Procestaal: Frans.
HvJ EU, 03-12-2015, nr. C-338/14
ECLI:EU:C:2015:795
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
03-12-2015
- Magistraten
L. Bay Larsen, J. Malenovský, M. Safjan, A. Prechal, K. Jürimäe
- Zaaknummer
C-338/14
- Conclusie
N. Wahl
- Roepnaam
Quenon K.
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2015:795, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 03‑12‑2015
ECLI:EU:C:2015:503, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 16‑07‑2015
Uitspraak 03‑12‑2015
L. Bay Larsen, J. Malenovský, M. Safjan, A. Prechal, K. Jürimäe
Partij(en)
In zaak C-338/14,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de cour d'appel de Bruxelles (België) bij beslissing van 27 juni 2014, ingekomen bij het Hof op 14 juli 2014, in de procedure
Quenon K. SPRL
tegen
Beobank SA, voorheen Citibank Belgium SA,
Metlife Insurance SA, voorheen Citilife SA,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, J. Malenovský, M. Safjan, A. Prechal en K. Jürimäe (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Wahl,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- —
Quenon K. SPRL, vertegenwoordigd door P. Demolin en M. Rigo, avocats,
- —
Beobank SA, vertegenwoordigd door A. de Schoutheete en A. Viggria, avocats,
- —
de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs en L. Van den Broeck als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux en E. Montaguti als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 juli 2015,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 17, lid 2, van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB L 382, blz. 17; hierna: ‘richtlijn’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Quenon K. SPRL (hierna: ‘Quenon’) enerzijds en Beobank SA, voorheen Citibank Belgium SA (hierna: ‘Citibank’), en Metlife Insurance SA, voorheen Citilife SA (hierna: ‘Citilife’), anderzijds, over de betaling van de uitwinningsvergoeding en de schadevergoeding die Quenon heeft gevorderd naar aanleiding van de opzegging van haar agentuurovereenkomst door laatstgenoemden.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De tweede en de derde overweging van de richtlijn luiden:
‘Overwegende dat de verschillen tussen de nationale wetgevingen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging binnen de Gemeenschap de concurrentieverhoudingen en de uitoefening van het beroep aanzienlijk beïnvloeden en de mate waarin de handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen worden beschermd, evenals de zekerheid in het handelsverkeer, aantasten; dat voorts deze verschillen de totstandkoming en de werking van handelsagentuurovereenkomsten tussen een principaal en een handelsagent die in verschillende lidstaten zijn gevestigd, ernstig kunnen belemmeren;
Overwegende dat het goederenverkeer tussen de lidstaten moet plaatsvinden onder soortgelijke omstandigheden als binnen een enkele markt, hetgeen de onderlinge aanpassing van de rechtsstelsels van de lidstaten vereist, voor zover zulks voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt noodzakelijk is; dat in dit verband de verwijzingsregels van het internationaal privaatrecht, zelfs indien zij zijn geünificeerd, de hierboven vermelde nadelen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging niet opheffen, en dat daarom niet kan worden afgezien van de voorgestelde harmonisatie’.
4
Artikel 1 van de richtlijn bepaalt:
- ‘1.
De in deze richtlijn voorgeschreven harmonisatiemaatregelen zijn van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de betrekkingen tussen handelsagenten en hun principalen.
- 2.
Handelsagent in de zin van deze richtlijn is hij die als zelfstandige tussenpersoon permanent is belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander, hierna te noemen ‘principaal’, of met het tot stand brengen en afsluiten van de verkoop of aankoop van goederen voor rekening en in naam van de principaal.
[…]’
5
Artikel 17, leden 1 tot en met 3, van de richtlijn bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, vergoeding volgens lid 2 of herstel van het nadeel volgens lid 3 krijgt.
- 2.
- a)
De handelsagent heeft recht op een vergoeding indien en voor zover:
- —
hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de transacties met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en de transacties met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren,
en
- —
de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de uit de transacties met deze klanten voortvloeiende provisie, die voor de handelsagent verloren gaat. […]
- b)
Het bedrag van de vergoeding mag niet meer bedragen dan een cijfer dat overeenkomt met een jaarlijkse vergoeding berekend op basis van het jaarlijkse gemiddelde van de beloning die de handelsagent de laatste vijf jaar heeft ontvangen of, indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd, berekend over het gemiddelde van die periode.
- c)
De toekenning van deze vergoeding laat het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet.
- 3.
De handelsagent heeft recht op herstel van het nadeel dat hem als gevolg van de beëindiging van zijn betrekkingen met de principaal wordt berokkend.
Dit nadeel vloeit in het bijzonder voort uit de beëindiging van de overeenkomst onder omstandigheden waarbij:
- —
de handelsagent niet de provisies krijgt die hij bij normale uitvoering van de overeenkomst zou hebben ontvangen, waardoor de principaal een aanzienlijk voordeel geniet van de activiteiten van de handelsagent;
- —
en/of de handelsagent niet de kosten en uitgaven kan dekken die hij op advies van de principaal ten behoeve van de uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen.’
Belgisch recht
6
De wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst (Belgisch Staatsblad van 2 juni 1995, blz. 15621; hierna: ‘handelsagentuurwet’) strekt ertoe de richtlijn om te zetten in Belgisch recht. Artikel 20 van deze wet bepaalt:
‘Na de beëindiging van de overeenkomst heeft de handelsagent recht op een uitwinningsvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren.
Indien de overeenkomst voorziet in een concurrentiebeding, wordt de principaal geacht, behoudens tegenbewijs, nog aanzienlijke voordelen te krijgen.
Het bedrag van deze uitwinningsvergoeding wordt bepaald rekening houdend zowel met de gerealiseerde uitbreiding van de zaken als met de aanbreng van klanten.
De uitwinningsvergoeding mag niet meer bedragen dan het bedrag van een jaar vergoeding berekend op basis van het gemiddelde van de vijf voorafgaande jaren of op basis van de gemiddelde vergoeding in de voorafgaande jaren indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd. […]’
7
Artikel 21 van de handelsagentuurwet luidt:
‘Voor zover de handelsagent recht heeft op de uitwinningsvergoeding bepaald in artikel 20 en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, kan de handelsagent, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding schadeloosstelling verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8
Quenon werd opgericht om de werkzaamheden van Karl Quenon voort te zetten en trad sinds 1 december 1997 op als handelsagent voor Citibank en als verzekeringsagent voor Citilife op basis van twee onderscheiden agentuurovereenkomsten. De bank- en verzekeringsactiviteiten waren samengebracht in één agentuur en Quenon werd uitsluitend vergoed via provisies, betaald door Citibank voor de verkoop van bankproducten en door Citilife voor de verkoop van verzekeringsproducten.
9
Op 9 januari 2004 heeft Citibank de agentuurovereenkomst met Quenon zonder opgave van redenen opgezegd en heeft zij Quenon een opzeggingsvergoeding van 95 268,30 EUR en een uitwinningsvergoeding van 203 326,80 EUR betaald. Citibank heeft Quenon verboden haar nog langer te vertegenwoordigen of haar naam en merk nog te gebruiken. Vanaf dat ogenblik had Quenon geen toegang meer tot het computerprogramma waarmee zij haar portefeuille met verzekeringsproducten van Citilife kon beheren. Volgens Quenon was zij derhalve de facto niet in staat om de verzekeringsagentuurovereenkomst nog uit te voeren.
10
Op 20 december 2004 heeft Quenon Citibank en Citilife gedagvaard voor de tribunal de commerce de Bruxelles en heeft zij verzocht hen -afzonderlijk of in solidum — te veroordelen tot betaling van een opzeggingsvergoeding en een uitwinningsvergoeding wegens het verbreken van de verzekeringsagentuurovereenkomst, van een bijkomende schadevergoeding en van de provisies met betrekking tot de na het einde van die agentuurovereenkomst afgesloten zaken.
