Zie C.P.J. Scheele, Het beoordelen van getuigenverzoeken: een leidraad voor de praktijk, Strafblad 2011, p. 62-72 en het recente proefschrift van M.J. Dubelaar, Betrouwbaar getuigenbewijs, 2014, p. 287 e.v.
HR, 01-07-2014, nr. 13/00717
ECLI:NL:HR:2014:1567
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-07-2014
- Zaaknummer
13/00717
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:1567, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 01‑07‑2014; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX3748, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:627, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:627, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 11‑03‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1567, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑04‑2013
- Vindplaatsen
NJ 2014/443 met annotatie van M.J. Borgers
SR-Updates.nl 2014-0288
Uitspraak 01‑07‑2014
Inhoudsindicatie
Afwijzing getuigenverzoek. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2014:1496 omtrent de beoordeling van cassatieklachten over beslissingen inzake verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen. Gelet hierop is de afwijzing door het Hof van het verzoek tot het horen van de door de raadsman genoemde vijf personen als getuige niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De HR neemt daarbij in aanmerking dat het Hof rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de verdediging eerst daags voor de t.tz. in h.b. de beschikking heeft gekregen over de p-v’s van de getuigenverklaringen die bedoelde personen ten overstaan van de RC hebben afgelegd in de strafzaak tegen een medeverdachte, en voorts dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdediging niet voldoende specifiek heeft aangegeven t.a.v. welke punten zij hen als getuige nader wenste te bevragen. Ook neemt de HR in aanmerking dat de verdediging haar verzoek t.a.v. drie van de vijf bedoelde personen niet nader heeft gemotiveerd en dat de verdediging t.a.v. twee bedoelde personen slechts heeft onderbouwd door te verwijzen naar omstandigheden waarover deze getuigen zich al hadden uitgelaten in eerdere, reeds langer tot het dossier behorende schriftelijke verklaringen.
Partij(en)
1 juli 2014
Strafkamer
nr. 13/00717
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 augustus 2012, nummer 22/003583-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van een verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen.
2.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"De raadsman van de verdachte verzoekt het hof de behandeling van de zaak aan te houden. Hij licht dit verzoek als volgt toe:
Pas gisterenavond ontving ik per fax van het ressortsparket een aantal processen-verbaal van getuigenverhoren van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Gravenhage van 14 september 2011. Deze getuigenverhoren zijn afgelegd in de (nog steeds in eerste aanleg aanhangige) zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]). Het gaat om de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5]. In verband met de late toezending heb ik deze processen-verbaal niet goed kunnen bestuderen. Ik neem aan dat het openbaar ministerie wenst dat deze stukken in het dossier van de onderhavige zaak worden gevoegd. In dat geval wenst de verdediging nog een aantal getuigen te horen.
De advocaat-generaal excuseert zich voor de late toezending van voornoemde stukken. De advocaat-generaal deelt voorts als reactie op het aanhoudingsverzoek van de raadsman mede:
Ik verzet mij tegen aanhouding van de zaak. In de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] heeft de verdediging op de terechtzitting in eerste aanleg van 24 juni 2011 verzocht genoemde getuigen te horen. Ondanks het feit dat de zaak tegen de verdachte op die zitting gelijktijdig werd behandeld, heeft de (raadsman van) de verdachte zich niet aangesloten bij die onderzoekswensen. De getuigen zijn uitgebreid gehoord, zodat de verdachte door het niet opnieuw horen van deze getuigen mijns inziens redelijkerwijs niet in haar verdediging is geschaad.
De raadsman deelt desgevraagd door de voorzitter mede:
De mogelijkheid bestaat dat de diefstal heeft plaatsgevonden ten tijde van de alarmmelding op 27 december 2010, een dag waarop mijn cliënt niet in (de buurt van) de woning van aangever is geweest. In de desbetreffende verhoren hebben verschillende getuigen, waaronder [getuige 2], onder meer verklaard over de datum waarop [medeverdachte] in het sportcafé te Nijmegen was. Deze datum is voor mijn cliënt van groot belang, nu uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] in dat café zou zijn gezien met (mogelijk) gestolen goederen uit de woning van aangever. De verdediging heeft derhalve het recht om de getuigen hierover nader te bevragen.
