvoering van art. 17 van dat Weense verdrag. De VS en Venezuela zijn eveneens partij bij het Weense verdrag tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, maar niet bij het Straatsburgse verdrag inzake de sluikhandel over zee.
15. Overigens (en voor de volledigheid) attendeer ik hier op het bestaan van het Verdrag inzake samenwerking bij de bestrijding van sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee en door de lucht in het Caribisch gebied van 10 april 2003 (Trb. 2003, 82). De doelstelling van dit verdrag is dat de partijen zoveel mogelijk samenwerken bij de bestrijding van sluikhandel over zee en door de lucht in de wateren van het Caribisch gebied en in het luchtruim daarboven. Dit dient te geschieden in overeenstemming met de beschikbare middelen voor rechtshandhaving van de partijen en daaraan gerelateerde prioriteiten, overeenkomstig het internationale recht van de zee en de toepasselijke verdragen. Daarmee wil men gewaarborgd hebben dat verdachte vaartuigen en luchtvaartuigen worden opgespoord, geïdentificeerd en voortdurend gevolgd worden en dat, wanneer bewijzen van betrokkenheid bij sluikhandel worden gevonden, deze vaartuigen worden vastgehouden zodat de bevoegde autoriteiten passende rechthandhavingsmaatregelen kunnen nemen. De landen van het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika zijn partij bij dit Verdrag, maar de Republiek Venezuela niet.
De bespreking van het middel
16. Tijdens de behandeling van het verzoek door de rechtbank is namens de opgeëiste persoon ter zake enkel aangevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat de VS geen rechtsmacht hebben. Er zou in het dossier een stuk ontbreken waaruit volgt dat Venezuela toestemming ervoor heeft gegeven dat de vervolging zal plaatsvinden door de VS. De rechtbank heeft dit verweer verworpen. Daarbij heeft de rechtbank de Amerikaanse rechtsmachtsbepaling in aanmerking genomen die is neergelegd in Title 46, United States Code, Section 70502(c)(1)(C) en in Exhibit B bij de Affidavit is gevoegd en heeft zij voorts gewezen op het vertrouwensbeginsel waarvan in het interstatelijk contact moet worden uitgegaan, hetgeen impliceert dat moet worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen door een verzoekende staat wordt gesteld.
17. In cassatie wordt over dat oordeel van de rechtbank niet geklaagd. De steller van het middel vaart een andere koers en gooit haar betoog over een andere (nieuwe) boeg. Nu wordt aangevoerd dat de uitlevering ten onrechte toelaatbaar is verklaard omdat Nederland geen rechtsmacht zou hebben. Gewezen wordt op art. 2 lid 3 aanhef en onder a Uitleveringsverdrag, waarin dus is bepaald dat voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden en die zijn gepleegd buiten het grondgebied van de verzoekende Staat de uitlevering pas wordt toegestaan als de rechters van de aangezochte Staat in gelijksoortige omstandigheden bevoegd zouden zijn daarover rechtsmacht uit te oefenen. Volgens de steller van het middel bestaat zo’n ‘gelijksoortige mogelijkheid’ niet voor Nederland omdat die ontbreekt in de artikelen 3 tot en met 8c van het Wetboek van Strafrecht (handelend over de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet). De rechtbank had volgens haar het verzoek dus niet toelaatbaar mogen verklaren en in elk geval niet zonder meer – dus zonder expliciete vaststelling en motivering over de denkbeeldige toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet in een vergelijkbaar geval – over deze rechtsmachtskwestie mogen heenstappen.
18. De steller van het middel baseert de klacht enkel op de stelling dat een met de bepalingen van de wetgeving van de Verenigde Staten vergelijkbare toekenning van rechtsmacht ontbreekt in de voor de beoordeling van het rechtshulpverzoek relevante artikelen 3 tot en met 8c van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht. Voor zover hiermee wordt betoogd dat de artikelen 3 tot en met 8c Sr in een geval als het onderhavige geen rechtsmacht voor Nederland scheppen, heeft de steller van het middel het gelijk aan haar zijde. Zij ziet evenwel er kennelijk aan voorbij dat een staat ook rechtsmacht kan vestigen in bijzondere wetgeving, zoals ten onzent in het hierboven aangehaalde en toegelichte art. 13 lid 4 Opiumwet. Over deze bepaling wordt in de schriftuur echter met geen woord gerept, en zo ook niet over het Straatsburgse verdrag en het Weense verdrag, en dus evenmin over de vraag hoe art. 13 lid 4 Opiumwet zich tot deze verdragen verhoudt.
