Zie rov. 2.1-2.1.9 van het arrest van het hof Amsterdam van 3 november 2015.
HR, 19-05-2017, nr. 16/00893
ECLI:NL:HR:2017:935
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-05-2017
- Zaaknummer
16/00893
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:935, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑05‑2017; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:105, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2015:4509, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2017:105, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 24‑02‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:935, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑02‑2016
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑02‑2016
- Wetingang
art. 442 Burgerlijk Wetboek Boek 7
- Vindplaatsen
AR 2017/2629
JOR 2017/255 met annotatie van mr. H.E. Urlus
JOR 2017/255 met annotatie van mr. H.E. Urlus
Uitspraak 19‑05‑2017
Inhoudsindicatie
Contractenrecht. Agentuurovereenkomst, reisbureau. Klantenvergoeding bij beëindiging, art. 7:442 lid 1 BW en art. 17 Agentuurrichtlijn. Stelplicht en bewijslast. Berekening voordeel, HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9865, NJ 2014/332 (T-Mobile/[A]). Vraag of de overeenkomsten met de klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren.
Partij(en)
19 mei 2017
Eerste Kamer
16/00893
LZ/JS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
PRIJSVRIJ.NL B.V.,gevestigd te 's-Hertogenbosch,
EISERES tot cassatie,
advocaten: mr. S.M. Kingma en mr. K.J.O. Jansen,
t e g e n
CORENDON INTERNATIONAL TRAVEL B.V.,gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: mr. D. Rijpma en mr. C.J.A. Seinen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Prijsvrij en Corendon.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 2568087\CV EXPL 13-13281 van de kantonrechter te Haarlem van 13 februari 2014 en 19 juni 2014;
b. de arresten in de zaak 200.152.829/01 van het gerechtshof Amsterdam van 3 november 2015 en 24 november 2015.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof heeft Prijsvrij beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Corendon heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van Prijsvrij heeft bij brief van 10 maart 2017 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Corendon is een reisorganisator (touroperator) die pakketreizen aanbiedt, zowel via haar eigen website als via agenten. Prijsvrij is een online aanbieder van (pakket)reizen van derden, onder andere van Corendon.
(ii) Prijsvrij en Corendon hebben in 2012 een schriftelijke agentuurovereenkomst gesloten.
(iii) Tijdens de looptijd van de agentuurrelatie tussen Corendon en Prijsvrij heeft Prijsvrij zich meermalen bij Corendon beklaagd over prijzen, kortingen en accommodaties die Corendon, anders dan overeengekomen, niet aan Prijsvrij zou hebben doorgegeven. Corendon heeft de klachten van de hand gewezen.
(iv) In juli 2013 heeft Corendon Prijsvrij laten weten de agentuurovereenkomst per 31 oktober 2013 te willen beëindigen aangezien:
“het huidige aantal wederverkopers niet meer past in de bedrijfsstrategie van Corendon...”.
3.2.1
Prijsvrij vordert in deze procedure – voor zover in cassatie van belang – een klantenvergoeding van € 471.961,--. Aan deze vordering heeft Prijsvrij ten grondslag gelegd dat zij aanspraak heeft op een vergoeding als bedoeld in art. 7:442 lid 1 BW ter grootte van haar gemiddelde provisie op Corendon-reizen over 12 maanden.
3.2.2
De kantonrechter heeft de vordering tot betaling van de klantenvergoeding toegewezen. Het hof heeft het vonnis vernietigd en – onder meer – deze vordering alsnog afgewezen.
3.2.3
Het hof heeft daartoe het volgende, samengevat weergegeven, overwogen.
De klantenvergoeding moet worden vastgesteld volgens hetgeen is weergegeven in HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9865, NJ 2014/332 (T‑Mobile/[A]) (rov. 3.38-3.40).
Prijsvrij heeft geen inzage verstrekt in de brutoprovisie die zij heeft verdiend vanwege nieuwe en geïntensiveerde klanten in de laatste twaalf maanden van de agentuurovereenkomst. Het hof gaat er daarom van uit dat Prijsvrij zich op het standpunt stelt dat al haar klanten nieuwe of geïntensiveerde bestaande klanten zijn. (rov. 3.41)
Prijsvrij heeft gesteld dat Corendon, doordat klanten met Corendon hebben gereisd, de gelegenheid heeft gehad om met die klanten een duurzame relatie op te bouwen waardoor zij haar bedrijfsdebiet op duurzame wijze kon uitbouwen. Volgens Prijsvrij boekt een groot deel van de reizigers meerdere malen achtereen dezelfde accommodatie en neigt een groot deel van de reisconsumenten ertoe om bij een goede ervaring dezelfde reis of accommodatie te boeken. Zij stelt te hebben vastgesteld dat ca. 25% van haar klanten herhaald boekingen uitvoert. Van de accommodaties van Corendon is bijna 45% exclusieve content. Verder blijkt uit het eigen marketinggedrag van Corendon, dat het in de reisbranche niet om de laagste prijs maar om imago en faciliteiten gaat, aldus Prijsvrij. (rov. 3.42)
Op zichzelf acht het hof aannemelijk dat het imago van de touroperator, of positieve eerdere ervaringen met een touroperator, bij de keuze van de klant een rol spelen, maar partijen zijn sterk verdeeld over de mate waarin dat bij de onderhavige reizen (via internet te boeken reizen naar – veelal – zonbestemmingen) het geval is. Volgens Corendon is de markt waarop zij haar diensten levert in belangrijke mate prijsgedreven; het feit dat Prijsvrij een laagste prijsgarantie geeft en sterk hecht aan het waarmaken van die garantie, wijst daar ook op. Gegevens die inzicht geven in de mate waarin een reiziger voor een nieuwe reis opnieuw voor dezelfde touroperator zal kiezen, heeft Prijsvrij niet verschaft of te verschaffen aangeboden. (rov. 3.42.1)
Daarbij komt dat Corendon krachtens de agentuurovereenkomst geen aanspraak heeft op de NAW-gegevens van de klanten van Prijsvrij. Corendon heeft gesteld dat de beperkte gegevens die zij wel krijgt, haar geen voordeel opleveren omdat daarmee geen marketingacties kunnen worden uitgevoerd. Het tegendeel is niet voldoende concreet gesteld. (rov. 3.42.2)
Het hof heeft dus onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat Corendon aan de klanten van Prijsvrij bij het einde van de agentuurovereenkomst nog enig (duurzaam) voordeel kan ontlenen. De eerste fase tot bepaling van de klantenvergoeding leidt dus niet tot de vaststelling van enig bedrag waarop in de tweede fase correcties (opwaarts dan wel neerwaarts) naar billijkheid plaatsvinden. (rov. 3.43) Het hof ziet geen aanleiding Prijsvrij alsnog in de gelegenheid te stellen de benodigde gegevens aan te leveren. (rov. 3.44)
Er bestaat ook geen aanleiding voor het bepalen van een klantenvergoeding ex aequo et bono. Het hof is er niet voldoende van overtuigd geraakt dat de onderneming van Corendon door de activiteiten van Prijsvrij hoe dan ook voordeel heeft genoten. (rov. 3.45)
3.3.1
Onderdeel 1a voert aan, onder verwijzing naar het hiervoor in 3.2.3 genoemde arrest T-Mobile/[A], dat het hof heeft miskend dat een handelsagent ter onderbouwing van een vordering tot betaling van een klantvergoeding in beginsel ermee kan volstaan te stellen (i) dat hij bij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht en/of de overeenkomsten met bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en (ii) dat de overeenkomsten met deze klanten de principaal (nog) aanzienlijke voordelen kunnen opleveren. Voldoet de agent aan deze stelplicht, dan heeft hij in beginsel aanspraak op een klantenvergoeding ter hoogte van de in de laatste twaalf maanden door hem verdiende bruto provisie betreffende nieuwe en/of geïntensiveerde bestaande klanten, aldus het onderdeel. Onderdeel 1b voegt hieraan toe dat het hof – als het van de juiste opvatting over de stelplicht van de agent zou zijn uitgegaan – zijn oordeel niet begrijpelijk heeft gemotiveerd in het licht van een tiental (essentiële) stellingen van Prijsvrij.
3.3.2
Bij de beoordeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld. In zijn arrest T-Mobile/[A] (HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9865, NJ 2014/332) heeft de Hoge Raad het volgende overwogen. Art. 7:442 BW moet worden uitgelegd in overeenstemming met Richtlijn 86/653/EEG (de Agentuurrichtlijn) ook voor gevallen waarin de Nederlandse rechter daartoe krachtens gemeenschapsrecht niet gehouden is (rov. 4.1). Blijkens HvJEU 26 maart 2009, zaak C-348/07, ECLI:EU:C:2009:195 (Turgay Semen/Deutsche Tamoil) verloopt de vaststelling van de klantenvergoeding in drie fasen. In de eerste fase dienen de voordelen die transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten de principaal opleveren, gekwantificeerd te worden (art. 7:442 lid 1, aanhef en onder a, BW). Vervolgens moet in de tweede fase beoordeeld worden of reden bestaat het aldus vastgestelde bedrag aan te passen met het oog op de billijkheid, gelet op alle omstandigheden van het geval en met name gelet op de door de handelsagent gederfde provisie; de billijkheid kan zowel een verhoging als een verlaging van het in de eerste fase vastgestelde bedrag meebrengen (art. 7:442 lid 1, aanhef en onder b, BW). Ten slotte wordt in de derde fase getoetst of het uit de twee eerdere berekeningsfasen volgende bedrag het in lid 2 van art. 7:442 BW bedoelde maximumbedrag niet te boven gaat. (rov. 4.3)
3.3.3
In het arrest T-Mobile/[A] heeft de Hoge Raad voorts het volgende overwogen. Het in art. 7:442 lid 1, aanhef en onder a, BW bedoelde voordeel van de principaal, dat in de eerste fase van de vaststelling van de klantenvergoeding dient te worden gekwantificeerd, is gelegen in de mogelijkheid voor de principaal om de door de handelsagent tot stand gebrachte klantenrelaties na beëindiging van de agentuurovereenkomst te kunnen blijven gebruiken zonder daarover provisie aan de handelsagent verschuldigd te zijn. Blijkens het verslag van de Europese Commissie over de toepassing van art. 17 van de Agentuurrichtlijn [COM(96) 364 def.] brengt een uniforme toepassing van deze bepaling mee dat het voordeel van de principaal wordt vastgesteld op basis van de in de laatste twaalf maanden door de handelsagent verdiende brutoprovisie betreffende de nieuwe en geïntensiveerde bestaande klanten, welk bedrag vervolgens wordt gecorrigeerd met factoren betreffende (a) de duur van het voordeel dat de principaal naar verwachting aan de transacties met genoemde klanten kan ontlenen, (b) het verloop van het klantenbestand, en (c) de versnelde ontvangst van provisie-inkomsten door de agent die in één keer een vergoeding krijgt uitgekeerd. (rov. 6.2)
3.3.4
Aan de hiervoor in 3.3.3 genoemde kwantificering van het voordeel voor de principaal ligt de veronderstelling ten grondslag dat aannemelijk is dat de agent klanten bij de principaal heeft aangebracht of overeenkomsten met bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en dat de overeenkomsten met deze klanten de principaal na het einde van de agentuurovereenkomst nog aanzienlijke voordelen opleveren. Dit blijkt ook uit het hiervoor in 3.3.3 genoemde rapport van de Europese Commissie (p. 2) dat mede aan deze kwantificering ten grondslag heeft gelegen, en vindt steun in het Duitse recht, waarnaar in het bedoelde rapport nadrukkelijk wordt verwezen omdat § 89b HGB voor de regeling van de klantenvergoeding in de Agentuurrichtlijn model heeft gestaan. Voordat aan de bedoelde kwantificering kan worden toegekomen, zal de agent daarom aannemelijk moeten maken dat de principaal van door hem aangebrachte klanten, of van klanten waarmee hij de overeenkomsten heeft uitgebreid, nog in relevante mate nieuwe transacties kan verwachten (vgl. BGH 11.10.1990 – I ZR 32/89, Rn. 40, en het commentaar bij art. 1:305 van de PEL CAFDC (Study Group on a European Civil Code, Principles of European Law, Commercial Agency, Franchise and Distribution Contracts, Oxford [2006]). In de zaak T-Mobile/[A] was aan deze voorwaarde voldaan. Het arrest ziet dan ook slechts op de berekening van de klantenvergoeding.
3.3.5
De onderdelen 1a en 1b berusten op een onjuiste lezing van het bestreden arrest voor zover zij veronderstellen dat het hof heeft verlangd dat Prijsvrij inzicht zou geven in de voordelen die Corendon daadwerkelijk zou (gaan) genieten. Het hof heeft slechts onderzocht of Prijsvrij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Corendon aan de klanten van Prijsvrij na het einde van de agentuurovereenkomst nog enig voordeel kan ontlenen. Het heeft die vraag ontkennend beantwoord. Daaraan heeft het ten grondslag gelegd dat Prijsvrij onvoldoende heeft gesteld om te kunnen aannemen dat klanten bij het type reizen waarom het in dit geval gaat, hun keuze baseren op de touroperator en niet op de prijs, en dat Corendon niet beschikt over adresgegevens van de klanten van Prijsvrij waarmee zij zich (door marketing) een voordeel kan verschaffen. Dat oordeel geeft, in het licht van hetgeen hiervoor in 3.3.2-3.3.4 is overwogen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is, ook in het licht van de stellingen van Prijsvrij waarop onderdeel 1b een beroep doet, niet onbegrijpelijk, en behoefde geen nadere motivering. Opmerking verdient dat, anders dan onderdeel 1b veronderstelt, de enkele omstandigheid dat klanten van Prijsvrij herhaalboekingen bij Corendon zouden kunnen doen, onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van het vereiste, aan de inspanningen van Prijsvrij toe te rekenen, (aanzienlijke) voordeel. De onderdelen 1a en 1b kunnen daarom niet slagen.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Prijsvrij in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Corendon begroot op € 6.590,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 19 mei 2017.
Conclusie 24‑02‑2017
Inhoudsindicatie
Contractenrecht. Agentuurovereenkomst, reisbureau. Klantenvergoeding bij beëindiging, art. 7:442 lid 1 BW en art. 17 Agentuurrichtlijn. Stelplicht en bewijslast. Berekening voordeel, HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9865, NJ 2014/332 (T-Mobile/[A]). Vraag of de overeenkomsten met de klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren.
Partij(en)
16/00893
mr. E.B. Rank-Berenschot
Zitting: 24 februari 2017
Conclusie inzake:
Prijsvrij.nl B.V.,
eiseres tot cassatie
(hierna: Prijsvrij)
adv.: mrs. S.M. Kingma en K.J.O. Jansen
tegen
Corendon International Travel B.V.,
verweerster in cassatie
(hierna: Corendon)
adv.: mrs. D. Rijpma en C.J. Seinen
In deze agentuurzaak draait het om een tweetal vorderingen van Prijsvrij, online aanbieder van reizen en voormalig handelsagent van touroperator Corendon. Nadat de agentuurovereenkomst tussen partijen tot een einde is gekomen, maakt Prijsvrij aanspraak op een klantenvergoeding als bedoeld in art. 7:442 BW. Voorts vordert zij schadevergoeding omdat Corendon een ‘level playing field’-bepaling uit de overeenkomst zou hebben geschonden door op haar eigen website kortingen aan te bieden en deze niet door te geven aan Prijsvrij. Nadat de rechtbank deze vorderingen van Prijsvrij had toegewezen, heeft het hof de aanspraak op de klantenvergoeding geheel en de aanspraak op de schadevergoeding gedeeltelijk afgewezen, met name omdat Prijsvrij niet zou hebben voldaan aan haar stelplicht. Ik meen dat het tegen die oordelen gerichte cassatiemiddel van Prijsvrij geen doel treft.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten1.:
(i) Corendon is een reisorganisator (touroperator) die pakketreizen aanbiedt, zowel via haar eigen website als via agenten. Prijsvrij is een online aanbieder van (pakket)reizen van derden, onder andere van Corendon.