Omdat [getuige 4] een verklaring heeft afgelegd die strijdig is met de inhoud van weerrapporten van het KNMI, wenst de verdediging deze getuige te confronteren met die rapporten. [getuige 4] heeft verklaard dat er sneeuw lag toen hij met zijn auto in de nacht van 26 op 27 december 2010 in verband met een alarmmelding bij de woning van aangever arriveerde. Hij heeft toen geen sporen in de sneeuw waargenomen. Het is mogelijk dat [getuige 4] eventuele sporen heeft uitgewist met zijn eigen auto. De verdediging wenst hem hierover te bevragen.
In verband met de late toezending van de processen-verbaal kan ik momenteel niet nauwkeuriger aangeven welke vragen de verdediging aan de getuigen wenst te stellen. Het is mogelijk dat er nog andere vragen zullen rijzen.
De advocaat-generaal stelt voor om de betreffende processen-verbaal niet in het dossier van onderhavige zaak te voegen.
De raadsman deelt hierop mede dat hij primair persisteert bij zijn gedane aanhoudingsverzoek. De nieuwe informatie noopt zijns inziens tot het stellen van nadere vragen. Subsidiair verzoekt de raadsman de processen-verbaal niet in het dossier van onderhavige zaak te voegen.
De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad.
Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
De processen-verbaal van getuigenverhoren van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Gravenhage, van 14 september 2011, afgelegd in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte], zullen in het dossier van de onderhavige zaak worden gevoegd.
Het hof wijst het verzoek tot aanhouding van de zaak en het horen van getuigen af. De getuigen zijn niet tijdig bij schriftuur opgegeven, zodat het verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium. Ten aanzien van de getuige [getuige 4] geldt bovendien dat deze reeds in eerste aanleg, in een op tegenspraak gevoerde procedure, op 24 juni 2011 is gehoord door de zittingsrechter. Het hof neemt in aanmerking dat de raadsman van de verdachte bovengenoemde processen-verbaal naar aanleiding waarvan hij het verzoek tot het horen van de getuigen heeft gedaan, die overigens van beperkte omvang zijn, eerst gisteren heeft ontvangen, zodat bij de beoordeling van de noodzaak tot het horen van de getuigen tevens het belang van de verdediging dient te worden betrokken. De door de verdediging verzochte getuigen zijn reeds eerder uitgebreid gehoord in de onderhavige zaak. Zij hebben hun verklaring grotendeels bevestigd tegenover de rechter-commissaris, in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte]. Gelet op het feit dat de raadsman niet voldoende specifiek heeft aangegeven ten aanzien van welke punten (die niet reeds eerder in onderhavige procedure aan de orde hadden kunnen worden gesteld) hij de getuigen nader wenst te bevragen, acht het hof het horen van de getuigen - ook in aanmerking genomen het belang van de verdediging - niet noodzakelijk."
2.3.
Het arrest HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, houdt omtrent de beoordeling van cassatieklachten over beslissingen inzake verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen onder meer het volgende in.
"2.73. In de cassatieprocedure gaat het niet meer om het al dan niet oproepen of horen van getuigen maar uitsluitend om de toetsing van de beslissingen van de feitenrechter dienaangaande. In cassatie kan door de verdediging daarom alleen worden geklaagd over (a) de beslissing van het hof tot het niet horen van een ter terechtzitting verschenen getuige en (b) de afwijzing door het hof van een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan verzoek tot het oproepen van een aldaar niet verschenen getuige. Voorts kan worden geklaagd over het verzuim van het hof op zo een verzoek te beslissen. Over beslissingen of verzuimen van het openbaar ministerie dan wel de rechter in eerste aanleg kan door de verdediging in cassatie dus niet worden geklaagd.