19. Daarbij komt nog het volgende. In HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY3440, NJ 2007/10, m.nt. Keijzer heeft de Hoge Raad overwogen dat de aard van de uitleveringsprocedure zich ertegen verzet dat de uitleveringsrechter onderzoek doet naar een omstandigheid op grond waarvan de Nederlandse strafrechter niet bevoegd zou zijn de in art. 2 lid 3 onder a Uitleveringsverdrag bedoelde rechtsmacht uit te oefenen. Dit betekent volgens de Hoge Raad dat zo een omstandigheid slechts kan leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering indien zij hetzij rechtstreeks volgt uit de door de verzoekende Staat overgelegde stukken, hetzij anderszins, zonder diepgaand onderzoek, vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf, door de uitleveringsrechter als vaststaand kan worden aangenomen, bijvoorbeeld op grond van hetgeen door of namens de opgeëiste persoon bij de behandeling van het uitleveringsverzoek naar voren is gebracht. Die omstandigheid, zo benadrukt de Hoge Raad, “dient dan voldoende precies te worden aangewezen en de verdediging behoort gemotiveerd – in voorkomend geval door relevante bescheiden gestaafd – aan te geven dat en waarom deze tot gevolg heeft dat niet is voldaan aan het vereiste van de (dubbele) strafbaarheid dan wel aan de in genoemd art. 2, derde lid onder a, omschreven rechtsmachtvoorwaarde.” Indien omtrent de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet twijfels rijzen in geval art. 2 lid 3 Uitleveringsverdrag van toepassing is, doet de verdediging er dus verstandig aan dit tijdens de zitting bij de rechtbank aan te voeren. Gebeurt dit niet – hetgeen in de onderhavige zaak het geval is –, dan leidt dit er al snel toe dat dat de verdediging bot vangt in een cassatieprocedure waar de rechtsmacht van Nederland (of de andere Koninkrijkslanden) ter discussie wordt gebracht.
20. Reeds op grond van het voorgaande meen ik dat het middel het beoogde doel mist.
21. Ten overvloede (en volledigheidshalve) merk ik nog het volgende op.
22. Ik meen dat de woorden “in gelijksoortige omstandigheden” als bedoeld in art. 2 lid 3 aanhef en onder a Uitleveringsverdrag impliceren dat dan wel van dezelfde concrete zaaksomstandigheden moet worden uitgegaan. Daarbij zal doorgaans relevant zijn welke verdenking is gerezen met betrekking tot (de bemanning van) het vaartuig waartegen opgetreden moet worden. Voorts is in de onderhavige zaak van belang of door Nederland, als aangezochte staat, strafrechtsmacht is gevestigd ten aanzien van de feiten waarvoor door de VS uitlevering wordt verzocht.5.Dat includeert in dit geval dat de Nederlandse strafwet toepasselijk zou moeten zijn op feiten die buiten Nederland, namelijk in internationale wateren, en aan boord van een schip niet varend onder Nederlandse of Amerikaanse maar onder Venezolaanse vlag, zouden zijn begaan, terwijl de Staat onder wiens vlag het schip vaart (Venezuela) toestemming zou hebben gegeven voor het betreden en uitvoeren van specifieke onderzoekshandelingen aan boord van dat schip. Het spreekt voor zich dat ook de vlaggestaat (Venezuela) dan partij is bij het verdrag dat de rechtsmacht constitueert en overkoepelend beheerst.
23. De Opiumwet biedt hier de voor Nederland wettelijke grondslag voor rechtsmacht. Op grond van art. 13 lid 4 Opiumwet is de Nederlandse strafwet toepasselijk op onder meer de in art. 10 leden 2 tot en met 5 Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Daarin ligt wat betreft deze zaak geen probleem. De rechtbank heeft dan ook eenvoudig kunnen vaststellen dat het feit waarvoor de uitlevering is verzocht naar Nederlands recht moet worden omschreven als het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B (en C) van de Opiumwet gegeven verbod (betreffende onder meer het vervoeren).
24. Aandachtspunt is wel dat art. 3 lid 2 van het Straatsburgse Verdrag van 1995 inzake de sluikhandel over zee ter uitvoering van art. 17 van het Weense verdrag van 1988 ziet op “een vaartuig dat de vlag voert dan wel de nationaliteitskentekens toont of een andere nationaliteitsaanduiding voert van een andere partij bij dit Verdrag” en inhoudt dat de bedoelde rechtsmacht slechts kan worden uitgeoefend in overeenstemming met dit verdrag, en dat art. 13 lid 4 Opiumwet vervolgt met de zinswending: “indien het feit is gepleegd aan boord van een buitenlands vaartuig dan wel een vaartuig zonder nationaliteit of een daarmee gelijk gesteld vaartuig uit hoofde van het internationale recht, op open zee, en wordt opgetreden in het kader van de toepassing van het Verdrag ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag tegen sluikhandel”. Venezuela, de vlaggestaat in deze zaak, is als gezegd geen partij bij het Straatsburgse verdrag, maar wel bij het Weense verdrag.
25. Naar het mij voorkomt is er evenwel geen dwingende reden de bewoordingen van art. 3 lid 2 van het Straatsburgse verdrag en art. 13 lid 4 Opiumwet zó strikt uit te leggen, dat Nederland met de invoering van art. 13 lid 4 Opiumwet zijn rechtsmacht over de bedoelde drugsdelicten en de daarmee samenhangende uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden enkel, of exclusief, heeft willen uitbreiden voor zover het gaat om de toepassing van het Straatsburgse verdrag. Ik meen dat het zinsdeel “in het kader van de toepassing van het Verdrag ter uitvoering vanartikel 17 van het Verdrag tegen sluikhandel” (cursivering van mij, A-G) ook grammaticaal voldoende ruimte laat voor een interpretatie die daarbij ook het Weense verdrag als moederverdrag van het Straatsburgse verdrag betrekt. Een dergelijke uitleg verdraagt zich mijns inziens ook met de geest van deze bepaling. Blijkens de hierboven in randnummer 12 aangehaalde memorie van toelichting bij (kort gezegd) de invoering van art. 13 lid 4 Opiumwet is het systeem van het Straatsburgse verdrag “evenals artikel 17 van het Verdrag tegen sluikhandel, waar het op voortbouwt, gebaseerd op het beschreven rechtsmachtregime” (cursiveringen van mij, A-G). Welnu, ook art. 17 lid 3 van het Weense Verdrag tegen sluikhandel legitimeert een partij die redelijke gronden heeft om te vermoeden dat een vaartuig dat (in overeenstemming met het internationale recht de vrijheid van scheepvaart uitoefent en dat de vlag voert of de nationaliteitskentekens toont van een andere partij) is betrokken bij sluikhandel, dit te melden aan de vlaggestaat en, indien de nationaliteit wordt bevestigd, de vlaggestaat te verzoeken haar te machtigen ten aanzien van dat vaartuig passende maatregelen te nemen. Naar mijn inzicht biedt vanuit dit perspectief bezien het Weense Verdrag tegen sluikhandel in verbinding met het Straatsburgse verdrag in dit specifieke geval een deugdelijke grondslag voor de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet op grond waarvan de Nederlandse strafrechter in gelijksoortige omstandigheden bevoegd zou zijn daarover rechtsmacht uit te oefenen. De vlaggestaat is in dit geval Venezuela en deze kan dan, evenals het tegenover de Verenigde Staten heeft gedaan, ook in relatie tot Nederland voorafgaand aan het optreden tegen één van zijn (Venezolaanse) vaartuigen en het uitoefenen van strafvorderlijke bevoegdheden (door Nederland) daartoe toestemming verlenen.
