Einde inhoudsopgave
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/4.3.3
4.3.3 Butôt
mr. G.P. Oosterhoff, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. G.P. Oosterhoff
- JCDI
JCDI:ADS345558:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 17 februari 2009, JOR 2009/129 (Butôt), rov. 3.3. In een voorafgaand aan de Butôt-beschikking van de Hoge Raad gegeven beschikking formuleerde de Ondernemingskamer het criterium overigens nog losser; het verzoek werd niet ontvankelijk verklaard “aangezien [verzoekster] noch aandeelhouder of certificaathouder is van bedoelde vennootschappen, noch daarin een economisch belang houdt”, Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 15 januari 2010, ARO 2010/22 (EXIN), rov. 3.1.
Hoge Raad 10 september 2010, JOR 2010/337 (Butôt), rov. 3.6.3.
Terzijde zij opgemerkt dat naast de erfgenamen ook de vereffenaar enquêtebevoegd is, vergelijk Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 23 december 2014, JOR 2016/191 en Hoge Raad 18 maart 2016, JOR 2016/190 (Hummel/Erven Endstra), zie conclusie A-G Timmerman onder 3.7. Voorts zij vermeld dat de Ondernemingskamer ook een deelgenoot in een onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap waartoe aandelen behoorden, als verschaffer van risicodragend kapitaal gelijk te stellen met een aandeelhouder, enquêtebevoegd heeft geoordeeld, Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 1 oktober 2014, ARO 2015/1 (Nieuwendijk Monumenten).
De eerste stap, de schakel bestaande uit de aandeelhoudersband tussen vennootschap en aandeelhouder/administratiekantoor, is gelet op de gelijkstelling van aandelen en certificaten in artikel 2:346 BW niet relevant; de houder van het aandeel, die het certificaat heeft uitgegeven, is het vertrekpunt.
Tegen het zeggenschapsvereiste uit de Scheipar-beschikking was in de literatuur verzet gerezen, zie Asser-Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/738 en de conclusie van A-G Timmerman voor de Butôt-beschikking sub 3.9.
a. Casus en oordeel
De aandelen in Butôt Holding B.V. werden gehouden door Stichting Administratiekantoor Butôt. De certificaathouder, Butôt sr., overleed, waarna zijn vier kinderen elk voor 25% deelgenoot werden in de onverdeelde nalatenschap waarvan de certificaten deel uitmaakten. Twee van de vier kinderen deden een enquêteverzoek ten aanzien van Butôt Holding B.V. De vennootschap verweerde zich met het argument dat verzoekers geen certificaathouders waren, maar slechts een voorwaardelijk recht op levering van de certificaten hadden, onder de opschortende voorwaarde van beëindiging van de executele en de verdeling van de nalatenschap. De Ondernemingskamer verwierp dit argument:1
“Indien het economische belang van de certificaten bij verzoekers ligt, brengt de strekking van het enquêterecht mee dat daardoor aan de kapitaalverschaffer verleende bescherming door de economisch rechthebbende op de certificaten kan worden ingeroepen. Verzoekers moeten daarom gelijk worden gesteld met certificaathouders als bedoeld in artikel 2:346 aanhef en onder b BW. Verzoekers hebben gezamenlijk een aandeel van 50% in de nalatenschap, hetgeen overeenkomt met 50% van de certificaten van AK Butôt, en zijn dus bevoegd tot het doen van een enquêteverzoek.”
De vennootschap kwam hier in cassatie tegen op, onder meer met het argument dat niet is voldaan aan beide criteria van de Scheipar-beschikking: zeggenschap en economisch belang. De Hoge Raad overwoog:2
“Het oordeel van de ondernemingskamer dat het economisch belang van de onderhavige certificaten bij Butôt c.s. ligt, dat zij als economisch rechthebbenden op de certificaten de bescherming van het enquêterecht kunnen inroepen en dat zij daarom moeten worden gelijkgesteld met de in art. 2:346, aanhef en onder b, BW bedoelde certificaathouders en als economisch gerechtigden tot 50% van de certificaten bevoegd zijn tot het doen van een enquêteverzoek, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.
In een geval als het onderhavige, waarin Butôt c.s. ieder voor hun aandeel in de nalatenschap moeten worden aangemerkt als economische certificaathouder voor wier rekening en risico de certificaten worden gehouden, brengt de strekking van het enquêterecht mee dat zij de daardoor aan hen als verschaffer van risicodragend kapitaal verleende bescherming kunnen inroepen en met de in art. 2:346, aanhef en onder b, BW bedoelde certificaathouders kunnen worden gelijkgesteld, ook indien aan hen geen bevoegdheden met betrekking tot de zeggenschap toekomen (vgl. HR 6 juni 2003, nr. R02/078, LJN AF9440, NJ 2003/486).
Aan deze gelijkstelling met de in art. 2:346, aanhef en onder b, BW bedoelde certificaathouders en de daarop gebaseerde bevoegdheid van Butôt c.s. om een enquêteverzoek te doen, staat niet in de weg dat een executeur is benoemd die tot taak heeft de goederen der nalatenschap, waartoe de certificaten van aandelen behoren, te beheren en de erfgenamen in en buiten rechte te vertegenwoordigen.
De bevoegdheid tot het doen van een enquêteverzoek hangt in een geval als het onderhavige, anders dan de onderdelen tot uitgangspunt nemen, niet ervan af of de verzoeker de hoedanigheid toekomt van houder van de certificaten die deel uitmaken van de onverdeelde nalatenschap, maar of deze als kapitaalverschaffer een eigen economisch belang bij die certificaten heeft.”
b. Analyse
Het oordeel van de Hoge Raad, deels door verwijzing naar dat van de Ondernemingskamer, kan als volgt worden ontleed. Enquêtebevoegdheid komt toe aan een partij die het economische belang houdt bij certificaten, de “economische certificaathouder”. Als verschaffer van risicodragend kapitaal wordt hij gelijkgesteld met de certificaathouder en komt hem de bescherming van het enquêterecht toe. Duidelijker dan in Scheipar wordt de houder van het economische belang hier als kapitaalverschaffer beschouwd. Het verband tussen certificaathouder en economisch gerechtigde behoeft geen contractuele band te zijn maar kan ook bestaan uit deelgenootschap in een onverdeelde nalatenschap waartoe de certificaten behoren.3 De schakels tussen certificaat en economisch belanghouder waren hier (i) de band tussen aandeelhouder/administratiekantoor en de nalatenschap waartoe de certificaten behoorden;4 en (ii) de band tussen de nalatenschap en de erfgenamen. Vereist is wel dat de economisch rechthebbende het gehele economische belang bij de certificaten heeft. Niet vereist is dat de economisch rechthebbende ook bevoegdheden met betrekking tot de zeggenschap toekomen.5