2.74.
Wat betreft de onder (a) en (b) genoemde beslissingen kan in cassatie niet over de juistheid ervan worden geklaagd. De Hoge Raad kan immers niet beoordelen of het hof een getuige terecht niet heeft opgeroepen of gehoord. Wel kan in cassatie worden geklaagd over de maatstaf die het hof heeft toegepast en over de begrijpelijkheid van de beslissing.
2.75.
In dit verband moet worden gewezen op het in 2012 in werking getreden art. 80a RO en de betekenis van deze bepaling voor de reikwijdte van het onderzoek in cassatie ten aanzien van de hiervoor bedoelde beslissingen. In art. 80a RO is bepaald dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard op de grond dat de betrokkene klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Daarom mag in gevallen waarin dat belang niet evident is, van de verdediging in redelijkheid worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft met betrekking tot het belang bij haar klacht. Zo mag in het geval dat de zaak op meerdere terechtzittingen is behandeld, van de verdediging worden gevergd dat zij toelicht waarom op een later gehouden terechtzitting niet is geklaagd over een op een eerdere zitting begaan verzuim met betrekking tot een verzoek tot oproeping van getuigen. Voorts levert de enkele omstandigheid dat het hof bij de afwijzing van een verzoek niet de juiste maatstaf heeft genoemd, niet zonder meer voldoende – rechtens te respecteren – belang op bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak.
2.76.
Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals (i) het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan, en (ii) de omstandigheid dat de bij de appelschriftuur opgegeven getuigen – al dan niet op vordering van de advocaat-generaal – (alsnog) op de voet van art. 411a of art. 420 Sv zijn gehoord door een rechter-commissaris of een raadsheer-commissaris, waardoor in de regel het belang zal zijn ontvallen aan de oproeping van die getuigen ter terechtzitting.
2.77.
Met inachtneming van de uit art. 80a RO voortvloeiende terughoudendheid bij de toetsing in cassatie in gevallen waarin het belang bij vernietiging niet evident is, zal die toetsing zich daarom, meer dan vroeger het geval was, concentreren op de vraag of de beslissing van de feitenrechter ten aanzien van het al dan niet oproepen onderscheidenlijk horen van getuigen begrijpelijk is. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst."
2.4.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de afwijzing door het Hof van het verzoek tot het horen van de door de raadsman genoemde vijf personen als getuige niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat het Hof rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de verdediging eerst daags voor de terechtzitting in hoger beroep de beschikking heeft gekregen over de processen-verbaal van de getuigenverklaringen die bedoelde personen ten overstaan van de Rechter-Commissaris hebben afgelegd in de strafzaak tegen een medeverdachte, en voorts dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdediging niet voldoende specifiek heeft aangegeven ten aanzien van welke punten – die niet eerder aan de orde hadden kunnen worden gesteld – zij hen als getuige nader wenste te bevragen. Ook neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de verdediging haar verzoek ten aanzien van drie van de vijf bedoelde personen niet nader heeft gemotiveerd en dat de verdediging haar verzoek ten aanzien van [getuige 2] en [getuige 4] slechts heeft onderbouwd door te verwijzen naar omstandigheden waarover deze getuigen zich al hadden uitgelaten in eerdere, reeds langer tot het dossier behorende schriftelijke verklaringen.
2.5.
Het middel faalt.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2014.