26. Het komt mij al met al voor dat wat betreft deze denkbeeldige situatie zeer wel verdedigbaar is de stelling dat door de bijzondere en nauwe verbinding die art. 17 van het Weense verdrag, waarbij Venezuela partij is, tot stand brengt tussen het Straatsburgse verdrag en het Weense verdrag, dan op legitieme gronden is opgetreden als bedoeld, zodat tevens gehandeld is in overeenstemming met het Straatsburgse verdrag en art. 13 lid 4 Opiumwet en voorts voldaan is aan het vereiste van art. 2 lid 3 aanhef en onder a van het Uitleveringsverdrag.
IV Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
27. Het tweede middel behelst de klacht dat “de uitspraak van de rechtbank niet een genoegzame vermelding bevat van het feit, zoals is voorgeschreven in artikel 28, derde lid, Uitleveringswet”, waardoor de uitspraak aan nietigheid lijdt.
28. Art. 28 lid 3 Uitleveringswet (verder: Uw) schrijft voor dat de rechtbank bij haar uitspraak tot toelaatbaarverklaring van de uitlevering onder meer “het feit of de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan” vermeldt. Die vermelding dient voldoende specifiek te zijn, waarbij geldt dat slechts een kwalificatie van de feiten niet volstaat. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1764, NJ 2000/491 overwogen, dat aan het bepaalde in art. 28 lid 3 Uw is voldaan indien in de uitspraak met voldoende duidelijkheid wordt “verwezen naar” enig stuk dat al dan niet aan de uitspraak is gehecht.
29. Naar ik meen, komt in de uitspraak van de rechtbank voldoende duidelijk naar voren voor welk feit de uitlevering wordt verzocht (en is toegestaan). In haar uitspraak wordt immers onder het subkopje “1.1 Het verzoek tot uitlevering” in zoveel woorden vastgesteld dat blijkens het uitleveringsverzoek de opgeëiste persoon in de Verenigde Staten van Amerika wordt verdacht van “samenzwering om vijf kilo cocaïne of meer te distribueren en te bezitten met het oogmerk om te distribueren aan boord van een vaartuig dat valt onder de jurisdictie van de Verenigde Staten”, terwijl onder het subkopje “3.4 Dubbele strafbaarheid en strafbedreiging met vrijheidsstraffen van ten minste één jaar” valt te lezen dat dit feit naar Nederlands recht wordt omschreven als “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B (en C) van de Opiumwet gegeven verbod, welk feit – met inachtneming van het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van de UW – strafbaar is gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet”. Uit het uitleveringsverzoek volgt niet alleen de kwalificatie van het feit waarvoor om uitlevering wordt verzocht, maar óók dat de opgeëiste persoon “is wanted to stand trial in the United States for conspiracy to distribute and possess with intent to distribute five kilograms or more of cocaine while on board a vessel subject tot he jurisdiction of the United States” (zie hierboven randnummer 5). Verderop in het uitleveringsverzoek staat dat “A detailed summary of the facts of the case is included in the supporting documents”. Eén van die ‘supporting documents’ is de Affidavit waarin die meer gedetailleerde feitenomschrijving is opgenomen (zie hierboven randnummer 4).
30. Het middel mist mitsdien feitelijke grondslag.
V Slotsom
31. Zowel het eerste als het tweede cassatiemiddel faalt. Het tweede cassatiemiddel kan worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering.
32. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑05‑2024
H.D. Wolswijk in A.L. Melai/A.H. Klip e.a., Het Wetboek van Strafvordering/IISS, onderdeel III.9.5.8 ‘Volle zee’, actueel t/m 1 mei 2014.
Vgl. 18 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4292, NJ 2003/315, m.nt. Strijards.
Beroepschrift 28‑03‑2024
De Hoge Raad der Nederlanden
Griffienummer: S 23/04869
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak van [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] 1970, verzoeker van cassatie van een hem betreffende uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 5 december 2023 (kenmerk: UTL-1-2023005496/parketnummer 16.235296-23).
Verzoeker van cassatie dient hierbij de navolgende middelen in.
