RvdW 2024/369:Bedreiging, meermalen gepleegd (art. 285 lid 1 Sr), belediging, meermalen gepleegd (art. 266 lid 1 Sr), wederspannigheid, meermalen gepleegd (art. 180 Sr) en zich voordoen als politieagent (art. 196 Sr). 1. Opgave van bewijsmiddelen a.b.i. art. 359 lid 3 Sv. Kon hof wat betreft motivering van bewezenverklaring van tlgd. bedreiging het vonnis van Rb, waarin is volstaan met opgave van b.m. a.b.i. art. 359 lid 3 Sv, bevestigen, nu raadsman in eerste aanleg vrijspraak heeft bepleit? 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 179 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk) innerlijk tegenstrijdig, nu hof in strafmotivering heeft overwogen op te leggen gevangenisstraf te verminderen vanwege overschrijding van redelijke termijn en in dictum dezelfde straf heeft opgelegd als die het voor toepassing van vermindering passend en geboden achtte? Ad 1. Rb heeft in vonnis volstaan met opgave van b.m. a.b.i. tweede volzin van art. 359 lid 3 Sv. Raadsman van verdachte heeft bij behandeling van zaak in e.a. vrijspraak bepleit van dit feit. Uit bewoordingen van art. 359 lid 3 Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden als door of namens verdachte op tz. vrijspraak is bepleit. Hof had vonnis daarom alleen mogen bevestigen met de in art. 423 lid 1 Sv bedoelde aanvulling van gronden, die bestaat uit de in eerste volzin van art. 359 lid 3 Sv bedoelde weergave van inhoud van b.m. (vgl. NJ 2017/128, m.nt. P.A.M. Mevis). Dit leidt niet tot cassatie, omdat verdachte op tz. in hoger beroep hem tlgd. feitelijke gedragingen heeft bekend en Rb het door raadsman gevoerde, tot vrijspraak strekkende verweer gemotiveerd heeft verworpen. In h.b. heeft verdediging dit verweer noch verwerping door Rb ter sprake gebracht en in cassatie wordt ook niet geklaagd over verwerping van verweer. Gelet hierop heeft verdachte onvoldoende belang bij vernietiging van ’s hofs uitspraak en terugwijzing van zaak naar hof met het oog op alsnog weergeven van inhoud van gebruikte b.m. Ad 2. Hof heeft verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf van 179 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, terwijl het in strafmotivering heeft overwogen dat gevangenisstraf van 179 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, in beginsel passende en geboden reactie vormt, maar gelet op overschrijding van redelijke termijn in plaats van deze gevangenisstraf een lagere gevangenisstraf passend en geboden is. Uit ’s hofs overwegingen begrijpt HR dat hof heeft bedoeld i.v.m. overschrijding van redelijke termijn aan verdachte een lagere gevangenisstraf op te leggen dan gevangenisstraf die hof in beginsel passend en geboden achtte. Hof heeft echter (kennelijk abusievelijk) verzuimd die straf daadwerkelijk te verlagen. HR herstelt dit verzuim zelf en vermindert (mede gelet op overschrijding van redelijke termijn in cassatie) opgelegde gevangenisstraf met 9 dagen. CAG (strekking n.a.v. innerlijke tegenstrijdigheid in strafmotivering): vernietiging t.a.v. strafoplegging en terugwijzing.