Conclusie 11‑03‑2014
Inhoudsindicatie
Afwijzing getuigenverzoek. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2014:1496 omtrent de beoordeling van cassatieklachten over beslissingen inzake verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen. Gelet hierop is de afwijzing door het Hof van het verzoek tot het horen van de door de raadsman genoemde vijf personen als getuige niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De HR neemt daarbij in aanmerking dat het Hof rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de verdediging eerst daags voor de t.tz. in h.b. de beschikking heeft gekregen over de p-v’s van de getuigenverklaringen die bedoelde personen ten overstaan van de RC hebben afgelegd in de strafzaak tegen een medeverdachte, en voorts dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdediging niet voldoende specifiek heeft aangegeven t.a.v. welke punten zij hen als getuige nader wenste te bevragen. Ook neemt de HR in aanmerking dat de verdediging haar verzoek t.a.v. drie van de vijf bedoelde personen niet nader heeft gemotiveerd en dat de verdediging t.a.v. twee bedoelde personen slechts heeft onderbouwd door te verwijzen naar omstandigheden waarover deze getuigen zich al hadden uitgelaten in eerdere, reeds langer tot het dossier behorende schriftelijke verklaringen.
Nr. 13/00717
Mr. Spronken
Zitting: 11 maart 2014
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 8 augustus 2012 door het gerechtshof 's-Gravenhage wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen waarvan 82 dagen voorwaardelijk en een werkstraf van 240 uren. De twee benadeelde partijen zijn door het hof niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.
Mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, heeft namens verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld.
Aan deze zaak ligt het navolgende feitencomplex ten grondslag. In de kerstperiode van 2010 worden in de Wassenaarse villa van [betrokkene 1] gedurende zijn afwezigheid 25 kostbare horloges en een kluis met onder meer aandelen aan toonder ter waarde van 2,5 miljoen Euro en buitenlandse valuta ontvreemd. Dit wordt door de huishoudster van [betrokkene 1] ontdekt, nadat het alarmsysteem op 27 december 2010 is afgegaan. Er waren geen sporen van braak. Verdachte, dochter van [betrokkene 1], is op 24 en 25 december 2010 in de villa geweest met gebruikmaking van een reservesleutel en heeft toen naar haar zeggen het alarm in- en uitgeschakeld. Verdachte had destijds een relatie met [medeverdachte] en verbleef gedurende die kerstperiode met hem en hun twee kinderen in een vakantiehuisje van Center Parcs te Heijen. [medeverdachte] blijkt tijdens de kerstdagen in het bezit te zijn van de gestolen horloges die hij via een zekere [getuige 5] probeert te slijten. Een exemplaar wordt op tweede kerstdag in een sportcafé te Nijmegen door [medeverdachte] aan een zekere [getuige 1] aangeboden. Verder koopt [medeverdachte] een laptop en een Mercedes CLS-klasse die hij met contant geld betaalt. De buitenlandse valuta en andere papieren worden vervolgens gevonden bij personen waarmee [medeverdachte] en verdachte in contact zijn geweest. Verdachte ontkent alle betrokkenheid. De kern van haar verweer is dat de diefstal op 27 december 2010, toen het alarm is afgegaan, moet hebben plaatsgevonden en dus nadat zij op 25 december 2010 het alarm weer heeft ingeschakeld, waarna zij stelt niet meer in de woning te zijn geweest.
Het eerste middel klaagt dat de afwijzing door het hof van een aantal getuigenverzoeken niet (zonder meer) begrijpelijk is (gemotiveerd).
In dit verband is de volgende passage van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 juli 2012 relevant:
“De raadsman van de verdachte verzoekt het hof de behandeling van de zaak aan te houden. Hij licht dit verzoek als volgt toe:
Pas gisterenavond ontving ik per fax van het ressortsparket een aantal processen-verbaal van getuigenverhoren van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Gravenhage van 14 september 2011. Deze getuigenverhoren zijn afgelegd in de (nog steeds in eerste aanleg aanhangige) zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]). Het gaat om de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5]. In verband met de late toezending heb ik deze processen-verbaal niet goed kunnen bestuderen. Ik neem aan dat het openbaar ministerie wenst dat deze stukken in het dossier van de onderhavige zaak worden gevoegd. In dat geval wenst de verdediging nog een aantal getuigen te horen.