Middel I:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 2 en 28 Uitleveringswet, de artikelen 2 en 3 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Uitleveringsverdrag KdN-VS) en artikel 4 van de overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de EU-VS Uitleveringsovereenkomst), doordat het oordeel van de rechtbank dat uitlevering kan worden toegestaan blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of ontoereikend is gemotiveerd en/of onbegrijpelijk is nu het feit waarvoor om uitlevering is verzocht buiten het grondgebied van de verzoekende Staat is gepleegd en van de in artikel 2 lid 3, onder. en b, van het Uitleveringsverdrag KdN-VS en/of artikel 4 van de EU-VS Uitleveringsovereenkomst genoemde rechtsmachtvoorwaarde(n) waaronder de uitlevering kan worden toegestaan, geen sprake is en/of — nu de rechtbank omtrent het vervuld zijn van die rechtmachtsvoorwaarde(n) (ten onrechte) niets heeft vastgesteld — de rechtbank de uitlevering niet zonder meer, en meer in het bijzonder niet zonder dat zij eerst had vastgesteld dat aan de rechtsmachtvoorwaarde (al dan) niet is voldaan, toelaatbaar mogen verklaren en/of is die toelaatbaarverklaring voor zover die geacht moet worden ‘naar eigen inzicht’ als bedoeld in art. 4 van de EU-VS Uitleveringsovereenkomst te hebben plaatsgevonden, in het licht van de ratio daarvan — te weten dat de beslissing dat vervolging plaatsvindt op grond van een jurisdictiebeginsel dat Nederland niet kent berust op een expliciete en/of gemotiveerde aanvaarding daarvan — zonder expliciete beslissing en zonder nadere motivering, onvoldoende met redenen omkleed en/of onbegrijpelijk. Mitsdien lijdt de beslissing tot toelaatbaarverklaring van de uitlevering aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Uit de door de Verenigde Staten van Amerika toegestuurde stukken ter ondersteuning van het uitleveringsverzoek, meer in het bijzonder de (vertaalde) beëdigde verklaring van [betrokkene 1], Hulpofficier van Justitie voor het Openbaar Ministerie voor het middendistrict van Florida, volgt dat het feit waarvoor om uitlevering ter vervolging wordt verzocht niet op het grondgebied van de Verenigde Staten van Amerika is gepleegd:
- ‘6.
Op of omstreeks 27 augustus 2019 heeft de HNLMS Groningen met aan boord een gedetacheerd team van de United States Coast Guard Law Enforcement, een vissersvaartuig, de [naam schip], varend onder een Venezolaanse vlag in internationale wateren, ongeveer 42 zeemijlen ten noorden van Puerto Cabello, Venezuela, tegengehouden. De overheid van Venezuela heeft de Verenigde Staten toestemming gegeven om aan boord van het vaartuig te gaan en de lading en bemanning van het vaartuig aan een huiszoeking te onderwerpen en heeft afstand gedaan van diens primaire recht op de uitoefening van jurisdictie over het vaartuig, de bemanning en de lading, voorzover noodzakelijk ingevolge Amerikaanse wetgeving. Dit heeft geresulteerd in de inbeslagname van ongeveer 295 kilo cocaïne. (…) De Amerikaanse autoriteiten hebben vervolgens de 14 bemanningsleden van de [naam schip] gearresteerd en hen voor vervolging naar het midden district van Florida vervoerd.
(…)
- 20.
De Verenigde Staten heeft jurisdictie over de vervolging van [opgeëiste persoon] voor het in de Tenlastelegging neergelegde strafbare feit. Titel 46, United States Code, artikel 70502(c)(1)(C) bepaalt dat een ‘vaartuig onderhevig aan de jurisdictie van de Verenigde Staten’ omvat ‘een in het buitenland geregistreerd vaartuig indien dat land heeft ingestemd met de tenuitvoerlegging van een Amerikaanse wet door de Verenigde Staten of afstand heeft gedaan om bezwaar te maken tegen de tenuitvoerlegging daarvan.’ De overheid van Venezuela heeft op 29 augustus 2019 afstand gedaan van diens primaire recht om jurisdictie uit te oefenen over de [naam schip], haar bemanning en lading, voorzover noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van Amerikaanse wetgeving. De afstandverklaring door Venezuela werd bevestigd in een certificering van de door de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken aangewezen persoon, welke als afdoende bewijs fungeert voor dergelijke afstandsverklaring ingevolge Titel 46, United States Code, artikel 70502(c)(2)(B).
(…).’
2.
Bij het uitleveringsverzoek is voorts ingevolge het bepaalde in artikel 9 lid 2 onder (e) van voornoemd Uitleveringsverdrag KdN-VS de tekst gevoegd van voormelde wetsbepalingen inhoudende de toekenning van rechtsmacht ingeval het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat werd gepleegd.
Verdragsrechtelijk kader:
3.
Op het uitleveringsverzoek zijn het Uitleveringsverdrag KdN-VS en de EU-VS Uitleveringsovereenkomst van toepassing. Die laatste bevat volgens artikel 1 bepalingen ter verbetering van de samenwerking tussen de lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika bij uitlevering van plegers van strafbare feiten.
4.
