Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.5.7.2
3.5.7.2 Overgang van de vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584819:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 8 juni 1973, NJ 1974, 76 (Nauta/Staat), m.nt. DJV; HR 5 juni 1992, NJ 1993, 204 (Bayfine/Van Leeuwen), m.nt. HJS; HR 23 april 1993, NJ 1993, 382. Deze mogelijkheid werd de oude schuldeiser nog ontzegd in HR 20 maart 1942, NJ 1942, 444; en HR 17 maart 1961,310. Zie daarover o.a. Winters 1997, p. 79. Vgl. voorts Haardt 1943, p. 37 e.v. en p. 49 e.v.; P.A. Stein 1979, p. 425-438.
Zie HR 5 juni 1992, NJ 1993, 204 (Bayfine/Van Leeuwen), m.nt. HJS. De nieuwe schuldeiser wordt als partij in de zin van bijvoorbeeld art. 332 Rv beschouwd. Dat de nieuwe schuldeiser het rechtsmiddel kan instellen is gerechtvaardigd; hij is immers als (nieuwe) schuldeiser aan het vonnis gebonden (art. 236 Rv).
Zie HR 11 september 1996, NJ 1997, 177, m.nt. Ma, overwegende dat de cessionaris ook moet worden aangemerkt als de partij bij de uitspraak waartegen het rechtsmiddel openstaat; en Hof Arnhem 19 mei 2009, LJN: BJ2949, overwegende dat geen redelijk belang van geïntimeerden zich ertegen verzet om appellante ontvankelijk te achten in haar vordering. Vgl. HR 2 december 1994, NJ 1996, 246 (ABN Amro/Coopag Finance), m.nt. DWFV.
De vordering is hangende instantie overgegaan zonder dat schorsing plaatsvond of hangende de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel.
Zie HR 6 januari 1967, NJ 1967, 382 (Cosman/Du Buy); H.J. Snijders in zijn noot (sub 1c en 1e) onder HR 5 juni 1992, NJ 1993,204 (Bayfine/Van Leeuwen);Hof Arnhem 19 mei 2009, LJN: BJ2949; Winters 1990, p. 215-216; Snijders & Wendels 2009, nr. 95.
Zie HR 23 april 1993, NJ 1993, 382.
Zie hierna o.a. nr. 333, 344, 351 en 361.
Zie HR 6 januari 1967, NJ 1967, 382 (Cosman/Du Buy).
Zie bijvoorbeeld HR 28 januari 2005, JBPr 2005/32, m.nt. E. Groot.
Zie HR 8 februari 1980, NJ 1980, 316, m.nt. GJS; HR 13 november 1987, NJ 1988,941 (Dillmann/Staat), m.nt. WLH; HR 10 september 2004, NJ 2005, 223, m.nt. HJS onder NJ 2005, 224; HR 11 maart 2005, NJ 2005, 224, m.nt. HJS. Vgl. Hugenholtz/Heemskerk 2009, nr. 24.
Een rechtsvoorganger houdt op te bestaan bij rechtsovergang onder algemene titel door fusie (art. 2:309 BW), zuivere splitsing (art. 2:334a lid 2 BW) en erfopvolging (Boek 4 BW).
Zie o.a. HR 7 oktober 1994, NJ 1995, 63; HR 7 juni 1996, NJ 1996, 695, m.nt. Ma. Vgl. voorts Hof Amsterdam 21 juni 1951, NJ 1952, 102; en Hof 's-Gravenhage 30 juli 2003, JOR 2004/53 (Rabobank/Stormpolder), m.nt. A.I.M. van Mierlo.
Zie bijvoorbeeld HR 14 maart 1973, NJ 1973, 481; HR 29 april 2005, NJ 2005, 446; en vgl. de conclusie (sub 8) van A-G Strikwerda vóór HR 12 februari 2010, NJ 2010, 98, JIN 2010/867, m.nt. J.W.A. Biemans. Ontvankelijkheid volgt wél als de eiser (erflater) kort na het instellen van het rechtsmiddel overlijdt. Zie bijvoorbeeld HR 28 juni 1989, NJ 1990, 285.