De advocaat-generaal excuseert zich voor de late toezending van voornoemde stukken. De advocaat-generaal deelt voorts als reactie op het aanhoudingsverzoek van de raadsman mede:
Ik verzet mij tegen aanhouding van de zaak. In de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] heeft de verdediging op de terechtzitting in eerste aanleg van 24 juni 2011 verzocht genoemde getuigen te horen. Ondanks het feit dat de zaak tegen de verdachte op die zitting gelijktijdig werd behandeld, heeft de (raadsman van) de verdachte zich niet aangesloten bij die onderzoekswensen. De getuigen zijn uitgebreid gehoord, zodat de verdachte door het niet opnieuw horen van deze getuigen mijns inziens redelijkerwijs niet in haar verdediging is geschaad.
De raadsman deelt desgevraagd door de voorzitter mede:
De mogelijkheid bestaat dat de diefstal heeft plaatsgevonden ten tijde van de alarmmelding op 27 december 2010, een dag waarop mijn cliënt niet in (de buurt van) de woning van aangever is geweest. In de desbetreffende verhoren hebben verschillende getuigen, waaronder [getuige 2], onder meer verklaard over de datum waarop [medeverdachte] in het sportcafé te Nijmegen was. Deze datum is voor mijn cliënt van groot belang, nu uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] in dat café zou zijn gezien met (mogelijk) gestolen goederen uit de woning van aangever. De verdediging heeft derhalve het recht om de getuigen hierover nader te bevragen.
Omdat [getuige 4] een verklaring heeft afgelegd die strijdig is met de inhoud van weerrapporten van het KNMI, wenst de verdediging deze getuige te confronteren met die rapporten. [getuige 4] heeft verklaard dat er sneeuw lag toen hij met zijn auto in de nacht van 26 op 27 december 2010 in verband met een alarmmelding bij de woning van aangever arriveerde. Hij heeft toen geen sporen in de sneeuw waargenomen. Het is mogelijk dat [getuige 4] eventuele sporen heeft uitgewist met zijn eigen auto. De verdediging wenst hem hierover te bevragen.
In verband met de late toezending van de processen-verbaal kan ik momenteel niet nauwkeuriger aangeven welke vragen de verdediging aan de getuigen wenst te stellen. Het is mogelijk dat er nog andere vragen zullen rijzen.
De advocaat-generaal stelt voor om de betreffende processen-verbaal niet in het dossier van onderhavige zaak te voegen.
De raadsman deelt hierop mede dat hij primair persisteert bij zijn gedane aanhoudingsverzoek. De nieuwe informatie noopt zijns inziens tot het stellen van nadere vragen. Subsidiair verzoekt de raadsman de processen-verbaal niet in het dossier van onderhavige zaak te voegen.
De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad.
Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
De processen-verbaal van getuigenverhoren van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Gravenhage, van 14 september 2011, afgelegd in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte], zullen in het dossier van de onderhavige zaak worden gevoegd.
Het hof wijst het verzoek tot aanhouding van de zaak en het horen van getuigen af. De getuigen zijn niet tijdig bij schriftuur opgegeven, zodat het verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium. Ten aanzien van de getuige [getuige 4] geldt bovendien dat deze reeds in eerste aanleg, in een op tegenspraak gevoerde procedure, op 24 juni 2011 is gehoord door de zittingsrechter. Het hof neemt in aanmerking dat de raadsman van de verdachte bovengenoemde processen-verbaal naar aanleiding waarvan hij het verzoek tot het horen van de getuigen heeft gedaan, die overigens van beperkte omvang zijn, eerst gisteren heeft ontvangen, zodat bij de beoordeling van de noodzaak tot het horen van de getuigen tevens het belang van de verdediging dient te worden betrokken. De door de verdediging verzochte getuigen zijn reeds eerder uitgebreid gehoord in de onderhavige zaak. Zij hebben hun verklaring grotendeels bevestigd tegenover de rechter-commissaris, in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte]. Gelet op het feit dat de raadsman niet voldoende specifiek heeft aangegeven ten aanzien van welke punten (die niet reeds eerder in onderhavige procedure aan de orde hadden kunnen worden gesteld) hij de getuigen nader wenst te bevragen, acht het hof het horen van de getuigen - ook in aanmerking genomen het belang van de verdediging - niet noodzakelijk.”
