Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/13.2.1
13.2.1 Cessie
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90954:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Er zijn veel verschillende vormen van factoring, waaronder ook varianten waarbij het risico van niet-betaling op de leverancier blijft rusten zoals de verbruikleen- en bevoorschottingsconstructie. Bij deze varianten worden in de literatuur vraagtekens geplaatst bij de geldigheid hiervan vanwege het bepaalde in art. 3:84 lid 3 BW. Zie hierover Beuving 1996, nr. 76-83, 86-96; Reehuis 2010, nr. 8.86; Rongen 2012, nr. 729-735; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/286; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/360; Asser/Houben 7-X 2015/76, 81; Snijders & Rank-Berenschot 2017/199.
Vgl. HR 18 februari 1994, NJ 1994/462 (Koninklijke Nijverdal Ten Cate/Wilderink q.q.) over fiduciaire eigendom. Pitlo 1942, p. 328; Mijnssen 1981, p. 648; Vriesendorp 1985, p. 120; Mezas 1985, p. 19-23; Faber & Van Hees, NTBR 1994/8, p. 194; Kortmann 1994, p. 748; Beuving 1996, p. 137; Verdaas 2008, p. 289; Wibier 2009, nr. 20; Biemans 2011, p. 281; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 274; Reehuis 2013, nr. 23; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/348; Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/533; Asser/Sieburgh 6-II 2017/258; Snijders & Rank-Berenschot 2017/49. T.E. Booms, Aanvullen van subjectieve rechten (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer, nr. 613-628.
MvA I, Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1241; HR 28 april 1989, NJ 1990/252 (Van Essen/NMB). Vgl. HR 19 mei 1995, NJ 1996/119, r.o. 3.4.3 (Keereweer q.q./Sogelease); HR 3 juni 2016, JOR 2016/287, m.nt. NEDF en SCJJK (Rabobank/Reuser). Zie ook Faber & Van Hees, NTBR 1994/8, p. 196; Kortmann, AA 1994, p. 750; Faber 1997, p. 216; Faber 2007, p. 36; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/967a-977; Reehuis 2013, nr. 55; Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/543; Snijders/Rank-Berenschot 2017/493; Verheul 2018, p. 413-421.
MvA I, Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1241-1242; Kortmann, AA 1994, p. 750-751; Faber & Van Hees, NTBR 1994/8, p. 196; Vriesendorp 1985, p. 120; Reehuis 2013, nr. 111-112; Bergervoet 2014, nr. 272; Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/544, 555; Faber in zijn noot onder rb. Noord-Holland 28 december 2016, JOR 2018/16. Voorzichtig: Snijders & Rank-Berenschot 2017/492.
Dit geldt ook als de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing wordt verklaard op de leverancier, maar niet als aan de leverancier surseance van betaling is verleend. Zie Asser/Kortmann 3-III 2017/58.
Fikkers 1992, p. 119; Biemans 2011, p. 486-487; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/346; Asser/Sieburgh 6-II 2017/261. Anders: Beekhuis in noot onder HR 19 juni 1964, NJ 1965/341; Perrick 1996, p. 247; Verheul 2018, p. 426.
Verheul 2018, p. 427. Anders: Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/346.
Verheul 2018, p. 427.
Verhagen & Rongen 2000, p. 134-136.
Verheul 2018, p. 424-4331.
Een financier kan de verstrekking van leverancierskrediet financieren door de koopprijsvordering van de leverancier op de koper te verwerven. Deze vorm van financiering wordt onder meer door factormaatschappijen gebruikt.1 De leverancier cedeert zijn vordering op de koper; de financier betaalt hiervoor een koopprijs. Hiermee wordt de vordering van de leverancier voldaan, althans in economische zin. Het is geen daadwerkelijke voldoening van de koopprijsvordering op de koper, want daarmee zou de gecedeerde vordering tenietgaan.
De leverancier kan de vordering op de koper openbaar of stil cederen. De openbare cessie geschiedt door middel van een akte van cessie en een mededeling van de cessie aan de koper (art: 3:94 lid 1 BW). In het geval van een stille cessie is een authentieke akte of een geregistreerde onderhandse akte vereist (art. 3:94 lid 3 BW).
Door de cessie neemt de financier het betalingsrisico over van de leverancier. Daarom zal hij de bij de vordering behorende zekerheid eveneens willen verwerven. Heeft de leverancier een eigendomsvoorbehoud bedongen, dan gaat de eigendom onder ontbindende voorwaarde echter niet van rechtswege met de vordering mee over. De voorbehouden eigendom is namelijk geen afhankelijk recht in de zin van art. 3:7 BW of een nevenrecht ex art. 6:142 BW.2
Dit betekent dat de financier de voorbehouden eigendom moet verkrijgen via een overdracht. Deze overdracht kan eenvoudig geschieden door middel van een tweezijdige verklaring (levering cp), eventueel met een mededeling aan de koper (levering longa manu). Dit is geen met art. 3:84 lid 3 BW strijdige overdracht, omdat het een werkelijke overdracht van de voorbehouden eigendom betreft. De financier verkrijgt de voorbehouden eigendom zonder beperkingen.3
Wordt voor de zaken een koopprijs betaald door de financier aan de leverancier, dan heeft de financier niet de bedoeling om de koopprijsvordering op de koper te voldoen. Hij vervult dus niet de opschortende voorwaarde waaronder de leverancier de zaken aan de koper heeft overgedragen. Dit zou immers leiden tot het vervallen van de eigendom onder ontbindende voorwaarde waar de financier nu juist een koopprijs voor betaalt. De financier voldoet een schuld die hij heeft aan de leverancier op grond van de koopovereenkomst met betrekking tot de voorbehouden eigendom.4
De financier bevindt zich door de cessie en de overdracht van de voorbehouden eigendom echter niet volledig in de positie van de leverancier. Dit wordt zichtbaar als de koper de vordering niet voldoet. Op dat moment wil de financier het eigendomsvoorbehoud effectueren. Hij wil de volledige eigendom van de zaken verkrijgen. Ontbinding van de koopovereenkomst is vereist, zodat de voorwaarde nooit meer kan worden vervuld en de voorwaardelijke eigendom van de koper vervalt. De koper houdt de zaak dan zonder recht en de leverancier kan als onvoorwaardelijk eigenaar de zaak revindiceren.