(ii) Prijsvrij hanteert een zogenoemde “Best Deal Garantie”. Op de website van Prijsvrij wordt daarover vermeld:
"...met onze Best Deal Garantie betaal je nooit teveel voor je vakantie. Vind je namelijk precies dezelfde reis op een andere website goedkoper, dan betalen we jou het verschil terug.”
(iii) Tussen Prijsvrij als reisagent en Corendon als touroperator is in 2012 een schriftelijke agentuurovereenkomst2.gesloten. De agentuurovereenkomst is gedateerd op 20 juni 2012 en gebaseerd op het model dat de Algemene Nederlandse Vereniging van Reisondernemingen (ANVR) heeft opgesteld voor overeenkomsten tussen touroperators en reisagenten. Corendon heeft het contract medio 2012 aan Prijsvrij toegezonden; na herhaald aandringen door Corendon heeft Prijsvrij de overeenkomst op 5 december 2012 ondertekend retour gezonden, begeleid door een e-mail met aanpassingen van de zijde van Prijsvrij.
(iv) Krachtens de agentuurovereenkomst ontvangt Prijsvrij, indien door haar bemiddeling een reisovereenkomst tussen Corendon en de klant tot stand is gekomen, (bij zogenaamde pakketreizen) 9% van de reissom als provisie. Prijsvrij draagt de door haar van deze klant ontvangen reissom verminderd met de aan haar toekomende provisie aan Corendon af.
(v) Artikel 11 lid 1 van de agentuurovereenkomst luidt:
“De reisorganisator respecteert een level playing field terzake prijzen, beschikbaarheid en voorwaarden. Deze bepaling beoogt geen verplichtingen voor de reisagent in het leven te roepen.”
(vi) Artikel 15 van de agentuurovereenkomst luidt:
“Speciale acties
Indien speciale acties van toepassing zijn, kan bij de betreffende actie nader te bepalen voorwaarden worden gesteld die mogelijk afwijken van de bepalingen in deze overeenkomst.”
(vii) Tijdens de looptijd van de agentuurrelatie tussen Corendon en Prijsvrij heeft Prijsvrij zich meermalen bij Corendon beklaagd over prijzen, kortingen en accommodaties die Corendon, ten nadele van Prijsvrij, niet aan Prijsvrij zou hebben doorgegeven waardoor Corendon het overeengekomen “level playing field” zou hebben geschonden. Corendon heeft de klachten van de hand gewezen.
(viii) Bij brief van 4 april 2013 aan Corendon heeft de gemachtigde van Prijsvrij een verklaring uitgebracht strekkende tot sommatie het “manipuleren van prijzen” te staken en gestaakt te houden:
“waaronder Prijsvrij begrijpt dat Prijsvrij de reizen van Corendon kan aanbieden tegen dezelfde verkoopprijzen en overige condities als dat Corendon deze reizen zelf aanbiedt.”
(ix) Bij brief van 2 juli 2013 heeft Corendon Prijsvrij laten weten de agentuurovereenkomst per 31 oktober 2013 te willen beëindigen aangezien:
"het huidige aantal wederverkopers niet meer past in de bedrijfsstrategie van Corendon..."
1.2
In deze bij dagvaarding van 23 oktober 2013 ingeleide procedure heeft Prijsvrij, na wijziging van eis, in eerste aanleg gevorderd (onder meer en voor zover in cassatie nog van belang):
(I) een verklaring voor recht dat Corendon aansprakelijk is voor de door Prijsvrij geleden en nog te lijden schade als gevolg van tekortkomingen in de nakoming van de agentuurovereenkomst door Corendon;
(II) veroordeling van Corendon tot betaling van een totaalbedrag van € 1.034.552,-, samengesteld uit, onder meer, (a) een bedrag ad € 420.000,-3.wegens door Corendon aan haar eigen klanten verstrekte kortingen en (b) een klantenvergoeding ad € 471.961,-;
(III) veroordeling van Corendon om diverse (reis- en prijs)gegevens uit haar administratie te verstrekken op de voet van art. 843a Rv, en
(IV) veroordeling van Corendon tot vergoeding van de door Prijsvrij geleden respectievelijk nog te lijden schade als gevolg van tekortkoming c.q. onrechtmatige daad, nader op te maken bij staat.
1.3
Prijsvrij heeft aan haar vorderingen sub I, II(a), III en IV ten grondslag gelegd dat Corendon het in art. 11 lid 1 van de agentuurovereenkomst overeengekomen “level playing field” heeft geschonden door vrijwel dagelijks op haar eigen website kortingen aan te bieden aan haar eigen klanten, variërend van € 50,- tot € 100,-, die Prijsvrij heeft moeten ‘matchen’. De daardoor geleden schade bestaat in ieder geval uit € 420.000,- wegens op Corendon-reizen verleende extra kortingen; verdere schade is nog niet inzichtelijk.
Aan haar vordering sub II(b) heeft Prijsvrij ten grondslag gelegd dat zij aanspraak heeft op een klantenvergoeding als bedoeld in art. 7:442 lid 1 BW ter grootte van haar gemiddelde provisie op Corendon-reizen over 12 maanden, zijnde € 471.961,-.4.
1.4
Corendon heeft als verweer tegen de vorderingen wegens de aan haar eigen klanten aangeboden kortingen aangevoerd dat Prijsvrij geen ‘select agent’ is en als zodanig niet in aanmerking komt voor specifieke kortingsacties, terwijl alle generieke kortingen wel aan Prijsvrij zijn doorgegeven.
Als verweer tegen de vordering betreffende de klantenvergoeding heeft Corendon aangevoerd, onder meer, dat de via Prijsvrij tot stand gekomen reisovereenkomsten voor haar geen meerwaarde hebben, omdat het slechts eenmalige boekingen betreft waaruit geen blijvende klantrelaties zijn voortgekomen.5.
Corendon heeft voorts een reconventionele vordering ingesteld. Deze is in cassatie niet van belang en blijft hier verder buiten beschouwing.
1.5
Bij vonnis van 19 juni 20146.heeft de kantonrechter overwogen dat Corendon op het punt van de aan haar klanten aangeboden kortingen is tekortgeschoten in de nakoming van de agentuurovereenkomst (rov. 6-7) en dat het ter zake gevorderde schadebedrag ad € 420.000,- als niet inhoudelijk betwist is komen vast te staan (rov. 9), maar de mogelijkheid van meer schade niet aannemelijk is gemaakt (rov. 14). Voorts heeft de kantonrechter overwogen dat het recht op een klantenvergoeding niet wordt bepaald door het ontstaan van vaste klantencontacten (rov. 11) en dat het gevorderde bedrag ad € 471.961,- toewijsbaar is (rov. 12-13).
In het dictum heeft de kantonrechter de sub I gevorderde verklaring voor recht gegeven, Corendon veroordeeld tot betaling van de sub II(a) en II(b) gevorderde bedragen ad € 420.000,- resp. € 471.961,- en het sub III en IV gevorderde op het punt van de aangeboden kortingen afgewezen.
1.6
Corendon is van dit vonnis in hoger beroep gekomen met conclusie – voor zover in cassatie van belang – dat de vorderingen van Prijsvrij worden afgewezen. Met grief III wordt opgekomen tegen de gegeven verklaring voor recht en grief IV is gericht tegen de toewijzing van de gevorderde schadevergoeding ad € 420.000,- wegens aangeboden kortingen en tegen de toewijzing van de gevorderde klantenvergoeding ad € 471.961,-.
Prijsvrij heeft verweer gevoerd, haar eis op een in cassatie niet relevant punt gewijzigd en op haar beurt incidenteel beroep ingesteld. Dit incidenteel beroep is in cassatie niet van belang en blijft verder buiten beschouwing.
1.7
Bij het bestreden arrest van 3 november 20157.heeft het gerechtshof Amsterdam – voor zover in cassatie van belang – het vonnis van de kantonrechter vernietigd voor zover het de veroordeling tot betaling van de sub II (a) en (b) gevorderde bedragen ad € 420.000,- en € 471.961,- betreft. Het hof heeft, in zoverre opnieuw rechtdoende, Corendon veroordeeld tot vergoeding van de door Prijsvrij geleden en nog te lijden schade als gevolg van het op structurele wijze voeren van € 50,- acties, nader op te maken bij staat. De vordering tot schadevergoeding wegens de € 100,- kortingen en de vordering betreffende de klantenvergoeding zijn afgewezen.
1.8
Het hof heeft daartoe onder meer als volgt overwogen. De juridische relatie van partijen brengt mee dat de vorderingen uit hoofde van niet-naleving van art. 11 lid 1 van de schriftelijke agentuurovereenkomst alleen kunnen zien op de periode van 20 juni 2012 tot en met 31 oktober 2013. De vordering van Prijsvrij op grond van art. 7:442 BW heeft betrekking op de gehele periode dat Prijsvrij als agent van Corendon optrad, zijnde van 1 augustus 2011 tot en met 31 oktober 2013 (rov. 3.11).
Art. 11 lid 1 van de agentuurovereenkomst (“level playing field”) moet zo worden uitgelegd dat het Corendon vrij stond om incidentele (kortings)acties niet door te geven aan Prijsvrij, zolang het daarbij niet om (structurele) prijspolitiek ging (rov. 3.14.5, 3.17). Corendon is aansprakelijk voor de schade die Prijsvrij heeft geleden doordat Corendon van 20 juni 2012 tot 31 oktober 2013 de structurele prijspolitiek heeft gevoerd om vrijwel dagelijks aan haar eigen afnemers dan wel aan andere agenten € 50,- korting te verstrekken, welke korting zij ten onrechte niet heeft doorgegeven aan Prijsvrij. Bij gebreke van voldoende aanknopingspunten om de daaruit voortvloeiende schade te schatten zal de zaak worden verwezen naar de schadestaatprocedure (rov. 3.19, 3.22). De stelling dat Corendon ook een structurele prijspolitiek had tot aanbieding van € 100,- korting is onvoldoende onderbouwd en de vordering wordt in zoverre afgewezen (rov. 3.20).
Wat betreft de gevorderde klantenvergoeding heeft het hof onvoldoende aanknopingspunten voorhanden om te kunnen vaststellen dat Corendon bij het einde van de agentuurovereenkomst nog enig (duurzaam) voordeel kan ontlenen aan de klanten van Prijsvrij (rov. 3.43). Het hof ziet geen aanleiding om Prijsvrij alsnog in de gelegenheid te stellen om de benodigde gegevens aan te leveren (rov. 3.44). Er bestaat voorts te veel twijfel om tot de overtuiging te geraken dat de onderneming van Corendon door de activiteiten van Prijsvrij hoe dan ook voordeel heeft genoten, zodat ook geen aanleiding bestaat voor de bepaling van een klantenvergoeding ex aequo et bono (rov. 3.45). De vordering tot betaling van een klantenvergoeding zal alsnog worden afgewezen (rov. 3.46).
1.9
Prijsvrij heeft tijdig8.cassatieberoep ingesteld. Corendon heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Corendon heeft gedupliceerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
In cassatie wordt door Prijsvrij opgekomen tegen de beslissingen van het hof tot afwijzing van de gevorderde klantenvergoeding (onderdeel 1) en van de gevorderde schadevergoeding wegens door Corendon verleende € 100,- kortingen (onderdeel 2). Onderdeel 3 bevat een voortbouwende klacht.
Onderdeel 1: klantenvergoeding ex art. 7:442 BW
2.2
Onderdeel 1 heeft betrekking op rov. 3.42 tot en met 3.46, voor zover het hof op de aldaar vermelde gronden tot het oordeel komt dat (naar volgens Prijsvrij kan worden afgeleid uit m.n. rov. 3.43 en 3.44) Prijsvrij onvoldoende heeft gesteld om te kunnen vaststellen dat aan de zijde van Corendon (nog) sprake is van (aanzienlijke) voordelen in de zin van art. 7:442 lid 1 sub a BW. Met het oog op de leesbaarheid citeer ik ook de voorafgaande overwegingen van het hof (met door mij in rov. 3.42.2 aangebrachte nummering):
“klantenvergoeding
3.37
Met grief IV komt Corendon ook op tegen de toewijzing door de rechtbank van een bedrag van € 471.961,- aan klantenvergoeding (goodwillvergoeding).
3.38
Bij de beoordeling van de vordering van Prijsvrij op grond van artikel 7:442 BW staat het volgende voorop. Met artikel 7:442 BW is Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PbEG L 382/17 (hierna: de Agentuurrichtlijn) geïmplementeerd. Hoewel de Nederlandse rechter daartoe op grond van het gemeenschapsrecht niet gehouden is, heeft de Hoge Raad de Nederlandse wettelijke regeling ook met betrekking tot een agentuurovereenkomst die niet ziet op de aan- of verkoop van goederen (zoals in deze zaak het geval is) richtlijnconform uitgelegd (ECLI:NL:HR:2012:BW9865). Het hof zal dat ook doen.
3.39
In navolging van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft de Hoge Raad artikel 17 lid 2 van de Agentuurrichtlijn aldus uitgelegd dat de vaststelling van de klantenvergoeding in drie fasen verloopt (rov. 4.3). In de eerste fase dienen de voordelen die transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten de principaal opleveren, gekwantificeerd te worden (art. 7:442 lid 1 onder a BW). Vervolgens moet in de tweede fase beoordeeld worden of reden bestaat het aldus vastgestelde bedrag aan te passen met het oog op de billijkheid, gelet op alle omstandigheden van het geval en met name gelet op de door de handelsagent gederfde provisie. De billijkheid kan zowel een verhoging als een verlaging van het in de eerste fase vastgestelde bedrag meebrengen (art. 7:442 lid 1 onder b BW). Ten slotte wordt in de derde fase getoetst of het uit de twee eerdere berekeningsfases volgende bedrag het in lid 2 van art. 7:442 BW bedoelde maximumbedrag niet te boven gaat.
3.40
In rov. 6.2 heeft de Hoge Raad overwogen dat de voordelen bedoeld in artikel 7:442 lid 1 onder a BW zijn gelegen in de mogelijkheid voor de principaal om de door de handelsagent tot stand gebrachte klantrelaties na beëindiging van de agentuurovereenkomst te kunnen blijven gebruiken zonder daarover provisie aan de handelsagent verschuldigd te zijn. In de eerste fase van de bepaling van de klantenvergoeding dient dit voordeel te worden vastgesteld op basis van de in de laatste twaalf maanden door de handelsagent verdiende bruto provisie betreffende de nieuwe en geïntensiveerde klanten, welk bedrag dient te worden gecorrigeerd met factoren betreffende de duur van het voordeel dat de principaal naar verwachting aan de transacties met de betrokken klanten kan ontlenen, het verloop van het klantenbestand en de versnelde ontvangst van provisie-inkomsten door de agent die in een keer vergoeding krijgt uitbetaald.