6. In het cassatiemiddel wordt betoogd dat het hof is vooruitgelopen op de inhoud van de verklaringen van de getuigen en dat de verklaringen die de getuigen bij de rechter-commissaris hebben afgelegd niet geheel overeenstemmen met hetgeen zij eerder bij de politie hebben verklaard, met name met betrekking tot de precieze data waarop [medeverdachte] de gestolen horloges zou hebben aangeboden. Nu voor de verdediging niet was te voorzien dat de processen-verbaal van de verhoren die de getuigen in de zaak tegen [medeverdachte] hebben afgelegd bij de rechter-commissaris (hierna: de processen-verbaal) zouden worden ingebracht in de zaak tegen verdachte, had volgens de steller van het middel het toegepaste noodzakelijkheidscriterium moeten samenvallen met het criterium van het verdedigingsbelang, waarbij wordt verwezen naar het arrest HR 19 juni 2007, NJ 2007, 626.
7. Voordat ik op het middel inga zal ik eerst het toetsingskader van een verzoek tot het horen van getuigen door de verdediging kort weergeven. Afgezien van de verwachting dat de getuige niet binnen een aanvaardbare termijn verschijnt of als wordt gevreesd voor het welzijn van de getuige (art. 288 lid 1 sub a en b Sv), of als wordt ingestemd met het afzien van het horen van getuigen (art. 288 lid 3 Sv), zijn er naar nationale Nederlandse maatstaven twee criteria te onderscheiden waaraan de rechter een verzoek tot het horen van getuigen moet toetsen: het verdedigingsbelang (art. 288 lid 1 sub c Sv) en het noodzaakcriterium (art. 315 en 418 Sv). Welke maatstaf van toepassing is, is afhankelijk van het moment waarop het verzoek is gedaan. Is het verzoek conform de voorschriften tijdig voorafgaand aan de zitting gedaan, dan geldt het criterium van het verdedigingsbelang of het verdedigingscriterium. Als het verzoek te laat of pas voor het eerst op de terechtzitting zelf wordt gedaan, dan geldt in beginsel het noodzaakcriterium. Het verschil tussen beide criteria is dat de beoordelingsmarge voor de rechter beperkter is bij het verdedigingsbelang. Het verzoek om getuigen te horen moet dan worden beoordeeld vanuit het verdedigingsperspectief, waarbij de verdediging weliswaar moet onderbouwen waarom het horen van de getuige relevant is voor enige door de rechter te nemen beslissing, maar er nauwelijks ruimte is voor de rechter om het verzoek af te wijzen zodra deze relevantie wordt aangetoond. De rechter mag daarbij ook niet vooruitlopen op wat een getuige mogelijk zou kunnen verklaren. Aan de vervulling van de voorwaarden van het verdedigingsbelang is dus snel voldaan.
Bij de toets aan het noodzaakcriterium is de rechterlijke beslissingsmarge ruimer. Dan kan de rechter namelijk zelf bepalen of hij meent dat het horen van de getuige noodzakelijk is in het kader van de waarheidsvinding en deze beslissing onder andere afwegen tegen het aanwezige bewijsmateriaal.1.
8. Soms is er in het concrete geval niet zoveel verschil tussen beide criteria, zoals ook door de Hoge Raad is verwoord in het arrest dat in het middel wordt aangehaald.2.Als het de verdachte niet kan worden verweten dat hij (te) laat getuigen opgeeft of zich na het verstrijken van de termijn voor opgave van getuigen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, dient de rechter bij de concrete toepassing van het noodzaakcriterium de verdedigingsbelangen te betrekken. Dan kan het noodzaakcriterium samenvallen met het verdedigingscriterium.