Zie bijvoorbeeld HR 9 januari 2004, JBPr 2004/21, m.nt. A.S. Rueb.
Zie HR 13 november 1987, NJ 1988, 941 (Dillmann/Staat), m.nt. WLH, bevestigd in o.a. HR 10 september 2004, NJ 2005, 223, m.nt. HJS onder NJ 2005, 224; en HR 11 maart 2005, NJ 2005, 224, m.nt. HJS. Anders: HR 20 maart 1942, NJ 1942, 444; zie daarover Haardt 1943.
Zie HR 19 maart 2004, NJ 2004, 619; BPr 2004/36, m.nt. K. Teuben.
Zie HR 10 mei 1996, NJ 1996, 670, m.nt. PAS.
Zie HR 14 december 2007, NJ 2008, 10 (Doelant Lemelerveld c.s./Veltmaat). Vgl. HR 4 december 1998, NJ 1999, 269 (Van der Lugt/Zeegers Installatietechniek). Anders: HR 9 januari 2004, JBPr 2004/21, m.nt. A.S. Rueb en Rueb in zijn noot (5) onder dit arrest. In deze zaak verwijst de Hoge Raad m.i. ten onrechte naar HR 6 december 2002, NJ 2004, 162, m.nt. HJS, waar het ging om een rechtsmiddel dat was ingesteld tegen een onjuiste procespartij. In dergelijke zaken is een ander criterium van toepassing dan in zaken waarbij het rechtsmiddel is ingesteld door een onjuiste procespartij. Zie de alinea hierna.
Vgl. voor een aanzet voor deze rechtsregel HR 5 januari 2001, NJ 2001,80. Zie voor een procedure waarin rectificatie van de appeldagvaarding plaatsvond: HR 24 mei 1991, NJ 1991, 675, m.nt. MS. Zie voorts HR 6 december 2002, NJ 2004, 162, m.nt. HJS (het meerderjarig worden van een kind, waardoor het rechtsmiddel dat is ingesteld tegen de ouders in beginsel niet-ontvankelijk is).
Zie HR 19 maart 2004, NJ 2004, 619; JBPr 2004/36, m.nt. K. Teuben.
Zie HR 10 september 2004, NJ 2005, 223, m.nt. HJS onder NJ 2005, 224; en HR 11 maart 2005, NJ 2005, 224, m.nt. HJS. Vgl. A.S. Rueb in zijn noot (3) onder HR 9 januari 2004, JBPr 2004/21.
Zie HR 23 maart 2007, NJ 2007, 177 (De Bruin/AM Wonen).
Zie o.a. HR 25 september 1992, NJ 1992, 767; HR 20 februari 1998, NJ 1998, 493; HR 5 januari 2001, NJ 2001, 80; Hof 's-Gravenhage 30 juli 2003, JOR 2004/53 (Rabobank/Stormpolder), m.nt. A.I.M. van Mierlo; HR 19 maart 2004, NJ 2004, 619, JBPr 2004/36, m.nt. K. Teuben; HR 27 mei 2005, NJ 2006, 598, m.nt. HJS; HR 25 november 2005, NJ 2006, 559; HR 23 december 2005, NJ 2006, 32; en HR 4 mei 2007, RvdW 2007, 488. Vgl. ook Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 67.
149. Als een vordering hangende de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel onder bijzondere titel overgaat of hangende instantie overgaat en de formele procespartij hangende instantie niet is vervangen, is de nieuwe schuldeiser bevoegd om het rechtsmiddel in te stellen, ook als hij geen partij bij het vonnis is geweest.1 Hij is daartoe óók bevoegd als hij een eerdere gelegenheid om door het aanwenden van een rechtsmiddel aan de procedure te gaan deelnemen, niet heeft benut.2 Is, voordat hoger beroep is ingesteld, een overeenkomst aangegaan tot openbare cessie (art. 3:94 lid 1 BW) en vindt mededeling plaats voor of bij de memorie van grieven, dan wordt de cessionaris ook ontvankelijk verklaard.3 Door het instellen van het rechtsmiddel neemt hij deel aan de procedure.