3.41
Inzage in de brutoprovisie die Prijsvrij heeft verdiend vanwege nieuwe en geïntensiveerde klanten in de laatste twaalf maanden van de agentuurovereenkomst heeft Prijsvrij niet verstrekt. Uit productie 45 van Prijsvrij is slechts de jaarlijkse totaalomzet op Corendon-pakketreizen en de jaarlijks in totaal van Corendon ontvangen provisie af te leiden, zonder onderscheid naar brutoprovisie betreffende bestaande en die betreffende nieuwe en geïntensiveerde bestaande klanten. Mogelijk stelt Prijsvrij zich op het standpunt dat al haar klanten nieuwe of geïntensiveerde bestaande klanten zijn. Daarvan uitgaande geldt het volgende.
3.42
Gezien de onder 3.39 genoemde correctiefactoren is van belang de stelling van Prijsvrij dat Corendon door het feit dat klanten met Corendon hebben gereisd, de gelegenheid heeft gehad om met die klanten een duurzame relatie op te bouwen waardoor zij haar bedrijfsdebiet op duurzame wijze kon uitbouwen. Volgens Prijsvrij boekt een groot deel van de reizigers meerdere malen achtereen dezelfde accommodatie en neigt een groot deel van de reisconsumenten ertoe om bij een goede ervaring dezelfde reis of accommodatie te boeken. Zij stelt te hebben vastgesteld dat ca. 25% van haar klanten herhaald boekingen uitvoert. Van de 808 accommodaties van Corendon is bijna 45% exclusieve content. Verder blijkt uit het eigen marketinggedrag van Corendon, dat de slag in de reisbranche niet om de laagste prijs maar om imago en faciliteiten gaat, aldus nog steeds Prijsvrij.
3.42.1.
Op zichzelf acht het hof aannemelijk dat het imago van de touroperator, of positieve eerdere ervaringen met een touroperator, bij de keuze van de klant voor een reis bij een touroperator een rol spelen, maar partijen zijn sterk verdeeld over de mate waarin dat bij de onderhavige reizen (via internet te boeken reizen naar - veelal - zonbestemmingen) het geval is. Volgens Corendon is de markt waarop zij haar diensten levert in belangrijke mate prijsgedreven: het feit dat Prijsvrij een laagste prijsgarantie geeft en - blijkens haar stellingen in dit geding - sterk hecht aan het waarmaken van die garantie, wijst daar ook op. Gegevens die inzicht geven in de mate waarin een reiziger voor een nieuwe reis opnieuw voor dezelfde touroperator zal kiezen zijn - indien al beschikbaar - in dit geding door Prijsvrij niet verschaft of te verschaffen aangeboden.
3.42.2. (1)
Daarbij komt dat Corendon erop heeft gewezen dat zij krachtens de agentuurovereenkomst geen aanspraak heeft op het klantenbestand van Prijsvrij met alle NAW-gegevens. (2) Zij krijgt van Prijsvrij alleen de (beperkte) persoonsgegevens die zij nodig heeft om de reisovereenkomsten die door bemiddeling van Prijsvrij zijn gesloten, te kunnen uitvoeren zoals naam van de reiziger, geboortedatum en de evt. medereizigers. (3) Die gegevens leveren Corendon geen voordeel op omdat, zo betoogt zij, daarmee geen marketingacties kunnen worden uitgevoerd: daarvoor is met name ook een adres van de klant nodig. (4) Omdat Corendon het klantenbestand met de volledige NAW-gegevens niet heeft is zij dus ook niet in staat de eventuele meerwaarde van dat bestand te benutten. (5) Prijsvrij heeft dit een en ander niet betwist, maar aangevoerd dat Corendon haar ook niet om verstrekking van de NAW-gegevens heeft gevraagd. (6) Dat standpunt miskent echter dat het bij de klantenvergoeding gaat om vergoeding aan Prijsvrij voor een voordeel dat Corendon heeft verkregen. (7) Gegevens die Corendon niet toekomen kunnen niet als een door Corendon verkregen voordeel worden beschouwd, ook niet als Prijsvrij thans alsnog de bereidheid heeft die gegevens aan Corendon te verstrekken. (8) Dat de beperkte gegevens waarover Corendon wel beschikt voor haar een voordeel opleveren, is onvoldoende concreet gesteld.
3.42.3.
Prijsvrij heeft ten slotte nog aangevoerd dat Corendon nooit zo groot had kunnen worden als zij nu is zonder hulp van haar talloze agenten (volgens Prijsvrij gaat het zelfs om duizenden), maar die stelling is te vaag en te algemeen om als aanknopingspunt te kunnen dienen voor het voordeel dat Corendon als gevolg van de agentuurovereenkomst met Prijsvrij heeft genoten.
3.43
Het hof heeft dus onvoldoende aanknopingspunten voorhanden om te kunnen vaststellen dat Corendon aan de klanten van Prijsvrij bij het einde van de agentuurovereenkomst nog enig (duurzaam) voordeel kan ontlenen. De eerste fase tot bepaling van de klantenvergoeding leidt dus niet tot de vaststelling van enig bedrag waarop in de tweede fase correcties (opwaarts dan wel neerwaarts) naar billijkheid plaatsvinden.
3.44
Uit eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad had Prijsvrij kunnen afleiden waaraan zij in het kader van haar stelplicht had te voldoen. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om Prijsvrij alsnog in de gelegenheid te stellen de benodigde gegevens aan te leveren.
3.45
Het hof ziet evenmin aanleiding om de klantenvergoeding ex aequo et bono te bepalen. Daarvoor zou aanleiding hebben kunnen bestaan indien het hof door hetgeen Prijsvrij heeft aangevoerd voldoende overtuigd was geraakt dat de onderneming van Corendon door de activiteiten van Prijsvrij hoe dan ook voordeel heeft genoten. Daarvoor bestaat thans echter teveel twijfel.
3.46
Corendon heeft dus terecht aangevoerd dat de toegewezen klantenvergoeding op een onjuiste maatstaf berust. Haar grief IV slaagt ook in zoverre. De vordering van Prijsvrij tot betaling van een klantenvergoeding zal alsnog worden afgewezen.”
Volgens het middel is het oordeel dat Prijsvrij niet aan haar stelplicht betreffende de in art. 7:442 lid 1, aanhef en sub a, BW bedoelde aanzienlijke voordelen heeft voldaan, rechtens onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd om een aantal, in de subonderdelen 1.a tot en met 1.f uitgewerkte redenen.
2.3
Alvorens de klachten te bespreken, zal ik een schets geven van het juridisch kader met betrekking tot de klantenvergoeding bij het einde van een agentuurovereenkomst als bedoeld in art. 7:442 BW.
Juridisch kader9.
2.4
De op 18 december 1986 vastgestelde Agentuurrichtlijn10.verplicht de lidstaten te voorzien in een vergoeding voor de handelsagent na beëindiging van de agentuurovereenkomst, naar keuze via hetzij een systeem van vergoeding voor het voordeel van de principaal, hetzij een systeem van herstel van het nadeel van de agent. Het eerstgenoemde systeem is neergelegd in art. 17 lid 2 van de richtlijn, luidend:
“2.a) De handelsagent heeft recht op een vergoeding indien en voor zover:
- hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de transacties met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en de transacties met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren, en
- de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de uit de transacties met deze klanten voortvloeiende provisie, die voor de handelsagent verloren gaat. (...)
b) Het bedrag van de vergoeding mag niet meer bedragen dan een cijfer dat overeenkomst met een jaarlijkse vergoeding berekend op basis van het jaarlijkse gemiddelde van de beloning die de handelsagent de laatste vijf jaar heeft ontvangen of, indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd, berekend over het gemiddelde van die periode.
c) De toekenning van deze vergoeding laat het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet.”
2.5
Volgens de Europese Commissie geldt de klantenvergoeding als tegenprestatie voor de voordelen – goodwill – die de principaal blijft genieten ten gevolge van de activiteiten van de handelsagent, hetgeen commercieel gerechtvaardigd wordt geacht nu de handelsagent slechts provisie heeft ontvangen voor zijn werkzaamheden tijdens de duur van de overeenkomst. Over de voorwaarden voor een recht op vergoeding wordt vermeld dat de transacties de principaal na de beëindiging van de overeenkomst “nog aanzienlijke voordelen” moeten opleveren en voorts:
“De vergoeding wordt slechts betaald indien de handelsagent de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de transacties met bestaande klanten heeft uitgebreid. Indien geen goodwill werd gecreëerd of de principaal geen profijt kan halen uit de klantengroep, dient de vergoeding niet te worden betaald. (...)”11.
De hier bedoelde voorvraag – is aan de voorwaarden voor een aanspraak op vergoeding voldaan – wordt door de Commissie onderscheiden van de vraag naar de “daadwerkelijke berekening” van de vergoeding.12.Ook het Europese Hof spreekt van voorwaarden waaronder een handelsagent recht heeft op een vergoeding.13.
2.6
De Agentuurrichtlijn is in 1989 omgezet in Nederlands recht14., waarbij is gekozen voor het stelsel van een vergoeding voor het “beoogde voordeel” van de principaal als vervat in art. 17 lid 2 van de richtlijn.15.Daartoe kreeg art. 74o WvK de tekst van het huidige art. 7:442 BW. In de toelichting bij de implementatiewet wordt opgemerkt dat de ratio van de regeling is gelegen in een vergoeding voor het kunnen blijven profiteren van de mede door de werkzaamheden van de handelsagent veroorzaakte waardestijging van de onderneming, waarbij de uitbreiding van de clientèle vooral duurzaam moet zijn.16.
2.7
Het recht op een klantenvergoeding bij het einde van de agentuurovereenkomst is per 1 september 1993 overgebracht naar Boek 7 BW, art. 44217., voor zover in cassatie van belang luidend als volgt:
“1. Ongeacht het recht om schadevergoeding te vorderen, heeft de handelsagent bij het einde van de agentuurovereenkomst recht op een vergoeding, klantenvergoeding, voor zover:
a) hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met de bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en de overeenkomsten met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren, en
b) de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de verloren provisie uit de overeenkomsten met deze klanten.
2. Het bedrag van de vergoeding is niet hoger is dan dat van de beloning van één jaar, berekend naar het gemiddelde van de laatste vijf jaren of, indien de overeenkomst korter heeft geduurd, naar het gemiddelde van de gehele duur daarvan.”
2.8
In de literatuur werd uit deze bepaling afgeleid dat het recht op c.q. de verschuldigdheid van een klantenvergoeding onderworpen is aan twee cumulatieve eisen, te weten: (i) dat de handelsagent nieuwe klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met de bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en (ii) dat de overeenkomsten met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren. Deze laatste eis zou vergen dat een prognose wordt gemaakt over toekomstige ontwikkelingen van de onderneming van de principaal, waarbij allerlei in- en externe (bedrijfs)economische en andere factoren een rol spelen.18.
2.9
De hier bedoelde fase, waarin aan de hand van voormelde cumulatieve voorwaarden wordt vastgesteld of een recht op een klantenvergoeding bestaat, moet worden onderscheiden van de (eventuele) daarop volgende fase van de vaststelling c.q. begroting van de klantenvergoeding.19.Over de wijze van begroten bestond bij ontstentenis van nadere wettelijke of jurisprudentiële richtlijnen veel onzekerheid, totdat Uw Raad in 2012 nadere aanwijzingen verschafte.
2.10.1
In zijn arrest van 2 november 2012 inzake T-Mobile/ [A]20.heeft Uw Raad onder meer geoordeeld (a) dat de wettelijke regeling ook richtlijnconform moet worden uitgelegd met betrekking tot een agentuurovereenkomst die niet ziet op de aan- of verkoop van goederen (rov. 4.1) en (b) dat de wettelijke regeling inzake de agentuurovereenkomst moet worden uitgelegd overeenkomstig haar strekking de handelsagent te beschermen (rov. 4.3).
2.10.2
In de zaak die leidde tot dit arrest stond vast dat aan de vereisten van art. 7:442 lid 1, aanhef en sub a, BW – waaronder het vereiste dat de overeenkomsten met nieuwe klanten na beëindiging van de agentuurovereenkomst nog aanzienlijke voordelen opleveren – was voldaan, zodat de agent aanspraak had op een klantenvergoeding.21.In cassatie ging het uitsluitend om de vaststelling c.q. bepaling van de hoogte van de klantenvergoeding.
2.10.3
Over de vaststelling van de klantenvergoeding op grond van art. 17 lid 2 van de Agentuurrichtlijn c.q. art. 7:442 leden 1 en 2 BW overwoog Uw Raad in het arrest T-Mobile/ [A] dat deze in drie fasen verloopt:
“4.3 (…) Deze bepaling moet blijkens het arrest van het HvJEU22.dan ook aldus worden uitgelegd dat de vaststelling van de klantenvergoeding in drie fasen verloopt. In de eerste fase dienen de voordelen die transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten de principaal opleveren, gekwantificeerd te worden (art. 7:442 lid 1, onder a, BW). Vervolgens moet in de tweede fase beoordeeld worden of reden bestaat het aldus vastgestelde bedrag aan te passen met het oog op de billijkheid, gelet op alle omstandigheden van het geval en met name gelet op de door de handelsagent gederfde provisie; de billijkheid kan zowel een verhoging als een verlaging van het in de eerste fase vastgestelde bedrag meebrengen (art. 7:442 lid 1, onder b, BW). Ten slotte wordt in de derde fase getoetst of het uit de twee eerdere berekeningsfasen volgende bedrag het in lid 2 van art. 7:442 BW bedoelde maximumbedrag niet te boven gaat.”
2.10.4
Voorts overwoog Uw Raad over het in art. 7:442 lid 1, aanhef en onder a, BW bedoelde voordeel van de principaal:
“6.2 (…) Het hier bedoelde voordeel, dat in de eerste fase van de vaststelling van de klantenvergoeding dient te worden gekwantificeerd, is gelegen in de mogelijkheid voor de principaal om de door de handelsagent tot stand gebrachte klantenrelaties na beëindiging van de agentuurovereenkomst te kunnen blijven gebruiken zonder daarover provisie aan de handelsagent verschuldigd te zijn. Blijkens de gegevens die zijn vermeld in het hiervoor in 4.3 genoemde verslag van de Commissie23.(…), brengt een uniforme toepassing van de desbetreffende bepaling mee dat het voordeel van de principaal wordt vastgesteld op basis van de in de laatste twaalf maanden door de handelsagent verdiende brutoprovisie betreffende de nieuwe en geïntensiveerde bestaande klanten, welk bedrag vervolgens wordt gecorrigeerd met factoren betreffende (a) de duur van het voordeel dat de principaal naar verwachting aan de transacties met genoemde klanten kan ontlenen, (b) het verloop van het klantenbestand, en (c) de versnelde ontvangst van provisie-inkomsten door de agent die in één keer een vergoeding krijgt uitgekeerd.”
2.11
De in het arrest T-Mobile/ [A] voorgeschreven driefasentoets ziet naar mijn mening (slechts) op de berekening van (de hoogte van) de klantenvergoeding.24.De eerste fase daarvan biedt handvatten voor het kwantificeren van het voordeel van de principaal in twee stappen: a) als indicator – een gestandaardiseerd instrument voor de eerste raming van de voordelen van de principaal – geldt de betaalde brutoprovisie over de laatste twaalf maanden, waarna b) het gevonden bedrag wordt gecorrigeerd aan de hand van drie factoren: (i) de te verwachten duur van het voordeel, (ii) het verloop van het klantenbestand, en (iii) het gegeven dat de handelsagent versneld krijgt uitbetaald.25.De tweede en derde fase (billijkheidscorrectie resp. toepassing maximum) zijn eveneens bedoeld om op een passend bedrag uit te komen.
