. De feiten zijn ontleend aan rov. 3.1 van het in cassatie bestreden arrest, waar het hof, gezien rov. 2, uitgaat van de door de rechtbank in haar vonnis van 1 december 2010 in rov. 2.1-2.4 vastgestelde feiten.
HR, 01-11-2013, nr. 12/04153
ECLI:NL:HR:2013:1079, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-11-2013
- Zaaknummer
12/04153
- Roepnaam
Verify
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Ondernemingsrecht (V)
Arbeidsrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:1079, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑11‑2013; (Cassatie)
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHDHA:2015:602
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:108
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2012:BX1934, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
ECLI:NL:PHR:2013:108, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑06‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1079
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑08‑2012
- Wetingang
- Vindplaatsen
NJ 2014/7 met annotatie van P. van Schilfgaarde
Ondernemingsrecht 2014/63 met annotatie van M.L. Lennarts
JIN 2013/205 met annotatie van L. Krieckaert
TvPP 2014, afl. 1, p. 24
JOR 2013/336 met annotatie van Mr. drs. W.J.M. van Andel
NJ 2014/7 met annotatie van P. van Schilfgaarde
JOR 2013/336 met annotatie van Mr. drs. W.J.M. van Andel
Uitspraak 01‑11‑2013
Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur (art. 2:248 BW). Onbelangrijk verzuim dat niet in aanmerking wordt genomen (lid 2) ziet op onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, niet op aandeel van individuele bestuurder. Termijnoverschrijding openbaarmaking jaarrekening (art. 2:394 lid 3 BW) onbelangrijk verzuim? Omstandigheden van het geval, hogere eisen naarmate termijnoverschrijding langer is, aanvaardbaarheid van de verklaring (vgl. HR 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994, NJ 1993/713 en HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1981, NJ 1996/406). Stelplicht en bewijslast rusten op bestuurder (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7189).
Partij(en)
1 november 2013
Eerste Kamer
nr. 12/04153
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
Mr. Joris LENSINK, in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van
1. Verify International Holding B.V.,
2. Verify Europe B.V. en
3. Verify Nederland B.V.,
wonende te Amsterdam,
EISER tot cassatie,
advocaten: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt en mr. M.M. Stolp,
t e g e n
[verweerder],wonende te [woonplaats], België,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.J. van Galen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de curator en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 449299/HA ZA 10-285 van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2010 en 1 december 2010;
b. het arrest in de zaak 200.086.125/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 22 mei 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de curator beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het arrest, zij het slechts voor zover daarvan rov. 3.11 en de op die rechtsoverweging voortbouwende beslissingen worden bestreden.
De advocaat van de curator heeft bij brief van 12 juli 2013 op die conclusie gereageerd. De advocaat van [verweerder] heeft dat gedaan bij brief van 11 juli 2013.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.
(i) Verify International Holding B.V. (hierna: VIH) is enig aandeelhouder en enig bestuurder van Verify Nederland B.V. (hierna: Verify Nederland) sedert 26 augustus 1994 en van Verify Europe B.V. (hierna: Verify Europe) sedert 26 juli 2004. [verweerder] is van 26 augustus 1994 tot 21 februari 2005 bestuurder van VIH geweest.
(ii) De aandelen in VIH werden gehouden door Verify Marketing Information Services N.V. te Curaçao (hierna: VMIS). Begin 2005 is de zeggenschap over VMIS in andere handen gekomen (de certificaten van de aandelen in haar kapitaal zijn op 17 februari 2005 overgedragen). Daaraan is vanaf najaar 2004 een uitgebreid due diligence onderzoek bij genoemde Antilliaanse en Nederlandse vennootschappen voorafgegaan. Vanaf 21 februari 2005 is [betrokkene] enig bestuurder van VIH geweest.
(iii) Op 28 juli 2005 zijn VIH, Verify Nederland en Verify Europe in staat van faillissement verklaard.
3.2
De curator vordert, voor zover in cassatie van belang, veroordeling van [verweerder] tot betaling van een bedrag gelijk aan de tekorten in de faillissementen van VIH, Verify Nederland en Verify Europe (tot aan de datum van dagvaarding begroot op € 16.554.185,09). Hij stelt daartoe dat [verweerder] bij deze vennootschappen kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 BW heeft gevoerd (bij Verify Nederland en Verify Europe als beleidsbepaler in de zin van 2:248 lid 7 BW). In dit verband heeft de curator aangevoerd dat de jaarstukken over 2003 van VIH, Verify Nederland en Verify Europe niet voor of op de uiterste datum van 1 februari 2005 maar, wat de eerste twee vennootschappen betreft, op 10 februari 2005 en, wat de laatste vennootschap betreft, op 3 augustus 2005 zijn gepubliceerd (dus 10 dagen, respectievelijk 6 maanden te laat).
3.3
De rechtbank heeft de vordering van de curator afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Met betrekking tot de overschrijding van de uiterste datum voor publicatie van de jaarstukken 2003 van Verify Europe met ruim zes maanden heeft het hof in aanmerking genomen:
- dat die overschrijding maar voor drie weken samenvalt met de periode dat [verweerder] indirect bestuurder van deze vennootschap was,
- dat Verify Europe slechts enige maanden voor die uiterste datum door VIH was overgenomen en dat bij de overname niet eraan is gedacht om na te gaan of zij wel aan haar publicatieplicht had voldaan over de voorgaande jaren, waaronder 2003, en
- dat Verify Europe ten tijde van de overname geen schulden had, afgezien van een rekening-courantschuld aan de vorige aandeelhouder.
In verband met een en ander heeft het hof geoordeeld dat de overschrijding van de termijn voor de duur van drie weken moet worden gekwalificeerd als een onbelangrijk verzuim in de zin van art. 2:248 lid 2, slotzin, BW (rov. 3.11).
In dezelfde zin heeft het hof geoordeeld met betrekking tot de overschrijding van de publicatietermijn van de jaarstukken 2003 van VIH en Verify Nederland met tien dagen. Dit heeft het hof gebaseerd op de korte duur van die overschrijdingen. Het hof heeft geoordeeld dat [verweerder] bovendien een plausibele verklaring heeft gegeven voor de overschrijding, namelijk, kort gezegd, dat de accountant van de vennootschappen in de periode tot medio februari 2005 zijn tijd bijna uitsluitend heeft moeten besteden aan het due diligence onderzoek dat toen plaatsvond ten behoeve van de overdracht van de certificaten in VMIS en daardoor pas later aan het opstellen van de jaarstukken is toegekomen (rov. 3.13).
3.4.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt terecht dat het oordeel van het hof dat sprake is van een onbelangrijk verzuim met betrekking tot de publicatie van de jaarstukken van Verify Europe, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe wordt als volgt overwogen.
3.4.2
Bij kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 leden 1 en 2 BW gaat het om de taakvervulling door het bestuur van de vennootschap. Bij de toepassing van het artikel dient dan ook eerst te worden onderzocht of sprake is geweest van een onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur. Is dat het geval, dan is op grond van art. 2:248 lid 1 BW in beginsel ieder van de individuele bestuurders jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor die onbehoorlijke taakvervulling.
Art. 2:248 lid 3 biedt de individuele bestuurder vervolgens de mogelijkheid zich te disculperen voor het onbehoorlijke bestuur. Daarvoor moet hij bewijzen dat het onbehoorlijke bestuur niet aan hem te wijten is geweest en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.Art. 2:248 lid 4, tweede zin, BW geeft de rechter voorts de mogelijkheid tot matiging van het bedrag van de aansprakelijkheid van de individuele bestuurder, onder meer in verband met de tijd gedurende welke die bestuurder als zodanig in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling plaatsvond.
3.4.3
De bepaling van art. 2:248 lid 2 BW dat een onbelangrijk verzuim niet in aanmerking wordt genomen, heeft betrekking op de vraag of sprake is geweest van een onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, en niet op het aandeel in die onbehoorlijke taakvervulling van de individuele bestuurder. Het hof heeft zich bij zijn oordeel dat sprake is van een onbelangrijk verzuim, dan ook niet kunnen beperken tot de drie weken waarin [verweerder] nog beleidsbepaler bij Verify Europe was, maar had de gehele periode van de overschrijding van de publicatietermijn van ruim zes maanden in zijn beoordeling moeten betrekken.