11
Aangezien haar vordering bij vonnis van 8 juli 2009 is afgewezen, heeft Quenon hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, waarbij zij de in eerste aanleg gevorderde bedragen heeft gewijzigd.
12
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Quenon ter ondersteuning van haar hoger beroep aanvoert dat de uitwinningsvergoeding die zij van Citibank ontving voor de opzegging van de bankagentuurovereenkomst niet volstaat. Zij is van mening dat overeenkomstig artikel 21 van de handelsagentuurwet compensatoire opzeggings- en uitwinningsvergoedingen, die verschuldigd zijn wegens de de-facto-opzegging van haar verzekeringsagentuurovereenkomst, en het geheel van haar schade, in aanmerking moeten worden genomen.
13
Verweersters in het hoofdgeding stellen dat deze nationale bepaling, in de uitlegging die Quenon eraan geeft, in strijd is met de richtlijn, aangezien die de lidstaten niet toestaat de twee schadeloosstellingsregelingen, namelijk het stelsel van vergoeding en het stelsel van herstel van het nadeel, te cumuleren.
14
In die omstandigheden heeft de cour d'appel de Bruxelles de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Moet artikel 17 van [de richtlijn] aldus worden uitgelegd dat het de nationale wetgever toestaat te bepalen dat de handelsagent na de beëindiging van de overeenkomst recht heeft op een klantenvergoeding waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan de beloning van één jaar evenals, wanneer het bedrag van die vergoeding niet de volledige, werkelijk geleden schade dekt, op een schadevergoeding ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding?
- 2)
Moet meer in het bijzonder artikel 17, [lid] 2, [onder] c), van de richtlijn aldus worden uitgelegd dat het slechts een aanvullende schadevergoeding naast de klantenvergoeding toestaat voor zover de principaal de overeenkomst heeft miskend of een onrechtmatige daad heeft gesteld die in oorzakelijk verband staat met de beweerde schade, en voor zover er een schade bestaat die verschilt van de schade die wordt vergoed door de forfaitaire klantenvergoeding?
- 3)
Indien deze laatste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet het dan om een andere onrechtmatige daad gaan dan de eenzijdige verbreking van de overeenkomst, zoals de betekening van een ontoereikende opzeggingstermijn, de toekenning van een ontoereikende compensatoire opzeggingsvergoeding en van een ontoereikende klantenvergoeding, het bestaan van dringende redenen bij de principaal, een misbruik van het recht om de overeenkomst te verbreken of enige andere onrechtmatige handelwijze, met name inzake marktpraktijken?’
Bevoegdheid van het Hof
15
Om te beginnen merken de Duitse regering en de Europese Commissie op dat de situatie aan de orde in het hoofdgeding, die betrekking heeft op een handelsagent die bank- en verzekeringsdiensten verstrekt, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt. De Commissie stelt evenwel dat het Hof de vragen van de verwijzende rechter moet beantwoorden, teneinde een uniforme uitlegging van de richtlijn te verzekeren.
16
In dat verband zij vastgesteld dat de richtlijn zo is opgesteld dat zij enkel van toepassing is op zelfstandige handelsagenten die zijn belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen, zoals blijkt uit de in artikel 1, lid 2, van de richtlijn neergelegde definitie van ‘handelsagent’. Een handelsagent die is belast met de verkoop van bank- en verzekeringsdiensten valt dus niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn.
17
Wanneer een nationale wettelijke regeling zich voor haar oplossingen voor zuiver interne situaties conformeert aan de in het Unierecht gekozen oplossingen, teneinde met name discriminatie ten nadele van nationale onderdanen of mogelijke verstoring van de mededinging te voorkomen, of in vergelijkbare situaties één enkele procedure te verzekeren, is er evenwel volgens vaste rechtspraak een zeker belang om de overgenomen bepalingen of begrippen van Unierecht op eenvormige wijze uit te leggen ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen in de toekomst, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moeten vinden (zie met name arresten Poseidon Chartering, C-3/04, EU:C:2006:176, punten 15 en 16; Volvo Car Germany, C-203/09, EU:C:2010:647, punten 24 en 25, en Unamar, C-184/12, EU:C:2013:663, punten 30 en 31).
18
Wat met name de handelsagentuurwet betreft, die ertoe strekt de richtlijn om te zetten in Belgisch recht, heeft het Hof in de zaak die heeft geleid tot het arrest Unamar (C-184/12, EU:C:2013:663) reeds vastgesteld dat het bevoegd was in omstandigheden betreffende een agentuurovereenkomst inzake diensten. Dienaangaande heeft het Hof in punt 30 van dat arrest vastgesteld dat de richtlijn weliswaar niet rechtstreeks de situatie in het hoofdgeding beheerst, maar dit niet wegneemt dat de Belgische wetgever bij de omzetting van de bepalingen van de richtlijn in het nationale recht heeft beslist om agentuurovereenkomsten betreffende goederen en die betreffende diensten op dezelfde manier te behandelen.
19
Aangezien dezelfde redenering geldt voor de onderhavige zaak, moeten de prejudiciële vragen worden beantwoord.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
20
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 17, lid 2, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarin is bepaald dat de handelsagent bij de beëindiging van de agentuurovereenkomst zowel recht heeft op een klantenvergoeding van maximaal een jaar beloning als op bijkomende schadevergoeding wanneer die vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig dekt.
21
In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 17 van de richtlijn moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van het doel van de richtlijn en van de daarbij ingevoerde regeling (arresten Honyvem Informazioni Commerciali, C-465/04, EU:C:2006:199, punt 17, en Semen, C-348/07, EU:C:2009:195, punt 13).
22
De richtlijn strekt ertoe het recht van de lidstaten inzake de rechtsbetrekkingen tussen de partijen bij een handelsagentuurovereenkomst te harmoniseren (arresten Honyvem Informazioni Commerciali, C-465/04, EU:C:2006:199, punt 18, en Unamar, C-184/12, EU:C:2013:663, punt 36).
23
Blijkens de tweede en de derde overweging van de richtlijn beoogt deze de handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen te beschermen, de zekerheid in het handelsverkeer te bevorderen en het goederenverkeer tussen de lidstaten te vergemakkelijken door onderlinge aanpassing van de rechtsstelsels van de lidstaten op het gebied van de handelsvertegenwoordiging. Daartoe zijn in de richtlijn, in de artikelen 13 tot en met 20, met name regels inzake de sluiting en de beëindiging van de agentuurovereenkomst vastgesteld (arresten Honyvem Informazioni Commerciali, C-465/04, EU:C:2006:199, punt 19, en Semen, C-348/07, EU:C:2009:195, punt 14).
24
Wat meer bepaald de beëindiging van de overeenkomst betreft, verplicht artikel 17 van de richtlijn de lidstaten om maatregelen te treffen voor de vergoeding van de handelsagent, waarbij zij de keuze hebben tussen twee opties, te weten vergoeding volgens de criteria van lid 2 van dat artikel (stelsel van klantenvergoeding) dan wel herstel van het nadeel overeenkomstig de criteria van lid 3 van dat artikel (stelsel van herstel van het nadeel) (zie in die zin arresten Honyvem Informazioni Commerciali, C-465/04, EU:C:2006:199, punt 20; Semen, C-348/07, EU:C:2009:195, punt 15, en Unamar, C-184/12, EU:C:2013:663, punt 40).
25
Het Koninkrijk België heeft gekozen voor de oplossing van artikel 17, lid 2.
26
Volgens vaste rechtspraak is de bij artikel 17 van deze richtlijn ingevoerde regeling weliswaar dwingend, met name gelet op de bescherming van de handelsagent na de beëindiging van de overeenkomst, maar bevat zij geen nadere aanwijzingen omtrent de methode voor de berekening van de vergoeding wegens beëindiging van de overeenkomst. Het Hof heeft dan ook geoordeeld dat de lidstaten binnen dat kader beschikken over een beoordelingsmarge wat betreft de keuze van de berekeningsmethode voor de toe te kennen vergoeding of schadeloosstelling (zie in die zin arresten Ingmar, C-381/98, EU:C:2000:605, punt 21; Honyvem Informazioni Commerciali, C-465/04, EU:C:2006:199, punten 34 en 35, en Semen, C-348/07, EU:C:2009:195, punten 17 en 18).
27
Tegen de achtergrond van die rechtspraak moet worden nagegaan of de bijkomende schadevergoeding waarin de nationale regeling aan de orde in het hoofdgeding voorziet ingeval de klantenvergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig dekt, binnen de grenzen blijft van de beoordelingsmarge die de richtlijn aan de lidstaten heeft toegekend.
28
In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat het in artikel 17, lid 2, van de richtlijn neergelegde stelsel van klantenvergoeding drie fasen kent. De eerste fase beoogt om te beginnen een kwantificering van de voordelen die transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten de principaal opleveren, overeenkomstig lid 2, onder a), eerste streepje, van dit artikel. De tweede fase is er vervolgens overeenkomstig het tweede streepje van deze bepaling op gericht na te gaan of het op basis van de hierboven beschreven criteria vastgestelde bedrag billijk is, gelet op alle omstandigheden van het geval en met name op de door de handelsagent gederfde provisie. Ten slotte wordt in de derde fase op het bedrag van de vergoeding het in artikel 17, lid 2, onder b), van de richtlijn geregelde plafond toegepast, dat enkel een rol speelt indien het bedrag dat uit de twee eerdere berekeningsfasen volgt, dit plafond te boven gaat (arrest Semen, C-348/07, EU:C:2009:195, punt 19).
29
Slechts na vermelding van de voorwaarden waaronder een handelsagent recht heeft op een vergoeding en de vaststelling van een plafond voor die vergoeding bepaalt artikel 17, lid 2, onder c), van de richtlijn dat ‘[d]e toekenning van deze vergoeding […] het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet [laat]’.
30
Uit de bewoordingen van deze bepaling en een systematische uitlegging daarvan volgt dat de schadevergoeding boven op die vergoeding aan handelsagenten kan worden betaald en dat daarvoor de in artikel 17, lid 2, onder a), van de richtlijn neergelegde voorwaarden en het plafond van artikel 17, lid 2, onder b), niet gelden.
31
Zoals de advocaat-generaal in punt 32 van zijn conclusie heeft opgemerkt, betreft de harmonisatie van de vergoedingsvoorwaarden overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de richtlijn immers slechts de klantenvergoeding, aangezien daarbij de voorwaarden worden bepaald die gelden voor de toekenning van die vergoeding. De harmonisatiemaatregelen strekken dus niet tot uniformering van alle vormen van schadeherstel waarop handelsagenten op basis van het nationale recht aanspraak kunnen maken wanneer er volgens dit recht sprake is van contractuele aansprakelijkheid of aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van de principaal.
32
Aangezien de richtlijn geen nauwkeurige aanwijzingen bevat over de voorwaarden waaronder een handelsagent aanspraak kan maken op schadevergoeding, staat het bijgevolg aan de lidstaten om binnen hun beoordelingsmarge die voorwaarden en de procedurevoorschriften vast te stellen.
33
Deze vaststelling vindt steun in de rechtspraak van het Hof dat de lidstaten handelsagenten een ruimere bescherming mogen verlenen door een uitbreiding van de werkingssfeer van de richtlijn of een ruimer gebruik van de beoordelingsmarge die hun door de richtlijn wordt toegekend (zie in die zin arrest Unamar, C-184/12, EU:C:2013:663, punt 50).
34
Zoals de Commissie en de advocaat-generaal — in punt 43 van zijn conclusie — terecht hebben opgemerkt, wordt de beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken bij de omzetting van artikel 17, lid 2, onder c), van de richtlijn evenwel begrensd door de verplichting om een keuze te maken tussen de twee vergoedingsstelsels die zijn neergelegd in lid 2 en lid 3 van dat artikel, zonder dat zij kunnen worden gecumuleerd. De toekenning van schadevergoeding mag dus niet leiden tot dubbele schadeloosstelling door een combinatie van de klantenvergoeding en het herstel van de schade die met name voortvloeit uit het verlies van provisies door de verbreking van de overeenkomst.
35
Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 17, lid 2, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling waarin is bepaald dat de handelsagent bij de beëindiging van de agentuurovereenkomst zowel recht heeft op een klantenvergoeding van maximaal een jaar beloning als op bijkomende schadevergoeding wanneer die vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig dekt, voor zover een dergelijke regeling er niet toe leidt dat de agent tweemaal een vergoeding ontvangt voor het verlies van provisies door de verbreking van die overeenkomst.
Tweede en derde vraag
36
Met zijn tweede en derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 17, lid 2, onder c), van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat enkel schadevergoeding wordt toegekend indien een aan de principaal toerekenbare fout wordt aangetoond die in oorzakelijk verband staat met de beweerde schade, alsook het bestaan van andere schade dan de door de klantenvergoeding vergoede schade. Indien dit het geval is, wenst deze rechter te vernemen wat de aard en de omvang van de aan de principaal toerekenbare fout moeten zijn en met name of deze fout iets anders moet behelzen dan de eenzijdige verbreking van de agentuurovereenkomst.
37
Wat in de eerste plaats het vereiste betreft van een aan de principaal toerekenbare fout en het oorzakelijk verband tussen die fout en de beweerde schade opdat de handelsagent aanspraak kan maken op schadevergoeding, zij eraan herinnerd, zoals volgt uit punt 32 van het onderhavige arrest, dat de richtlijn en met name artikel 17, lid 2, onder c), niet nader bepaalt onder welke voorwaarden aan de handelsagent schadevergoeding verschuldigd is. Het staat dus aan de lidstaten om in hun nationale recht te bepalen of de toekenning van schadevergoeding afhankelijk is van het bestaan van een fout — contractueel of buitencontractueel — die toerekenbaar is aan de principaal en die in oorzakelijk verband staat met de beweerde schade.
38
Artikel 17, lid 2, onder c), van de richtlijn vereist dus niet dat voor de toekenning van schadevergoeding een aan de principaal toerekenbare fout wordt aangetoond die in oorzakelijk verband staat met de beweerde schade en stelt deze toekenning evenmin afhankelijk van de aard of de omvang van een dergelijke fout.
39
Wat in de tweede plaats de vraag betreft of de schadevergoeding betrekking moet hebben op andere schade dan de door de klantenvergoeding vergoede schade, volgt zowel uit de bewoordingen van artikel 17, lid 2, van de richtlijn als uit haar opzet een bevestigend antwoord op deze vraag.
40
Uit het gebruik van verschillende begrippen voor de twee elementen van het stelsel van klantenvergoeding zoals neergelegd in artikel 17, lid 2, van de richtlijn, namelijk ‘vergoeding’ en ‘schadevergoeding’, de omstandigheid dat deze schadevergoeding aanvullend en facultatief is, en de verschillende mate van harmonisatie die de richtlijn met betrekking tot deze twee elementen beoogt, volgt immers dat de schadeloosstelling van de handelsagent door schadevergoeding enkel betrekking kan hebben op andere schade dan de door de klantenvergoeding vergoede schade. Anders zou het in artikel 17, lid 2, onder b), van de richtlijn neergelegde plafond voor het bedrag van de vergoeding worden omzeild.
41
De vordering van schadevergoeding op basis van artikel 17, lid 2, onder c), van de richtlijn moet dus betrekking hebben op andere schade dan de door de klantenvergoeding gedekte schade.
42
Uit een en ander volgt dat op de tweede en de derde vraag moet worden geantwoord dat artikel 17, lid 2, onder c), van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat voor de toekenning van schadevergoeding niet vereist is dat een aan de principaal toerekenbare fout wordt aangetoond die in oorzakelijk verband staat met de beweerde schade, maar wel dat de beweerde schade verschilt van de door de klantenvergoeding vergoede schade.
Kosten
43
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 17, lid 2, van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling waarin is bepaald dat de handelsagent bij de beëindiging van de agentuurovereenkomst zowel recht heeft op een klantenvergoeding van maximaal een jaar beloning als op bijkomende schadevergoeding wanneer die vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig dekt, voor zover een dergelijke regeling er niet toe leidt dat de agent tweemaal een vergoeding ontvangt voor het verlies van provisies door de verbreking van die overeenkomst.
- 2)
Artikel 17, lid 2, onder c), van richtlijn 86/653 moet aldus worden uitgelegd dat voor de toekenning van schadevergoeding niet vereist is dat een aan de principaal toerekenbare fout wordt aangetoond die in oorzakelijk verband staat met de beweerde schade, maar wel dat de beweerde schade verschilt van de door de klantenvergoeding vergoede schade.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑12‑2015
Conclusie 16‑07‑2015
N. Wahl
Partij(en)
Zaak C-338/141.
Quenon K. SPRL
tegen
Citibank Belgium SA,
Citilife SA, thans Metlife Insurance SA
[verzoek van het Hof van Beroep te Brussel (België) om een prejudiciële beslissing]
1.
Het lijkt in het recht van de lidstaten van de Europese Unie inmiddels vast te staan dat de verbreking van een handelsagentuurovereenkomst de agent een aanzienlijk nadeel kan berokkenen en dat een dergelijke situatie hem in principe recht moet geven op een financiële compensatie. De herroeping van de volmacht van de agent, die hem zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid ontneemt, kan hem immers het deel van de markt doen verliezen dat hij tot dan toe heeft ontwikkeld of onderhouden en bijgevolg de mogelijke financiële voordelen die voortvloeien uit de commerciële inspanningen die hij samen met de principaal aan de dag heeft gelegd.
2.
De door artikel 17 van richtlijn 86/653/EEG2. aan de lidstaten geboden keuzemogelijkheid tussen twee schadeloosstellingsregelingen, namelijk de toekenning van een vergoeding die is berekend met inachtneming van het aanbrengen van nieuwe klanten en het uitbreiden van de transacties met bestaande klanten door de agent, of het herstel van het nadeel dat voortvloeit uit de beëindiging van de overeenkomst, heeft evenwel problemen opgeleverd.3. Deze keuzemogelijkheid blijft een groot aantal vragen oproepen, zoals blijkt uit het onderhavige prejudiciële verzoek.
3.
In het onderhavige geval tracht het Hof van beroep te Brussel (België) van het Hof namelijk bepaalde verduidelijkingen te verkrijgen omtrent de uitlegging van artikel 17, lid 2, van richtlijn 86/653. Dat verzoek wordt gedaan in het kader van een geding van Quenon K. SPRL (hierna: ‘Quenon’) tegen Citibank Belgium SA (hierna: ‘Citibank’) en Citilife SA (hierna: ‘Citilife’) (thans Metlife Insurance SA) wegens de door Quenon gevorderde betaling van vergoedingen en herstel van het nadeel na de opzegging van de agentuurovereenkomsten, die hen verbond. De verwijzende rechter verzoekt het Hof meer in het bijzonder om zich uit te spreken betreffende de samenhang tussen de in de punten a en b van artikel 17, lid 2, van deze richtlijn vastgestelde vergoedingsregeling en de eventuele mogelijkheid voor de handelsagent om overeenkomstig punt c van deze zelfde bepaling, een schadevergoeding te vorderen.
I — Rechtskader
A — Recht van de Unie
4.
Artikel 1 van richtlijn 86/653 bepaalt:
- ‘1.
De in deze richtlijn voorgeschreven harmonisatiemaatregelen zijn van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de betrekkingen tussen handelsagenten en hun principalen.
- 2.
Handelsagent in de zin van deze richtlijn is hij die als zelfstandige tussenpersoon permanent is belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander, hierna te noemen ‘principaal’, of met het tot stand brengen en afsluiten van de verkoop of aankoop van goederen voor rekening en in naam van de principaal.
[…]’
5.
Artikel 17, leden 1 tot en met 3, van deze richtlijn bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, [een] vergoeding volgens lid 2 [of] herstel van het nadeel volgens lid 3 krijgt.
- 2.
- a)
De handelsagent heeft recht op een vergoeding indien en voor zover:
- —
hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de transacties met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en de transacties met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren, en
- —
de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de uit de transacties met deze klanten voortvloeiende provisie, die voor de handelsagent verloren gaat. […]
- b)
Het bedrag van de vergoeding mag niet meer bedragen dan een cijfer dat overeenkomt met een jaarlijkse vergoeding berekend op basis van het jaarlijkse gemiddelde van de beloning die de handelsagent de laatste vijf jaar heeft ontvangen of, indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd, berekend over het gemiddelde van die periode.
- c)
De toekenning van deze vergoeding laat het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet.
- 3.
De handelsagent heeft recht op herstel van het nadeel dat hem als gevolg van de beëindiging van zijn betrekkingen met de principaal wordt berokkend.
Dit nadeel vloeit in het bijzonder voort uit de beëindiging van de overeenkomst onder omstandigheden waarbij:
- —
de handelsagent niet de provisies krijgt die hij bij normale uitvoering van de overeenkomst zou hebben ontvangen, waardoor de principaal een aanzienlijk voordeel geniet van de activiteiten van de handelsagent;
- —
en/of de handelsagent niet de kosten en uitgaven kan dekken die hij op advies van de principaal ten behoeve van de uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen.’
B — Belgisch recht
6.
Richtlijn 86/653 is omgezet in Belgisch recht bij wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst.4. Artikel 20 daarvan bepaalt:
‘Na de beëindiging van de overeenkomst heeft de handelsagent recht op een uitwinningsvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren.
Indien de overeenkomst voorziet in een concurrentiebeding, wordt de principaal geacht, behoudens tegenbewijs, nog aanzienlijke voordelen te krijgen.
Het bedrag van deze uitwinningsvergoeding wordt bepaald rekening houdend zowel met de gerealiseerde uitbreiding van de zaken als met de aanbreng van klanten.
De uitwinningsvergoeding mag niet meer bedragen dan het bedrag van een jaar vergoeding berekend op basis van het gemiddelde van de vijf voorafgaande jaren of op basis van de gemiddelde vergoeding in de voorafgaande jaren indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd. […]’
7.
Artikel 21 van de wet van 1995 bepaalt:
‘Voor zover de handelsagent recht heeft op de uitwinningsvergoeding bepaald in artikel 20 en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, kan de handelsagent, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding schadeloosstelling verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding.’
II — Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8.
Uit het aan het Hof verstrekte dossier blijkt dat Quenon, dat in 1997 is opgericht om de activiteiten voort te zetten van K. Quenon, vanaf 1 december 1997 op grond van twee verschillende agentuurovereenkomsten handelsagent is geworden van Citibank en van Citilife. De bank- en verzekeringsactiviteiten zijn samengebracht in één en dezelfde agentuur, en Quenon werd uitsluitend via commissies vergoed, die respectievelijk door Citibank voor de verkoop van bankproducten en door Citilife voor de verkoop van verzekeringsproducten werden betaald.
9.
Op 9 januari 2004 heeft Citibank de agentuurovereenkomst die haar aan Quenon bond met onmiddellijke ingang en zonder opgave van redenen, verbroken. Citibank heeft Quenon een opzeggingsvergoeding van 95 268,30 EUR en een uitwinningsvergoeding van 203 326,80 EUR betaald. Citibank heeft Quenon verboden haar nog langer te vertegenwoordigen en haar naam en merk te blijven gebruiken. Vanaf deze datum had Quenon geen toegang meer tot het computerprogramma waarmee zij haar portefeuille met verzekeringsproducten van Citilife kon beheren. Volgens Quenon was het derhalve de facto onmogelijk om de verzekeringsagentuurovereenkomst te blijven uitvoeren.
10.
Op 20 december 2004 heeft Quenon Citibank en Citilife gedagvaard voor de rechtbank van koophandel te Brussel en heeft zij in wezen hun veroordeling gevorderd, afzonderlijk of hoofdelijk, tot betaling van een opzeggingsvergoeding en een uitwinningsvergoeding wegens het verbreken van de verzekeringsagentuurovereenkomst, van een aanvullende schadevergoeding evenals van de commissies met betrekking tot de na het einde van de agentuurovereenkomst afgesloten zaken.
11.
Aangezien haar vordering bij vonnis van 8 juli 2009 is afgewezen, heeft Quenon hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, waarbij zij de in eerste aanleg gevorderde bedragen heeft gewijzigd.
12.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Quenon ter ondersteuning van haar hoger beroep aanvoert dat de door Citibank aan haar betaalde uitwinningsvergoeding in verband met de opzegging van de bankagentuurovereenkomst niet voldoende is. Zij is van mening dat overeenkomstig artikel 21 van de wet van 1995 compensatoire opzeggings- en uitwinningsvergoedingen, die verschuldigd zijn wegens de de facto opzegging van haar verzekeringsagentuurovereenkomst, evenals het geheel van de schade die zij heeft geleden, in aanmerking moeten worden genomen.
13.
Verweersters in het hoofdgeding stellen dat deze nationale bepaling, met de uitlegging die Quenon eraan geeft, in strijd is met richtlijn 86/653, die de lidstaten niet toestaat de twee schadeloosstellingsregelingen, namelijk de vergoedingsregeling en de regeling inzake het herstel van het nadeel, te cumuleren.
14.
Volgens de verwijzende rechter rijzen derhalve de vragen of richtlijn 86/653 aldus kan worden uitgelegd dat zij een verplichting oplegt tot het herstellen van het geheel van de door een handelsagent geleden schade en of de lidstaten, wanneer de principaal niets valt te verwijten, kunnen voorzien in de toekenning van een uitwinningsvergoeding die niet meer mag bedragen dan een jaar vergoeding, mogelijk verhoogd met een schadevergoeding die het verschil dekt tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van deze vergoeding.
15.
In deze omstandigheden heeft het Hof van Beroep te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
- ‘[1.]
Moet artikel 17 van [richtlijn 86/653] aldus worden uitgelegd dat het de nationale wetgever toestaat te bepalen dat de handelsagent na de beëindiging van de overeenkomst recht heeft op een klantenvergoeding waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan de beloning van één jaar evenals, wanneer het bedrag van die vergoeding niet de volledige, werkelijk geleden schade dekt, op een schadevergoeding ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding?
- [2.]
Moet meer in het bijzonder artikel 17, [lid] 2, [sub] c, van [richtlijn 86/653] aldus worden uitgelegd dat het slechts een aanvullende schadevergoeding naast de klantenvergoeding toestaat voor zover de principaal de overeenkomst heeft miskend of een onrechtmatige daad heeft gesteld die in oorzakelijk verband staat met de beweerde schade, en voor zover er een schade bestaat die verschilt van de schade die wordt vergoed door de forfaitaire klantenvergoeding?
- [3.]
Indien deze laatste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet het dan om een andere onrechtmatige daad gaan dan de eenzijdige verbreking van de overeenkomst, zoals de betekening van een ontoereikende opzeggingstermijn, de toekenning van een ontoereikende compensatoire opzeggingsvergoeding en van een ontoereikende klantenvergoeding, het bestaan van dringende redenen bij de principaal, een misbruik van het recht om de overeenkomst te verbreken of enige andere onrechtmatige handelwijze, met name inzake marktpraktijken?’
16.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Quenon, Citibank, de Belgische en de Duitse regering en door de Europese Commissie.
III — Analyse
A — Bevoegdheid van het Hof
17.
De Commissie heeft twijfels inzake de ‘ontvankelijkheid’ van het onderhavige prejudiciële verzoek. Zij voert aan dat de in het hoofdgeding litigieuze situatie niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 86/653 valt, aangezien de bank- en verzekeringsactiviteiten die door Quenon voor rekening van Citibank en Citilife zijn verricht, betrekking hebben op dienstverrichtingen en niet op de ‘verkoop of de aankoop van goederen’, de enige handelingen waarop artikel 1, lid 2, van deze richtlijn betrekking heeft. De Duitse regering, zonder formeel een exceptie van onbevoegdheid op te werpen, heeft opmerkingen van dezelfde strekking ingediend.
18.
Deze twijfel kan volgens mij gemakkelijk worden weggenomen.
19.
Zoals trouwens de Commissie en de Duitse regering zeer terecht hebben benadrukt is de wet van 1995, die richtlijn 86/653 in Belgisch recht omzet, overeenkomstig artikel 15. ervan zonder onderscheid toepasselijk op handelsagenten die voor rekening van een principaal zowel met de aankoop of de verkoop van goederen als met het verrichten van diensten, zijn belast.
20.
Het Hof heeft zich met het oog op een uniforme uitlegging herhaaldelijk bevoegd verklaard om uitspraak te doen op verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffende bepalingen van het recht van de Unie, in situaties waarin de feiten van het hoofdgeding buiten de werkingssfeer van dat recht vielen, maar waarin deze bepalingen toepasselijk waren geworden doordat het nationale recht naar de inhoud ervan verwees.6.
21.
Aangaande de bepalingen die beogen richtlijn 86/653 in Belgisch recht om te zetten, volstaat de opmerking dat het Hof, zich baserend op de oplossingen die in aanmerking zijn genomen in de zaken die hebben geleid tot de arresten Poseidon Chartering7. en Volvo Car Germany8., in het arrest Unamar9. heeft geoordeeld dat hoewel de door de verwijzende rechter gestelde vraag geen betrekking heeft op een overeenkomst voor de verkoop of aankoop van goederen, maar op een handelsagentuurovereenkomst inzake de exploitatie van een maritieme vervoersdienst, dit niet wegneemt dat de Belgische wetgever bij de omzetting van de bepalingen van deze richtlijn in het nationale recht heeft beslist om deze twee soorten situaties op dezelfde manier te behandelen.
22.
Bijgevolg ben ik van mening dat het Hof bevoegd is uitspraak te doen inzake het onderhavige prejudiciële verzoek.
B — Prejudiciële vragen
23.
Met zijn prejudicieel verzoek wenst de verwijzende rechter bepaalde verduidelijkingen te verkrijgen omtrent de uitlegging die hij moet geven aan artikel 17, lid 2, van richtlijn 86/653. Hoewel het Hof er herhaaldelijk10. toe is gebracht zich uit te spreken betreffende de krachtens artikel 17 van deze richtlijn door de lidstaten vast te stellen schadeloosstellingsmaatregelen, is het daarentegen de eerste maal dat het wordt verzocht zich uit te spreken met betrekking tot de reikwijdte van artikel 17, lid 2, sub c, dat bepaalt dat ‘[d]e toekenning van [de klantenvergoeding] […] het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet [laat]’.
24.
De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de reikwijdte van de door deze bepaling bedoelde vordering tot schadevergoeding (eerste aspect). De tweede en de derde prejudiciële vraag hebben betrekking op de aansprakelijkheidsregeling waarop deze vordering mogelijk betrekking heeft (tweede aspect).
1. Eerste aspect (eerste prejudiciële vraag): reikwijdte en grenzen van de cumulatie van een klantenvergoeding en een vordering tot schadevergoeding krachtens artikel 17, lid 2, sub c, van richtlijn 86/653
25.
Ik moet eraan herinneren dat artikel 17 van richtlijn 86/653 deel uitmaakt van de bepalingen die in de algemene opzet van deze richtlijn van doorslaggevend belang zijn, omdat zij het beschermingsniveau omschrijven dat de wetgever van de Unie redelijk heeft geacht voor handelsagenten in het kader van de totstandbrenging van de interne markt.11.
26.
Zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, vereist de uitlegging van artikel 17 van richtlijn 86/653 dat de door deze richtlijn nagestreefde doelen in herinnering worden geroepen.
27.
Dienaangaande staat het sinds de arresten Bellone en Ingmar12. vast dat het door richtlijn 86/653 nagestreefde doel tweeledig is: het gaat immers niet alleen om de bescherming van de belangen van handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen (doel van bescherming van de handelsagent), maar eveneens om het bevorderen van de zekerheid van de handelstransacties en het vergemakkelijken van het handelsverkeer tussen de lidstaten, door de nationale wetgevingen te harmoniseren (doel van harmonisatie met name omwille van de rechtszekerheid).
28.
Zoals het Hof voor recht heeft verklaard, moet artikel 17 van richtlijn 86/653, dat de lidstaten verplicht om maatregelen te treffen voor de vergoeding van de handelsagent na de beëindiging van zijn overeenkomst, worden uitgelegd in het licht van dat tweeledige doel.13.
29.
Overigens zij erop gewezen dat artikel 17 van richtlijn 86/653 past in het kader van een geheel van harmonisatiemaatregelen die zowel een dwingend als een minimumkarakter hebben. De bescherming waarin de richtlijn voorziet, bindt aldus niet alleen de lidstaten, die slechts een ruimere bescherming kunnen vaststellen, maar bindt eveneens de partijen bij de handelsovereenkomst die, voordat de overeenkomst is beëindigd, niet ten nadele van de handelsagent van de richtlijn mogen afwijken (zie artikel 19 van richtlijn 86/653).
30.
Toch laat artikel 17 van deze richtlijn, dat het resultaat is van een compromis, gelet op de tot dan uiteenlopende benaderingen in het recht van de lidstaten,14. aan de lidstaten de keuze tussen twee oplossingen: hetzij de door de Duitse praktijk ingegeven methode vande vergoeding volgens de criteria van lid 2 van datzelfde artikel, hetzij de aan het Franse recht verwante werkwijze van het herstel van het nadeel volgens de criteria van lid 3. Het alternatieve karakter van deze schadeloosstellingsmethode is bevestigd door het Hof, dat duidelijk heeft geoordeeld dat artikel 17 van genoemde richtlijn de cumulatie verbiedt van de toekenning van de in lid 2 van dat artikel bedoelde vergoeding en het in lid 3 van datzelfde artikel bedoelde herstel van het nadeel.15.
31.
Ik ben evenwel van mening dat de bij artikel 17 van richtlijn 86/653 voorgeschreven harmonisatiemaatregelen slechts beogen, met name met het doel de mededingingsvoorwaarden te uniformeren en de zekerheid van de handelstransacties te vergroten, de voorwaarden te coördineren met betrekking tot de vergoeding van de handelsagent voor de economische schade die rechtstreeks voortvloeit uit de verbreking van de betrekkingen met de principaal en ten slotte van het verlies zelve van klanten.
32.
De uit deze richtlijn voortvloeiende harmonisatie van de voorwaarden betreffende de vergoeding van handelsagenten is met andere woorden slechts uitputtend voor zover deze betrekking heeft op de uitwinningsvergoeding, de zogenaamde ‘klantenvergoeding’. Zij beoogt niet het geheel van mogelijkheden te regelen tot herstel van door handelsagenten geleden schade krachtens het recht van de lidstaten inzake aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad of uit contractuele aansprakelijkheid. Aldus behouden de verwijderde agenten de mogelijkheid om krachtens het toepasselijke nationale recht hun principalen aansprakelijk te stellen teneinde herstel van een nadeel te verkrijgen, dat losstaat van de schade die wordt gedekt door de compensatoire klantenvergoeding als bedoeld in artikel 17, lid 2, van richtlijn 86/653.
33.
Op dat punt moet ik verduidelijken dat, hoewel de bij artikel 17 van de richtlijn ingevoerde regeling dwingend is en een kader heeft vastgesteld, deze nochtans geen nadere aanwijzingen geeft omtrent de methode voor de berekening van de vergoeding wegens beëindiging van de overeenkomst. Derhalve beschikken de lidstaten binnen het door deze bepaling vastgestelde kader over een bepaalde beoordelingsmarge.16.
34.
Dat geldt volgens mij zowel wat betreft de daadwerkelijke wijze van berekening van de in artikel 17, lid 2, van richtlijn 86/653 bedoelde vergoeding, waar punt b van deze laatstgenoemde bepaling zich beperkt tot de vaststelling van het maximumbedrag, als voor de mogelijke samenhang ervan met een vordering tot schadevergoeding zoals bedoeld in punt c van deze laatstgenoemde bepaling. Zoals de Commissie in haar verslag van 1996 heeft opgemerkt, regelt artikel 17, lid 2, sub c, van richtlijn 86/653 de situaties waarbij de handelsagent krachtens de nationale wettelijke bepalingen het recht heeft schadevergoeding te vorderen wegens contractbreuk of het niet in acht nemen van de in de richtlijn opgenomen opzegtermijn.
35.
Zoals reeds is gezegd,17. is de vergoeding van artikel 17, lid 2, van richtlijn 86/653 vanuit het gezichtspunt van de handelsagent gezien, in wezen compenserend van aard. Uit de bij richtlijn 86/653 voor de toekenning van de vergoeding vastgestelde voorwaarden (de handelsagent heeft nieuwe klanten aangebracht of de transacties met de bestaande klanten aanzienlijk uitgebreid, voortduren van aanzienlijke voordelen voor de principaal na de beëindiging van de agentuurovereenkomst, geen omstandigheden als bedoeld in artikel 18 van de richtlijn, die het recht op vergoeding uitsluiten) blijkt immers dat deze vergoeding, gewoonlijk ‘klantenvergoeding’ genoemd, voor alles beoogt de agent te vergoeden voor de inspanningen die hij heeft verricht, aangezien de principaal zelfs na de beëindiging van de agentuurovereenkomst blijft profiteren van de economische voordelen die uit deze inspanningen voortvloeien en om, daarmee samengaand, situaties van ongerechtvaardigde verrijking en opportunistische gedragingen op het moment van de verbreking van de overeenkomst, te vermijden. Bij afwezigheid van een verplichting tot vergoeding van de agent na het einde van de agentuurovereenkomst, zou de principaal namelijk — zonder de handelsagent een tegenprestatie verschuldigd te zijn — kunnen blijven profiteren van meerwaarden waartoe de handelsagent op de een of andere manier met zijn activiteit heeft bijgedragen.
36.
Het recht op vergoeding, zoals beoogd door richtlijn 86/653, dekt derhalve niet het geheel van de aan de agent berokkende schade naar aanleiding van de beëindiging van zijn betrekkingen met de principaal, maar uitsluitend de schade die rechtstreeks door het verlies van klanten is veroorzaakt.
37.
Aldus is bij diverse gelegenheden benadrukt dat de in artikel 17, lid 3, van deze richtlijn bedoelde methode van herstel van het nadeel, dat niet uitsluitend is verbonden met het verlies van klanten en dat niet is beperkt wat het bedrag ervan betreft, het geheel van de door de agent geleden schade omvat en in bepaalde opzichten gunstiger voor de handelsagent kan zijn.18.
38.
Ik ben derhalve van mening dat het bij artikel 17, lid 2, sub b, van richtlijn 86/653 vastgestelde maximum, namelijk een jaar vergoeding, uitsluitend betrekking heeft op de klantenvergoeding en geen beperking vormt van de schadevergoeding die een van deze vergoeding verschillend voorwerp zou moeten hebben. Ik kan bijgevolg niet uitsluiten dat, zoals artikel 17, lid 2, sub c, van deze richtlijn bepaalt, de handelsagent naast deze vergoeding schadevergoeding kan vorderen ter dekking van een ander soort schade. Hoewel, gelet op de uit artikel 17 van genoemde richtlijn voortvloeiende harmonisatie, de cumulatie van twee vorderingen die beide beogen de schade te vergoeden welke voortvloeit uit het verlies van klanten niet mogelijk is, moet worden erkend dat twee vorderingen die het herstel van onderscheiden nadelen tot voorwerp hebben, naast elkaar kunnen bestaan.
39.
Het lijkt mij overigens voldoende duidelijk uit de bewoordingen en de structuur van artikel 17 van richtlijn 86/653 voort te vloeien dat de vordering tot schadevergoeding van artikel 17, lid 2, sub c, van genoemde richtlijn wordt beschouwd als mogelijke aanvulling op de toekenning van een vergoeding en dat daarvoor het vaststellen van een maximum voor het bedrag van de uitwinningsvergoeding, zoals bepaald in punt b van datzelfde lid, niet geldt. Zoals Quenon heeft opgemerkt, blijkt uit de voorbereidende werkzaamheden van richtlijn 86/653 dat de Uniewetgever uiteindelijk heeft beslist het deel van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie, dat het maximum van de vergoeding als absoluut beschouwde, niet over te nemen.19.
40.
Bovendien blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat zodra de lidstaten een van de twee in dat artikel 17 bedoelde mogelijkheden kiezen, de uitwinningsvergoeding gelijk aan of groter moet zijn dan de uit de toepassing van lid 2 van genoemd artikel voortvloeiende vergoeding.20. Het gebruik van de term ‘groter’ duidt erop dat de door richtlijn 86/653 tot stand gebrachte harmonisatie minimaal is en dat de lidstaten derhalve over de mogelijkheid beschikken om naast de in deze bepaling bedoelde specifieke vergoeding, overeenkomstig punt c van genoemde bepaling, te voorzien in een vordering tot schadevergoeding.21.
41.
Dat zou met name het geval moeten zijn wanneer de handelsagent van mening is dat hij, behalve de vergoeding die hij heeft verkregen voor het aanbrengen van nieuwe klanten of het uitbreiden van de transacties met bestaande klanten bij de principaal en voor het verlies van toekomstige inkomsten als gevolg van het verlies van genoemde klanten, waarop hij volgens de agentuurovereenkomst eigenlijk recht heeft, bij de verbreking van de overeenkomst een bijzondere schade heeft geleden. Artikel 17 belet de handelsagent niet om jegens de principaal rechten op aanvullende schadeloosstelling geldend te maken teneinde vergoeding te verkrijgen van zijn materiële of immateriële schade, die verder gaat dan het recht op een schadevergoeding na de beëindiging van de overeenkomst. Als voorbeelden van een afzonderlijk te vergoeden schade zijn in het kader een overeenkomstig artikel 17, lid 3, sub c, van richtlijn 86/653 ingestelde vordering tot schadevergoeding aldus aangevoerd, de niet-afgeschreven kosten van investeringen door de agent, de opzeggingsvergoedingen voor het ontslagen personeel of verder de kosten verbonden aan huurovereenkomsten of leaseovereenkomsten.22.
42.
Dat lijkt overigens in het hoofdgeding het geval te zijn, waar het duidelijk is dat de plotselinge verbreking van de bankagentuurovereenkomst tussen Quenon en de verwerende vennootschappen, de uitvoering van de verzekeringsagentuurovereenkomst de facto onmogelijk heeft gemaakt. In het onderhavige geval kan de schade die Quenon vordert, worden geacht niet uitsluitend betrekking te hebben op het verkrijgen van een vergoeding voor de schade die rechtstreeks voortvloeit uit de verbreking van de bankagentuurovereenkomst en uit het verlies van toekomstige inkomsten, maar eveneens op het herstel van de indirecte schade die is ontstaan door de onmogelijkheid om de verzekeringsagentuurovereenkomst uit te voeren en op de bijkomende schade die is veroorzaakt door de niet-inachtneming van de opzegtermijn.
43.
Het is niettemin van belang te preciseren dat de vordering krachtens artikel 17, lid 2, sub c, van richtlijn 86/653, onder voorbehoud dat in strijd met de door deze richtlijn nagestreefde doelen een situatie van financiële overcompensatie ten gunste van de agent tot stand wordt gebracht, niet mag neerkomen op het omzeilen van de door de rechtspraak bekrachtigde anti-cumulatieregel. De onder deze vordering vallende beweerde schade moet dus duidelijk verschillen van de schade die door de vergoeding wordt gedekt. Erkennen dat de door deze bepaling bedoelde aanvullende schadevergoeding eveneens het verlies van toekomstige inkomsten kan compenseren, zou bovendien neerkomen op een miskenning van het in richtlijn 86/653 voorziene maximumbedrag van de uitwinningsvergoeding.
44.
Artikel 17 van richtlijn 86/653 mag kortom niet in de weg staan aan een nationale regeling die in geval van beëindiging van een handelsovereenkomst bepaalt dat de agent, naast de toekenning van een klantenvergoeding, waarvan het bedrag niet hoger kan zijn dan een jaar vergoeding van de agent, eveneens recht heeft op de toekenning van een schadevergoeding ter dekking van de werkelijk geleden schade die door genoemde klantenvergoeding niet wordt gedekt.
45.
Aangaande de vraag of de schadevergoeding, wanneer deze met de klantenvergoeding wordt samengevoegd, al dan niet groter kan zijn dan het in artikel 17, lid 2, sub b, van de richtlijn vastgestelde maximumbedrag, lijkt het mij voldoende duidelijk dat het door deze bepaling vastgestelde maximum uitsluitend betrekking heeft op de klantenvergoeding en niet het bedrag van de aanvullende schadevergoeding, die een van de klantenvergoeding verschillend voorwerp heeft, begrenst. Aangezien deze vordering betrekking heeft op een schade die verschilt van die welke wordt gedekt door de klantenvergoeding, kan niet worden uitgesloten dat het totaal van de aan de handelsagent toekomende bedragen deze grens overschrijdt.
46.
Gelet op het bovenstaande geef ik in overweging op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 17 van richtlijn 86/653 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling die bepaalt dat na de beëindiging van de overeenkomst de handelsagent recht heeft op een klantenvergoeding, waarvan het bedrag niet hoger kan zijn dan het bedrag van een jaar vergoeding, en, indien het bedrag van deze vergoeding niet het geheel van de werkelijk geleden schade dekt, op een schadevergoeding.
2. Tweede aspect (tweede en derde prejudiciële vraag): vereiste van onrechtmatige daad en de kwalificatie daarvan met het oog op de toekenning van een schadevergoeding
47.
Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het in het kader van een vordering tot schadevergoeding krachtens artikel 17, lid 2, sub c, van richtlijn 86/653 is vereist dat enerzijds een onrechtmatige daad van de principaal wordt aangetoond die in oorzakelijk verband staat met de beweerde schade, en anderzijds dat er een schade bestaat die verschilt van de schade die wordt vergoed door de forfaitaire klantenvergoeding.
48.
Het antwoord op deze vraag lijkt mij vanzelfsprekend. Zoals door Quenon, de Belgische en de Duitse regering en de Commissie is benadrukt, bevat deze richtlijn geen enkele verduidelijking omtrent de aansprakelijkheidsregeling die toepasselijk is in het kader van door de handelsagent ingestelde vorderingen tot schadevergoeding krachtens artikel 17, lid 2, sub c, van richtlijn 86/653.
49.
Voor zover de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid in acht worden genomen, zijn de lidstaten derhalve vrij om binnen het door deze richtlijn omschreven kader de toepasselijke voorwaarden vast te stellen voor een vordering tot schadevergoeding, zoals het vereiste van onrechtmatige daad, het al dan niet gekwalificeerde karakter van genoemde onrechtmatige daad en de omvang van de te vergoeden schade.
50.
Zoals ik reeds eerder heb gesteld moet de op deze grondslag gevorderde schade daarentegen, tenzij wordt miskend dat de in de richtlijn voorziene twee keuzemogelijkheden niet cumulatief toepasselijk kunnen zijn, verschillen van de schade die rechtstreeks uit de verbreking van de agentuurovereenkomst voortvloeit en die al wordt gedekt door de klantenvergoeding.
51.
Met zijn derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen wat de aard en het belang moet zijn van de in het kader van een vordering tot schadevergoeding krachtens artikel 17, lid 2, sub c, van richtlijn 86/653, vereiste onrechtmatige daad.
52.
Gelet op het antwoord op de tweede prejudiciële vraag hoeft deze derde prejudiciële vraag niet te worden beantwoord.
IV — Conclusie
53.
Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Hof van Beroep te Brussel te beantwoorden als volgt:
Artikel 17 van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, staat niet in de weg aan een nationale regeling die bepaalt dat na de beëindiging van de agentuurovereenkomst de handelsagent recht heeft op een klantenvergoeding, waarvan het bedrag niet hoger kan zijn dan het bedrag van een jaar vergoeding, en, indien het bedrag van deze vergoeding niet het geheel van de werkelijk geleden schade dekt, op een schadevergoeding.
Artikel 17, lid 2, sub c, van richtlijn 86/653 moet aldus worden uitgelegd dat het een voorwaarde is voor de toekenning van een aanvullende schadevergoeding, naast de klantenvergoeding, dat er een schade bestaat die verschilt van de schade die wordt vergoed door deze klantenvergoeding, maar niet dat er sprake moet zijn van een schending van de overeenkomst of van een onrechtmatige daad bij de principaal, die in oorzakelijk verband staat met de gestelde schade.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑07‑2015
Oorspronkelijke taal: Frans.
Richtlijn van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB L 382, blz. 17).
Zie zeer in het bijzonder de interpretatiemoeilijkheden die worden vermeld in het verslag van de Commissie van 23 juli 1996 over de toepassing van artikel 17 van richtlijn 86/653 [COM(96) 364 DEF], blz. 10–13 (hierna: ‘verslag van 1996’). Door eveneens de kritische opmerkingen te bevestigen betreffende het naast elkaar bestaan van twee verschillende juridische benaderingen in een en dezelfde richtlijn (zie met name punt 18 van de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad — een coherenter Europees verbintenissenrecht — een actieplan [COM(2003) 68 DEF].
Belgisch Staatsblad van 2 juni 1995, blz. 15621; hierna: ‘wet van 1995’.
Krachtens dat artikel is de handelsagent belast met ‘het bemiddelen en eventueel het afsluiten van zaken in naam en voor rekening van de principaal’ (cursivering van mij).
Zie met name in deze zin arresten Dzodzi (C-297/88 en C-197/89, EU:C:1990:360, punt 36), SC Volksbank România (C-602/10, EU:C:2012:443, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en Nolan (C-583/10, EU:C:2012:638, punt 45).
C-3/04, EU:C:2006:176, punten 14–17.
C-203/09, EU:C:2010:647, punten 23–26.
C-184/12, EU:C:2013:663, punt 30.
Zie met name arresten Ingmar (C-381/98, EU:C:2000:605), Poseidon Chartering (C-3/04, EU:C:2006:176), Honyvem Informazioni Commerciali (C-465/04, EU:C:2006:199), Semen (C-348/07, EU:C:2009:195), Volvo Car Germany (C-203/09, EU:C:2010:647) en Unamar (C-184/12, EU:C:2013:663).
Zie arrest Unamar (C-184/12, EU:C:2013:663, punt 39).
C-215/97, EU:C:1998:189, punten 13 en 17, en C-381/98, EU:C:2000:605, punten 20 en 23.
Arresten Semen (C-348/07, EU:C:2009:195, punten 14 en 31) en Unamar (C-184/12, EU:C:2013:663, punt 37).
Zie verslag van 1996, blz. 1. Zie voor een completer overzicht van de door de lidstaten gehanteerde benaderingen, de Theux, A., Le statut européen de l'agent commercial; Approche critique de droit comparé, Facultés universitaires Saint-Louis, 1992, met name blz. 280 e.v.
Arresten Honyvem Informazioni Commerciali (C-465/04, EU:C:2006:199, punt 20) en Semen (C-348/07, EU:C:2009:195, punt 15).
Arresten Ingmar (C-381/98, EU:C:2000:605, punt 21), Honyvem Informazioni Commerciali (C-465/04, EU:C:2006:199, punten 34 en 35), Semen (C-348/07, EU:C:2009:195, punt 18) en Unamar (C-184/12, EU:C:2013:663, punt 40).
Zie zeer bijzonder, conclusie van advocaat-generaal Poiares Maduro in de zaak Honyvem Informazioni Commerciali (C-465/04, EU:C:2005:641, punten 14–19) en van advocaat-generaal Bot in de zaak Volvo Car Germany (C-203/09, EU:C:2010:315, punt 50).
Zie met name Gardiner, C., ‘Compensation commercial agents under the Commercial Agents Directive — Uncertainty continues’, Commercial Law Practitioner, 2006, 8, blz. 195.
Zie artikelen 28, 30 en 31 van het voorstel voor een richtlijn van de Raad ter coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake de (zelfstandige) handelsagenten, door de Commissie bij de Raad ingediend op 17 december 1976 (PB 1977, C 13, blz. 2).
Arrest Honyvem Informazioni Commerciali (C-465/04, EU:C:2006:199, punt 32).
Zoals ik heb gesteld in mijn conclusie in de zaak Unamar (C-184/12, EU:C:2013:301, punt 52) wil de regeling van richtlijn 86/653 slechts verzekeren dat de handelsagent een minimale schadeloosstelling verkrijgt en laat deze de mogelijkheid voor lidstaten om in hun regelgevingen aanvullende vergoedingen op te nemen onverlet.
Crahay, P., ‘La rupture du contrat d'agence commerciale’, Les dossiers du Journal des tribunaux, nr. 65, Larcier 2008.