2.12
In de literatuur wordt de door Uw Raad gegeven berekeningsmethodiek uit de eerste fase wel geïnterpreteerd als een vuistregel of weerlegbaar vermoeden dat het voordeel van de principaal gelijk is aan de betaalde (in feite: gederfde) provisie van de agent: deze zou kunnen volstaan met te stellen en zo nodig te bewijzen wat de verloren provisie is, of, indien hij meent dat het voordeel van de principaal groter is, wat volgens hem het daadwerkelijke voordeel van de principaal is. Dit heeft het voordeel dat wordt aangesloten bij beschikbare en bij de handelsagent bekende gegevens. De principaal kan de gestelde provisie betwisten of tegenbewijs leveren tegen het vermoeden dat het voordeel even groot is als de verloren provisie.26.
2.13
De vaststelling en weging van voor de bepaling van de billijke vergoeding relevante omstandigheden is in hoge mate een feitelijke aangelegenheid. Aan het oordeel van de feitenrechter terzake worden beperkte motiveringseisen gesteld.27.
2.14
Ook na het arrest T-Mobile/ [A] geldt mijns inziens dat aan deze vaststelling c.q. berekening in drie fasen pas wordt toegekomen indien vaststaat dat de agent recht heeft op een klantenvergoeding. Voor de verschuldigdheid van een klantenvergoeding dient te zijn voldaan aan de cumulatieve vereisten uit art. 7:442 lid 1, aanhef en sub a, BW dat:
(i) de handelsagent nieuwe klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, en
(ii) de overeenkomsten met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren.28.
2.15
Wat betreft de stelplicht en eventuele bewijslast van de handelsagent omtrent de verschuldigdheid van een klantenvergoeding geldt het volgende.
De vereiste omstandigheid (i) dat de agent nieuwe klanten heeft aangebracht of het transactievolume met bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid, zal door de agent voldoende onderbouwd gesteld en zonodig bewezen moeten worden.29.
Het ontstaansvereiste (ii) dat de overeenkomsten met de nieuwe en/of geïntensiveerde klanten de principaal ‘nog aanzienlijk voordeel opleveren’ vergt een prognose, een beoordeling ex ante bij het einde van de agentuurovereenkomst.30.Het object van die prognose is het voordeel van de principaal dat gelegen is in ‘de mogelijkheid om de door de handelsagent tot stand gebrachte klantenrelaties te kunnen blijven gebruiken zonder daarover provisie aan de handelsagent verschuldigd te zijn.’31.Er wordt in dit verband wel gesproken van een voordeel gelegen in door de principaal bespaarde provisie.32.Daarbij legt het vereiste dat het voordeel ‘aanzienlijk’ moet zijn een significante drempel aan.33.Een en ander brengt mee dat de handelsagent ter onderbouwing van zijn recht op een klantenvergoeding voldoende onderbouwd zal moeten stellen en zonodig aannemelijk maken34.dat de principaal ook in de toekomst in staat zal zijn, zonder provisie verschuldigd te zijn, op ruime schaal gebruik te maken van de door de agent gelegde en/of geïntensiveerde klantenrelaties.
Bespreking van de klachten
2.16
De kern van onderdeel 1 is dat het hof in rov. 3.42-3.46, waar het hof tot het oordeel komt dat Prijsvrij onvoldoende heeft gesteld om te kunnen vaststellen dat aan de zijde van Corendon nog sprake is van aanzienlijke voordelen in de zin van art. 7:442 lid 1, sub a, BW, ten onrechte te hoge eisen heeft gesteld aan de ingevolge art. 7:442 BW op Prijsvrij rustende stelplicht, althans zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd. Het onderdeel wordt nader uitgewerkt in de subonderdelen 1.a tot en met 1.f.
2.17
Subonderdeel 1.a wijst op de overweging uit het arrest T-Mobile/ [A] dat het in art. 7:442 lid 1, aanhef en sub a, BW bedoelde voordeel van de principaal is gelegen in de mogelijkheid van voortgezet gebruik van de door de agent tot stand gebrachte klantrelaties en dat het voordeel wordt vastgesteld op de laatste twaalf maanden verdiende provisie (rov. 6.2, hiervoor onder 2.10.4 geciteerd). Het subonderdeel neemt tot uitgangspunt dat uit deze overweging van Uw Raad volgt dat een handelsagent ter onderbouwing van een vordering tot betaling van een klantenvergoeding in beginsel ermee kan volstaan te stellen (i) dat hij nieuwe klanten heeft aangebracht en/of bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en (ii) dat de overeenkomsten met deze klanten de principaal (nog) aanzienlijke voordelen kunnen opleveren. Indien de agent aan deze stelplicht voldoet, zou hij in beginsel aanspraak hebben op een klantenvergoeding ter hoogte van de in de laatste twaalf maanden verdiende brutoprovisie, met dien verstande dat de omvang van deze vergoeding kan worden bijgesteld op grond van de in rov. 6.2 van het arrest vermelde correctiefactoren, de daarop volgends billijkheidcorrectie (art. 7:442 lid 1, aanhef en sub b, BW) en de maximering (art. 7:442 lid 2 BW). Het hof heeft echter ten onrechte de eis gesteld dat de handelsagent gegevens verschaft die inzicht geven in de mate waarin de mogelijke voordelen daadwerkelijk zijn dan wel zullen worden behaald, aldus het subonderdeel onder verwijzing naar de slotzin van rov. 3.42.1.
Subonderdeel 1.b klaagt dat het oordeel van het hof, indien het (wel) is uitgegaan van de in subonderdeel 1a voorgestane maatstaf (stelplicht), zonder nadere motivering onbegrijpelijk is in het licht van een reeks door Prijsvrij aangevoerde stellingen (in de cassatiedagvaarding op p. 4-6 opgesomd als stellingen (i) tot en met (x)) waarmee is aangevoerd dat Corendon nog wel aanzienlijke voordelen zal kunnen genieten, en in het licht van het feit dat de mogelijkheid van (talrijke) herhaalboekingen tussen partijen in confesso is.
2.18
Subonderdeel 1.a mist feitelijke grondslag voor zover het klaagt dat het hof heeft miskend hetgeen door Uw Raad is overwogen in rov. 6.2 van het arrest T-Mobile/ [A]. Ik verwijs daartoe naar rov. 3.40 van het thans bestreden arrest.
2.19
De subonderdelen 1.a en 1.b zijn naar mijn mening gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting waar zij ervan uitgaan dat Prijsvrij voor een aanspraak op een klantenvergoeding kon volstaan met te stellen (i) dat zij nieuwe klanten heeft aangebracht en/of bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en (ii) dat de overeenkomsten met deze klanten de principaal (nog) aanzienlijke voordelen kunnen opleveren. Zoals hiervoor in het juridisch kader ter sprake kwam, dient de agent, voordat tot vaststelling van een klantenvergoeding overeenkomstig het driefasensysteem kan worden gekomen, te onderbouwen dat hij recht heeft op een klantenvergoeding. Daartoe dient hij onderbouwd te stellen en zonodig aannemelijk maken dat de principaal ook in de toekomst in staat zal zijn op ruime schaal gebruik te maken van de door de agent gelegde en/of geïntensiveerde klantenrelaties (vgl. hiervoor onder 2.15). Dat ook het hof deze maatstaf heeft aangelegd, volgt uit zijn onderzoek naar aanknopingspunten voor toekomstig duurzaam voordeel (rov. 3.43). In het onderhavige geval komt dit erop neer dat Prijsvrij moest onderbouwen dat Corendon in de toekomst een aanzienlijk aantal herhaalboekingen van door haar, Prijsvrij, bemiddelde reizigers tegemoet kon zien. Het oordeel van het hof dat Prijsvrij daarin niet is geslaagd, gegeven, kort gezegd, (i) de blijvende onduidelijkheid over de vraag in welke mate herhaalboekingen op de onderhavige reismarkt voorkomen (rov. 3.42.1), gevoegd bij (ii) de beperkte beschikbaarheid van NAW-gegevens voor Corendon (rov. 3.42.2), geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent de op Prijsvrij rustende stelplicht.
2.20
Uit het voorgaande volgt dat de subonderdelen 1.a en 1.b falen.
2.21
Subonderdeel 1.c klaagt dat de verwijzing in rov. 3.42, eerste volzin, naar “de onder 3.39 genoemde correctiefactoren” rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk is, omdat:
a) in rov. 3.39 geen sprake is van correctiefactoren;
b) indien gedoeld wordt op de in rov. 3.40 genoemde correctiefactoren, het hof miskent dat deze pas aan de orde kunnen komen nadat het genoten voordeel op basis van de laatste twaalf maanden verdiende brutoprovisie is vastgesteld en dus niet kunnen dienen om de agent op voorhand een aanspraak op klantenvergoeding te ontzeggen;
c) het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, nu Corendon op die correctiefactoren geen beroep heeft gedaan; en
d) onbegrijpelijk is waarom die correctiefactoren tot een correctie van het genoten voordeel (tot nihil) zouden leiden, nu het hof er niet kenbaar en begrijpelijkerwijs aan refereert.
2.22
Het hof heeft met zijn verwijzing naar de correctiefactoren kennelijk het oog op de in rov. 3.40 genoemde correctiefactoren a) t/m c) uit de eerste fase van de bepaling van de klantenvergoeding als opgesomd in rov. 6.2 van het arrest T-Mobile/ [A]. Het komt immers in rov. 3.43 tot de conclusie dat de eerste fase tot bepaling van de klantenvergoeding niet leidt tot de vaststelling van enig bedrag waarop in de tweede fase (door het hof genoemd in rov. 3.39) correcties naar billijkheid plaatsvinden.
2.23
Het middel kan worden nagegeven dat Corendon geen beroep heeft gedaan op de in rov. 3.40 bedoelde correctiefactoren uit de eerste fase en dat het hof zich over geen van die correctiefactoren heeft uitgelaten. Het kan echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, zulks wegens het volgende.
2.24
Corendon heeft zich in appel (grief IV) op het standpunt gesteld dat een klantenvergoeding niet verschuldigd was omdat aan de essentiële vereisten voor het ontstaan van het recht op een klantenvergoeding – met name de aanwezigheid van ‘aanzienlijk voordeel’ – niet was voldaan.35.De daartoe door Corendon aangevoerde en door Prijsvrij bestreden stellingen (prijsgedreven markt, ontbreken klantgegevens) zijn door het hof in rov. 3.42.1 respectievelijk rov. 3.42.2 beoordeeld en hebben tot het oordeel geleid dat duurzaam voordeel niet aannemelijk is geworden. Het hof heeft deze beoordeling en dit oordeel kennelijk en ten onrechte binnen de eerste fase voor de bepaling van een klantenvergoeding gesitueerd (rov. 3.42, eerste volzin, en rov. 3.43). Het heeft echter de facto en terecht antwoord gegeven – en wel in negatieve zin – op de door hem te beantwoorden voorvraag of aanspraak op een klantenvergoeding bestaat. Daarmee was de vordering reeds niet toewijsbaar.
2.25
Subonderdeel 1.d klaagt dat de overweging van het hof (in rov. 3.42.1) dat Prijsvrij geen gegevens heeft verschaft die inzicht geven in de mate waarin een reiziger voor een nieuwe reis opnieuw voor dezelfde touroperator zal kiezen, berust op een onjuiste maatstaf wat betreft de op Prijsvrij rustende stelplicht (verwezen wordt naar subonderdeel 1a).
Voorts wordt geklaagd dat deze overweging zonder nadere motivering onbegrijpelijk is in het licht van de stellingen onder (v) tot en met (ix) van Prijsvrij.36.Daarmee zou voldoende gemotiveerd en onderbouwd zijn aangevoerd dat een groot aantal van de door Prijsvrij aangebrachte klanten in de toekomst weer zou (kunnen) kiezen voor Corendon.
Ten slotte kan de enkele overweging dat de reismarkt “in belangrijke mate prijsgedreven” is, het oordeel van het hof niet dragen, waarbij ook van belang is dat het hof de onder (ix) vermelde stelling van Prijsvrij dat ook andere factoren een rol spelen bij de keuze van de klant “aannemelijk” acht, aldus steeds het subonderdeel.
2.26
De rechtsklacht faalt op dezelfde gronden als subonderdeel 1a. Voor zover de motiveringsklachten – gelet op de stelling dat gemotiveerd is aangevoerd dat een groot aantal aangebrachte klanten in de toekomst opnieuw voor Corendon zal kunnen kiezen – berusten op dezelfde rechtsopvatting omtrent de stelplicht van Prijsvrij als subonderdeel 1.a, falen zij eveneens.
2.27
Voor het geval de motiveringsklachten aldus moeten worden begrepen dat zij zich ook keren tegen het oordeel van het hof indien dit uitgaat van een andere, door Uw Raad juist geachte rechtsopvatting omtrent de stelplicht, geldt het volgende.
2.28
De stellingen waarop het subonderdeel zich beroept, komen op het volgende neer:
(v) Prijsvrij heeft op basis van de NAW-gegevens van haar klanten vastgesteld dat 25% van die klanten herhaalboekingen bij dezelfde touroperator uitvoert;37.
(vi) touroperators verschuiven hun businessmodel steeds meer richting exclusieve content;38.
(vii) ook Corendon biedt veel (ca. 45-53%) exclusieve content aan;39.
(viii) uit stellingen (v) en (vii) volgt dat Corendon in de toekomst voordeel zal genieten van de door Prijsvrij aangebrachte klanten;40.
(ix) de reismarkt is niet uitsluitend prijsgedreven; naamsbekendheid, imago en faciliteiten spelen ook een rol, hetgeen wordt bevestigd door het marketinggedrag van Corendon.41.
2.29
Vooropgesteld moet worden dat, in het verlengde van hetgeen hiervoor onder 2.13 werd vastgesteld, (ook) voor de bepaling en weging van de relevante omstandigheden ter vaststelling van het recht op een klantenvergoeding beperkte motiveringseisen gelden.
2.30
Het hof heeft blijkens rov. 3.42 stelling (v) onderkend, maar daaraan in de daarop volgende beoordeling kennelijk niet veel gewicht toegekend. Dat acht ik niet onbegrijpelijk, omdat de (blote) stelling dat een bepaald percentage van de klanten van Prijsvrij herhaalboekingen bij dezelfde touroperator uitvoert, niet zonder meer duidelijk maakt dat deze klanten na beëindiging van de agentuurovereenkomst langs andere weg bij Corendon zullen boeken.
De stellingen (vi) en (ix) zien op de reismarkt in het algemeen. Het hof heeft ook deze stellingen onderkend (rov. 3.42 en 3.42.1), maar geoordeeld dat met betrekking tot de onderhavige markt – de internetreismarkt betreffende goedkope zonbestemmingen – nadere onderbouwing vereist was. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
Ook stelling (vii) is door het hof onderkend (rov. 3.42) maar kennelijk te licht bevonden. Ook dat komt niet onbegrijpelijk voor. Er is naar het kennelijke oordeel van het hof niet of onvoldoende onderbouwd in hoeverre deze exclusieve content populair is binnen het internetsegment en in hoeverre dat leidt tot herhaalboekingen.
Stelling (viii) betreft een conclusie en heeft in zoverre geen zelfstandige betekenis.
2.31
Dat het hof heeft gemeend dat de ingeroepen stellingen niet de vereiste onderbouwing bieden, acht ik mede in het licht van de beperkte motiveringseisen niet onbegrijpelijk. Een en ander moet overigens ook worden bezien in onderlinge samenhang met het oordeel van het hof over de beperkte beschikbaarheid voor Corendon van (NAW-)gegevens van de klanten van Prijsvrij. Dat impliceert immers dat Corendon niet zelf het klantenbestand kan bewerken maar afhankelijk is van herhaalboekingen op initiatief van de klant. Zie ook de bespreking van onderdeel 1.e.