Uit de Memorie van Toelichting behorende bij de goedkeuring van de EU-VS Uitleveringsovereenkomst1. volgt dat die overeenkomst een aanvullend karakter heeft (p. 4 MvT). Ook staat daarin vermeld dat de bepalingen van de artikelen 4 t/m 14 van die Overeenkomst aanvullingen bevatten op het terrein van de uitlevering waarbij het telkens zal afhangen van het bilaterale Uitleveringsverdrag KdN-VS dat tussen een lidstaat en de Verenigde Staten geldt of, en zo ja welke, bepalingen in concreto wijziging brengen in die bestaande bilaterale verdragsrelatie (p. 6 MvT). In de Nota naar aanleiding van het eindverslag is benadrukt dat de basis voor uitlevering het bilaterale Uitleveringsverdrag KdN-VS van 1980 blijft, maar dat laatstgenoemd verdrag wijzigingen ondergaat en dat van een zelfstandige toepassing van de EU-VS Uitleveringsovereenkomst geen sprake is en ook geen sprake kan zijn.2.
5.
Artikel 4 van de EU-VS Uitleveringsovereenkomst houdt het volgende in:
‘Artikel 4. Feiten die tot uitlevering kunnen leiden
- 1.
Tot uitlevering kunnen leiden, feiten die krachtens de wetten van de verzoekende en de aangezochte staat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf met een maximum van meer dan een jaar of met een strengere straf. Tot uitlevering kunnen eveneens leiden, poging of samenspanning tot, dan wel deelneming aan het plegen van een strafbaar feit dat tot uitlevering kan leiden. Indien het verzoek strekt tot de tenuitvoerlegging van vonnis waarbij een persoon die veroordeeld is voor een feit dat tot uitlevering kan leiden, dient het gedeelte van de vrijheidsstraf dat nog niet is ondergaan, ten minste vier maanden te bedragen.
- 2.
Indien uitlevering is toegestaan voor een feit dat tot uitlevering kan leiden, wordt zij tevens toegestaan voor elk ander in het verzoek genoemd strafbaar feit, indien laatstbedoeld feit strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf van een jaar of minder, mits aan alle andere voorwaarden voor uitlevering is voldaan.
- 3.
Voor de toepassing van dit artikel wordt een feit beschouwd als een feit dat tot uitlevering kan leiden:
- a)
ongeacht of de wetten van de verzoekende en de aangezochte staat het feit onder dezelfde categorie strafbare feiten rangschikken dan wel een feit met dezelfde termen aanduiden;
- b)
ongeacht of het een feit betreft waarvoor de federale wetgeving van de Verenigde Staten van Amerika bewijs verlangt inzake bijvoorbeeld interstatelijk vervoer of het gebruik van de posterijen of andere middelen voor de interstatelijke of buitenlandse handel, omdat zulks alleen dient om de rechtsmacht van een federaal rechtscollege van de Verenigde Staten van Amerika vast te stellen; en
- c)
in strafzaken betreffende retributies of belastingen, douanerechten, valutacontrole en invoer en uitvoer van grondstoffen, ongeacht of de wetten van de verzoekende en de aangezochte staat in dezelfde soorten retributies of belastingen, douanerechten, dan wel controle van valuta of invoer en uitvoer van dezelfde soorten grondstoffen voorzien.
- 4.
Indien het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende staat is begaan, wordt uitlevering, behoudens de andere toepasselijke voorwaarden voor uitlevering, toegestaan indien de wetten van de aangezochte staat voorzien in de bestraffing van een strafbaar feit dat in soortgelijke omstandigheden buiten zijn grondgebied is gepleegd. Indien de wetten van de aangezochte staat niet voorzien in de bestraffing van een strafbaar feit dat in soortgelijke omstandigheden buiten zijn grondgebied is gepleegd, kan de uitvoerende autoriteit van de aangezochte staat uitlevering naar eigen inzicht toestaan, mits aan alle andere toepasselijke voorwaarden voor uitlevering is voldaan.’
6.
In artikel 3, eerste lid, van de EU-VS Uitleveringsovereenkomst is onder a is bepaald dat artikel 4 van die overeenkomst wordt toegepast in plaats van bepalingen uit bilaterale verdragen die uitlevering uitsluitend toestaan voor de op een lijst geplaatste met name genoemde strafbare feiten.
7.
Volgens de Memorie van Toelichting blijkt uit artikel 1 EU-VS Uitleveringsovereenkomst welke gevolgen artikel 3, eerste lid, van de EU-VS Uitleveringsovereenkomst heeft voor het bilaterale Uitleveringsverdrag KdN-VS van 1980 (p. 10 MvT). Volgens de in bijlage A van die Memorie bijgevoegde transponeringstabel is artikel 4 van de EU-Overeenkomst de pendant van artikel 2 van het Uitleveringsverdrag KdN-VS. In de transponeringstabel staat daarbij vermeld dat art. 2 ongewijzigd is (p. 19 MvT).
8.
Artikel 2 lid 3 van het Uitleveringsverdrag KdN-VS houdt in:
‘Uitlevering wordt toegestaan voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden en die zijn gepleegd buiten het grondgebied van de verzoekende Staat indien:
- a.
de rechters van de aangezochte Staat in gelijksoortige omstandigheden bevoegd zouden zijn daarover rechtsmacht uit te oefenen, of
- b.
de opgeëiste persoon onderdaan is van de verzoekende Staat.’
9.