3.5
Gelet op de gegrondheid van onderdeel 1 behoeft onderdeel 2 geen behandeling.
3.6.1
Onderdeel 3 klaagt dat het oordeel van het hof dat sprake is van een onbelangrijk verzuim met betrekking tot de publicatie van de jaarstukken 2003 van VIH en Verify Nederland, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel niet naar behoren is gemotiveerd. Met betrekking tot dit onderdeel wordt als volgt overwogen.
3.6.2
Van een onbelangrijk verzuim als bedoeld in de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW is sprake indien het niet voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in dat artikellid in de omstandigheden van het geval niet erop wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Dit is met name het geval indien voor het verzuim een aanvaardbare verklaring bestaat. Indien het, zoals in dit geval, gaat om een overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW voor openbaarmaking van de jaarrekening, geldt dat het antwoord op de vraag of een overschrijding als een onbelangrijk verzuim kan gelden, afhangt van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid, waarbij opmerking verdient dat hogere eisen moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is en dat stelplicht en bewijslast op de aangesproken bestuurder rusten (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7189).
3.6.3
Het hof heeft zijn oordeel dat de onderhavige termijnoverschrijding met tien dagen als een onbelangrijk verzuim dient te worden aangemerkt, gebaseerd op de relatief korte duur van die overschrijding en op zijn vaststelling dat [verweerder] een plausibele verklaring voor die overschrijding heeft gegeven, namelijk dat er enige vertraging bij het afronden en de controle van de jaarstukken 2003 is opgetreden omdat de accountant vanaf najaar 2004 tot 17 februari 2005 zijn tijd bijna uitsluitend heeft moeten besteden aan het due diligence onderzoek bij de vennootschappen.
3.6.4
Dit oordeel is in overeenstemming met de hiervoor in 3.6.2 vermelde maatstaven, die meebrengen dat in geval van een relatief korte overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW geen hoge eisen zijn te stellen aan de verklaring die daarvoor wordt gegeven (vgl. HR 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993: ZC0994, NJ 1993/713 en HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1981, NJ 1996, 406). Dit oordeel geeft ook anderszins geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Het onderdeel is derhalve ongegrond.
3.7
Onderdeel 4 mist zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen behandeling.
3.8
Uit het vorenstaande volgt dat na verwijzing opnieuw moet worden beslist over de vordering van de curator voor zover gebaseerd op de overschrijding van de publicatietermijn voor de jaarstukken 2003 van Verify Europe. Met inachtneming van hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen, zullen de verweren daartegen van [verweerder] opnieuw dan wel alsnog moeten worden behandeld, waaronder het in zijn stellingen besloten liggende beroep op de hiervoor in 3.4.2 genoemde leden 3 en 4 van art. 2:248 BW. In laatstgenoemd verband verdient opmerking dat, blijkens de op art. 2:248 lid 3 BW gegeven toelichting, de individuele bestuurder zich in het geval van het tweede lid van dat artikel kan disculperen door aan te tonen dat hem ter zake van de te late publicatie geen verwijt treft (Kamerstukken II 1980-1981, 16 631, nr. 3, p. 5).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 22 mei 2012;
verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof Den Haag;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 1.975,45 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.A. Loth, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 1 november 2013.
Conclusie 28‑06‑2013
Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur (art. 2:248 BW). Onbelangrijk verzuim dat niet in aanmerking wordt genomen (lid 2) ziet op onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, niet op aandeel van individuele bestuurder. Termijnoverschrijding openbaarmaking jaarrekening (art. 2:394 lid 3 BW) onbelangrijk verzuim? Omstandigheden van het geval, hogere eisen naarmate termijnoverschrijding langer is, aanvaardbaarheid van de verklaring (vgl. HR 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994, NJ 1993/713 en HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1981, NJ 1996/406). Stelplicht en bewijslast rusten op bestuurder (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7189).
Partij(en)
Zaaknummer: 12/04153
mr. Wuisman
Roldatum: 28 juni 2013
CONCLUSIE inzake:
Mr. Joris Lensink, in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van
1. Verify International Holding B.V.,
2. Verify Europe B.V. en
3. Verify Nederland B.V.,
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,
tegen
[verweerder],
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. R.J. van Galen.
In onderhavige zaak is in cassatie alleen nog aan de orde of een gewezen bestuurder vanwege overschrijding van de voor de publicatie van jaarstukken geldende termijn aansprakelijk is te houden voor het boedeltekort van drie failliete vennootschappen op grond van artikel 2:248 lid 2 BW.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie staat het volgende vast(1.):
(i) Verify International Holding B.V. (hierna: VIH) is enig aandeelhouder en enig bestuurder sedert 26 augustus 1994 van Verify Nederland B.V. (hierna: Verify Nederland) en sedert 26 juli 2004 van Verfiy Europe B.V. (hierna: Verify Europe). Verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]) is van 26 augustus 1994 tot 21 februari 2005 bestuurder van VIH geweest. Daarmee was hij ook indirect bestuurder van Verify Nederland en sedert 26 juli 2004 ook van Verify Europe.
(ii) De aandelen in VIH werden gehouden door de te Curaçao gevestigde naamloze vennootschap Verify Marketing Information Services N.V. te Curaçao (hierna: VMIS). [A] en zijn echtgenote – de schoonouders van [verweerder] – waren enig aandeelhouder van VMIS. Begin 2005 is de zeggenschap over VMIS in andere handen gekomen. Daaraan is eind 2004 een uitgebreid due diligence onderzoek bij de genoemde Antilliaanse en Nederlandse vennootschappen voorafgegaan. Vanaf 21 februari 2005 is [betrokkene] bestuurder van VIH geweest.
(iii) Op 28 juli 2005 zijn VIH, Verify Nederland en Verify Europe in staat van faillissement verklaard, met benoeming van eiser tot cassatie (hierna: de Curator) tot curator.
1.2
De Curator heeft bij dagvaarding van 11 december 2009 tegen [verweerder] een procedure aangespannen bij de rechtbank Amsterdam.(2.) De Curator vordert – samengevat –een veroordeling van [verweerder] primair tot betaling van een bedrag gelijk aan de tekorten in de faillissementen van VIH, Verify Nederland en Verify Europe – tot aan de datum van dagvaarding begroot op € 16.554.185,09 – en subsidiair tot betaling van een schadevergoeding op te maken bij staat. Voor zover in cassatie nog van belang, stelt de Curator daartoe dat er bij de drie vennootschappen door [verweerder] kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:248 BW is gevoerd. In verband hiermee voert de Curator onder meer aan dat de jaarstukken 2003 van VIH, Verify Nederland en Verify Europe niet vóór of op de uiterste datum van 1 februari 2005 maar, voor wat de eerste twee vennootschappen betreft, op 10 februari 2005 en, voor wat de laatste vennootschap betreft, op 3 augustus 2005 zijn gepubliceerd (dus 10 dagen, respectievelijk 6 maanden te laat).(3.)
1.3
Bij eindvonnis van 1 december 2010 wijst de rechtbank de vorderingen van de Curator af. Met betrekking tot de overschrijding van de uiterste datum voor publicatie van de jaarstukken van Verify Europe over het boekjaar 2003 met ruim zes maanden overweegt de rechtbank dat die overschrijding maar voor drie weken samenvalt met de periode dat [verweerder] nog (indirect) bestuurder van deze vennootschap is geweest en dat de overschrijding voor de duur van die termijn van drie weken moet worden gekwalificeerd als een onbelangrijk verzuim in de zin van artikel 2:248, lid 2, slotzin BW (rov. 4.7). In dezelfde zin overweegt en beslist de rechtbank met betrekking tot de overschrijding van de uiterste publicatietermijn van de jaarstukken 2003 van VIH en Verify Nederland met tien dagen (rov. 4.9).
1.4
De Curator stelt van het vonnis hoger beroep in bij het hof Amsterdam. Hij vermeerdert het bedrag van de primaire vordering tot € 18.114.787,08.
