NJB 2024/1566:Vervolgingsuitlevering en rechtsmacht: in casu is toelaatbaar de door de VS verzochte uitlevering van een persoon van wie betrokkenheid wordt aangenomen bij een in art. 13 lid 4 Opiumwet bedoeld strafbaar feit gepleegd aan boord van een schip op open zee dat vaart onder de vlag van een Staat die geen partij is bij het Verdrag inzake de sluikhandel over zee maar wel bij het (onderliggende) Verdrag tegen sluikhandel, terwijl die vlaggenstaat er mee heeft ingestemd dat het recht tot vervolging wordt uitgeoefend door een andere staat. In zo’n geval moet worden aangenomen dat de in art. 2 lid 3, aanhef en onder a, Uitleveringsverdrag bedoelde rechtsmacht kan worden gebaseerd op art. 13 lid 4 Opiumwet dat er immers toe strekt de bepalingen van art. 17 Verdrag tegen sluikhandel over de samenwerking tussen verdragspartijen om sluikhandel tegen te gaan, ‘uit te voeren of de doeltreffendheid ervan te vergroten’. De Hoge Raad gaat in op de betekenis van de relevante bepalingen. De Hoge Raad overweegt onder meer dat, gelet op art. 2 lid 3, aanhef en onder a, Uitleveringsverdrag, de uitleveringsrechter in een geval als dit – met het oog op de beoordeling van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering – moet onderzoeken of Nederland ‘in gelijksoortige omstandigheden bevoegd zou zijn om rechtsmacht uit te oefenen’ over het betreffende feit.