Lid 4 van artikel 4 van de EU-VS Uitleveringsovereenkomst heeft net als artikel 2 lid 3 van het Uitleveringsverdrag KdN-VS betrekking op de rechtsmacht. Met de opneming van artikel 4 in de EU-VS Uitleveringsovereenkomst is, zoals uit het vorenstaande blijkt, kennelijk geen wijziging beoogd ten opzichte van rechtsmachtvoorwaarden in artikel 2 lid 3 Uitleveringsverdrag KdN-VS, behoudens het bepaalde in artikel 3 lid 1 jo artikel 1 van de EU-VS Uitleveringsovereenkomst ten aanzien van bilaterale verdragen die voorheen alleen uitlevering toestonden voor de op een lijst geplaatste met name genoemde strafbare feiten.3. Daaraan doet het bepaalde in de laatste volzin van lid 4 van artikel 4 van de EU-VS Uitleveringsovereenkomst niet af.
Toelaatbaarheid van de uitlevering:
10.
Artikel 3 van het Uitleveringsverdrag KdN-VS houdt in:
‘Voor de toepassing van dit Verdrag omvat het grondgebied van een Verdragsluitende Partij het gehele grondgebied onder de rechtsmacht van die Verdragsluitende Partij, met inbegrip van het luchtruim en de territoriale wateren.’
11.
Op grond van deze bepaling en gelet op de bij het uitleveringsverzoek gevoegde stukken moet worden vastgesteld dat het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht is begaan aan boord van een schip varend onder Venezolaanse vlag en daarmee buiten het grondgebied van de Verenigde Staten van Amerika.
12.
Artikel 4 lid 4 van de EU-VS Uitleveringsovereenkomst geeft, mede in het licht van het feit dat kennelijk niet is beoogd artikel 2 lid 3 van het Uitleveringsverdrag KdN-VS in dat opzicht te wijzigen, als hoofdregel dat wanneer het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht buiten het grondgebied van de verzoekende partij gepleegd, maar de verzoekende partij niettemin rechtsmacht heeft voor het vervolgen van dat feit, uitlevering uitsluitend mogelijk is indien de rechters van de aangezochte Staat in gelijksoortige omstandigheden bevoegd zouden zijn daarover rechtsmacht uit te oefenen. Om vast te stellen of daarvan al dan niet sprake is, moet worden nagegaan of — gegeven de feiten waarop de verzoekende Staat zijn rechtsmacht heeft gebaseerd — de aangezochte Staat op basis van diezelfde feiten ook rechtsmacht zou kunnen hebben.
13.
Verwezen wordt in dit verband naar conclusie P-G 5 september 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AY3440, randnummer 4.7. Zie voorts met betrekking tot de beoordeling van de vervolgbaarheid naar Nederlands recht waartoe artikel 2 lid 3 van het Uitleveringsverdrag KdN-VS noopt: A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht (1986), meer in het bijzonder:
p. 132:
‘Baseert de verzoekende staat zich bij zijn vervolging van de persoon op een bepaald jurisdictiebeginsel, dan gaat het er bij de vervolgbaarheid naar het recht van de verzochte staat niet om of de gedraging zoals zij is voorgevallen in werkelijkheid ook onder het ruimtelijke bereik van diens strafwet valt. Voldoende is dat de verzochte staat in een feitelijk vergelijkbare situatie een zelfde strafbaar feit zou kunnen vervolgen. Op dit punt bevatten verdragen soms expliciete regelingen: artikel 2, lid 3, van het Uitleveringsverdrag KdN-VS tussen Nederland en de Verenigde Staten is er een voorbeeld van.’
p. 192:
‘Anders van opzet is artikel 2 van het verdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten. Het bepaalt in lid 3, onder .a, dat uitlevering terzake van buiten het grondgebied van de verzoekende staat begane strafbare feiten kan worden toegestaan indien ‘de rechters van de aangezochte staat in gelijksoortige omstandigheden bevoegd zouden zijn daarover rechtsmacht uit te oefenen.’ Ook hier wordt de dubbele vervolgbaarheid als uitgangspunt aanvaard. Een belangrijk verschil met de beide vorige verdragen is echter dat in het geheel niet uitgeleverd kan worden wanneer de (denkbeeldige) vervolgbaarheid naar het recht van de verzochte staat ontbreekt. Een regeling die vooral voor Nederlandse uitleveringsverzoeken gevolgen kan hebben omdat in de wetgeving in de Verenigde Staten het territorialiteitsbeginsel een veel exclusievere plaats inneemt dan in de Nederlandse. Een verzachting brengt echter lid 3, onder b, aan. Uitgeleverd kan ook worden wanneer de opgeëiste persoon de nationaliteit heeft van de verzoekende staat. (…)
(….) het ontbreken van de mogelijkheid te vervolgen op basis van hetzelfde jurisdictiebeginsel als de verzoekende staat in het gegeven geval hanteert, (belet) alleen dan de uitlevering (…) indien het verdrag zelf het ontbreken van gelijke vervolgingsmogelijkheden als een absoluut beletsel voor de uitlevering beschouwt. Een dergelijke regeling is onder meer te vinden in het Uitleveringsverdrag KdN-VS tussen Nederland en de Verenigde Staten. De rechter zal dan de uitlevering ontoelaatbaar moeten verklaren.’
14.
Een en ander brengt voor de onderhavige zaak mee dat de uitleveringsrechter moet nagaan of Nederland ten aanzien van een niet-Nederlander/Nederlands ingezetene rechtsmacht heeft over feiten die aan boord van een onder Venezolaanse vlag varend schip zijn begaan. Dat is niet het geval: een met de bepalingen van de wetgeving van de Verenigde Staten vergelijkbare toekenning van rechtsmacht ontbreekt in de voor de beoordeling relevante artikelen 3 tot en met 8c van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht. De conclusie luidt dan ook dat de rechters van de aangezochte Staat (Nederland) in gelijksoortige omstandigheden niet bevoegd zijn om over het in de uitleveringsstukken genoemde feit rechtsmacht uit te oefenen als bedoeld in artikel 4 lid 4 van de EU-VS Uitleveringsovereenkomst en/of artikel 2 lid 3 onder (a) van het Uitleveringsverdrag KdN-VS.