1.5
Het hof bekrachtigt bij arrest van 22 mei 2012 het eindvonnis van de rechtbank. Kort gezegd sluit het hof zich aan bij wat de rechtbank heeft overwogen omtrent de overschrijding van de uiterste publicatiedatum voor de jaarstukken 2003 van Verify Europe, Verify Neder-land en VIH (rov. 3.11, respectievelijk 3.13).
1.6
De Curator komt van het arrest van het hof bij dagvaarding van 20 augustus 2012, derhalve tijdig, in cassatie. [verweerder] concludeert voor antwoord tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk doen toelichten en vervolgens nog van re- en dupliek gediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het aangevoerde cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen, waarvan de meeste nog subonderdelen kennen. Alvorens op de klachten in de vier onderdelen in te gaan, worden eerst enige algemene opmerkingen over artikel 2:248 BW gemaakt.(4.)
Algemene opmerkingen
2.2
In geval van faillissement van een besloten vennootschap biedt artikel 2:248 BW de curator de mogelijkheid om iedere bestuurder van die vennootschap ten volle aansprakelijk te houden voor schulden die door vereffening van de boedel niet kunnen worden voldaan, indien het bestuur van de vennootschap zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is (lid 1). Het moet wel gaan om een onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement (lid 6).
2.3
Indien de verplichtingen tot openbaarmaking van de jaarrekening als omschreven in artikel 2:394 BW niet zijn nagekomen, brengt dat ingevolge lid 2 mee dat het er onweerlegbaar voor moet worden gehouden dat het bestuur in algemene zin zijn bestuurstaak onbehoorlijk heeft vervuld. Eén van die verplichtingen uit artikel 2:394 BW is de verplichting dat het openbaar maken van de jaarrekening uiterlijk dertien maanden na afloop van het betreffende jaar op de voorgeschreven wijze dient plaats te vinden (lid 3 van artikel 2:394 BW). De onbehoorlijke taakvervulling die met het niet-naleven van de verplichtingen uit artikel 2:394 BW is gegeven, wordt in lid 2 verder vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Dit vermoeden kan worden weerlegd.(5.) Achter deze strenge regeling steekt de overweging dat crediteuren van de vennootschap belang hebben bij de naleving van onder meer artikel 2:394 BW(6.), alsook het oogmerk om de bewijspositie van de curator te versterken.(7.)
2.4
In de slotzin van lid 2 is echter bepaald: “Een onbelangrijk verzuim wordt niet in aanmerking genomen.” Het niet in aanmerking nemen van een onbelangrijk verzuim is te verstaan als dat er in dat geval geen sprake is van onbehoorlijke taakververvulling van het bestuur wegens niet nakoming van de verplichtingen uit onder meer artikel 2:394 BW. De slotzin is tijdens de parlementaire behandeling van artikel 2:248 BW alsnog aan lid 2 toegevoegd ter verzachting van de strenge regeling in de eerste volzin.(8.)
2.5
Zeker gezien de gestrengheid van de eerste volzin van lid 2, is van belang wat onder een ‘onbelangrijk verzuim’ is te verstaan. In verband met de onderhavige zaak is die vraag van belang voor het geval van overschrijding van de termijn van publicatie van de jaarrekening.(9.) Kan een korte termijnoverschrijding als zodanig al een onbelangrijk verzuim opleveren? Zo ja, hoe kort dient de termijnoverschrijding te zijn om reeds op die grond als een onbelangrijk verzuim te kunnen worden opgevat? Zo neen, kunnen bijkomende omstandigheden een termijnoverschrijding alsnog een onbelangrijk verzuim doen zijn? Zo ja, aan omstandigheden van welke aard moet dan worden gedacht?
2.5.1
In rov. 3.2 van zijn arrest Pfennings/Niederer qq uit 1996(10.) overweegt de Hoge Raad met betrekking tot een geval van een termijnoverschrijding van 17 dagen onder meer: “Voorop moet worden gesteld dat – anders dan in het geval, berecht in HR 11 juni 1993, NJ 1993, 173 – hier slechts de termijn van art. 394 lid 3 aan de orde is en dat hier in cassatie niet gesproken kan worden van een termijnoverschrijding met “slechts enkele dagen”. Of een overschrijding van beperkte duur als hier wèl aan de orde is, als een onbelangrijk verzuim in voormelde zin kan gelden, hangt af van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid, waarbij opmerking verdient dat aan deze omstandigheden hogere eisen moeten worden gesteld naar mate de termijnoverschrijding langer is. Stelplicht en bewijslast te dier zake rusten op de aangesproken bestuurder. Het hof heeft vastgesteld dat door Pfennings niet een redelijke verklaring voor het verzuim is gegeven, terwijl het hof kennelijk ook overigens in de stukken geen beroep op de omstandigheden van het geval heeft gelezen. Daarvan uitgaande heeft het hof terecht geoordeeld dat het enkele feit dat de termijnoverschrijding niet meer dan 17 dagen heeft bedragen, nog niet meebrengt dat dit verzuim wegens zijn onbelangrijkheid bij de toepassing van artikel 248 lid 2, eerste en tweede volzin, niet in aanmerking mag worden genomen, (…).”
2.5.2
Uit de geciteerde overweging valt af te leiden dat een overschrijding van “enkele dagen” als zodanig – dus zonder dat verklarende omstandigheden hoeven te worden gesteld – als een onbelangrijk verzuim is te beschouwen, maar dat een overschrijding met 17 dagen niet een geval van een overschrijding met “enkele dagen" en dus niet reeds als zodanig een onbelangrijk verzuim vormt. In het arrest uit 1993 waarnaar de Hoge Raad verwijst - het arrest Brens qq/Sarper(11.) -, was met betrekking tot twee boekjaren sprake van overschrijding van de 13 maanden periode met 11 respectievelijk 12 dagen. Het hof merkt beide overschrijdingen aan als een onbelangrijk verzuim.(12.) De Hoge Raad overweegt dienaangaande in rov. 3.3.: “De klachten komen – terecht – niet op tegen het in de tweede zin van ’s hofs r.o. 4.5 besloten liggend oordeel dat, indien wordt aangenomen dat op de voet van artikel 2:210 lid 1 een besluit tot verlenging van de termijn voor het opmaken van de jaarrekening met zes maanden is genomen, sprake is van een onbelangrijk verzuim in de zin van art. 2:248 lid 2 laatste zin, aangezien de jaarrekeningen dan “slechts enkele dagen te laat gedeponeerd” zijn.” Deze overweging laat de conclusie toe dat een overschrijding van 12 dagen als zodanig als een onbelangrijk verzuim is op te vatten.(13.) Geldt dat ook voor een overschrijding van de termijn met 13 tot 16 dagen? Daaromtrent is door de Hoge Raad nog geen expliciete uitspraak gedaan. De lagere rechtspraak biedt hier ook geen houvast.(14.) Voor de rechtspraktijk is het nuttig hier eenvoudigweg een duidelijke grens te trekken, hoezeer de vaststelling daarvan iets willekeurigs blijft houden. Men kan denken aan 14 dagen zoals A-G mr. Mok suggereert onder 4.3.3 van zijn conclusie voor het arrest Pfennings/mr. Niederer uit 1996. Dat levert ook een mooi compromis tussen het resultaat van 1993 en 1996 op.
2.5.3
Als de termijnoverschrijding langer is dan – dat aantal wordt hier maar aangehouden – 14 dagen, dan, zo volgt uit het arrest Pfennings/Niederer qq, kunnen bijkomende om-standigheden de overschrijding toch nog een onbelangrijk verzuim doen zijn. Maar welke, door de bestuurder aan te voeren omstandigheden komen hiervoor in aanmerking? Deze zullen vooral moeten worden gezocht in de reden voor de termijnoverschrijding. Het strookt met de gestrengheid van de regeling van lid 2 van artikel 2:248 BW om die reden als regel te zoeken in omstandigheden die buiten de macht van het bestuur liggen, zoals onverwachte computerstoornissen of het uitvallen van een accountant door ziekte van ongewone duur.(15.)