De oude schuldeiser kan naast de nieuwe schuldeiser bevoegd blijven om het rechtsmiddel in te stellen. Als de vordering tijdens de procedure is overgegaan en hij is partij bij het vonnis,4 is hij daartoe bevoegd als hij bij het instellen van het rechtsmiddel een eigen belang heeft. Van een eigen belang is onder meer sprake als de proceskostenveroordeling in de vorige instantie op hem betrekking heeft of de uitkomst van de procedure van belang is voor zijn verplichtingen jegens de cessionaris in verband met een eventuele wanprestatie jegens de cessionaris.5 Daarvan is ook sprake als slechts een deel van de vordering is overgegaan6 of als de hoofdvordering is overgegaan, maar niet een daarmee samenhangende schadevergoedingsvordering.7 Hij kan in dergelijke gevallen geen (algehele) betaling van de vordering te zijnen aanzien meer eisen, maar dat laat onverlet een beslissing wordt gegeven ten aanzien van het bestaan en de hoegrootheid van de vordering met het oog op (mede) zijn belang (het belang van de oorspronkelijke schuldeiser).8 Als de oude schuldeiser zijn vordering niet rechtsgeldig heeft overgedragen, speelt het probleem niet.9
Is een vordering hangende de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel onder bijzondere titel overgegaan of hangende instantie overgegaan zonder dat de formele procespartij is vervangen, dan heeft de partij die het rechtsmiddel aanwendt de vrijheid om naast of in plaats van de processuele wederpartij in de vorige instantie (de in het vonnis genoemde procespartij) de rechtsopvolger van zijn wederpartij in de volgende instantie te betrekken.10
150. Is een vordering overgegaan hangende instantie zonder dat de formele procespartij is vervangen of hangende de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel, en heeft de rechtsvoorganger opgehouden te bestaan, dan gelden andere regels.11
Het rechtsmiddel kan op straffe van niet-ontvankelijkheid alleen door de rechtsopvolger worden ingesteld.12 Bijvoorbeeld, de erfgenaam die in naam van de overleden procespartij een rechtsmiddel instelt wordt niet-ontvankelijk verklaard.13 Ook de vennootschap die tijdens de appeltermijn door fusie verdwijnt en appel instelt wordt niet-ontvankelijk verklaard.14
Heeft de processuele wederpartij opgehouden te bestaan, dan kan ook uitsluitend op straffe van niet-ontvankelijkheid het rechtsmiddel tegen de rechtsopvolger worden ingesteld.15 Bijvoorbeeld, als de procespartij overlijdt en het hoger beroep wordt ingesteld tegen de overledene, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.16 Een eiser wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn beroep voor zover dit is gericht tegen de rechtsvoorganger die gefuseerd is met een andere rechtspersoon.17