2.32
De slotklacht treft evenmin doel, nu zij berust op een onjuiste lezing van het arrest. De opmerking dat het hof “op zichzelf aannemelijk acht” dat het imago van of positieve eerdere ervaringen met de touroperator bij de keuze voor een volgende reis een rol spelen (rov. 3.42.1) ziet klaarblijkelijk op de ‘reismarkt’ in het algemeen. Het hof vervolgt echter met overwegingen die er op neerkomen dat het (in afwijking daarvan) nog maar de vraag is of hetzelfde geldt voor de onderhavige internetreismarkt voor goedkope zonbestemmingen.
2.33
Uit het voorgaande volgt dat subonderdeel 1.d faalt.
2.34
Subonderdeel 1.e komt met verschillende rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof naar aanleiding van het verweer van Corendon dat zij niet beschikt over de volledige NAW-gegevens van de klanten van Prijsvrij (rov. 3.42.2).
2.35
Het subonderdeel klaagt ten eerste dat het hof heeft miskend dat Corendon voordeel kan genieten doordat de betreffende klanten van Prijsvrij uit eigen beweging kunnen terugkeren bij Corendon. Ik meen dat de verwerping van die stelling besloten ligt in de voorafgaande rov. 3.42.1, dat Prijsvrij geen gegevens heeft verschaft of te verschaffen heeft aangeboden die inzicht geven in de mate waarin een reiziger voor een nieuwe reis opnieuw voor dezelfde touroperator zal kiezen. Uit dat oordeel van het hof volgt dat op basis van de verschafte onderbouwing niet aannemelijk is gemaakt dat klanten van Prijsvrij op grote schaal uit eigen beweging herhaalboekingen bij Corendon zullen doen.
2.36
Ten tweede klaagt het subonderdeel dat het hof heeft miskend dat van de principaal inspanningen mogen worden verwacht om nieuwe overeenkomsten met aangebrachte klanten tot stand te brengen. Ik meen dat de klacht onvoldoende duidelijk maakt op wat voor inspanningen dit zou zien en wat voor effect daarvan te verwachten zou zijn, zodat zij niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen voldoet en al om die reden faalt, nog daargelaten dat de strekking van het oordeel van het hof mijns inziens is, dat Corendon bij gebrek aan NAW-gegevens niet de nodige aanknopingspunten heeft om logische inspanningen te verrichten met betrekking tot de bedoelde klanten (zoals het gericht benaderen daarvan). De verwijzing, op de aangegeven vindplaatsen42., naar het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 2 juli 2013 maakt dat niet anders, nu daaruit blijkt dat de principaal in kwestie juist wel in de gelegenheid was geweest de klanten actief te benaderen (rov. 4.15).
2.37
Het subonderdeel klaagt voorts dat de overweging van het hof in de vijfde volzin van rov. 3.42.2 (onder verwijzing naar de eerste vier volzinnen)43.dat Prijsvrij dit een en ander niet heeft betwist (maar heeft aangevoerd dat Corendon haar ook niet om verstrekking van die gegevens heeft gevraagd), onbegrijpelijk is. Prijsvrij zou met stelling (x) wel degelijk hebben betwist dat “dit een en ander” in de weg zou staan aan een klantenvergoeding. Ik meen dat de klacht gebaseerd is op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof doelde met “dit een en ander” kennelijk op de overwegingen dat Corendon – kort gezegd – geen aanspraak heeft op het klantenbestand en slechts beperkte gegevens tot haar beschikking heeft, niet op de vraag of de beschikbare gegevens wel of niet voordeel opleveren, etc. Daarover oordeelt het hof immers aan het einde van rov. 3.42.2, waar het tot de conclusie komt dat Prijsvrij onvoldoende concreet heeft gesteld dat de gegevens waarover Corendon wel beschikt voor haar een voordeel opleveren.
Gezien het voorgaande faalt ook de voortbouwende (slot)klacht dat die laatste (achtste) volzin van rov. 3.42.2 gelet op het voorgaande niet in stand kan blijven.
2.38
Ten slotte wordt geklaagd over het oordeel van het hof (in de zesde en zevende volzin van rov. 3.42.2) dat gegevens die Corendon niet toekomen niet als verkregen voordeel kunnen worden beschouwd, ook niet als Prijsvrij thans alsnog de bereidheid heeft die gegevens aan Corendon te verstrekken.
Het hof heeft in de bestreden overweging tot uitdrukking gebracht dat gegevens die ten tijde van de beëindiging van de overeenkomst Corendon niet toekwamen niet kunnen worden betrokken bij de beoordeling ex ante van de aannemelijkheid van het door Corendon te verkrijgen voordeel. Dit oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk.
2.39
Subonderdeel 1.e is derhalve tevergeefs voorgesteld.
2.40
Subonderdeel 1.f bevat een voortbouwende klacht en faalt.
2.41
De slotsom is dat onderdeel 1 geen doel treft.
Onderdeel 2: schadevergoeding wegens het aanbieden van € 100,- kortingen
2.42
Onderdeel 2 klaagt over (delen van) rov. 3.19, 3.20 en 3.22, waarin het hof tot het oordeel komt dat Prijsvrij haar vordering uit hoofde van de vermeende schending door Corendon van de “level playing field”-verplichting door het op haar website aanbieden van € 100,- kortingen onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens het hof is hetgeen Prijsvrij heeft aangevoerd onvoldoende om tot het oordeel te komen dat bij het aanbieden van deze kortingen van € 100,- (anders dan die van € 50,-) sprake was van een structurele prijspolitiek.
2.43
De relevante overwegingen luiden als volgt:
“3.19 Prijsvrij heeft uitdraaien uit haar systemen verstrekt waaruit de door haar verleende kortingen blijken, maar daaruit is het gedrag van Corendon niet, althans niet zonder meer, af te leiden. Het hof hecht dan ook met name belang aan de door Prijsvrij overgelegde kopieën van advertenties van Corendon. Uit de door Prijsvrij overlegde producties (producties 3-5, 11 bij inleidende dagvaarding en producties 28, 29, en 30, 43 eerste aanleg Prijsvrij) blijkt dat Corendon in de periode 20 juni 2012 - 31 oktober 2013 met zeer grote regelmaat op haar website € 50,= korting op reizen heeft gegeven. Dat is een belangrijke aanwijzing dat deze kortingen daadwerkelijk vrijwel dagelijks werden gegeven: Corendon heeft die frequentie ook niet werkelijk weersproken. Daarbij komt dat Prijsvrij in een e-mail van 4 april 2013 erover klaagt dat “doorlopend 50 euro kortingsacties op de Corendon website niet doorgegeven wordt in de prijzen aan de retail (zoals Prijsvrij)". Daarop reageert Corendon aldus, per mail van dezelfde datum “(...) de korting bij 50 euro acties [is] alleen van toepassing (...) voor zogenaamde select agenten. Prijsvrij heeft geen select agent status en ontvangt daarom ook geen extra korting.” Nu Prijsvrij niet op structurele acties in het voordeel van een groep andere agenten hoefde te rekenen heeft Corendon de kortingen van € 50,= ten onrechte niet aan Prijsvrij doorgegeven.
3.20
Van het hanteren van kortingen van € 100,= heeft het hof in de producties van Prijsvrij met advertenties (behoudens de korting in samenwerking met de Staatloterij, waarover hierna) slechts twee voorbeelden aangetroffen (Corendon Kroontjeskorting en Corendon Supersale). Uit die voorbeelden kan niet worden afgeleid wanneer deze zijn aangeboden. Deze volstaan dan ook niet ter onderbouwing van de stelling van Prijsvrij dat Corendon ook een structurele prijspolitiek tot aanbieding van € 100,= korting had. Het hof zal de vordering van Prijsvrij in zoverre als onvoldoende onderbouwd afwijzen.
3.21
Corendon heeft erkend dat zij in samenwerking met de Staatsloterij een actie heeft gevoerd waarin zij € 50,= tot € 100,= extra korting heeft gegeven, en waarbij de Staatsloterij ook een extra inspanning verrichtte. Uit de als productie 29 van Prijsvrij in eerste aanleg opgenomen e-mails volgt dat zij dat ook zo aan Prijsvrij heeft laten weten. Nu het Corendon vrij stond op incidentele basis acties te voeren, betekent deze incidentele kortingsactie geen inbreuk op artikel 11 lid 1 en leidt dit dus ook niet tot schadeplichtigheid jegens Prijsvrij.
3.22` De slotsom op dit onderdeel is dat Corendon jegens Prijsvrij aansprakelijk is voor de schade die Prijsvrij heeft geleden omdat Corendon van 20 juni 2012-31 oktober 2013 de structurele prijspolitiek heeft gevoerd om vrijwel dagelijks aan haar eigen afnemers dan wel aan andere agenten € 50 = korting te verstrekken. Die schade is niet het bedrag van € 420.000,= waartoe Corendon door de rechtbank is veroordeeld: dat bedrag was op andere aannames gebaseerd. Uit de door Prijsvrij overlegde stukken (in het bijzonder productie 57 bij memorie van antwoord) kan het hof de hoogte van de door de rechtbank aangenomen schade niet afleiden, omdat dat van een andere aanvangsperiode uitgaat en niet tot de kortingen van € 50,= is beperkt. Bij gebreke aan voldoende duidelijke aanknopingspunten om de schade te schatten zal het hof de zaak in zoverre naar de schadestaatprocedure verwijzen.”
2.44
Het onderdeel behelst de algemene klacht dat de afwijzing van de vordering ter zake de € 100,- kortingen en de daartoe gebezigde overwegingen rechtens onjuist althans onvoldoende (onbegrijpelijk) gemotiveerd zijn. Het voert daartoe een aantal argumenten aan, die er op neerkomen dat:
a) Prijsvrij gemotiveerd en onderbouwd (door overlegging van systeemuitdraaien44.en een accountantsverklaring45.) heeft aangevoerd dat zij 1.261 maal een € 100,- korting heeft moeten vergoeden aan haar klanten, waarbij zij voorts ter nadere onderbouwing – maar zonder pretentie van volledigheid – een aantal kopieën van Corendon-advertenties heeft overgelegd;
b) Corendon een en ander niet (gemotiveerd) heeft betwist, behalve met de algemene stelling dat sprake was van systeemuitdraaien van “eigen fabricage” die niet kunnen dienen tot “bewijs van schade”;
c) Prijsvrij haar stellingen met betrekking tot de € 50,- en de € 100,- kortingen op identieke wijze heeft onderbouwd, terwijl de eerste wel en de laatste niet gehonoreerd zijn.
2.45
Het onderdeel klaagt in de eerste plaats dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de op Prijsvrij rustende stelplicht: het heeft miskend dat Prijsvrij (wel) aan haar stelplicht ter zake de € 100,- kortingen heeft voldaan en dat zij mede gelet op het (zeer) algemene verweer van Corendon op dit punt (vooralsnog) niet gehouden was haar stellingen nader te onderbouwen.
Ik meen dat deze klacht faalt. In het oordeel van het hof in rov. 3.19, dat uit de overgelegde systeemuitdraaien van Prijsvrij het gedrag van Corendon niet (zonder meer) is af te leiden, ligt onmiskenbaar het oordeel besloten dat daaruit niet valt af te leiden dat de door Prijsvrij verleende kortingen het gevolg waren van door Corendon aangeboden en ten onrechte niet aan Prijsvrij doorgegeven kortingen, en al helemaal niet dat het gedrag van Corendon diende te worden gekwalificeerd als structurele prijspolitiek. Dat is mijns inziens niet onbegrijpelijk, mede omdat kennisneming van de bedoelde systeemuitdraaien leert dat de ‘gematchte’ € 100,- kortingen zich kennelijk steeds geconcentreerd in beperkte periodes voordeden. Dat het hof het bestaan van een structurele prijspolitiek niet onderbouwd achtte is evenmin onbegrijpelijk in het licht van de door het hof geciteerde aanduidingen bij de aangetroffen € 100,- advertenties: “Corendon Kroontjeskorting” en “Corendon Supersale”, die de indruk (kunnen) wekken van tijdelijke acties.
2.46
Voor zover het onderdeel klaagt dat de beoordeling innerlijk tegenstrijdig is, omdat Prijsvrij haar stellingen met betrekking tot de kortingen van € 50,- en € 100,- op dezelfde manier heeft onderbouwd (daaronder begrepen het overleggen van een relatief beperkt aantal voorbeeldadvertenties, waaruit voorts niet steeds kan worden afgeleid wanneer de betreffende kortingen zijn aangeboden), terwijl de vordering met betrekking tot de eerste categorie wel is toegewezen, mist het feitelijke grondslag. Uit de motivering van het hof komt al naar voren dat er, afgezien van de fors uiteenlopende aantallen per kortingscategorie, ook andere relevante verschillen zijn. Het hof overweegt niet alleen dat uit de overgelegde producties (3-5 en 11 bij de inleidende dagvaarding; 28, 29, 30 en 42 in eerste aanleg) blijkt dat bij de kortingen van € 50,- sprake was van “zeer grote regelmaat”, die een aanwijzing vormt dat de kortingen “daadwerkelijk vrijwel dagelijks” werden gegeven, maar het haalt bovendien e-mailcorrespondentie46.aan, waarin Prijsvrij spreekt van kortingsacties die “doorlopend” op de website van Corendon staan en die niet aan haar worden doorgegeven, hetgeen Corendon in haar reactie niet weerspreekt. Een en ander wijkt duidelijk af van hetgeen is gesteld en gebleken met betrekking tot de kortingen van € 100,-.
2.47
Het onderdeel voert ter onderbouwing van de klacht dat het hof jegens Prijsvrij een te hoge stelplicht zou hebben gehanteerd, als gezegd aan dat Corendon het bestaan van de € 100,- kortingen en de frequentie ervan niet gemotiveerd heeft weersproken en voorts de systeemuitdraaien van Prijsvrij uitsluitend in (zeer) algemene zin heeft betwist met de stelling dat een dergelijke “eigen fabricage” niet kan dienen tot “bewijs van schade”. Het onderdeel mist mijns inziens in zoverre feitelijke grondslag, dat Corendon bijvoorbeeld in MvG, § 146 e.v. (met name § 152) tegenover de stellingen van Prijsvrij onder meer47.aanvoert dat sprake zou zijn van acties die onder de werking van art. 15 van de overeenkomst vallen en dat Prijsvrij geen duidelijk onderscheid maakt tussen “geoorloofde, speciale acties en vermeende ongeoorloofde kortingen”.
2.48
Ook ten aanzien van onderdeel 2 is de slotsom dat het tevergeefs is voorgesteld.
Onderdeel 3
2.49
Onderdeel 3 formuleert de voortbouwende klacht dat het slagen van één van de voorgaande klachten meebrengt dat rov. 3.48 en 3.49 alsmede het dictum van het bestreden arrest niet in stand kunnen blijven. Nu de voorgaande klachten mijns inziens falen, geldt hetzelfde voor onderdeel 3.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑02‑2017
Overgelegd als prod. 2 bij inleidende dagvaarding.
Volgens weergave in het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, sectie kanton, locatie Haarlem (hierna ook: de kantonrechter) van 19 juni 2014. De conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte vermeerdering van eis, § 9 en 58, vermeldt een bedrag van € 420.100,-.