2.6
Uitgangspunt bij de leden 1 en 2 is dat, indien er sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling aan de zijde van het bestuur, dan in ieder geval ieder die van dat bestuur deel uitmaakt ten tijde van de onbehoorlijke taakvervulling en/of van het uitspreken van het faillissement, hoofdelijk aansprakelijk is. Het enkele feit dat een bestuurder na de aanvang van de onbehoorlijke taakvervulling het bestuur heeft verlaten, staat aan het aannemen van aansprakelijkheid bij die bestuurder niet in de weg.(16.)(17.) Lid 3 biedt echter de individuele bestuurder de mogelijkheid om onder aansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur uit te komen door bewijs te leveren dat de onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur niet aan hem is te wijten en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. Lid 4, tweede volzin, geeft verder de rechter de bevoegdheid om het bedrag van de aansprakelijkheid van een afzonderlijke bestuurder te verminderen, indien hem het bedrag bovenmatig voorkomt, gelet op de tijd gedurende welke die bestuurder als zodanig in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling plaatsvond. In de parlementaire geschiedenis treft men in verband hiermee de volgende passage aan:
“Er kan voorts aanleiding zijn rekening te houden met de tijd waarin de tekortkomingen van het bestuur zijn geschied, wanneer het gaat om de aansprakelijkheid van een nieuwe of een gewezen bestuurder. Het zou niet juist zijn een nieuwe bestuurder aansprakelijk te houden voor het gehele bedrag van het tekort, indien die bestuurder in functie is getreden in een periode dat het bestuur zijn taak al niet behoorlijk vervulde. Het zou ook onjuist zijn, dat de gewezen bestuurder zou zijn gehouden tot betaling van het bedrag waarmede het tekort is toegenomen, indien die toename voornamelijk moet worden toegeschreven aan de voortgezette tekortkomingen van het bestuur in de periode dat hij daarin geen zitting meer had.”(18.)
Onderdeel 1
2.7
Onderdeel 1 keert zich tegen rov. 3.11 van het in cassatie bestreden arrest, in welke overweging het hof beoordeelt of [verweerder] aansprakelijk is te houden wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur van Verify Europe doordat de publicatie van de jaarrekening 2003 ruim zes maanden te laat, te weten niet uiterlijk op 1 februari 2005 maar op 3 augustus 2005, heeft plaatsgevonden. Het onderdeel bestrijdt meer in het bijzonder de opvatting van het hof in rov. 3.11, dat voor de beoordeling van de aansprakelijkheid slechts de eerste drie weken van de termijnoverschrijding in aanmerking zijn te nemen, gedurende welke drie weken [verweerder] nog indirect bestuurder van Verify Europe is geweest.
2.8
In subonderdeel 1.1 wordt gesteld dat, hoezeer [verweerder] slechts de eerste drie weken van de totale termijnoverschrijding van zes maanden (indirect) bestuurder van Verify Europe is geweest, in beginsel toch de volle zes maanden in aanmerking dienen te worden genomen bij de beoordeling of er op hem aansprakelijkheid rust uit hoofde van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling, die ingevolge lid 2 van artikel 2:248 BW dient te worden aangenomen omdat de verplichting van tijdige publicatie van de jaarrekening 2003 niet is nageleefd.
2.9
Van de zijde van [verweerder] wordt als verweer tegen subonderdeel 1.1 aangevoerd dat een bestuurder niet aansprakelijk kan zijn voor hetgeen na zijn aftreden wordt gedaan of nagelaten.(19.) Dit verweer is, naar het voorkomt, niet doeltreffend. Het feit dat er ook nog een tijdlang sprake is geweest van een overschrijding van de voor publicatie voorgeschreven termijn na het aftreden van [verweerder] als bestuurder, is niet louter een gevolg van een doen en nalaten na dat aftreden. Die voortzetting van de overschrijding is mede toe te schrijven aan het feit dat de publicatie niet heeft plaatsgevonden in de periode dat [verweerder] nog (indirect) bestuurder van Verify Europe was. Zou hij als (indirect) bestuurder nog voor de publicatie zorg hebben gedragen, dan zou van een voortzetting van de overschrijding na zijn vertrek geen sprake zijn geweest.(20.) Een goede grond om de termijnoverschrijding van na het aftreden van [verweerder] als (indirect) bestuurder zonder meer niet in aanmerking te nemen ontbreekt dan ook. Wil men de afgetreden bestuurder ter zake van de voortzetting van de termijnoverschrijding na zijn aftreden tegemoet komen, dan lijkt het daarvoor aangewezen middel te zijn het middel van de in lid 4, tweede volzin, voorziene matiging en niet het middel van het in lid 2, slotzin, voorziene onbelangrijk verzuim.
2.10
Hoewel dat in rov. 3.11 niet met zoveel woorden wordt uitgesproken, lijkt achter het in rov. 3.11 door het hof slechts in aanmerking nemen van de drie weken dat [verweerder] nog bestuurder was bij de beoordeling of hij wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling aansprakelijk is te houden, dezelfde gedachte te steken als achter het hiervoor genoemde verweer van [verweerder] in cassatie. Die gedachte komt om de hiervoor in 2.9 vermelde reden niet juist voor. De slotsom is dan ook dat subonderdeel 1.1 doel treft.
2.11
Het hiervoor in 2.10 gestelde brengt mee dat de klachten in de subonderdelen 1.2 en 1.3 geen bijzondere bespreking behoeven. De in subonderdeel 1.2 gesuggereerde maatstaf heeft het hof niet gehanteerd. Daardoor missen dit subonderdeel en de daarop voortbouwende motiveringsklacht in subonderdeel 1.3 feitelijke grondslag.
Onderdeel 2
2.12
Onderdeel 2 bestaat hoofdzakelijk uit over meer subonderdelen verdeelde klachten die aanhaken bij de omstandigheden, waarop het hof in rov. 3.11 met betrekking tot de jaarrekening 2003 van Verify Europe zijn oordeel baseert dat de overschrijding door [verweerder] van de uiterste publicatiedatum met drie weken een onbelangrijk verzuim als bedoeld in de slotzin van lid 2 van artikel 2:248 BW vormt. Omdat het aanhouden van die termijn van drie weken ter beantwoording van de vraag van aansprakelijkheid van [verweerder], zoals hiervoor naar aanleiding van subonderdeel 1.1 uiteengezet, onterecht geschiedt, is de op die termijn geënte weging van de omstandigheden zonder betekenis en daarmee ook de op die omstandigheden aanhakende klachten. Om die reden wordt hier volstaan met de opmerking ten overvloede dat de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden geen omstandigheden vormen, die duidelijk maken dat de termijnoverschrijding om redenen buiten de macht van [verweerder] is opgetreden, ook gedurende de drie weken dat hij nog (indirect) bestuurder van Verify Europe was, zodat de conclusie dat er sprake is van een onbelangrijk verzuim een genoegzame onderbouwing ontbeert.
Onderdeel 3
2.13
In onderdeel 3 wordt het oordeel van het hof in rov. 3.13 bestreden, dat de in verband met de jaarrekeningen 2003 van VIH en Verify Nederland opgetreden termijnoverschrijding met tien dagen als een onbelangrijk verzuim valt aan te merken.
2.14
Het hof spreekt in rov. 3.13 in de eerste plaats als zijn oordeel uit dat een overschrijding van tien dagen in beginsel nog als een onbelangrijk verzuim kan worden aangemerkt. Gelet op hetgeen hierboven in 2.5 t/m 2.5.2 is opgemerkt, komt dat oordeel juist voor. Voor zover in subonderdeel 3.1 erover wordt geklaagd dat een onbelangrijk verzuim niet reeds kan worden aangenomen op de enkele grond dat er sprake is van een termijnoverschrijding met tien dagen, gaat de klacht niet op.
2.15
Het hof voegt aan zijn zojuist genoemd oordeel in rov. 3.13 nog toe dat [verweerder] bovendien een plausibele verklaring voor de termijnoverschrijding heeft gegeven. Dat werkt het hof nader uit door op een aantal omstandigheden te wijzen.