151. In een aantal gevallen is herstel van fouten mogelijk of kan daarop geen beroep worden gedaan.
Is door de verkeerde persoon het rechtsmiddel ingesteld, dan is onder omstandigheden ook rectificatie mogelijk als aanvaardbaar middel tot herstel van een gemaakte vergissing. Vereist is dat het onder de gegeven omstandigheden voor de processuele wederpartij kenbaar was dat van een vergissing sprake was, de wederpartij door de vergissing en de rectificatie daarvan niet is benadeeld of in haar verdediging is geschaad, en de rectificatie tijdig heeft plaatsgevonden.18
Is tegen de verkeerde persoon het rechtsmiddel ingesteld, en was de wederpartij van het ophouden te bestaan van de wederpartij niet op de hoogte was en kon zij dat redelijkerwijs ook niet zijn, dan kan zij in de gelegenheid worden gesteld om de rechtsopvolger alsnog bij exploot op te roepen, eventueel op de wijze voorzien in art. 53 Rv.19 Zo kan de wederpartij die bijvoorbeeld van het overlijden niet op de hoogte was, noch redelijkerwijs kon zijn, in de gelegenheid worden gesteld de erfgenamen van de overleden partij bij exploot alsnog op te roepen.20 Op dezelfde wijze is geoordeeld over een cassatieberoep dat was ingesteld tegen een verdwenen rechtspersoon door fusie respectievelijk zuivere splitsing.21 Bij het instellen van een rechtsmiddel mag een partij in beginsel afgaan op de van zijn wederpartij in de vorige instantie verkregen informatie omtrent de rechtsopvolging en de hiermee gepaard gaande wijzigingen in de tenaamstelling. Op de partij die het rechtsmiddel aanwendt, rust niet onder alle omstandigheden te dezen een onderzoeksplicht voordat hij dat rechtsmiddel instelt tegen zijn wederpartij uit de vorige instantie. Voor een zodanige onderzoeksplicht is bijvoorbeeld geen plaats als de processuele wederpartij in de loop van het hoger beroep heeft opgehouden te bestaan, maar niettemin nadien op diens naam is voortgeprocedeerd, beweerdelijk namens deze processuele wederpartij haar laatst ingeschreven bestuurder ter comparitie is verschenen en/of bij de enquête getuigen zijn voorgebracht, alles zonder dat het feit van de rechtsopvolging op de voet van art. 225 lid 1 aanhef en onder c Rv aan thans eisers tot cassatie is betekend dan wei schorsing van het geding bij akte ter rolle is bewerkstelligd.22
Als de rechtsopvolger geen in rechte te respecteren belang heeft bij het beroep op de onjuiste tenaamstelling, dus geen in rechte te respecteren belang heeft bij niet-ontvankelijkheid en/of een dergelijk verweer in strijd is met de eisen van een goede procesorde, wordt het beroep op niet-ontvankelijkheid verworpen. Van een rechtens te respecteren belang is geen sprake als de rechtsopvolger(s), bijvoorbeeld de gezamenlijke erfgenamen of de gefuseerde rechtspersoon, is of zijn verschenen, of als voor de wederpartij meteen duidelijk is dat niet de rechtsvoorganger, maar de rechtsopvolger met de (onjuiste) tenaamstelling wordt bedoeld.23
152. Bij stille cessie is sprake van rechtsopvolging onder bijzondere titel. Vindt de stille cessie tijdens de procedure plaats, dan is de stille cessionaris als nieuwe schuldeiser in beginsel bevoegd om het rechtsmiddel in te stellen. Stelt de stille cessionaris het rechtsmiddel, dan zal dit begrepen kunnen worden als het doen van mededeling in de zin van art. 3:94 lid 3 BW. De stille cedent is in beginsel alleen bevoegd om een rechtsmiddel in te stellen als hij daarbij een eigen belang heeft, bijvoorbeeld als de uitkomst van de procedure van belang is voor zijn verplichtingen jegens de cessionaris in verband met een eventuele wanprestatie jegens de cessionaris. De cedent kan echter geen betaling aan hem van de vordering meer eisen.
De schuldenaar heeft in beginsel de vrijheid om naast of in plaats van de processuele wederpartij in de vorige instantie, de stille cedent, ook diens rechtsopvolger, de stille cessionaris, in de volgende instantie te betrekken. Is de stille cedent door de stille cessie niet meer procesbevoegd, dan kan dit op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW niet aan de schuldenaar worden tegengeworpen tot het moment van mededeling. Stelt de schuldenaar het rechtsmiddel in tegen een procesbevoegde stille cedent voordat mededeling is gedaan, dan dient de schuldenaar derhalve ontvankelijk te worden verklaard. Op de schuldenaar rust in dezen géén onderzoeksplicht. Is tijdens de procedure de cedent als formele procespartij vervangen door de cessionaris, dan kan alleen tegen de cessionaris het rechtsmiddel worden ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid.