Hof Arnhem-Leeuwarden, 13-09-2016, nr. 200.133.762/01
ECLI:NL:GHARL:2016:7314
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
13-09-2016
- Zaaknummer
200.133.762/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Ondernemingsrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2016:7314, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 13‑09‑2016; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2015:7946, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 20‑10‑2015; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2015:202, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 13‑01‑2015; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
INS-Updates.nl 2015-0327
Uitspraak 13‑09‑2016
Inhoudsindicatie
Bewijswaardering. Het hof acht appellant (onderaannemer die een retentierecht heeft ingeroepen op een aantal in aanbouw zijnde woningen) niet geslaagd in het leveren van het bewijs dat zij de feitelijke macht over de woningen had toen zij het retentierecht inriep. Het beroep van appellant op het retentierecht faalt dan ook.”
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.133.762/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/135814/HA ZA 12-279)
arrest van 13 september 2016
in de zaak van
[appellant] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. H.A. van Beilen, kantoorhoudend te Leeuwarden,
tegen
De Huismeesters,
gevestigd te Groningen,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: De Huismeesters,
advocaat: mr. T.F. de Jong, kantoorhoudend te Groningen.
Het hof neemt het tussenarrest van 20 oktober 2015 hier over.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroepIn genoemd arrest heeft het hof een bewijsopdracht verstrekt aan [appellant] . Ter uitvoering van deze bewijsopdracht heeft [appellant] op 10 februari 2016 en 26 april 2016 getuigen doen horen. De processen-verbaal van de getuigenverhoren bevinden zich in afschrift bij de stukken. De Huismeesters heeft afgezien van het horen van getuigen.Vervolgens heeft [appellant] een memorie na enquête (met producties) genomen. De Huismeesters heeft ook een memorie na enquête genomen.Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd op de door hen ingezonden dossiers.
2. De verdere beoordeling
2.1
Het hof heeft [appellant] in genoemd tussenarrest opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat zij op 17 april 2012 als uitvloeisel van de normale uitoefening van de (onder)aannemingsovereenkomst met [aannemersbedrijf] (hierna: [aannemersbedrijf] ) de feitelijke macht had over de woningen met bouwnummers 93 t/m 96 (blok 4) van het project [X] te [plaats] (hierna: het project).
2.2
Ter uitvoering van deze bewijsopdracht heeft [appellant] vier getuigen doen horen, te weten haar statutair directeur [directeur] , [A] , voormalig hoofduitvoerder bij [aannemersbedrijf] en op 17 april 2012 projectleider van [aannemersbedrijf] op het project, [projectleider] , projectleider bij [appellant] en projectleider van [appellant] op het project, en [B] , voormalig werknemer van een zustervennootschap van [appellant] en voor [appellant] werkzaam als uitvoerder op het project. [directeur] is partijgetuige. Zijn verklaring omtrent de door [appellant] te bewijzen feiten kan geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring van [directeur] strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. De beperking van de bewijskracht van de verklaring van de partijgetuige geldt niet als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij de verklaring van de partijgetuige voldoende geloofwaardig maken (Hoge Raad 31 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1688).
2.3
Uit de verklaringen van [A] , [projectleider] en [B] - [directeur] was volgens zijn eigen verklaring na het aangaan van de overeenkomst slechts vanaf de zijlijn bij het project betrokken en is maar eenmaal op de bouw geweest, zodat hij niet uit eigen wetenschap kan verklaren over de situatie ter plaatse - volgt dat de woningen met bouwnummers 93 t/m 96 deel uitmaakten van een project van 97 woningen, onderverdeeld in vier blokken. Op 17 april 2012 waren de blokken 1 en 2 al gereed, blok 3 was nagenoeg gereed (volgens [B] waren daar de CV-ketels en meterkasten al geplaatst, werkzaamheden die in de afbouwfase plaatsvinden) en blok 4 bevond zich nog in de fase van de ruwbouw; de afwerkvloeren lagen er deels en een deel van de leidingen en de riolering was aangelegd. Het hof leidt dat af uit de verklaring van [B] - die op dit punt wordt ondersteund door de verklaring van [A] - die verklaart dat [appellant] in de woningen 93 t/m 96 bezig was met wat hij noemt de voormontage. Ook volgens [projectleider] bevonden deze woningen zich nog in de ruwbouwfase.
2.4
Uit de verklaringen van de getuigen volgt dat naast medewerkers van [appellant] ook medewerkers van andere bedrijven op het project werkten. Volgens [A] werkten er 80 à 90 mensen op het project, ongeveer 15 à 20 mensen van [appellant] , 10 van [aannemersbedrijf] en de anderen van andere onderaannemers. Om het project was een hekwerk geplaatst. Volgens [B] eerst om alle vier blokken en toen de blokken 1 en 2 gereed waren, alleen om de blokken 3 en 4. Van deze hekken, die aan het begin en einde van de werkdag werden geopend en gesloten, waren enkele sleutels in omloop. Volgens [A] hadden hijzelf, zijn assistent, de voorman van [appellant] en diens assistent en iemand van de Huismeesters een sleutel. Die verklaring vindt steun in de (op dit punt minder gedetailleerde) verklaringen van [projectleider] en [B] . Het hek werd 's ochtends meestal (verklaringen [B] en [A] ) door [B] geopend en vrijwel altijd (verklaringen [B] en [A] ) door [B] gesloten. De medewerkers van [appellant] en van [aannemersbedrijf] begonnen, volgens de verklaringen van [B] en [A] ) weliswaar gelijktijdig, maar [B] woonde dichterbij, zodat hij er 's ochtends meestal eerder was. De medewerkers van [aannemersbedrijf] werkten tot 15.45 uur, die van [appellant] tot 16.00 uur, zodat het voor de hand lag dat iemand van [appellant] het hek aan het einde van de werkdag afsloot.
2.5
Uit de verklaringen van [B] en [A] volgt ook dat de woningen 93 tot en met 96 op 17 april 2012 konden worden afgesloten. De woningen konden, net als de andere in aanbouw zijnde woningen die van sloten waren voorzien, worden geopend met een bouwcilinder. Deze bouwcilinder paste op de sloten van al deze woningen. Voor de bouwcilinder gold wat voor de sleutel van het toegangshek gold. [B] en [A] (en hun assistenten) beschikten over de cilinder en konden de woningen dus openen en sluiten. Het openen gebeurde wanneer er in de woningen moest worden gewerkt en aan het einde van de dag werd de woning dan weer afgesloten. [B] beschikte ook, net als [A] , over een sleutel van de elektriciteitskast. Zij konden de elektriciteitsaanvoer op het terrein aan- en uitzetten.
2.6
Het hof acht niet bewezen dat [appellant] op 17 april 2012 als enige in de woningen 93 tot en met 96 aan het werk was. Zoals hiervoor is overwogen, bevonden de woningen zich in de ruwbouwfase. [projectleider] heeft weliswaar verklaard dat [appellant] er als enige aan het werk was, maar zijn verklaring vindt geen steun in de verklaring van [A] . Volgens [A] zijn in de fase waarin de woningen zich destijds bevonden ook anderen in de woning bezig, vooral timmermannen. Het komt volgens hem wel voor dat bij bepaalde werkzaamheden alleen medewerkers van [appellant] zich in de woning bevinden, zoals bij het infrezen van leidingen en het inregelen van de apparatuur. Dat [appellant] op 17 april 2012 bezig was met die werkzaamheden, volgt echter niet uit zijn verklaring en evenmin uit de verklaringen van de andere getuigen.
2.7
Uit de, op dit punt niet weerlegde, verklaring van [A] volgt dat [A] belast was met het toezicht op de veiligheid van het project. [A] diende het door de onderaannemers, waaronder [appellant] , op te stellen veiligheidsplan te beoordelen en moest toezien op de naleving ervan. [A] was ook dagelijks op het project aanwezig en had de bevoegdheid aanwijzingen te geven aan de onderaannemers.
2.8
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt ten aanzien van de gebruikelijke situatie tot op 17 april 2012:
- dat [appellant] en [aannemersbedrijf] beschikten over de sleutels van de bouwhekken om het project, waarvan de woningen deel uitmaakten, over de bouwcilinder om de deuren van de woningen te openen en over de sleutel van de elektriciteitskast van het project;- dat het bouwterrein en de woningen meestal door de uitvoerder van [appellant] werden geopend en gesloten;- dat de woningen 93 tot 96 zich nog niet in de afbouwfase bevonden;- dat van de ongeveer 80 à 90 mensen van diverse onderaannemers - naast installateurs van [appellant] ook timmerlieden, metselaars, stukadoors en schilders - die op het project werkten, er 10 à 15 van [appellant] waren;- dat een projectleider van [aannemersbedrijf] op het project aanwezig was, die bevoegd was de onderaannemers aanwijzingen te geven
Het staat, gelet op de fase van de bouw waarin de woningen zich toen bevonden, dan ook allerminst vast dat [appellant] op 17 april 2012 als enige in de woningen werkzaam was.
2.9
Bij deze stand van zaken heeft [appellant] naar het oordeel van het hof niet bewezen dat zij toen beschikte over de feitelijke macht over de desbetreffende woningen. Uit de wel bewezen omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof niet dat [appellant] in die zin de feitelijke macht over de woningen uitoefende, dat "afgifte" - in dit geval ontruiming - nodig was om de woningen weer in de macht van [aannemersbedrijf] te brengen. [aannemersbedrijf] en de onderaannemers van [aannemersbedrijf] hadden zowel feitelijk als juridisch de mogelijkheid zich zelfstandig, zonder op enigerlei wijze afhankelijk te zijn van de instemming van [appellant] , toegang tot de woningen te verschaffen en hadden ook daadwerkelijk toegang tot de woningen als de voortgang van het werk dat vroeg. De woningen waren niet 'het domein van' [appellant] , in die zin dat alleen [appellant] in de woningen aan het werk was.
2.10
Bij deze stand van zaken, faalt de grief van [appellant] , die zich keert tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] niet de feitelijke macht had over de woningen. Daarbij kan in het midden blijven of voor het bestaan van feitelijke macht is vereist dat de woning ontoegankelijk is voor een ander dan de onderaannemer die zich op het retentierecht beroept. Het stellen van prejudiciële vragen over dit onderwerp kan dan ook achterwege blijven.
2.11
Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. [appellant] zal worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep (4 punten, tarief VI).
3. De beslissingHet gerechtshof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noor-Nederland, locatie Groningen, van 5 juni 2013 waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten voor zover tot op heden aan de zijde van De Huismeesters gevallen op € 4.961,- aan verschotten en op € 13.052,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. H. de Hek en mr. M.M.A. Wind en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag
13 september 2016.
Uitspraak 20‑10‑2015
Inhoudsindicatie
Retentierecht op onroerende zaak door onderaannemer. Het hof stelt na overleg met partijen ter comparitie (nog) geen préjudiciële vragen aan de Hoge Raad, maar geeft (eerst) een bewijsopdracht.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.133.762/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/135814/HA ZA 12-279)
arrest van de eerste kamer van 20 oktober 2015
in de zaak van
[appellant] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. H.A. van Beilen, kantoorhoudend te Leeuwarden,
tegen
De Huismeesters,
gevestigd te Groningen,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: De Huismeester,
advocaat: mr. T.F. de Jong, kantoorhoudend te Groningen.
Het hof neemt het tussenarrest van 12 mei 2015 hier over.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
In genoemd arrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. De comparitie is op 25 augustus 2015 gehouden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.
2. De verdere beoordeling
2.1
In meergenoemd tussenarrest heeft het hof overwogen dat het uit de reacties van partijen op het tussenarrest van 13 januari 2015 heeft afgeleid dat partijen hun bedenkingen hebben over het voornemen van het hof prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad over de vraag of voor het bestaan van - de voor een geslaagd beroep op een retentierecht door een onderaannemer vereiste - feitelijke macht sprake moet zijn van exclusiviteit. Het hof heeft een comparitie van partijen gelast om met partijen te spreken over het vervolg van de procedure. Het heeft daarbij overwogen twee mogelijkheden te zien, te weten eerst bewijslevering naar feiten en omstandigheden die van belang zijn voor het antwoord op de vraag of [appellant] de feitelijke macht had over de woningen waarna eventueel nog prejudiciële vragen kunnen worden gesteld, of, andersom, eerst prejudiciële vragen stellen, waarna indien nodig bewijslevering kan plaatsvinden.
2.2
Beide partijen hebben bij gelegenheid van de comparitie een duidelijke voorkeur uitgesproken voor de eerste mogelijkheid. Het hof kan zich met deze eenduidige voorkeur van partijen verenigen en zal een bewijsopdracht geven.
2.3
Gelet op hetgeen in meergenoemd tussenarrest en in het tussenarrest van 13 januari 2015 is overwogen, zal bewijslevering dienen plaats te vinden omtrent de vraag of [appellant] op 17 april 2012, toen zij meedeelde over te gaan tot het uitoefenen van retentierecht, als uitvloeisel van de normale uitoefening van de aannemingsovereenkomst de feitelijke macht had over de woningen waarop zij het retentierecht uitoefende. De bewijslast ten aanzien van de (door [appellant] gestelde en door De Huismeesters gemotiveerd betwiste bestreden) feiten en omstandigheden waaruit volgt dat van een dergelijke feitelijke macht sprake was, rust op [appellant] . Het hof zal [appellant] , overeenkomstig het door haar gedane bewijsaanbod, toelaten tot het leveren van getuigenbewijs.
3. De beslissing
Het gerechtshof:alvorens nader te beslissen:
draagt [appellant] op te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat zij op 17 april 2012 als uitvloeisel van de normale uitoefening van de (onder)aannemingsovereenkomst met [appellant] de feitelijke macht had over de woningen met bouwnummers 93 t/m 96 (blok 4) van het project De Cortinghborg te Groningen;
bepaalt dat, indien [appellant] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. H. de Hek, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;
bepaalt dat [appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 3 november 2015, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) vaststelt;
bepaalt dat [appellant] overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. H. de Hek en mr. M.M.A. Wind en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 20 oktober 2015.
Uitspraak 13‑01‑2015
Inhoudsindicatie
Retentierecht op in aanbouw zijnde woningen door onderaannemer. Het hof stelt partijen in de gelegenheid te reageren op het voornemen om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.133.762/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/135814/HA ZA 12-279)
arrest van de eerste kamer van 13 januari 2015
in de zaak van
[appellant],
gevestigd te [vestigingsplaats],
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. H.A. van Beilen, kantoorhoudend te Leeuwarden,
tegen
stichting De Huismeesters,
gevestigd te Groningen,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: De Huismeesters,
advocaat: mr. T.F. de Jong, kantoorhoudend te Groningen.
1. Het geding in eerste aanleg
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 5 juni 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, zittingsplaats Groningen.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure is als volgt:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 4 september 2013, hersteld (voor wat betreft de naamgeving van het hof) bij exploot van 6 september 2013,
- de memorie van grieven,
- de memorie van antwoord.
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
2.3
De vordering van [appellant] luidt:
" (…) bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland van 5 juni 2013 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [appellant] in eerste aanleg alsnog toe te wijzen, met veroordeling van De Huismeesters in de kosten van beide procedures."
3. De beoordelingvaststaande feiten
3.1
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.11) van het vonnis de feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven gericht en ook overigens is niet van bezwaren gebleken, zodat daarvan in hoger beroep kan worden uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, aangevuld met was verder over de feiten vaststaat, komen op het volgende neer.
3.1.1
In opdracht van De Huismeesters worden aan de rand van de stad [plaats], tussen de wijken [wijk A] en de [wijk B], 97 woningen in 4 gesloten bouwblokken gerealiseerd. Dit project staat bekend onder de naam: [X]. De grond waarop de woningen worden gebouwd, is eigendom van De Huismeesters.
3.1.2
De Huismeesters heeft een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor de bouw en realisatie van de 97 woningen in [X] met [bouwbedrijf] (hierna te noemen: [bouwbedrijf]).
3.1.3
[bouwbedrijf] heeft hekken rondom het bouwterrein geplaatst. Op de hekken zijn borden bevestigd met een aantal waarschuwingstekens en de volgende tekst: "Bezoekers melden bij de uitvoerder! Betreden bouwterrein op eigen risico
De directie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade aan auto's en andere eigendommen op het terrein Verboden toegang (art. 461 WETB.v.STRAFR.) [bouwbedrijf] www.[bouwbedrijf].nl"
3.1.4
Voor de uitvoering van de installatiewerkzaamheden heeft [bouwbedrijf] met [appellant] een overeenkomst van (onder)aanneming van werk gesloten.
3.1.5
Op 2 mei 2011 is [appellant] begonnen met de installatiewerkzaamheden. De eerste facturen die [appellant] hiervoor bij [bouwbedrijf] heeft ingediend, zijn door [bouwbedrijf] aan [appellant] betaald. Na 3 april 2012 heeft [bouwbedrijf] de facturen van [appellant] niet meer betaald. [appellant] heeft [bouwbedrijf] wegens de uitblijvende betalingen in gebreke gesteld.
3.1.6
Op 17 april 2012 heeft [appellant] besloten retentierecht uit te oefenen op de woningen. [appellant] heeft daartoe de sloten van de woningen en van de kettingen om de hekken om het bouwterrein vervangen. Op de hekken heeft [appellant] posters gehangen met de volgende tekst: "Op de volgende kavelnummers geldt het retentierecht: 50, 51, 52, 53, 63, 64, 93, 94, 95, 96 [appellant]".
3.1.7
In een op 17 april 2012 om 12.55 uur per e-mailbericht verzonden brief van de advocaat van [appellant] aan [bouwbedrijf] is meegedeeld dat [appellant] is overgegaan tot het uitoefenen van haar retentierecht op genoemde woningen.
3.1.8
Op 17 april 2012, om 14:00 uur, is aan [bouwbedrijf] surseance van betaling verleend.
3.1.9
Op 18 april 2012 heeft [appellant] overleg gevoerd met De Huismeesters.
3.1.10
Op 19 april 2012 is [bouwbedrijf] failliet verklaard.
3.1.11
Bij per fax verzonden brief van 19 april 2012 heeft De Huismeesters aan [appellant] meegedeeld dat zij het door [appellant] ingeroepen retentierecht niet erkent omdat [appellant] als onderaannemer bij de uitvoering van de door [bouwbedrijf] aan haar opgedragen werkzaamheden nimmer de (exclusieve) feitelijke macht heeft gehad over de woningen. De Huismeesters heeft de door [appellant] vervangen sloten van de woningen en de hekken rondom het bouwcomplex uitgeboord dan wel afgezaagd en vervangen.
3.1.12
Op 23 april 2012 heeft De Huismeesters aan [appellant] de opdracht verleend tot uitvoering van werkzaamheden in het project, welke opdracht door [appellant] is aanvaard.
3.1.13
Volgens artikel 7 van de overeenkomst waarbij deze opdracht is verleend, geeft [appellant] haar retentierecht op de woningen met bouwnummer 50, 51, 52, 53, 63, 64 (blok 3) prijs, terwijl [appellant] het door haar geclaimde retentierecht handhaaft, voor zover betrekking hebbend op de woningen met bouwnummer 93, 94, 95 en 96 (blok 4), in ieder geval totdat in rechte is geoordeeld over de vraag of de installateur op juiste gronden het retentierecht heeft ingeroepen of dat partijen anders overeen mochten komen.procedure in eerste aanleg
3.2
[appellant] heeft De Huismeesters gedagvaard voor de (toenmalige) rechtbank [plaats] en heeft een verklaring voor recht gevorderd dat De Huismeesters aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van het feit dat De Huismeesters de feitelijke macht over de woningen heeft genomen. Zij heeft tevens veroordeling gevorderd van De Huismeesters tot betaling van € 271.692,57, vermeerderd met rente en kosten.
3.3
Nadat De Huismeesters verweer had gevoerd, heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [appellant], voordat zij het (beweerde) retentierecht uitoefende geen houder was van het bouwterrein of van de woningen en om die reden niet in de positie was over te gaan tot afgifte van het terrein en van de woningen, zodat zij niet op grond van artikel 3:290 BW gerechtigd was tot uitoefening van een retentierecht op de bouwlocatie en de woningen. Volgens de rechtbank kunnen de door [appellant] aangevoerde feiten niet de conclusie dragen dat [appellant] de feitelijke macht uitoefende over het bouwterrein en de woningen (rechtsoverweging 4.4). Evenmin is er voldoende om aan te kunnen nemen dat [appellant] op 17 april 2012 alsnog de feitelijke macht over het bouwterrein heeft verkregen. Dat de werknemers van [bouwbedrijf] op 16 april 2012 ’s middags het bouwterrein hadden verlaten en op 17 april 2012 niet waren verschenen, is daartoe onvoldoende (rechtsoverweging 4.5). De Huismeesters heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld jegens [appellant] door, als eigenaar van het terrein, de sloten te vervangen en de feitelijke macht over het terrein over te nemen, aldus de rechtbank.bespreking van de grief
3.4
Met haar grief betoogt [appellant] dat zij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel gerechtigd was een retentierecht uit te oefenen op de woningen. Het hof stelt vast dat de grief zich niet richt tegen rechtsoverweging 4.5 van het vonnis van de rechtbank. In hoger beroep staat dan ook niet ter discussie dat indien de werknemers van [appellant] pas op 17 april 2012, en niet al eerder, de feitelijke macht over de woningen hebben verkregen, geen retentierecht is ontstaan.
3.5
Het hof stelt voorts vast dat [appellant] in de in rechtsoverwegingen 3.1.12 en 3.1.13 aangehaalde overeenkomst van 23 april 2012 haar retentierecht op de woningen in blok 3 heeft prijsgegeven, zodat het geschil tussen partijen over het door [appellant] gepretendeerde retentierecht slechts de woningen in blok 4 betreft.
3.6
Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [appellant] zich terecht op een retentierecht betreffende de woningen heeft beroepen. Voor een geslaagd beroep op een retentierecht is vereist dat [appellant] (ten tijde van het beroep op het retentierecht) als uitvloeisel van de normale uitoefening van de aannemingsovereenkomst de feitelijke macht had over de woningen (i.), dat [appellant] een opeisbare vordering heeft op [bouwbedrijf] (ii.) en dat een (uit de aannemingsovereenkomst voortvloeiende) samenhang bestond tussen de vordering en de verplichting van [appellant] de zaak weer in de macht van [bouwbedrijf] te brengen (iii.). Ook is, gelet op het bepaalde in artikel 3:291 lid 2 BW, vereist dat [bouwbedrijf] bevoegd was de overeenkomst met [appellant] aan te gaan (iv.).
3.7
Tussen partijen staat niet ter discussie dat aan de hiervoor onder ii. en iv. vermelde vereisten is voldaan. Ook het onder iii. vermelde vereiste vormt op zichzelf (los van het onder i. vermelde vereiste) geen geschilpunt tussen partijen. Partijen verschillen wel van mening over het onder i. vermelde vereiste van de feitelijke macht. Van de vereiste feitelijke macht is sprake indien [appellant] (op grond van de normale uitvoering van de overeenkomst van aanneming) houder van de woningen is geworden - dat wil zeggen daarover direct of indirect de naar verkeersopvatting, wet en uiterlijke omstandigheden te beoordelen feitelijke macht uitoefent - in die zin dat, in de terminologie van art. 3:290 BW, "afgifte" - hetgeen in dit geval neerkomt op ontruiming - die nodig is om de zaak weer in de macht van [bouwbedrijf] of De Huismeesters te brengen (Hoge Raad 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8440).
3.8
In een arrest van 5 februari 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0824) heeft dit hof overwogen dat voor het bestaan van zodanige feitelijke macht van de (onder)aannemer nodig is dat de zaak voor de schuldenaar of een derde ontoegankelijk is, waarbij die situatie een normaal gevolg is van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst. Dat brengt, is in genoemd arrest overwogen, mee (a) dat de zeggenschap die de (onder)aannemer over de teruggehouden zaak heeft, moet voortvloeien uit haar op dat moment lopende werkzaamheden ter uitvoering van de aannemingsovereenkomst, (b) dat deze zeggenschap de toegang (door de schuldenaar of de rechthebbende) tot de teruggehouden zaak moet betreffen en (c) dat deze zeggenschap exclusief aan de retentor moet toekomen.
3.9
Het hof stelt vast dat genoemd arrest in de literatuur is bekritiseerd, vooral op het punt van de exclusiviteit (vgl. de annotatie van Klein Breteler onder het arrest in JOR 2013/156 ende annotatie van Vermeij in het Tijdschrift voor Bouwrecht van juli 2013 (nr. 7), blz. 702 e.v.). Omdat de vraag welke vereisten gelden voor een geslaagd beroep op een retentierecht door een (onder)aannemer beantwoord dient te worden om op het geschil tussen partijen te beslissen, deze vraag in de praktijk van groot belang is, daarover verschillende opvattingen bestaan en duidelijkheid op dit punt met het oog op beslissingen in soortgelijke gevallen gewenst is, overweegt het hof prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit de processtukken van partijen naar voren komt dat zij het geschil opvatten als een principiële kwestie.
3.10
Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over dit voornemen en om suggesties te doen voor de aan de Hoge Raad voor te leggen vragen. De zaak wordt daartoe naar de rol verwezen.
4. De beslissingHet gerechtshof:
alvorens nader te beslissen:
verwijst de zaak naar de rol van 10 februari 2015 voor akte uitlating door beide partijen;houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. H. de Hek en mr. M.M.A. Wind en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag
13 januari 2015.