Mede gelet op wat hiervoor in 2.14 is opgemerkt, vormt de toevoeging met de uitwerking daarvan een overweging ten overvloede. Omdat het eerste oordeel standhoudt, slagen de klachten in subonderdeel 3.1 tegen de toevoeging en de uitwerking daarvan reeds niet bij gebrek aan belang. Ten overvloede zij nog opgemerkt, maar dat toch wel met enige aarzeling, dat de toevoeging en de uitwerking wel cassatiebestendig voorkomen, in aanmerking genomen dat het om een heel beperkte termijnoverschrijding gaat.
2.16
Voor de klacht in subonderdeel 3.2 geldt hetgeen hiervoor in 2.15 is opgemerkt.
Onderdeel 4
2.17
Voor zover in onderdeel 4 op subonderdeel 1.1 wordt voortgebouwd, slaagt dit onderdeel eveneens.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest, zij het slechts voor zover daarvan rov. 3.11 en de op die rechtsoverweging voortbouwende beslissingen worden bestreden.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑06‑2013
. De procedure was ook tegen [A] aangespannen. Omdat [A] in cassatie geen rol meer speelt, wordt hij hier verder buiten beschouwing gelaten.
. Andere, in cassatie geen rol meer spelende grondslagen van de vorderingen waren: schending van de boekhoudplicht; misleiding van investeerders; onverantwoord uitgavenbeleid; onvoldoende dagelijkse onder-steuning en begeleiding van de Verify-groep.
. Zie voor algemene beschouwingen over artikel 2:248 BW en het parallelle artikel 2:138 BW onder meer: H. de Groot, Bestuurdersaansprakelijkheid, Deventer: Kluwer 2011, blz. 104 e.v.; J.B. Huizink, ‘Aansprakelijk bestuurders in faillissement’, in: Huizink e.a., Rechtspersonen, Deventer: Kluwer 2010 (losbl.), aant. artikel 2:138 BW; H.M. Rovers, ‘Bewijsvermoedens bij bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement’, V&O 2010, blz. 230-234; Asser/Maeijer-Van Solinge-Nieuwe Weme 2-II*, Rechtspersonenrecht, Deventer: Kluwer 2009, blz. 558 e.v. (nr. 452 e.v.); Van Schilfgaarde/Winter, Van de BV en de NV, Deventer: Kluwer 2009, blz. 172-181; S.N. de Valk, Aansprakelijkheid van leidinggevenden, diss. Groningen, Deventer: Kluwer 2009, blz. 212 e.v.; A.J.P. Schild, ‘Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 2:248 lid 2 BW’, Bb 2007, blz. 57-64; M.J. Kroeze en J.B. Wezeman, ‘De openbaarmakingsplicht en aansprakelijkheid in faillissement’, in: Kroeze e.a. (red.), Verantwoording aan Hans Beckman, Deventer: Kluwer 2006, blz. 325-336; Sanders/Westbroek-Bruijn-Storm, BV en NV, Deventer: Kluwer 2005, blz. 183-191; J.B. Wezeman, Aansprakelijkheid van bestuurders, diss. Groningen, Deventer: Kluwer 1998, met name blz. 296-318.
. Zie in verband met deze mogelijkheid van weerlegging van het vermoeden HR 30 november 2007, LJN BA6773, NJ 2008, 91, m.nt. J.M.M. Maeijer.
. Zie HR 11 juni 1993, LJN ZC0994, NJ 1993, 713 m.nt. Ma, rov. 3.3 en de – op dezelfde vindplaats weergegeven – conclusie van A-G Asser in de HR-zaak nr. 14990, onder 2.18 en 2.19. De verwijzing in lid 2 naar artikel 2:394 BW is niet onbestreden gebleven; zie in dit verband onder meer M.J. Kroeze en J.B. Weze-man, ‘De openbaarmakingsplicht en aansprakelijkheid in faillissement’, in: Kroeze e.a. (red.), Verantwoording aan Hans Beckman, Deventer: Kluwer 2006, blz. 325 e.v.
. TK 1983-1984, 16 631, nr. 3, blz. 1-3.
. TK 1983-1984, 16 631, nr. 6, blz. 18. Naar aanleiding van de vraag of het als onbehoorlijk bestuur aanmerken van het niet tijdig publiceren van de jaarstukken niet een te zware sanctie is voor een geringe overschrijding van de wettelijke of statutaire termijn antwoordt de minister: “Dienaangaande merk ik in de eerste plaats op, dat het mij nauwelijks betwistbaar voorkomt dat het stipt naleven van de voorschriften op het stuk van de openbaarmaking van de jaarrekening een van de wezenlijke, ten opzichte van derden die met de vennootschap te maken hebben meest belangrijke, bestuurstaken is. Het verwaarlozen daarvan moet dan ook als onbehoorlijk bestuur worden aangemerkt. Gaat het om een gering verzuim, dan moet dat uiteraard niet te zwaar worden bestraft. De ontworpen regeling houdt daar onvoldoende rekening mee(…). Ik zie evenwel aanleiding om hier(…) een verbetering in de wettekst aan te brengen. Bij nota van wijziging is deze uitgewerkt, in die zin dat een onbelangrijk verzuim niet in aanmerking wordt genomen.” Zie voor meer relevante passages uit de parlementaire geschiedenis de conclusie van A-G mr. Mok voor HR 2 februari 1993, LJN ZC1981, NJ 1996, 406, onder 3.3 t/m 3.3.5.
. De verwijzing in lid 2 naar artikel 2:394 BW is niet op te vatten als een verwijzing naar alleen lid 3 van dat artikel, waarin de uiterlijk aan te houden termijn voor het openbaar maken van de jaarrekening wordt ver-meld. De verwijzing heeft ook betrekking op de andere in artikel 2:394 BW opgenomen verplichtingen. Zie HR 10 oktober 2006, LJN AY7916, NJ 2007, 2, m.nt. J.M.M. Maeijer, rov. 4.3.2 jo. 4.4.3 en 4.4.4, waarover kritisch: S.N. de Valk, Aansprakelijkheid van leidinggevenden, diss. Groningen, Deventer: Kluwer 2009, p. 234.
. HR 2 februari 1996, LJN ZC1981, NJ 1996, 406.
HR 11 juni 1993, LJN ZC0994, NJ 1993, 713, m.nt. Ma.
. Het hof oordeelt eerst dat door het bestuur van de betrokken vennootschap weliswaar niet formeel maar wel stilzwijgend was besloten om de termijn van publicatie van zes maanden, zoals in de wet voorzien, met zes maanden te verlengen.
. J.B. Huizink spreekt over deze uitleg in de losbladige bundel Rechtspersonen, art. 138, aant. 14a.1 in die zin zijn twijfel uit, dat zijns inziens de curator de mogelijkheid houdt om ook bij een overschrijding van ‘enkele dagen’ aan te tonen dat er geen sprake is van een onbelangrijk verzuim.
. Of een bepaald aantal dagen reeds als zodanig een onbelangrijk verzuim kan opleveren en, zo ja, bij welk aantal dagen dat het geval is, zijn vragen waarover in de lagere rechtspraak geen eenduidigheid bestaat. Zie in dit verband: J.E Brink-van der Meer, ‘Artikel 2:148 BW: Een loterij? Recente ontwikkelingen in jurisprudentie’, TvI, 2009/5, blz. 145 e.v., met name blz. 152 en 153; H.M. Rovers, ‘Bewijsvermoedens bij bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement’, V&O 2010/12, blz. 231.
. Zie in dit verband TK 1983-1984, 16 631, nr. 9 , blz. 16. Zie ook: H.M Rovers, ‘Bewijsvermoedens bij bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement’, V&O 2010/12, blz. 231; Asser/Maeijer-Van Solinge-Nieuwe Weme, 2-II*, 2009, nr. 459, sub d.
. Zie TK 1980-1981, 16 631, nr. 3, blz. 5, waaromtrent de aansprakelijkheid uit de leden 1 en 2 wordt opgemerkt: “Het gaat mede om de personen die het bestuur vormden ten tijde van de onbehoorlijke taak-vervulling die het faillissement ten gevolge had. Door later af te treden kunnen zij zich niet aan hun aansprakelijkheid onttrekken.”
. Zie in dit verband: losbladige bundel Rechtspersonen (J.B. Huizink), art.138, aant. 11. In aant. 18 geeft Huizink als zijn mening dat ook degene, die binnen de driejaarstermijn van lid 6 maar vóór de aanvang van de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling lid van het bestuur is geweest, door aansprakelijkheid wordt getroffen. Anders Hof ’s-Hertogenbosch 13 januari 2009, LJN BI2180.
. TK 1980-1981, 16 631, nr. 3, blz. 5.
Schriftelijke Toelichting, sub 18.
. Hierin ligt een doorslaggevend verschil met het geval dat een bestuurder al uit een bestuur is getreden voordat kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur wegens termijnoverschrijding dient te worden aangenomen.
Beroepschrift 20‑08‑2012
Heden, de [twintigste augustus] tweeduizend twaalf, ten verzoeke van mr. Joris Lensink, wonende te Amsterdam, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
- (i)
Verify International Holding B.V., statutair gevestigd te Eindhoven,
- (ii)
Verify Europe B.V., statutair gevestigd te Hilversum en
- (iii)
Verify Nederland B.V., statutair gevestigd te Hilversum
(correspondentieadres van alle drie deze failliete BV's: Postbus 1031, 1000 BA Amsterdam), die (hierna: ‘de Curator’) te dezer zake woonplaats kiest te (2596 AN) 's‑Gravenhage aan de Jozef Israelslaan nr. 55 (Houthoff Buruma), ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, die door de Curator is aangewezen om hem als zodanig te vertegenwoordigen in na te melden cassatieprocedure;
heb ik,
[Berend Jan Meijering, gerechtsdeurwaarder, gevestigd te Middelburg aan de Dam 2]
[verweerder], wonende te [postcode] [woonplaats] (België) aan de [adres], zonder bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf in Nederland (hierna: ‘[verweerder]’), die (ook) in de vorige instantie laatstelijk woonplaats heeft gekozen te (4331 BL) Middelburg, aan de Balans nr. 13, ten kantore van de advocaat mr. J. Wind (Windsir Advocaten B.V.):
- 1.
op laatst vermeld (kantoor)adres exploot gedaan op de voet van art. 63 lid 1 Rv, (sprekende met) en afschrift hiervan voor [verweerder] latende aan:
[…]
- 2.
aangezegd dat de Curator (met machtiging van de RC ex art. 68 lid 2 Fw) beroep in cassatie instelt tegen het arrest van het gerechtshof te Amsterdam, (tweede) meervoudige burgerlijke kamer, gewezen onder zaaknummer 200.086.125/01 tussen de Curator als appellant en (onder meer) [verweerder] als geïntimeerde en op 22 mei 2012 uitgesproken in het openbaar;
- 3.
gedagvaard om op vrijdag, de zevende september tweeduizend twaalf, des ochtends om 10.00 uur, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, te verschijnen op de zitting van de Hoge Raad in diens gebouw aan de Kazernestraat nr. 52 te 's‑Gravenhage;
- [4.
aangezegd
- a.
dat indien gedaagde, verweerder in cassatie, advocaat stelt maar het hierna te noemen griffierecht niet tijdig betaalt, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, het door de verweerder in cassatie gevoerde verweer buiten beschouwing blijft en diens recht om in cassatie te komen vervalt;
- b.
dat bij verschijning in het geding van gedaagde een griffierecht van € 1.815,00 zal worden geheven, te voldoen binnen vier weken te rekenen vanaf het tijdstip van verschijning;
- c.
dat van een persoon die onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, namelijk van € 302,00, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
- 1e.
een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand, dan wel
- 2e.
een verklaring van de raad als bedoeld in artikel 1, onder b, van die wet, waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de bedragen, bedoeld in artikel 35, derde en vierde lid, telkens onderdelen a tot en met d dan wel in die artikelleden, telkens onderdeel e, van die wet;
- 5.
met dien verstande dat als gevolg van een inmiddels van kracht geworden wijziging van de Wet op de rechtsbijstand nu geldt dat de verklaring wordt verstrekt door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in artikel 2 van die wet, terwijl de bedragen waaraan het inkomen wordt getoetst zijn vermeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand;]
- 6.
om alsdan tegen voormeld arrest te horen aanvoeren het hierna volgende cassatiemiddel;
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt — in het bijzonder van de artikelen 2:9, 2:248 lid 2 en 2:394, alsmede 6:162 BW, 25, 30, 230 lid 1, 332 en 343 e.v. Rv, alsmede art. 5 Wet RO en 121 Grw —, doordat het hof heeft overwogen en beslist als in het hier als ingelast en herhaald te beschouwen arrest waarvan beroep is vermeld, meer in het bijzonder rechtsoverweging 3.11, 3.13, 3.16, 3.21 en 3.22, en op die gronden heeft rechtgedaan als in het dictum van dat arrest van 22 mei 2012, zaaknummer 200.086.125/01 is omschreven (welk dictum als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd), ten onrechte zulks om één of meer van de navolgende, waar nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen gronden.
1. Duur van de termijnoverschrijding
Door in rov. 3.11, bij zijn oordeel dat de termijnoverschrijding voor de publicatie van de jaarstukken 2003 van Verify Europe (die pas op 3 augustus 2005 gepubliceerd zijn hoewel de uiterste publicatiedatum 1 februari 2005 was) waar het [verweerder] betreft als onbelangrijk verzuim moet worden aangemerkt, ten aanzien van diezelfde [verweerder] slechts de periode vóór zijn vertrek als bestuurder (op 21 februari 2005) in aanmerking te nemen, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel niet of onvoldoende naar de eis der wet met redenen omkleed.
1.1.
Het hof heeft miskend dat voor het antwoord op de vraag of tijdig aan de publicatieplicht van art. 2:394 BW is voldaan in verband met de toepassing van art. 2:248 lid 2 BW, (in beginsel) de totale duur van de overschrijding van de voor publicatie van de jaarrekening geldende termijn van dertien maanden (art. 2:394 lid 3 BW) in aanmerking moet worden genomen (in dit geval ruim zes maanden) en niet slechts de duur van deze termijnoverschrijding voor zover deze samenvalt met de periode waarin de uit art. 2:248 BW aangesproken (ex-)bestuurder ([verweerder]) nog in functie was (in dit geval: drie weken). De bestuursverplichting tot tijdige publicatie van de jaarrekening wordt (immers) in art. 2:248 BW dermate fundamenteel bevonden dat deze verplichting op ieder der — mede- en/of opvolgende — bestuurders rust en individuele disculpatie (art. 2:248 lid 3 BW) voor een mede- en/of opvolgende bestuurder die tijdens een deel van de termijnoverschrijding nog in functie was, (in beginsel) niet op haar plaats is. De omstandigheid dat een bestuurder slechts een deel van de tijd waarin is verzuimd aan de publicatieplicht ex art. 2:394 BW te voldoen in functie is geweest, kan onder omstandigheden voor de rechter wel een grond opleveren om van zijn matigingsbevoegdheid ex art. 2:248 lid 4 laatste volzin BW gebruik te maken.
1.2.
Althans heeft het hof eraan voorbijgezien dat (in beginsel) voor de toepassing van art. 2:248 lid 2 BW alleen dat deel van de totale duur van de termijnoverschrijding dat samenvalt met de tijd dat de aangesproken (ex-)bestuurder in functie is geweest, in aanmerking zal (kunnen) worden genomen, indien op grond van — door de (gewezen) bestuurder te stellen en zo nodig te bewijzen — omstandigheden moet worden aangenomen dat de termijnoverschrijding voor zover deze heeft plaatsgevonden ná het vertrek van de aangesproken (ex-)bestuurder niet aan deze (gewezen) bestuurder kan worden toegerekend, waarbij onder meer en vooral valt te denken aan de omstandigheid dat de betreffende jaarrekening reeds vóór of op de datum van diens vertrek is vastgesteld, althans opgemaakt, zodat de verdere vertraging niet, althans niet zonder meer, valt te wijten aan de gewezen bestuurder.
1.3.
