Einde inhoudsopgave
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/4.3.5
4.3.5 Chinese Workers
mr. G.P. Oosterhoff, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. G.P. Oosterhoff
- JCDI
JCDI:ADS348013:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 7 februari 2012, JOR 2012/143 (Chinese Workers), rov. 3.5, 3.6.
Hoge Raad 29 maart 2013, JOR 2013/166 (Chinese Workers), rov. 3.5, 3.6
Een wat andere nadruk – meer op het “eigen” economische belang – legt S.M. Bartman, Het goudschaaltje van Ingelse, Over de enquêtebevoegdheid van afgeleid-gerechtigden, in: G.C. Makkink, M.P. Nieuwe Weme en A.J. van Wees, Ik ben niet overtuigd, Opstellen aangeboden aan mr. P. Ingelse, Prinsengrachtreeks, Nijmegen: Ars Aequi Libri, 2015, p.46, 47.
Anders dan Assink (B.F. Assink || W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 2), Deventer: Kluwer 2013, p. 1620-1639) meen ik dat in de Chinese Workers-beschikking geen sprake is van een “derde scenario” van gelijkstelling met aandeelhouders/certificaathouders door het “wegdenken” van een vennootschap als tussenliggende schakel – naast een “eerste scenario” van economische gerechtigdheid en een “tweede scenario” van de concernenquête. Het “eerste scenario” en het “derde scenario” liggen dicht bij elkaar; het verschil is dat de tussenliggende schakel niet de vorm heeft van een contractuele band of onverdeelde nalatenschap maar van een vennootschap zonder eigen activiteiten.
De feitelijke omstandigheid dat de opbrengsten van de aandelen, zoals in het geval van Chinese Workers, worden (door)betaald aan de houders van het economische belang/aandeelhouders in de tussenliggende vennootschap betekent niet dat sprake is van een (afdwingbaar) vorderingsrecht.
a. Casus en oordeel
De aandelen in Chinese Workers B.V. werden gehouden door Chinnede Ltd, een vennootschap naar Chinees recht, gevestigd te Hong Kong. De aandelen in Chinnede werden gehouden door verschillende aandeelhouders, waaronder mevrouw Yeh-Chiu die ten minste 25% van de aandelen in Chinnede houdt. Yeh-Chiu deed een enquêteverzoek ten aanzien van Chinese Workers. De Ondernemingskamer formuleerde expliciet dat zij gelet op de economische werkelijkheid een uitzondering maakte op de hoofdregel van artikel 2:346 lid 1 BW en oordeelde dat de aandeelhouders in Chinnede moesten worden aangemerkt als de economisch gerechtigden in Chinese Workers gelet op de omstandigheden dat Chinnede geen andere ondernemingsactiviteit verrichtte dan het beheren van de aandelen in Chinese Workers, dat dit beheer feitelijk niet vanuit Hong Kong werd verricht en ook niet van daaruit behoefde te worden verricht, dat alle ondernemingsactiviteiten door of in opdracht van Chinese Workers werden verricht en dat bepaalde inkomsten van Chinese Workers door haar wederpartijen rechtstreeks aan de aandeelhouders van Chinnede werden betaald naar rato van hun aandelenbezit. Yeh-Chiu werd als economisch gerechtigde enquêtebevoegd geacht.1
De Hoge Raad stelde voorop dat enquêtebevoegdheid in artikel 2:346 BW limitatief wordt toegekend, maar dat volgens vaste rechtspraak de strekking van het enquêterecht meebrengt dat “de verschaffer van risicodragend kapitaal die een eigen economisch belang heeft in de vennootschap (…) welk belang in zoverre op een lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder”, wat betreft enquêtebevoegdheid moet worden gelijkgesteld met aandeelhouders of certificaathouders. Niet duidelijk is of “in zoverre” terugslaat op het economische belang als risicodragend kapitaalverschaffer en daarmee nadere eisen stelt aan het feitelijk gelijklopen van het belang van de aandeelhouder en het belang van de economisch gerechtigde, of een verdere onderbouwing inleidt van de gelijkstelling. Mogelijk is ook dat de zinsnede verwijst naar “de strekking van het enquêterecht” om tot uitdrukking te brengen dat het oordeel daarbuiten geen betekenis heeft. De Hoge Raad oordeelde vervolgens dat de Ondernemingskamer heeft vastgesteld dat de aandeelhouders in Chinnede – waaronder Yeh-Chiu – onder de gegeven omstandigheden moeten worden aangemerkt als de economisch gerechtigden in Chinese Workers, daarmee tot uitdrukking brengend dat Yeh-Chiu als verschaffer van risicodragend kapitaal een eigen economisch belang heeft dat in zoverre kan worden gelijkgesteld met het belang van een aandeelhouder. Dat oordeel getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting, was niet onbegrijpelijk en was toereikend gemotiveerd:2
“De omstandigheid dat Yeh-Chiu niet rechtstreeks aandelen houdt in Chinese Workers, maar dat zij door middel van aandelen in Chinnede een economisch belang heeft in Chinese Workers, doet daaraan niet af. Ook de omstandigheid dat Chinnede een vennootschap is naar het recht van Hong Kong leidt niet tot een ander oordeel, nu de ondernemingskamer heeft vastgesteld dat de ondernemingsactiviteiten plaatsvinden in Chinese Workers.”
De Ondernemingskamer liet in haar TESN-beschikking een mogelijkheid van uitzondering open (op de regel dat een tussenliggende vennootschap niet wordt weggedacht), welke de Hoge Raad niet overnam. In de Chinese Workers-beschikking maakt de Ondernemingskamer van die mogelijkheid gebruik; de Hoge Raad laat dat in stand, beide zonder duidelijke motivering.
b. Analyse
Het oordeel kan als volgt worden ontleed. Enquêtebevoegdheid komt toe aan een partij die het economische belang houdt bij aandelen of certificaten, indien hij verschaffer van risicodragend kapitaal is en zijn belang in zoverre op één lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder.3 Geen eisen worden gesteld aan de band tussen aandeelhouder/certificaathouder enerzijds en de houder van het economische belang anderzijds. Die band behoeft in ieder geval niet contractueel te zijn maar kan ook worden gevormd door een (buitenlandse) vennootschap zonder ondernemingsactiviteiten. Hier ging het om de schakels (i) de aandeelhoudersband tussen de Nederlandse vennootschap en de Chinese vennootschap, (ii) de aandeelhoudersband tussen de Chinese vennootschap en dier aandeelhouder, de economisch belanghouder.4 Niet duidelijk is of de economisch gerechtigde het gehele belang bij de aandelen behoeft te hebben. De verwijzing naar de positie van verschaffer van risicodragend kapitaal maakt wel aannemelijk dat het houden van het gehele belang vereist is voor enquêtebevoegdheid. Van de noodzaak van een vorderingsrecht van de houder van het economische belang ten aanzien van (de opbrengsten van) de aandelen blijkt niet. In tegendeel, uit het feit dat de tussenliggende schakel een vennootschap kan zijn, moet worden afgeleid dat zo’n vorderingsrecht geen vereiste is voor enquêtebevoegdheid. Een economisch belanghouder die aandeelhouder is van de tussenliggende vennootschap heeft uit de aard der zaak geen vorderingsrecht ten aanzien van de opbrengsten van (dividenden op) de aandelen die de tussenliggende vennootschap houdt in de gerekwestreerde vennootschap; de aandeelhouder heeft (slechts) aanspraak op de winst van de tussenliggende vennootschap in de zin van het verschil tussen baten (genoemd dividend) en lasten; de crediteuren van de tussenliggende vennootschap gaan immers voor.5