Zie het arrest van 3 november 2015, rov. 3.1, en het vonnis van 19 juni 2014, p. 3-4.
Zie het vonnis van 19 juni 2014, p. 5 en rov. 11.
Rb. Noord-Holland 19 juni 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:6082, Prg. 2014/188.
Hof Amsterdam 3 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4509, ORP 2016/9, zoals (in het dictum) verbeterd bij arrest van 24 november 2015. Zie voor een korte bespreking N. Huppes, MvV 2016, p. 88.
Bij cassatiedagvaarding van 2 februari 2016, hersteld bij exploot van 15 februari 2016.
Voor een uitgebreid overzicht zij verwezen naar mijn conclusie (onder 2.4-2.40) voor het hierna te bespreken arrest T-Mobile/ [A] .
Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten, PbEG L 382/17.
Verslag over de toepassing van artikel 17 van de richtlijn van de raad inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (86/653/EEG), COM(96) 364 def., ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 23 juli 1996, p. 1-2.
Verslag, p. 3 e.v.
HvJ EU 3 december 2015, ECLI:EU:C:2015:795, NJ 2016/255 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, rov. 29.
Wet van 5 juli 1989 tot aanpassing van het Wetboek van Koophandel aan de EEG-richtlijn betreffende zelfstandige handelsagenten, van 18 december 1986 (PbEG L 382/17) (Herziening van de bepalingen inzake de agentuurovereenkomst), Stb. 1989, 312, i.w. 1 november 1989.
MvA, Kamerstukken II, 1988/89, 20 842, nr. 6, p. 3.
MvT, Kamerstukken II, 1988/89, 20 842, nr. 3, p. 8-9. Vgl. over het vereiste van een aanzienlijke en duurzame vergroting van de klantenkring onder vigeur van art. 74o WvK (oud) ook de Gemeenschappelijke toelichting bij de Benelux-modelwet betreffende de agentuurovereenkomst, art. 16, p. 24-25 (Bijlage bij MvT, Kamerstukken II, 1970/71, 11 022, nr. 4).
Wet van 27 mei 1993 tot vaststelling en invoering van de titels 7.7 en 7.15 van het nieuwe BW, Stb. 1993, 309. Zie ook de Beschikking van de Minister van Justitie van 14 juli 1993, houdende plaatsing in het Staatsblad van de vernummerde tekst van bedoelde wet, Stb. 1993, 374.
Asser-Kortmann-De Leede-Thunnissen, 1994, nr. 239; F.M. Smit, De agentuurovereenkomst tussen handelsagent en principaal, 1996, p. 72-73; J.J. Dammingh, Arbeidsovereenkomst, art. 7:442 BW, aant. 5 (actueel tot juli 2001); Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV* 2009/377.
Vgl. S.Y.Th Meijer, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:442 BW, aant. 3 (actueel tot november 2010); J.W.B. van Till, ‘De goodwillvergoeding bij het einde van de agentuurovereenkomst’, ORP 2011, p. 33-34; A.R. Houweling en G.W. van der Voet, Bijzondere arbeidsverhoudingen, 2012, p. 467 en 469.
HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9865, NJ 2014/332 m.nt. Jac. Hijma (T-Mobile/ [A] ). Het arrest is besproken door D.E. Alink, ‘“Elk voordeel heeft zijn nadeel”, of toch niet?’, MvV 2013, p. 165 e.v.; H.E. Urlus, ‘De gevolgen van beëindiging van agentuurovereenkomsten (vertraagd) verduidelijkt’, Contracteren maart 2013/8; N. Huppes, ‘De klantenvergoeding bij einde agentuurovereenkomst: voordeel of tombola?’, MvV 2016, p. 83 e.v.
Zie rov. 2.9-2.10 van het in cassatie bestreden tussenarrest van het hof van 11 mei 2010. Het tegen deze overweging gerichte incidenteel middelonderdeel 2, dat betoogde dat sprake was van nog meer voordelen voor de principaal dan door het hof genoemd, faalde. Zie rov. 6.2 van het arrest van de Hoge Raad.
HvJ EU 26 maart 2009, C-348/07, ECLI:EU:C:2009:195, Jur. 2009 p. 1-02341 (Turgay Semen/Deutsche Tamoil).
Het in voetnoot 11 genoemde verslag van de Commissie van 23 juli 1996, COM(96) 364 def.
Zie voor een berekening aan de hand van de voorgeschreven drie fasen het vervolgarrest na cassatie van het Hof Amsterdam van 17 februari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:460 in de zaak T-Mobile/ [A] .
Aldus Hijma, NJ-noot onder het arrest T-Mobile/ [A].
Alink, MvV 2013, i.h.b. p. 170-172. Ook Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2014/377 spreekt van gederfde provisie.
Zie mijn conclusie voor het T-Mobile/ [A]-arrest, onder 4.8, met verwijzing naar o.m. A-G Hartkamp in zijn conclusie voor HR 6 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0439, NJ 1992/176, en plv. P-G De Vries Lentsch-Kostense in haar conclusie voor HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7933, RvdW 2006/335. In laatstgenoemde zaak had de rechtbank, evenals het hof in de T-Mobile/ [A] -zaak, de hoogte van de klantenvergoeding gebaseerd op alle omstandigheden van het geval. Zij behoefde naar het oordeel van Uw Raad niet afzonderlijk op alle stellingen van de agent in te gaan.
Aldus ook: S.Y.Th. Meijer, Bijzondere overeenkomsten (Studiereeks Burgerlijk Recht deel 6) 2016, nr. 308; Castermans en Krans, T&C BW (2015), art. 7:442, aant. 2. Vgl. Urlus, Contracteren maart 2013/8, par. 30 jo 29; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2014/375-377, en Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:4667, rov. 4.4.
H.E. Urlus, De agentuurovereenkomst, 1990, p. 48; S.Y.Th Meijer, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:442 BW, aant. 3 (actueel tot november 2010); Urlus, Contracteren maart 2013/8, par. 24. Van Till, ORP 2011, p. 33, beveelt in dit verband aan dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst een overzicht aanhechten van het op dat moment reeds bestaande klantenbestand en de per klant gerealiseerde omzet in (bijvoorbeeld) de laatste twaalf maanden.
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:4667, rov. 4.7.
Arrest T-Mobile/ [A], rov. 6.2.
Huppes, MvV 2016, p. 87. Vgl. Urlus, Contracteren 2013/8, par. 20.
Urlus, De agentuurovereenkomst, 1990, p. 48; Meijer, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:442 BW, aant. 3 (actueel tot november 2010); Van Till, ORP 2011, p. 34.
Memorie van grieven, § 161-168; pleitnotities mr. Mahn d.d. 16 september 2015, p. 18-21.
Zoals vermeld op p. 5 van de cassatiedagvaarding.
Verwezen wordt naar de inleidende dagvaarding, § 28.
Verwezen wordt naar de inleidende dagvaarding § 25-26; memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 31.
Verwezen wordt naar de inleidende dagvaarding, § 27; conclusie van antwoord in reconventie, § 54; memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 29.
Verwezen wordt naar de inleidende dagvaarding, § 29; conclusie van antwoord in reconventie, § 54; memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 190; en pleitnota mrs. Jonker en De Bonth d.d. 16 september 2015, § 22.
Verwezen wordt naar de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 33.
Verwezen wordt naar conclusie van antwoord in reconventie, § 57; memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 191, met verwijzing naar Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:203:4667.
Zie de hiervoor onder 2.2 geciteerde, door mij van nummering voorziene rechtsoverweging 3.42.2.
Productie 27 bij conclusie van antwoord in reconventie.
Productie 57 bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel.
Een e-mail van Prijsvrij d.d. 4 april 2013 en een e-mail van Corendon dezelfde datum.
Naast ook bijvoorbeeld het door het hof verworpen argument dat het Corendon vrij zou staan om onderscheid te maken tussen verschillende typen agenten en dat zij deze verschillende prijzen mocht aanbieden.
Beroepschrift 15‑02‑2016
Heden, de vijftiende februari tweeduizendzestien, ten verzoeke van de besloten vennootschap Prijsvrij.nl B.V., gevestigd te 's‑Hertogenbosch, te dezer zake woonplaats kiezende te Den Haag aan de Bezuidenhoutseweg 57 (2594 AC), gebouw New Babylon (postbus 11756, 2502 AT), ten kantore van mrs. S.M. Kingma en K.J.O. Jansen, advocaten bij de Hoge Raad, die door haar worden aangewezen om haar te vertegenwoordigen in na te melden geding in cassatie;
heb ik;
[Hob ik, Bas de Veer, toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder ten kantore van Arthur Pieter Andries Spaargaren gerechtsdeurwaarder te Amsterdam on aldaar kantoorhoudende aan de Maassluisstraat 258;]
AAN
de besloten vennootschap Corendon International Travel B.V., gevestigd te Amsterdam, overeenkomstig art. 63 lid 1 Rv mijn exploot doende te Amsterdam aan de Koninginneweg 160 (1075 EE), ten kantore van mr. J.G. Mahn, advocaat, alwaar de gerequireerde in vorige instantie laatstelijk woonplaats heeft gekozen, sprekende met en afschrift dezes latende aan:
[dhr. D. H. J. Hooreman, aldaar werkzaam]
AANGEZEGD
dat mijn requirante bij exploot op twee februari tweeduizendzestien uitgebracht door Bas de Veer, als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van Arthur Pieter Andries Spaargaren, gerechtsdeurwaarder te Amsterdam, gerequireerde heeft gedagvaard te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad van vrijdag de twaalfde februari tweeduizendzestien,
dat dit exploot niet tijdig ter griffie is ingediend, welk gebrek mijn requirante, met handhaving van de inhoud van de dagvaarding voor het overige, wenst te herstellen teneinde daarmee de aanhangigheid van het geding in cassatie te handhaven,
voorts heb ik, deurwaarder, geheel exploiterend en relaterend als voormeld, de geïnsinueerde voornoemd,
GEDAGVAARD
om op vrijdag vier maart tweeduizendzestien, des voormiddags om 10.00 uur, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad, Eerste Enkelvoudige Kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, die alsdan wordt gehouden in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag;
TENEINDE
alsdan te horen eis doen en concluderen zoals in het middel opgenomen in de dagvaarding bij het hierboven genoemde exploot van twee februari tweeduizendzestien is omschreven.
De kosten dezes zijn voor mij, deurwaarder, € [77,75]
Beroepschrift 02‑02‑2016
Heden, de tweede februari tweeduizendzestien, ten verzoeke van de besloten vennootschap Prijsvrij.nl B.V., gevestigd te 's‑Hertogenbosch, te dezer zake woonplaats kiezende te Den Haag aan de Bezuidenhoutseweg 57 (2594 AC), gebouw New Babylon (postbus 11756, 2502 AT), ten kantore van mrs. S.M. Kingma en K.J.O. Jansen, advocaten bij de Hoge Raad, die door haar worden aangewezen om haar te vertegenwoordigen in na te melden geding in cassatie;
heb ik,
[Heb ik, Bas de Veer, toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder ten kantore van Arthur Pieter Andries Spaargaren gerechtsdeurwaarder te Amsterdam en aldaar kantoorhoudende aan de Maassluisstraat 258;]
AAN
de besloten vennootschap Corendon International Travel B.V., gevestigd te Amsterdam, overeenkomstig art. 63 lid 1 Rv mijn exploot doende te Amsterdam aan de Koninginneweg 160 (1075 EE), ten kantore van mr. J.G. Mahn, advocaat, alwaar de gerequireerde in vorige instantie laatstelijk woonplaats heeft gekozen, sprekende met en afschrift dezes latende aan:
[Voormeld adres in gesloten envelop met daarop de vermeldingen als wettelijk voorgeschreven, omdat ik aldaar niemand aantrof aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten:]
AANGEZEGD
dat mijn requirante hierbij beroep in cassatie instelt tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, onder zaaknummer 200.152.829/01 tussen mijn requirante als geïntimeerde en gerequireerde als appellante gewezen en ter openbare terechtzitting van 3 november 2015 uitgesproken, waarvan het dictum is verbeterd bij herstelarrest van 24 november 2015;
voorts heb ik, deurwaarder, geheel exploiterend en relaterend als voormeld, de geïnsinueerde voornoemd,
GEDAGVAARD
om op vrijdag twaalf februari tweeduizendzestien, des voormiddags om 10.00 uur, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad, Eerste Enkelvoudige Kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, die dan wordt gehouden in het gebouw van de Hoge Raad aan de Kazernestraat 52 te Den Haag;
MET DE UITDRUKKELIJKE VERMELDING:
- •
dat van gerequireerde bij verschijning een griffierecht zal worden geheven en dat dit griffierecht verschuldigd is vanaf haar verschijning in het geding en binnen vier weken nadien dient te zijn voldaan;
- •
dat de hoogte van de griffierechten is vermeld in de meest recente bijlage behorende bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken, die onder meer is te vinden op de website www.wetten.overheid.nl/BWBR0028899/,
- •
dat van een persoon die onvermogend is, een bij of krachtens de wet vastgesteld griffierecht voor onvermogenden wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
- 1o.
een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand, dan wel
- 2o.
een verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel e, van de Wet op de rechtsbijstand waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de inkomens bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35, tweede lid, van die wet;
- •
dat indien gerequireerde in het geding verschijnt door advocaat te stellen, maar het door haar verschijning verschuldigde griffierecht niet tijdig voldoet, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, ingevolge art. 411 lid 1 Rv haar recht om verweer in cassatie te voeren of om van haar zijde in cassatie te komen vervalt.
TENEINDE
alsdan tegen voormeld arrest te horen aanvoeren het navolgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat het Hof heeft geoordeeld als vermeld in r.o. 3.19 tot en met 3.22, 3.42 tot en met 3.46, 3.48, 3.49 en hierop voortbouwend in het dictum van zijn arrest, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
Inleiding1.
Prijsvrij.nl B.V. (hierna: Prijsvrij) heeft als handelsagent van Corendon International Travel B.V. (hierna: Corendon) bemiddeld bij de totstandkoming en uitvoering van reisovereenkomsten tussen Corendon en haar klanten. Bij brief van 2 juli 2013 heeft Corendon Prijsvrij laten weten de agentuurovereenkomst per 31 oktober 2013 te willen beëindigen. In dit geding maakt Prijsvrij op de voet van art. 7:442 BW aanspraak op een klantenvergoeding, daartoe stellende dat zij nieuwe klanten heeft aangebracht en/of de overeenkomsten met bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, en dat Corendon hiervan na beëindiging van de agentuurovereenkomst (nog) aanzienlijke voordelen geniet.
Het hof heeft de vordering tot betaling van een klantenvergoeding afgewezen. Kort samengevat oordeelt het hof dat Prijsvrij niet aan haar stelplicht heeft voldaan, door geen gegevens te verschaffen die ‘inzicht geven in de mate waarin een reiziger voor een nieuwe reis opnieuw voor dezelfde touroperator zal kiezen’ (r.o. 3.42.1). Aldus zouden ‘onvoldoende aanknopingspunten’ voorhanden zijn om te kunnen vaststellen dat Corendon aan de klanten van Prijsvrij bij het einde van de agentuurovereenkomst ‘nog enig (duurzaam) voordeel kan ontlenen’ (r.o. 3.43).