De koopovereenkomst kan echter niet worden ontbonden door de financier, want hij is geen contractspartij. Dit zijn nog steeds de leverancier en de koper. De financier is voor ontbinding dus afhankelijk van de medewerking van de leverancier. De leverancier kan door middel van een (onherroepelijke) volmacht de ontbindingsbevoegdheid aan de financier verstrekken, maar wel met dien verstande dat als de leverancier failliet gaat, de volmacht eindigt (art. 3:72 onder a BW).5
Het overdragen van het ontbindingsrecht wordt door de meerderheid van de auteurs niet mogelijk geacht.6 Een minderheid meent echter dat de overdracht van het ontbindingsrecht mogelijk is of zou moeten zijn. Dit sluit aan bij het Duitse recht waar het ontbindingsrecht als een zelfstandig recht kan worden overgedragen. De auteurs leggen verschillende grondslagen aan deze overdracht ten grondslag.
Een eerste aangevoerde grondslag voor de overdracht van het ontbindingsrecht is art. 3:304 BW. Zij bepaalt dat een rechtsvordering niet kan worden gescheiden van het recht waarvoor zij tot bescherming strekt. Deze bepaling beoogt te voorkomen dat de onwenselijke situatie ontstaat waarin de bevoegdheid en het belang bij verschillende personen rusten.7 Bij een cessie en overdracht van de voorbehouden eigendom aan de financier rust de bevoegdheid tot ontbinding nog steeds bij de leverancier. Het belang van de ontbindingsbevoegdheid rust echter (mede) bij de financier. De financier heeft belang bij de ontbinding in het geval de koper de vordering niet voldoet. Ontbinding vormt een pressiemiddel of een remedie in geval van niet-nakoming door de koper. In de literatuur wordt hierom aangevoerd dat de ontbindingsbevoegdheid aan de financier moet toekomen op grond van (een analoge toepassing van) art. 3:304 BW.8 Naar mijn mening heeft de leverancier echter ook nog steeds belang bij de bevoegdheid om de overeenkomst met de koper te kunnen ontbinden. Tussen de leverancier en koper bestaat namelijk een koopovereenkomst. Deze is niet overgegaan op de financier, anders dan bij contractsoverneming. Komt de koper een andere verplichting uit de overeenkomst niet na, dan vormt ontbinding een pressiemiddel of remedie voor de leverancier. Art. 3:304 BW (analoog) vormt daarom geen overtuigende grondslag naar mijn mening.
De analoge toepassing van art. 6:279 BW wordt als tweede mogelijke rechtsgrond aangevoerd om de financier de bevoegdheid te geven om de overeenkomst te ontbinden. Deze bepaling zou een grondslag vormen voor een gezamenlijke ontbindingsbevoegdheid van de financier en leverancier. Aangenomen wordt dat door de cessie een driepartijenverhouding ontstaat tussen de cedent, cessionaris en de debiteur van de vordering.9 Dit helpt de financier naar mijn mening echter niet (altijd) omdat, aangenomen dat een driepartijenverhouding ontstaat, de financier afhankelijk van medewerking van de leverancier blijft voor ontbinding.
Het overdragen van het ontbindingsrecht is een derde wijze waarop de financier mogelijk de bevoegdheid tot ontbinding verkrijgt. De premisse is dat het ontbindingsrecht een wilsrecht met een voldoende zelfstandig karakter is en de leverancier dit recht kan overdragen. Het ontbindingsrecht kan namelijk een functie vervullen als het aan een ander dan de contractuele partij toekomt, zoals de financier.10 Door overdracht van dit recht wordt voorkomen dat de leverancier/cedent de overeenkomst kan ontbinden waardoor de gecedeerde vordering tenietgaat en de financier deze vordering verliest. Anders dan in het Duitse recht is dit niet het geldende Nederlandse recht.
Het voorgaande ging steeds over de situatie waarin de leverancier een eigendomsvoorbehoud had bedongen. Uit de vorige hoofdstukken volgt dat de leverancier ook een voorrangspositie kan verkrijgen door zich een pandrecht op de geleverde zaak voor te behouden. In dat geval spelen bovengenoemde problemen niet. Ten eerste gaat het pandrecht namelijk als afhankelijk recht automatisch mee over als de vordering waarvoor het tot zekerheid strekt wordt gecedeerd aan de financier.11 De vordering en het zekerheidsrecht komen door de cessie direct in dezelfde hand, terwijl bij het eigendomsvoorbehoud een afzonderlijke overdracht van (de voorwaardelijke eigendom) de zaken is vereist. Ten tweede heeft de financier als pandhouder het recht van parate executie indien de koper in gebreke is met voldoening van de vordering. Hij kan de verpande zaken opeisen en verkopen, waarna hij zich op de opbrengst kan verhalen.