Indien het hof de voor de publicatieplicht in verband met art. 2:248 BW aan te houden maatstaf bedoeld onder 1.2 heeft gehanteerd, heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, in die zin dat het hof geen of onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang die ertoe heeft geleid dat van de termijnoverschrijding slechts drie weken van de ruim zes maanden in aanmerking worden genomen, meer in het bijzonder niet waar het betreft de — niet (door [verweerder]) gestelde of anderszins gebleken en door het hof onbenoemd gelaten — omstandigheden op grond waarvan de duur van de termijnoverschrijding voor zover gelegen na het vertrek van [verweerder] (21 februari 2005) niet aan hem kan worden toegerekend.
2. Publicatieverzuim jaarrekening 2003 Verity Europe
Door in rov. 3.11 te oordelen dat de termijnoverschrijding, waar het [verweerder] betreft, als onbelangrijk verzuim moet worden aangemerkt in het licht van de door de rechtbank in aanmerking genomen (in rov. 3.11 weergegeven) feiten en omstandigheden, waarvan aan één (kort gezegd: gebrek aan aandacht voor de publicatie van de jaarstukken 2003) door het hof bijzondere aandacht wordt gegeven terwijl het hof in dit verband nog een omstandigheid aanvoert, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel op dit punt onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
2.1.
Het hof heeft miskend dat het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een onbelangrijk verzuim, afhangt niet alleen van de duur van de termijnoverschrijding, maar van alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder buiten de risicosfeer van het bestuur vallende redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid (zoals langdurige computerstoring), althans omstandigheden die een redelijke verklaring voor de termijnoverschrijding geven.
2.1.1.
Naast de duur van de termijnoverschrijding — die op zichzelf niet volstaat om te spreken van een ‘gering verzuim’ — heeft het hof in rov. 3.11 geen omstandigheden in aanmerking genomen die buiten de risicosfeer van het bestuur vallende redenen opleveren althans die (in enig opzicht) een redelijke verklaring geven voor de termijnoverschrijding van (ruim) zes maanden, althans (ten minste) drie weken. Als zodanig kan (sowieso) niet gelden het gebrek aan aandacht voor de publicatie van de jaarstukken 2003 van Verify Europe, waarvan [verweerder] gedurende zijn bestuursperiode blijk heeft gegeven. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat Verify Europe per 1 januari 2004 en ten tijde van de overname op 26 juli 2004 geen schuldeisers had en niet valt in te zien dat de nadien ‘ontstane’ schuldeisers van handelen met Verify Europe hadden afgezien in geval van tijdige publicatie. Evenzo geldt voor de omstandigheid dat op verzoek van een van de nieuwe investeerders vanaf het najaar van 2004 een uitgebreid due diligenceonderzoek bij Verify Europe heeft plaatsgehad. Indien een van deze omstandigheden wél kan worden opgevat als een buiten de risicosfeer van het bestuur vallende reden althans een verklaring voor de termijnoverschrijding, dan heeft het hof in elk geval het criterium miskend dat, wil (nog) sprake zijn van een ‘gering verzuim’, het merendeel van de in aanmerking te nemen omstandigheden buiten de risicosfeer van het bestuur vallende redenen dan wel een redelijke verklaring moet betreffen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid.
2.1.2.
De door het hof in rov. 3.11 gereleveerde omstandigheden zijn bovendien zowel voor zich als gezamenlijk irrelevant voor het antwoord op de vraag of (nog) sprake is van een onbelangrijk verzuim in de zin van art. 2:248 lid 2 laatste volzin BW.
2.1.2.1.
Het gebrek aan aandacht voor de publicatie van de jaarstukken 2003 van Verify Europe waarvan [verweerder] gedurende zijn bestuursperiode blijk heeft gegeven (met name in de periode van 1 februari 2005 tot 21 februari 2005), kwalificeert niet als relevante omstandigheid omdat de publicatieplicht nu juist een fundamentele bestuursverplichting is en art. 2:248 lid 2 BW aan verwaarlozing de (privaatrechtelijke) consequentie verbindt dat zonder meer als vaststaand moet worden aangenomen dat ieder der bestuurders zijn taak ook voor het overige kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Waar gebrek aan aandacht voor de publicatie van de jaarstukken neerkomt op verwaarlozing van de (elementaire) publicatieplicht, kan deze omstandigheid geen rechtens relevante rol spelen bij het antwoord op de vraag of een overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW als een onbelangrijk verzuim in de zin van art. 2:248 lid 2 BW kan gelden.
2.1.2.2.
Ook is de omstandigheid dat Verify Europe per 1 januari 2004 en ten tijde van de overname op 26 juli 2004 geen schuldeisers had en niet valt in te zien dat de nadien ‘ontstane’ schuldeisers van handelen met Verify Europe hadden afgezien in geval van tijdige publicatie, levert geen rechtens relevante omstandigheid op nu het stipt naleven van de voorschriften op het stuk van de openbaarmaking van de jaarrekening een van de ten opzichte van de vennootschap zélf en van derden die met de vennootschap te maken hebben (dus niet alleen schuldeisers), meest wezenlijke en belangrijke bestuurstaken is, en de wetgever heeft beoogd om de curator in staat te stellen om eenvoudig te bepalen of is voldaan aan de voorschriften van art. 2:248 lid 2 jo. 394 BW zonder dat hij — vooraleer zich te beroepen op art. 2:248 lid 2 BW — telkens moet nagaan of zich in concreto op de balans- (of overname)datum schuldeisers van de vennootschap hebben voorgedaan dan wel of schuldeisers al dan niet van handelen met de vennootschap zouden hebben afgezien in geval van tijdige publicatie. De concrete belangen van de crediteuren bij de openbaarmaking van de jaarrekening c.a. zijn ondergeschikt aan het doel en de strekking van de regeling die is geïnspireerd door preventieve motieven en de achterliggende gedachte dat het behoorlijk bijhouden van de boekhouding en het tijdig publiceren van de jaarrekening c.a. blijk geven van een eerlijk, verantwoordelijk, ordelijk en nauwgezet bestuur; worden deze elementaire verplichtingen niet nagekomen, dan duidt dit op weinig betrouwbaar en serieus ondernemerschap. Indien bepaalde bijzondere omstandigheden ieder van bestuurders kunnen vrijpleiten, zoals (mogelijk) de onderhavige, kan hiermee worden rekening gehouden bij beantwoording van de vraag of het wettelijk vermoeden dat art. 2:248 lid 2 BW in een bepaald geval heeft doen intreden, is weerlegd, dan wel in het kader van de eventuele toepassing van art. 2:248 lid 4 BW.
2.1.2.3.
Ook resp. althans is de omstandigheid dat op verzoek van één van de nieuwe investeerders vanaf het najaar van 2004 een uitgebreid due diligence-onderzoek bij Verify Europe heeft plaatsgehad zonder belang voor het antwoord op de vraag of (nog) sprake is van een onbelangrijk verzuim, gezien de hiervoor onder 2.1.2.2 aangegeven ratio van de bepaling. De belangen van een investeerder op wiens verzoek een (uitgebreid) due diligence-onderzoek met het oog op een overname is verricht, zijn naar hun aard niet (wezenlijk) betrokken bij de openbaarmaking van de jaarrekening, terwijl zo'n due diligence-onderzoek in het kader van een overname, het bestuur niet ontslaat van zijn taak tot tijdige publicatie van de jaarrekening, de naleving waarvan zowel voor. de vennootschap zelf als voor derden die met de vennootschap te maken hebben van essentiële betekenis wordt geacht.
2.2.
Het hof heeft (voorts resp. althans) miskend dat de omstandigheden van het geval, die met zich kunnen brengen dat een overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW als een onbelangrijk verzuim in de zin van art. 2:248 lid 2 derde volzin BW heeft te gelden, door de aangesproken bestuurder moeten worden gesteld en zo nodig bewezen en/of dat aan deze omstandigheden hogere eisen moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is, dan wel heeft het hof zijn oordeel in rov. 3.11 onvoldoende en/of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
2.2.1.
De omstandigheid dat op verzoek van één van de nieuwe investeerders vanaf het najaar van 2004 een uitgebreid due diligence-onderzoek bij Verify Europe heeft plaatsgehad, is door [verweerder] niet, althans niet in verband met het publicatieverzuim inzake Verify Europe gesteld. Indien en voor zover dit wél het geval is, voldoet deze omstandigheid — zowel voor zich als in samenhang met de overige door het hof in aanmerking genomen omstandigheden — niet aan de hogere eisen die horen bij een termijnoverschrijding van (ruim) zes maanden, althans (ten minste) drie weken. Althans resp. in ieder geval is deze (deel)overweging niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd, nu onduidelijk is hoe het vanaf het najaar 2004 op verzoek van een (nieuwe) investeerder uitgevoerd uitgebreid due diligence-onderzoek (ook) voor derden die met de vennootschap te maken hebben, zodanig inzicht in het reilen en zeilen van de vennootschap heeft kunnen geven, dat een overschrijding van de termijn voor de publicatie van de jaarrekening 2003 met (ruim) zes maanden, althans (ten minste) drie weken kan worden aangemerkt als een onbelangrijk verzuim.
2.2.2.
Het gebrek aan aandacht voor de publicatie van de jaarstukken 2003 van Verify Europe waarvan [verweerder] gedurende zijn bestuursperiode blijk heeft gegeven, met name in de periode van 1 februari 2005 tot 21 februari 2005, voldoet — op zichzelf beschouwd — reeds naar zijn aard — maar ook in samenhang met de andere door het hof in aanmerking genomen omstandigheden — niet aan de hogere eisen die horen bij een termijnoverschrijding van (ruim) zes maanden, althans (ten minste) drie weken. Althans resp. in ieder geval is 's hofs beslissing op dit punt onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu het hof met zijn (deel)overweging dat bedoeld gebrek aan aandacht in de omstandigheden van dit geval in het bijzonder niet van zodanig gewicht is dat niet langer kan worden gesproken van een onbelangrijk verzuim, geen inzicht geeft in de omstandigheden die het hof in aanmerking heeft genomen, terwijl het hof suggereert dat de door de rechtbank (wel) in aanmerking genomen omstandigheden reeds voldoende zijn om te spreken van een onbelangrijk verzuim, hoewel nu juist dit gebrek aan aandacht van [verweerder] voor de publicatie (veeleer) een contra-indicatie is om de overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW als ‘gering verzuim’ aan te merken (MvG § 6.20 en 9.26).
2.2.3.
Evenmin voldoet de omstandigheid dat Verify Europe per 1 januari 2004 en ten tijde van de overname op 26 juli 2004 geen schuldeisers had en niet valt in te zien dat de nadien ‘ontstane’ schuldeisers van handelen met Verify Europe hadden afgezien in geval van tijdige publicatie — zowel voor zich als in samenhang met de overige door het hof in aanmerking genomen omstandigheden — aan de hoge(re) eisen die horen bij een termijnoverschrijding van (ruim) zes maanden, althans (ten minste) drie weken. Althans resp. in ieder geval geeft deze (deel)overweging onvoldoende inzicht in de door het hof (met de rechtbank) gevolgde gedachtegang, nu immers schuldeisers noch op de balansdatum (1 januari 2004), noch op de overnamedatum (26 juli 2004) aanspraak kunnen maken op publicatie van de jaarrekening 2003, hetgeen ook geldt voor de nadien ‘ontstane’ schuldeisers die vóór 1 februari 2005 handelden met Verify Europe en pas vanaf 1 februari 2005 aanspraak hadden op duidelijkheid over de financiële toestand van de vennootschap waarmee zij zaken wilden doen.
3. Publicatieverzuim jaarrekening 2003 VIH en Verify Nederland
Door in rov. 3.13 te overwegen dat een overschrijding van tien dagen in beginsel nog als onbelangrijk verzuim kan worden aangemerkt, en dat [verweerder] bovendien een plausibele (door het hof t.a.p. nader beschreven) verklaring heeft gegeven voor de termijnoverschrijding, en — op de stelling van de curator dat het hier geen eenmalige gebeurtenis betreft — dat uit hetgeen hiervoor (in rov. 3.11) is overwogen, volgt dat is geoordeeld dat van een onbelangrijk verzuim sprake is geweest, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.1.
Het hof heeft miskend dat de enkele overschrijding van de openbaarmakingstermijn van art. 2:394 lid 3 BW met tien dagen niet — ook niet in beginsel — als een onbelangrijk verzuim kan worden aangemerkt. Het antwoord op de vraag of een termijnoverschrijding van tien dagen nog als onbelangrijk valt aan te merken, hangt af van alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder buiten de risicosfeer van het bestuur vallende redenen, die tot de termijnoverschrijding hebben geleid, althans omstandigheden die een redelijke verklaring voor de termijnoverschrijding opleveren. Indien en voor zover de door het hof in aanmerking genomen verklaring van [verweerder] voor de termijnoverschrijding moet worden aangemerkt als een ‘oneigenlijke overweging’ ten overvloede, dan heeft het hof miskend dat alleen buiten de risicosfeer van het bestuur vallende redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid, in aanmerking kunnen worden genomen. Althans resp. in ieder geval is 's hofs beslissing op dit punt onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd nu zonder nadere motivering die ontbreekt niet valt in te zien dat de door [verweerder] gegeven verklaring voor de termijnoverschrijding redelijk is waar juist het vanaf het najaar 2004 uitgevoerde due diligence-onderzoek had moeten aansporen tot tijdige publicatie van de jaarrekening 2003 en dat in het kader van dit due diligence-onderzoek ook zeer wel haalbaar moet zijn geweest. Daarbij dient mede in aanmerking te worden genomen dat de stand van de (ICT-)techniek (reeds in 2004 en begin 2005) een redelijk handelend ondernemer in staat stelt om op een (aanzienlijk) kortere termijn dan dertien maanden de jaarrekening op te stellen en te publiceren. Daarnaast moeten de maatschappelijke ontwikkelingen worden meegewogen die het gevolg zijn geweest van de boekhoudschandalen van o.a. Enron, KPNQwest en Ahold en een termijnoverschrijding van enkele (10) dagen niet langer aanvaardbaar maken tenzij zich zeer bijzondere, uitzonderlijke en niet aan de aangesproken bestuurder toe te rekenen omstandigheden hebben voorgedaan. Op deze factoren heeft de curator gewezen (MvA § 9.39–9.43), doch het hof heeft aan dit een en ander niet kenbaar in zijn in rov. 3.13 neergelegde oordeel aandacht besteed.
3.2.
Indien een of meer klachten uit de onderdelen 1 en 2 slagen, zal de beslissing in rov. 3.13, waarin het hof de overschrijding van de publicatietermijn voor de jaarrekening 2003 bij VIH en Verify Nederland met tien dagen (ook) een onbelangrijk verzuim heeft geacht, niet in stand kunnen blijven. Aan dit oordeel heeft immers meegewerkt dat het hof in (door de onderdelen 1 en 2 bestreden) rov. 3.11 heeft geoordeeld dat met betrekking tot de termijnoverschrijding van (ruim) zes maanden, althans (ten minste) drie weken inzake de jaarrekening van Verify Europe 2003 (ook) van een onbelangrijk verzuim sprake is geweest.
4. Slotklacht
In geval een of meer van middelonderdelen 1 t/m 3 geheel of gedeeltelijk slagen, komt de grondslag te ontvallen aan de voortbouwende rechtsoverwegingen 3.16 (bewijsvermoeden), 3.21 (slotsom, proceskosten en dictum), en 3.22 (bewijsaanbod en proceskosten in appel), voor zover deze zien op de publicatieverzuimen. Deze rechtsoverwegingen en de beslissing (4) kunnen dan niet in stand blijven.
Mitsdien
op grond van dit middel te horen concluderen dat het de Hoge Raad moge behagen het bestreden arrest met zaaknummer 200.086.125/01 uitgesproken op 22 mei 2012 en gewezen door het gerechtshof te Amsterdam, te vernietigen, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal (ver)menen te behoren, ook ten aanzien van de kosten.
De kosten dezes zijn voor mij, deurwaarder,[€79,27]
[dagvaarding | € | 76,17 |
gba 17.08.2012 | € | 3,10 |
totaal | € | 79.27] |