Kern van het cassatiemiddel is dat het hof hiermee onjuiste — want te hoge — eisen stelt aan de op Prijsvrij ingevolge art. 7:442 BW rustende stelplicht. Volgens het arrest T-Mobile/Klomp van uw Raad is het in art. 7:442 lid 1 sub a BW bedoelde voordeel immers erin gelegen (en kan de handelsagent dus in beginsel ermee volstaan te stellen) dat de principaal de mogelijkheid heeft om de door de handelsagent tot stand gebrachte klantenrelaties na beëindiging van de agentuurovereenkomst te kunnen blijven gebruiken zonder daarover provisie aan de handelsagent verschuldigd te zijn, en dient dit voordeel in beginsel (dus bij wege van vuistregel of weerlegbaar vermoeden) te worden vastgesteld op basis van de in de laatste twaalf maanden door de handelsagent verdiende bruto provisie betreffende nieuwe of geïntensiveerde bestaande klanten.2. Mede nu art. 7:442 BW, analoog aan de Agentuurrichtlijn waarop het artikel is gebaseerd,3. strekt tot bescherming van de handelsagent,4. kan niet worden geëist dat een handelsagent, ter onderbouwing van een vordering tot betaling van een klantenvergoeding, inzicht geeft in de mate waarin de principaal daadwerkelijk voordeel geniet of zal genieten van de door de handelsagent aangebrachte nieuwe en/of geïntensiveerde bestaande klanten (zoals in casu door het overleggen van gegevens betreffende herhaalboekingen). Tegen deze achtergrond is 's hofs oordeel onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd (onderdeel 1).
Ook op een ander punt heeft het hof te hoge eisen gesteld aan de op Prijsvrij rustende stelplicht, te weten in het kader van haar stelling dat Corendon wanprestatie heeft gepleegd door op structurele basis kortingen van € 100 aan te bieden aan klanten, zonder deze door te geven aan Prijsvrij. Het hof overweegt dat het in de producties ‘slechts twee voorbeelden’ heeft aangetroffen van € 100-kortingen en dat de vordering van Prijsvrij daarom in zoverre ‘onvoldoende onderbouwd’ is (r.o. 3.20). Dit oordeel is onjuist althans onbegrijpelijk in het licht van de gemotiveerde, met stukken onderbouwde stellingname van Prijsvrij op dit punt, die door Corendon bovendien niet of nauwelijks (gemotiveerd) is betwist (onderdeel 2).
Klachten
1
In r.o. 3.41, laatste volzin, neemt het hof — terecht5. — tot uitgangspunt dat Prijsvrij zich op het standpunt stelt dat alle door haar aangebrachte klanten nieuwe of geïntensiveerde bestaande klanten zijn in de zin van art. 7:442 lid 1 sub a BW. Aansluitend onderzoekt het hof of Corendon hieraan (nog) aanzienlijke voordelen kan ontlenen in de zin van art. 7:442 lid 1 sub a BW.6. Vervolgens komt het hof in r.o. 3.42 tot en met 3.46, op de aldaar vermelde gronden, tot het oordeel dat Prijsvrij onvoldoende heeft gesteld om te kunnen vaststellen dat aan de zijde van Corendon (nog) sprake is van (aanzienlijke) voordelen in de zin van art. 7:442 lid 1 sub a BW.7. Dit oordeel is om de hierna uit te werken, en zo nodig mede in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen rechtens onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
- a.
Aan haar vordering tot betaling van een klantenvergoeding in de zin van art. 7:442 BW heeft Prijsvrij ten grondslag gelegd:
- (i)
Prijsvrij heeft vanaf het begin van de agentuurrelatie indrukwekkende verkoopcijfers gerealiseerd, waarvoor Corendon haar ook heeft geprezen.8.
- (ii)
Een groot deel van de door Prijsvrij verkochte Corendon-reizen betroffen reizen die zijn verkocht aan nieuwe klanten. Voor zover het ging om bestaande klanten, heeft Prijsvrij de overeenkomsten met die klanten aanmerkelijk uitgebreid.9.
- (iii)
Prijsvrij heeft (dus) ingevolge art. 7:442 BW aanspraak op een klantenvergoeding ter hoogte van tenminste de bruto provisie over de laatste twaalf maanden, zijnde € 471.961.10.
- (iv)
Corendon heeft dankzij Prijsvrij de mogelijkheid gehad om met de door Prijsvrij aangebrachte klanten een duurzame relatie op te bouwen, waardoor die klanten in de toekomst weer met Corendon zullen (kunnen) reizen.11.
- (v)
Op basis van de NAW-gegevens van haar klanten heeft Prijsvrij vastgesteld dat minstens 25% van die klanten herhaalboekingen12. bij dezelfde touroperator uitvoert. Het werkelijke percentage herhaalboekingen ligt (veel) hoger, onder meer omdat zulke boekingen niet steeds met dezelfde NAW-gegevens worden geplaatst.13.
- (vi)
Touroperators verschuiven hun businessmodel steeds meer richting exclusieve content (reizen of accommodaties die uitsluitend via de touroperator worden aangeboden), juist om te profiteren van herhaalboekingen.14.
- (vii)
Ook Corendon biedt zoveel mogelijk exclusieve content aan. In 2013 was 45 tot 53% van het Corendon-aanbod exclusief.15.
- (viii)
Gezien het hoge percentage herhaalboekingen en het hoge aandeel exclusieve content van Corendon, zal een groot deel van de door Prijsvrij aangebrachte (tevreden) klanten in de toekomst weer een Corendon-reis of -accommodatie (kunnen) boeken.16. Corendon geniet dus voordeel doordat Prijsvrij Corendon ‘op de kaart’ heeft gezet bij reizigers.17.
- (ix)
Het gaat in de reismarkt niet uitsluitend om de prijs, maar juist ook om naamsbekendheid, imago en faciliteiten.18. De eigen handelwijze van Corendon — waaronder haar marketingactiviteiten — bevestigt dit.19.
- (x)
Dat Corendon niet beschikt over NAW-gegevens van door Prijsvrij aangebrachte klanten, doet niet ter zake. Prijsvrij behoefde deze gegevens ingevolge de agentuurovereenkomst niet te verstrekken20. en Corendon heeft haar daar ook nooit om gevraagd,21. Bovendien is voor het genieten van (potentieel) voordeel niet vereist dat de principaal over zulke gegevens beschikt,22. Het gaat erom dat tevreden klanten zélf (kunnen) terugkeren bij Corendon.23.
's Hofs oordeel in r.o. 3.42 tot en met 3.46, dat Prijsvrij met deze stellingen onvoldoende invulling heeft gegeven aan de op haar ingevolge art. 7:442 lid 1 sub a BW rustende stelplicht, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof miskent dat volgens het — in zoverre met juistheid door het hof in r.o. 3.40 weergegeven — arrest T-Mobile/Klomp van uw Raad het in art. 7:442 lid 1 sub a BW bedoelde voordeel van de principaal is gelegen in de mogelijkheid dat de principaal de door de handelsagent tot stand gebrachte klantenrelaties na beëindiging van de agentuurovereenkomst kan blijven gebruiken zonder daarover provisie aan de handelsagent verschuldigd te zijn, en dat een uniforme toepassing van art. 7:442 BW meebrengt dat het voordeel van de principaal wordt vastgesteld op basis van de in de laatste twaalf maanden door de handelsagent verdiende bruto provisie betreffende nieuwe of geïntensiveerde bestaande klanten, welk bedrag vervolgens kan worden gecorrigeerd met factoren betreffende (a) de duur van het voordeel dat de principaal naar verwachting aan de transacties met genoemde klanten kan ontlenen, (b) het verloop van het klantenbestand en (c) de versnelde ontvangst van provisie-inkomsten door de agent die in één keer een vergoeding krijgt uitgekeerd.24.
Uit een en ander volgt dat een handelsagent ter onderbouwing van een vordering tot betaling van een klantvergoeding in beginsel ermee kan volstaan te stellen (i) dat hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht en/of de overeenkomsten met bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en (ii) dat de overeenkomsten met deze klanten de principaal (nog) aanzienlijke voordelen kunnen opleveren. Voldoet de agent aan deze stelplicht, dan heeft hij in beginsel aanspraak op een klantenvergoeding ter hoogte van de in de laatste twaalf maanden door hem verdiende bruto provisie betreffende nieuwe en/of geïntensiveerde bestaande klanten, met dien verstande dat de omvang van deze vergoeding (opwaarts of neerwaarts) kan worden bijgesteld op grond van de hierboven onder (a) tot en met (c) vermelde correctiefactoren, respectievelijk de daarop volgende billijkheidscorrectie van art. 7:442 lid 1 sub b BW en de in art. 7:442 lid 2 BW neergelegde maximering.25.
Anders dan het hof klaarblijkelijk oordeelt,26. kan in dit verband niet de eis worden gesteld dat de handelsagent gegevens verschaft die inzicht geven in de mate waarin de mogelijke voordelen daadwerkelijk zijn dan wel zullen worden behaald. Hierbij is van belang dat art. 7:442 BW volgens uw Raad (analoog aan de Agentuurrichtlijn waarop het artikel is gebaseerd) moet worden uitgelegd overeenkomstig haar strekking de handelsagent te beschermen.27. Het hof miskent dit, door zodanig strenge eisen te stellen aan de op Prijsvrij rustende stelplicht, dat Prijsvrij op grond daarvan gehouden zou zijn om gegevens te verschaffen die onmogelijk28. of alleen door Corendon kunnen worden verschaft,29. namelijk gegevens die inzicht bieden in de mate waarin Corendon daadwerkelijk voordeel geniet of zal genieten van de door Prijsvrij aangebrachte nieuwe en/of geïntensiveerde bestaande klanten.
- b.
Althans is het genoemde oordeel van het hof, indien het hof daarbij niet is uitgegaan van onjuiste eisen aan de ingevolge art. 7:442 lid 1 sub a BW op Prijsvrij rustende stelplicht, zonder nadere motivering onbegrijpelijk in het licht van de hierboven onder (i) tot en met (x) vermelde (essentiële) stellingen van Prijsvrij, die het hof in r.o. 3.42 slechts gedeeltelijk weergeeft en voor het overige niet afdoende in de motivering van zijn oordeel betrekt. Met deze stellingen heeft Prijsvrij immers gemotiveerd en onderbouwd aangevoerd dat Corendon wel degelijk (nog) aanzienlijke voordelen zal (kunnen) genieten van de door Prijsvrij aangebrachte nieuwe en/of geïntensiveerde klanten, omdat een groot deel van die klanten, indien zij tevreden zijn over hun reis, wederom bij Corendon zal (kunnen) boeken. Hierbij is van belang dat Corendon in feitelijke instanties heeft erkend — en ook niet te ontkennen valt — dat door Prijsvrij aangebrachte klanten zouden kunnen terugkeren bij Corendon, waarbij Corendon zelfs heeft opgemerkt dat de kans op herhaalboekingen ‘even groot’ zou zijn als de kans dat voormalige klanten bij een andere touroperator boeken.30. De mogelijkheid van (talrijke) herhaalboekingen, en (dus) van daaruit voortvloeiende voordelen voor Corendon, is dus tussen partijen in confesso.31.
- c.
's Hofs verwijzing in r.o. 3.42, eerste volzin, naar ‘de onder 3.39 genoemde correctiefactoren’, is onbegrijpelijk en/of onjuist, en kan 's hofs hier bestreden oordeel dus niet dragen. Om te beginnen is in r.o. 3.39 geen sprake van correctiefactoren.
Indien het hof bedoelt te verwijzen naar de in r.o. 3.40 vermelde (aan het arrest T-Mobile/Klomp ontleende) correctiefactoren, is die verwijzing eveneens onbegrijpelijk en/of onjuist. Het hof miskent namelijk dat die correctiefactoren eerst aan de orde (kunnen) komen nadat het door de principaal (mogelijkerwijs) genoten voordeel (op basis van de in de laatste twaalf maanden door de handelsagent verdiende bruto provisie betreffende nieuwe en geïntensiveerde bestaande klanten) is vastgesteld,32. en (dus) niet kunnen dienen om de handelsagent op voorhand een eventuele aanspraak op klantenvergoeding te ontzeggen. Tevens treedt het hof hiermee buiten de grenzen van de rechtsstrijd, nu Corendon in dit geding uitsluitend (in algemene zin) het door haar genoten voordeel heeft bestreden en geen (subsidiair) beroep heeft gedaan op de bedoelde correctiefactoren. Bovendien en/of althans is onbegrijpelijk dat, in hoeverre en waarom de bedoelde correctiefactoren tot een correctie van het genoten voordeel zouden (kunnen) leiden, laat staan een correctie tot nihil, nu het hof in zijn arrest verder in het geheel niet (kenbaar en begrijpelijkerwijs) refereert aan deze correctiefactoren.
- d.
Voor zover het hof in r.o. 3.42.1 overweegt dat Prijsvrij geen gegevens heeft verschaft die ‘inzicht geven in de mate waarin een reiziger voor een nieuwe reis opnieuw voor dezelfde touroperator zal kiezen’, stelt het hof — gelet op hetgeen hierboven in onderdeel la werd aangevoerd — onjuiste (want te hoge) eisen aan de op Prijsvrij rustende stelplicht. Tevens is deze overweging zonder nadere motivering (die ontbreekt) onbegrijpelijk in het licht van de hierboven onder (v) tot en met (ix) vermelde stellingen. Met die stellingen heeft Prijsvrij immers gemotiveerd en onderbouwd aangevoerd dat, gelet op het hoge percentage herhaalboekingen en het hoge aandeel exclusieve content van Corendon, een groot aantal door Prijsvrij aangebrachte (tevreden) klanten in de toekomst opnieuw voor Corendon zal (kunnen) kiezen. Daarmee hééft Prijsvrij, binnen de grenzen van het (voor haar) mogelijke, de door het hof bedoelde gegevens verschaft.
Dat de reismarkt ‘in belangrijke mate prijsgedreven’ zou zijn, zoals het hof in r.o. 3.42.1 overweegt met referte aan de desbetreffende stellingen van Corendon en aan het feit dat Prijsvrij een ‘laagste prijsgarantie’ geeft en ‘sterk hecht aan het waarmaken van die garantie’, kan 's hofs hier bestreden oordeel niet dragen. Hierbij is van belang dat het hof de onder (ix) vermelde stelling van Prijsvrij, dat behalve de prijs ook andere factoren een rol spelen bij de keuze van een klant voor een touroperator, in de eerste volzin van r.o. 3.42.1 onderschrijft en zelfs ‘aannemelijk’ acht (waarbij het hof meer concreet wijst op de rol van ‘het imago van de touroperator, of positieve eerdere ervaringen met een touroperator’). Tegen deze achtergrond valt niet in te zien waarom de enkele omstandigheid dat de reismarkt (ook) ‘in belangrijke mate prijsgedreven’ zou zijn, meebrengt dat Corendon geen (enkel) voordeel zou (kunnen) ontlenen aan de door Prijsvrij aangebrachte klanten.
- e.
Hetgeen het hof in r.o. 3.42.2 oordeelt met betrekking tot de stelling van Corendon dat zij ‘geen aanspraak heeft op het klantenbestand van Prijsvrij met alle NAW-gegevens’, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof miskent dat, zoals Prijsvrij ook heeft aangevoerd met de hierboven onder (x) vermelde stelling, het niet-beschikken over NAW-gegevens onverlet laat dat de principaal voordeel kan genieten van door de handelsagent aangebrachte nieuwe of geïntensiveerde bestaande klanten, omdat zulke klanten uit eigen beweging kunnen terugkeren bij de principaal. Tevens miskent het hof dat van de principaal inspanningen mogen worden verlangd om nieuwe overeenkomsten met aangebrachte klanten tot stand te brengen, dus dat het enkele feit dat een principaal de door de handelsagent gerealiseerde (potentiële) voordelen (mogelijk) niet ‘verzilvert’, niet afdoet aan de aanspraak van de handelsagent op een klantenvergoeding.33.