15.
Nu verzoeker bovendien geen onderdaan is van de verzoekende staat als bedoeld in artikel 2 lid 3 onder (b) van het Uitleveringsverdrag KdN-VS, ten aanzien waarvan evenmin kan blijken dat is beoogd een wijziging aan te brengen, moet de conclusie luiden dat aan de voorwaarden waaronder de uitlevering ingevolge artikel 4 lid 4 van de EU-VS Uitleveringsovereenkomst en/of artikel 2 lid 3 Uitleveringsverdrag KdN-VS kan worden toegestaan, niet is voldaan.
16.
In HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY3440, r.o. 4.4, is geoordeeld dat de aard van de uitleveringsprocedure zich ertegen verzet dat de uitleveringsrechter met het oog op de beoordeling van de vraag of is voldaan aan het verdragsrechtelijke — in casu in artikel 2 Uitleveringsverdrag KdN-VS neergelegde — vereiste betreffende de dubbele strafbaarheid onderzoek doet naar het bestaan van enige bijzondere omstandigheid die volgens het recht van de verzoekende Staat dan wel dat van de aangezochte Staat tot gevolg heeft dat het wettelijk voorschrift waarbij het feit waarvoor de uitlevering is verzocht, strafbaar is gesteld, buiten toepassing moet blijven, en dat hetzelfde geldt voor het onderzoek naar een omstandigheid op grond waarvan de Nederlandse strafrechter niet bevoegd zou zijn de in artikel 2, derde lid onder a, Uitleveringsverdrag KdN-VS bedoelde rechtsmacht uit te oefenen. Dit brengt mee dat zo een omstandigheid slechts dan kan leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering indien zij hetzij rechtstreeks volgt uit de door de verzoekende Staat overgelegde stukken, hetzij anderszins, zonder diepgaand onderzoek, vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf, door de uitleveringsrechter als vaststaand kan worden aangenomen, bijvoorbeeld op grond van hetgeen door of namens de opgeëiste persoon bij de behandeling van het uitleveringsverzoek naar voren is gebracht. Die omstandigheid dient dan voldoende precies te worden aangewezen en de verdediging behoort gemotiveerd — in voorkomend geval door relevante bescheiden gestaafd — aan te geven dat en waarom deze tot gevolg heeft dat niet is voldaan aan het vereiste van de (dubbele) strafbaarheid dan wel aan de in genoemd artikel 2, derde lid onder a, omschreven rechtsmachtvoorwaarde.
17.
Van een situatie waarin een omstandigheid op grond waarvan de Nederlandse strafrechter niet bevoegd zou zijn de in artikel 2, derde lid onder a, Uitleveringsverdrag KdN-VS bedoelde rechtsmacht uit te oefenen rechtstreeks volgt uit de door de verzoekende Staat overgelegde stukken, is hier sprake.
18.
Uit de bij het uitleveringsverzoek gevoegde stukken, meer in het bijzonder uit hetgeen in randnummer 20 van de beëdigde verklaring van hulpofficier van justitie [betrokkene 1] ter ondersteuning van het uitleveringsverzoek staat vermeld, volgt immers ondubbelzinnig dat het feit waarvoor de uitlevering is gevraagd niet op het grondgebied van de Verenigde Staten is begaan maar buiten diens territoriale wateren op een vaartuig, de [naam schip], geregistreerd in Venezuela en aldus varend onder de Venezolaanse vlag. Voorts blijkt uit die stukken dat de Verenigde Staten hun rechtsmacht om dat feit te vervolgen baseren op wetgeving waarin wordt bepaald dat van een ‘vaartuig onderhevig aan de jurisdictie van de Verenigde Staten’ sprake is in de situatie waarin het land waarin dat vaartuig is geregistreerd ‘heeft ingestemd met de tenuitvoerlegging van een Amerikaanse wet door de Verenigde Staten of afstand heeft gedaan om bezwaar te maken tegen de tenuitvoerlegging daarvan’, in combinatie met het feit dat Venezuela volgens de Verenigde Staten op 29 augustus 2019 afstand heeft gedaan van het aan hem primair toekomende recht om rechtsmacht uit te oefenen over voornoemd vaartuig, haar bemanning en lading voor zover dat noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van de Amerikaanse wetgeving, hebben de Verenigde Staten.
19.
Uit de beëdigde verklaring van [betrokkene 1] volgt voorts dat degene op wie het uitleveringsverzoek betrekking heeft (verzoeker), de Surinaamse en de Nederlandse nationaliteit heeft — en derhalve niet die van de Verenigde Staten:
- ‘22.
[opgeëiste persoon] is een ingezetene van Suriname en Nederland, geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats], [land].’
20.
Aldus kan op basis van de stukken rechtstreeks worden geoordeeld dat aan voornoemde rechtsmachtvoorwaarden is voldaan. De conclusie luidt dan ook dat de rechtbank de uitlevering ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard en dat haar uitspraak mitsdien aan nietigheid lijdt.
21.