Althans is het genoemde oordeel van het hof onbegrijpelijk in het licht van de hierboven onder (x) vermelde stelling van Prijsvrij, waarop het hof niet (kenbaar) respondeert. Meer concreet is onbegrijpelijk dat het hof in de vijfde volzin van r.o. 3.42.2 overweegt dat Prijsvrij ‘dit een en ander’ — namelijk de door het hof in de eerste tot en met de vierde volzin geparafraseerde stellingen van Corendon omtrent het ontbreken van NAW-gegevens — ‘niet betwist’ zou hebben, maar (uitsluitend) aangevoerd zou hebben ‘dat Corendon haar ook niet om verstrekking van de NAW-gegevens heeft gevraagd’. Met stelling (x) heeft Prijsvrij wel degelijk betwist dat ‘dit een en ander’ in de weg staat aan een klantenvergoeding en heeft zij wel degelijk méér aangevoerd dan de enkele stelling dat Corendon haar niet om verstrekking van de NAW-gegevens heeft gevraagd.
Bovendien is onjuist en/of onbegrijpelijk hetgeen het hof vervolgens oordeelt in de zesde en zevende volzin van r.o. 3.42.2, te weten dat Prijsvrij miskent ‘dat het bij de klantenvergoeding gaat om vergoeding aan Prijsvrij voor een voordeel dat Corendon heeft verkregen’ en dat gegevens die Corendon ‘niet toekomen’ niet als ‘een door Corendon verkregen voordeel’ kunnen worden beschouwd, ook niet als Prijsvrij ‘thans alsnog de bereidheid heeft die gegevens aan Corendon te verstrekken’. Het hof miskent dat het in art. 7:442 lid 1 sub a BW bedoelde voordeel is gelegen in de mogelijkheid om de door de handelsagent tot stand gebrachte klantenrelaties te blijven gebruiken en dat die mogelijkheid ook bestaat indien de principaal niet beschikt over de bijbehorende NAW-gegevens.34. Althans valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom het enkele feit dat Corendon niet beschikt over de bedoelde NAW-gegevens, meebrengt dat Corendon geen (enkel) voordeel zou (kunnen) ontlenen aan de door Prijsvrij aangebrachte klanten, temeer indien Prijsvrij alsnog bereid zou zijn die gegevens aan Corendon te verstrekken.
De overweging in de achtste volzin van r.o. 3.42.2, dat onvoldoende concreet gesteld is dat ‘de beperkte gegevens waarover Corendon wel beschikt voor haar een voordeel opleveren’, kan gelet op het voorgaande ook niet dienen ter motivering van het hier bestreden oordeel.
- f.
Gegrondbevinding van een of meer van de voorgaande klachten brengt tevens mee dat hetgeen het hof overweegt in r.o. 3.42.3 tot en met 3.46 niet in stand kan blijven. Daarmee bouwt het hof immers (kennelijk) voort op zijn hierboven als onjuist en/of onbegrijpelijk bestreden oordelen in r.o. 3.42 tot en met 3.42.2.
2
In r.o. 3.18 e.v. beoordeelt het hof de stelling van Prijsvrij dat Corendon de in de agentuurovereenkomst neergelegde ‘level playing field’-verplichting35. heeft geschonden door op structurele basis kortingen variërend van € 50 tot € 100 aan te bieden aan klanten (via haar eigen website dan wel via andere agenten), zonder deze kortingen door te geven aan Prijsvrij.36. Het hof verwerpt deze stelling voor zover het de € 100-kortingen betreft. Ter onderbouwing stelt het hof in r.o. 3.19 voorop dat het gedrag van Corendon niet (zonder meer) valt af te leiden uit de door Prijsvrij in het geding gebrachte systeemuitdraaien, en dat het hof dan ook met name belang hecht aan de door Prijsvrij overgelegde kopieën van advertenties van Corendon. In r.o. 3.20 overweegt het hof dat het in de producties van Prijsvrij met advertenties (voor zover relevant) ‘slechts twee voorbeelden’ heeft aangetroffen van € 100-kortingen. Nu daaruit niet kan worden afgeleid wanneer deze zijn aangeboden, volstaan deze voorbeelden volgens het hof niet ter onderbouwing van de stelling dat Prijsvrij hiermee ‘structurele prijspolitiek’ heeft gevoerd. Het hof acht de vordering van Prijsvrij daarom in zoverre ‘onvoldoende onderbouwd’. Hierop voortbouwend oordeelt het hof in r.o. 3.22 dat de schade niet het door Prijsvrij gestelde bedrag van ‘€ 420.000’37. bedraagt.
De genoemde oordelen van het hof in r.o. 3.19, 3.20 en 3.22 zijn onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Prijsvrij heeft gemotiveerd en onderbouwd — namelijk onder overlegging van systeemuitdraaien38. en een bijbehorende accountantsverklaring39. — aangevoerd dat zij in de maanden augustus 2011 tot en met oktober 2013 5.880 € 50-kortingen en 1.261 € 100-kortingen (dus een totaalbedrag van € 420.100) heeft moeten vergoeden aan haar klanten, om de prijzen van Corendon te ‘matchen’.40. Ter nadere onderbouwing — maar evident zonder de pretentie van volledigheid41. — heeft Prijsvrij een aantal kopieën van Corendon-advertenties betreffende € 50- en € 100-kortingen in het geding gebracht.42. Corendon heeft het bestaan van die kortingen en de frequentie ervan niet (gemotiveerd) weersproken,43. maar heeft — evenals in de preprocessuele correspondentie tussen partijen44. — het standpunt ingenomen dat zij niet gehouden was de kortingen aan Prijsvrij door te geven.45. De door Prijsvrij overgelegde systeemuitdraaien heeft Corendon uitsluitend in (zeer) algemene zin betwist met de stelling dat een dergelijke ‘eigen fabricage’ niet kan dienen tot ‘bewijs van schade’.46.
Gelet op dit een en ander getuigt 's hofs oordeel dat Prijsvrij haar beroep op schending van het ‘level playing field’ met betrekking tot de € 100-kortingen ‘onvoldoende onderbouwd’ heeft, van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof miskent dat Prijsvrij met de hiervóór vermelde stellingen heeft voldaan aan haar stelplicht ter zake van de € 100-kortingen, en dat zij — mede gelet op het (zeer) algemene verweer van Corendon op dit punt — (vooralsnog) niet gehouden was deze stellingen nader te onderbouwen. Althans valt zonder nadere motivering (die ontbreekt) niet in te zien waarom Prijsvrij (toch) tot een nadere onderbouwing van die stellingen gehouden zou zijn. Hierbij is van belang dat het hof de stellingen van Prijsvrij ter zake van de € 50- kortingen — die Prijsvrij op identieke wijze heeft onderbouwd en die Corendon op identieke wijze heeft bestreden — in r.o. 3.19 wél honoreert. 's Hofs oordeel is in dit opzicht dus innerlijk tegenstrijdig, en ook daarom onbegrijpelijk.
Dat Corendon ‘slechts twee voorbeelden’ van advertenties betreffende € 100- kortingen heeft overgelegd en dat daaruit niet kan worden afgeleid ‘wanneer deze zijn aangeboden’, zoals het hof overweegt in r.o. 3.20, kan het verschil in beoordeling ter zake van de € 50- en € 100-kortingen niet dragen. Ook van de € 50-kortingen heeft Prijsvrij immers slechts een relatief beperkt aantal voorbeelden overgelegd en ook uit die voorbeelden kan niet steeds worden afgeleid wanneer de betreffende kortingen zijn aangeboden. Waar het om gaat is dat Prijsvrij onder verwijzing naar uitdraaien uit haar systeem (gemotiveerd) heeft gesteld dat Corendon structureel € 50- én € 100- kortingen heeft verstrekt, en dat Corendon die stellingname als zodanig niet (gemotiveerd) heeft bestreden, zoals het hof in de vierde volzin van r.o. 3.19 (met betrekking tot de € 50-kortingen) ook vaststelt. Bij deze stand van zaken had het hof de betreffende vordering van Prijsvrij — zowel ten aanzien van de € 50-kortingen als ten aanzien van de € 100-kortingen — moeten toewijzen. Althans had het hof Prijsvrij moeten toelaten tot nadere bewijslevering ter zake, zoals Prijsvrij (gelet op het voorgaande: ten overvloede) ook heeft aangeboden.47.
3
Gegrondbevinding van een of meer van de in de voorgaande onderdelen aangevoerde klachten vitieert tevens de voortbouwende overwegingen van het hof in 3.48 en 3.49, alsmede het dictum van zijn arrest.
En op grond van dit middel te horen eis doen dat het de Hoge Raad behage het arrest waarvan beroep te vernietigen met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren; kosten rechtens.
De kosten dezes zijn voor mij, deurwaarder, € [77,75]
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑02‑2016
De hierna vermelde feiten zijn ontleend aan rov. 2.1.1 tot en met 2.1.9 van het bestreden arrest.
HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9865, NJ 2014/332 (T-Mobile/Klomp), r.o. 6.2.
Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten, PbEG L 382/17. Zie ook r.o. 4.1 van het arrest T-Mobile/Klomp, waar uw Raad overwoog dat art. 7:442 BW (ook in gevallen als het onderhavige) richtlijnconform moet worden uitgelegd.
Zie r.o. 4.3 van het arrest T-Mobile/Klomp. Vgl. ook HvJEG 9 november 2000, C-381/98 (Ingmar/Eaton), r.o. 21; HvJEG 26 maart 2009, C-348/07 (Turgay Semen/Deutsche Tamoil), r.o. 17, 21; en HvJEU 3 december 2015, C-338/14 (Quenon/Citibank c.s.), r.o. 23, 26.
Vgl. memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 187.
Dat Prijsvrij nieuwe en/of geïntensiveerde bestaande klanten heeft aangebracht, is door Corendon niet betwist. Vgl. bijv. memorie van grieven zijdens Corendon, § 163 e.v.
Vgl. r.o. 3.43, waar het hof oordeelt dat het ‘onvoldoende aanknopingspunten’ voorhanden heeft om te kunnen vaststellen dat Corendon ‘nog enig (duurzaam) voordeel kan ontlenen’ aan de door Prijsvrij aangebrachte klanten, en r.o. 3.44, waar het hof overweegt dat Prijsvrij uit het arrest T-Mobile/Klomp had kunnen afleiden ‘waaraan zij in het kader van haar stelplicht had te voldoen’.
Conclusie van antwoord in reconventie, § 55; memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 187, 190.
Memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 187.
Conclusie van antwoord in reconventie, § 52 (onder verwijzing naar een als productie 45 overgelegde accountantsverklaring).
Memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 28.
In de processtukken wordt ook gesproken over ‘retentieboekingen’.
Inleidende dagvaarding, § 28.
Inleidende dagvaarding, § 25–26 (onder verwijzing naar productie 13, waaruit blijkt dat touroperator TUI 40% exclusieve content aanbiedt); en memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 31.
Inleidende dagvaarding, § 27; conclusie van antwoord in reconventie zijdens Prijsvrij, § 54; en memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 29.
Inleidende dagvaarding, § 29; conclusie van antwoord in reconventie zijdens Prijsvrij, § 54; memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 190; en pleitnota mrs. Jonker en De Bonth d.d. 16 september 2015, § 22.
Memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 190.
Memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 33.
Inleidende dagvaarding, § 30; en memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 32, 189. Vgl. ook pleitnota mrs. Jonker en De Bonth d.d. 16 september 2015, § 24, 25 en 29.
Memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 50.
Memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 52, 193.
Memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 51.
Memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 192, 200.
Zie r.o. 6.2 van het arrest T-Mobile/Klomp.
Zie over deze tweede en derde fase van de vaststelling van de klantenvergoeding (waaraan het hof niet is toegekomen) r.o. 4.3 van het arrest T-Mobile/Klomp.
Vgl. r.o. 3.42.1, laatste volzin, waar het hof overweegt dat gegevens die ‘inzicht geven in de mate waarin een reiziger voor een nieuwe reis opnieuw voor dezelfde touroperator zal kiezen’ niet zijn verschaft of te verschaffen zijn aangeboden.
Zie r.o. 4.3 van het arrest T-Mobile/Klomp.
Vgl. r.o. 3.42.1, laatste volzin, waar het hof spreekt over gegevens die Prijsvrij, ‘indien al beschikbaar’, niet heeft verschaft of te verschaffen heeft aangeboden.
Vgl. pleitnota mrs. Jonker en De Bonth d.d. 16 september 2015, § 35, waar Prijsvrij aanvoert dat alleen de eigen administratie van Corendon inzicht kan geven in (onder meer) het door Corendon genoten voordeel.
Conclusie van antwoord in conventie zijdens Corendon, § 61.
Zie ook pleitnota mrs. Jonker en De Bonth d.d. 16 september 2015, § 30–31, waar onder verwijzing naar het door Corendon in het geding gebrachte BNO-rapport (productie 4 bij akte d.d. 23 april 2014) wordt betoogd dat Corendon erkent dat zij aanzienlijk voordeel realiseert uit de door Prijsvrij aangedragen klanten.
Zie r.o. 6.2 van het arrest T-Mobile/Klomp (‘vervolgens’).
Zie in die zin ook conclusie van antwoord in reconventie, § 57; en memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 191.
Vgl. hetgeen in onderdeel 1a onder verwijzing naar het arrest T-Mobile/Klomp werd opgemerkt.
In r.o. 3.14.5 legt het hof deze verplichting (onbestreden in cassatie) aldus uit dat het Corendon op grond daarvan vrijstond om ‘incidentele (kortings)acties’ niet door te geven aan Prijsvrij, zolang het daarbij niet om ‘(structurele) prijspolitiek’ ging.
Zie voor deze stelling bijv. inleidende dagvaarding, § 13; conclusie van antwoord in reconventie, § 9; en memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 105.
Lees: € 420.100.
Zie productie 27 bij conclusie van antwoord in reconventie.
Zie productie 57 bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel.
Conclusie van antwoord in reconventie, § 9; en memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 173. Achtergrond van dit ‘matchen’ was de door Prijsvrij gehanteerde ‘Best Deal Garantie’, zoals bedoeld in r.o. 2.1.2.
Vgl. memorie van grieven, § 175.
Memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 129, onder verwijzing naar producties 3 tot en met 6, 11, 28 tot en met 30 en 41.
Aldus ook memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 175. Vgl. ook r.o. 3.19, vierde volzin (m.b.t. de € 50-kortingen) en r.o. 4 van het vonnis in eerste aanleg, waar de kantonrechter (onbestreden in appel) vooropstelt dat Corendon ‘als zodanig niet [heeft] betwist dat zij voor reizen die zij rechtstreeks heeft verkocht, lagere prijzen heeft gehanteerd dan de prijzen die zij aan Prijsvrij heeft doorgegeven’.
Vgl. memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, § 130, onder verwijzing naar productie 28. Vgl. ook r.o. 3.19, vijfde en zesde volzin.
Zie bijv. conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie zijdens Corendon, § 38; en memorie van grieven zijdens Corendon, § 71–72.
Memorie van grieven zijdens Corendon, § 150. Zie vergelijkbaar algemene zin pleitnotities mr. J.G. Mahn d.d. 16 september 2015, p. 23.
Memorie van grieven, § 175, waar onder meer een getuigenbewijsaanbod m.b.t. de kortingen wordt gedaan.