Een en ander geldt ook in het geval mocht worden geoordeeld dat met het bepaalde in het vierde lid van artikel 4 van de EU-VS Uitleveringsovereenkomst is beoogd artikel 2 lid 3 van het Uitleveringsverdrag KdN-VS in die zin te wijzigen, dat de uitvoerende autoriteit van de aangezochte staat, niettegenstaande het feit dat aan de rechtsmachtvoorwaarde niet is voldaan, de uitlevering ‘naar eigen inzicht’ kan toestaan als aan alle andere toepasselijke voorwaarden voor uitlevering is voldaan.
22.
Immers, de hoofdregel blijft — ook in het vierde lid van artikel 4 van de EU-VS Uitleveringsovereenkomst — dat indien het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende staat is begaan, uitlevering alleen dan wordt toegestaan indien de wetten van de aangezochte staat voorzien in de bestraffing van een strafbaar feit dat in soortgelijke omstandigheden buiten zijn grondgebied is gepleegd. Nu de rechtbank omtrent het van toepassing zijn van die hoofdregel niets heeft vastgesteld en uit de stukken die bij het uitleveringsverzoek zijn gevoegd rechtstreeks kan volgen dat aan die rechtsmachtvoorwaarde en die betreffende de nationaliteit als bedoeld in art. 2, lid 3 onder. van het Uitleveringsverdrag KdN-VS in het onderhavige geval niet is voldaan, had de rechtbank de uitlevering niet zonder meer toelaatbaar mogen verklaren en/of is die toelaatbaarverklaring voor zover die geacht moet worden naar eigen inzicht te hebben plaatsgevonden, in het licht van de ratio daarvan — te weten dat de beslissing dat vervolging plaatsvindt op grond van een jurisdictiebeginsel dat Nederland niet kent berust op een expliciete en/of gemotiveerde aanvaarding daarvan4. — zonder expliciete beslissing en zonder nadere motivering onvoldoende met redenen omkleed en/of onbegrijpelijk.
Middel II:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit artikel 28 Uitleveringswet doordat de uitspraak van de rechtbank niet een genoegzame vermelding bevat van het feit, zoals is voorgeschreven in artikel 28, derde lid, Uitleveringswet. De uitspraak lijdt daardoor aan nietigheid.
Toelichting:
1.
De Rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard ‘ter fine van strafvervolging ter zake van het in het uitleveringsverzoek vermelde feit.’
2.
Noch de bestreden uitspraak noch het uitleveringsverzoek behelst evenwel een omschrijving van het feit waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan. In het uitleveringsverzoek, waarvan geen vertaling bij de stukken is gevoegd, staat slechts vermeld:
‘The Embassy of the United States of America presents its compliments to the Ministry of Foreign Affairs of the Kingdom of the Netherlands and has the honor to request the extradition of [opgeëiste persoon], alias [opgeëiste persoon], pursuant to the Extradition Treaty between the United States of America and the Kingdom of the Netherlands, signed on 24 June 1980 (the ‘1980 Treaty’), and the Agreement Comprising the Instrument as Contemplated by Article 3(2) of the Agreement on Extradition between the United States of America and the European Union signed 25 June 2003, as to the Application of the Extradition Treaty between the United States of America and the Kingdom of the Netherlands, signed at The Hague on 24 June 1980, signed 29 September 2004 (the ‘Agreement’). The Annex to the Agreement (the ‘Annex’) reflects the integrated text of the provisions of the 1980 Treaty and the Agreement on Extradition between the United States of America and the European Union signed 25 June 2003.
(…)
[opgeëiste persoon] is wanted to stand trial in the United States for conspiracy to distribute and possess with intent to distribute five kilograms or more of cocaine while on board a vessel subject to the jurisdiction of the United States. He is the subject of an indictment in case number 8:22-cr-358-KKM-SPF, filed on 19 October 2022, in the United States District Court for the Middle District of Florida, charging [opgeëiste persoon] with the following offense:
Count 1: conspiracy to distribute and possess with intent to distribute five kilograms or more of cocaine while on board a vessel subject to the jurisdiction of the United States, in violation of Title 46, United States Code, Sections 70503(a)(1) and 70506(a) and (b), and Title 21, United States Code, Section 960(b)(l)(B)(ii).
The United States seeks the extradition of [opgeëiste persoon] for the offense for which he is charged in the indictment.
(…)
A detailed summary of the facts of the case is included in the supporting documents.’
3.
Bij het uitleveringsverzoek bevinden zich meerdere ‘supporting documents’. Uit het uitleveringsverzoek kan niet blijken in welke daarvan de omschrijving van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht is terug te vinden en hoe die omschrijving luidt.
4.
Verwezen wordt in dit verband naar onder meer HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:671, HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2597 en HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2596.
5.
De uitspraak lijdt mitsdien aan nietigheid.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, aldaar kantoorhoudend aan de Amstel 326, 1017 AR Amsterdam, die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker van cassatie.
Amsterdam, 28 maart 2024
J. Kuijper
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 28‑03‑2024
Kamerstukken II, vergaderjaar 2007–2008, 31 307 (R1842), nr. 3
Kamerstukken II, vergaderjaar 2007–2008, 31 307 (R1842), nr. 6 (Nota naar aanleiding van het verslag), p. 4
waaronder het Uitleveringsverdrag KdN-VS, dat ook een dergelijke lijst kent.
Vgl. A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht (1986), p. 189: ‘Nagegaan wordt dan in wezen of de vervolging in de verzoekende staat berust op een jurisdictiebeginsel dat ook in het recht van de verzochte staat is aanvaard.’