9. In de procedure in hoger beroep is in beginsel dezelfde regeling van toepassing (art. 414 en art. 418 Sv) met dien verstande dat op grond van art. 418 lid 2 Sv het noodzaakcriterium wordt toegepast als de berechting in eerste aanleg op tegenspraak is geweest én de verzochte getuige al eerder ter terechtzitting of bij de rechter-commissaris is gehoord.
10. Naast de nationale voorschriften is ook het Straatsburgse regiem van art. 6 lid 3d EVRM van toepassing en zijn inbreuken op het ondervragingsrecht in jurisprudentie van het EHRM nader genormeerd. Daarbij spelen de volgende factoren een rol. In de eerste plaats de opstelling van de verdediging, waarvan de nodige activiteit wordt verwacht om het ondervragingsrecht te effectueren. Ten tweede de inspanningen die de overheid heeft geleverd om het ondervragingsrecht mogelijk te maken. Als inbreuken op het ondervragingsrecht worden gemaakt, wordt getoetst of dat op goede gronden is gebeurd, of de veroordeling uitsluitend of in beslissende mate berust op de verklaring van de niet gehoorde getuige(n) en of er voldoende compenserende factoren zijn om de eerlijkheid van het proces als geheel te kunnen waarborgen.3.
11. Toegepast op de onderhavige zaak betekent het voorgaande dat nu verdachte heeft verzuimd bij appelschriftuur te verzoeken de betreffende getuigen te (doen) horen en de verdediging dit verzoek pas op de terechtzitting van het hof heeft gedaan, ingevolge art. 418 lid 3 Sv in beginsel het noodzaakcriterium van toepassing is. Wat dat betreft heeft het hof de juiste maatstaf tot uitgangspunt genomen.
12. De vraag is vervolgens of de omstandigheid dat het OM één dag voor de terechtzitting in hoger beroep de verdediging laat weten de processen-verbaal van verhoren van getuigen in de zaak van de medeverdachte te willen laten voegen in het dossier tegen verdachte, aanleiding moet geven tot toepassing van het verdedigingscriterium, zoals hiervoor onder punt 8 is besproken.
13. Daarbij doet zich de complicatie voor dat uit het proces-verbaal van de zitting van het hof niet duidelijk valt op te maken welke getuigen de verdediging had willen horen, afgezien van de met name in de motivering van het aanhoudingsverzoek genoemde [getuige 2] en [getuige 4]. In het proces-verbaal van de zitting staat vermeld dat de raadsman ‘een aantal’ getuigen zou willen horen. In dat verband is aanhouding gevraagd omdat de verdediging met het oog hierop de toe te voegen processen-verbaal beter wilde kunnen bestuderen. Vervolgens heeft het hof beslist, ondanks het feit dat het OM naar aanleiding van de op de zitting ontstane commotie het verzoek tot voeging van de stukken weer introk, dat de stukken aan het dossier zouden worden toegevoegd en heeft het tegelijkertijd het verzoek tot het horen van getuigen afgewezen. Het lijkt erop dat de beslissing van het hof betrekking heeft op alle getuigen die in de processen-verbaal voorkomen en die op 14 september 2011 door de rechter-commissaris zijn gehoord, te weten [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5].
14. Ten aanzien van de getuige [getuige 4] heeft het hof overwogen dat deze getuige in eerste aanleg op de zitting is gehoord. Kennelijk doelt het hof hierbij op de uitzondering van art. 418 lid 2 Sv, hetgeen betekent dat het noodzaakcriterium leidend is. Dat het hof het vervolgens niet noodzakelijk acht deze getuige op te roepen, acht ik gelet op de rol van diens verklaring in de bewijsconstructie niet onbegrijpelijk. Voor de vraag of de diefstal tussen 24 en 25 december 2010 of op de dagen daarna heeft plaatsgevonden, lijkt het niet zo relevant of [getuige 4] in de nacht van 26 op 27 december 2010 al dan niet sporen in de sneeuw heeft waargenomen of uitgewist, nu verdachte heeft toegegeven dat zij op 24 en 25 december 2010 in de woning is geweest.
15. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat het hof het feit dat de processen-verbaal van de getuigenverhoren pas één dag voor de zitting door het OM aan de verdediging waren toegezonden als omstandigheid heeft aangemerkt om ten aanzien van het verzoek tot het horen van de overige getuigen ook het verdedigingsbelang mee te wegen. Dat lijkt mij, gelet op het hiervoor onder 8 geschetste kader, terecht. Wat echter opvalt, is dat de toepassing van het verdedigingscriterium door het hof wordt ingevuld met een motivering die (meer) aan het noodzaakcriterium lijkt te zijn ontleend.
16. Ik begrijp de overweging van het hof zo, dat het heeft geoordeeld dat de getuigenverzoeken moeten worden afgewezen omdat het hof zich op basis van de eerdere uitgebreide verklaringen van deze getuigen, die grotendeels - ik begrijp op essentiële punten - bevestiging vinden in de verklaringen die ze bij de rechter-commissaris hebben afgelegd, voldoende voorgelicht achtte en de noodzaak tot het nogmaals horen van deze getuigen niet is gebleken. Vanwege de late toezending van de processen-verbaal stelt het hof bij de beoordeling van het verzoek ook het verdedigingsbelang te betrekken, maar herhaalt dan in feite de argumenten die het al eerder bij de toets aan het noodzaakcriterium heeft gebruikt, namelijk dat de getuigen al eerder uitgebreid zijn gehoord en hun verklaring grotendeels hebben bevestigd tegenover de rechter-commissaris. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat uitgaande van het verdedigingscriterium dit zou kunnen worden gekwalificeerd als een niet toegelaten vooruitlopen op hetgeen de getuigen bij nog een verhoor zouden kunnen verklaren.4.
17. Desalniettemin ben ik van oordeel dat dit niet tot cassatie hoeft te leiden. In de eerste plaats blijft in situaties als de onderhavige, waarbij de verdediging het verzoek tot het horen van getuigen pas op de zitting doet, het noodzaakcriterium de te hanteren maatstaf, zij het dat bij de toepassing ervan flexibiliteit moet worden betracht en rekening moet worden gehouden met het verdedigingsbelang. In die zin verschilt onderhavige situatie van die waar het verdedigingscriterium onmiskenbaar de enige maatstaf is. Daarbij mocht het hof naar mijn mening meewegen5.dat voor de verdediging al eerder de gelegenheid heeft bestaan om de betreffende getuigenverklaringen op hun betrouwbaarheid te toetsen en zij daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Immers op de terechtzitting in eerste aanleg van 24 juni 2011, waar de zaken tegen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] gelijktijdig werden behandeld, is op verzoek van de verdediging van [medeverdachte] door de rechtbank beslist dat de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5], (nader) moesten worden verhoord door de rechter-commissaris. Verdachte en haar raadsman hebben zich toen niet aangesloten bij die onderzoekswensen, waardoor de getuigen slechts in de zaak tegen [medeverdachte] zijn gehoord. Dat het hof daarnaast van oordeel is dat de verdediging niet duidelijk genoeg heeft gemaakt welke vragen er dan nog aan de getuigen zouden moeten gesteld, is gelet op de (omvang van de) betreffende processen-verbaal die ik in het dossier heb aangetroffen en de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.
18. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
19. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Het middel valt uiteen in twee deelklachten. Voordat ik deze bespreek, geef ik de bewezenverklaring en bewijsvoering van het hof weer.
20. Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:
“zij in de periode van 24 december 2010 tot en met 25 december 2010 te Wassenaar tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan de [b-straat 1] heeft weggenomen (ongeveer) 25 horloges en een kluis inhoudende onder meer aandelen aan toonder (ter waarde van EUR 2.500.000,-) en contant geld en buitenlandse valuta (dollars en Engelse ponden en Zwitserse franken en Hongkong dollars en Yinhang en Libanese ponden), in elk geval enig goed, toebehorende aan [betrokkene 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s) zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik te hebben gebracht door onrechtmatig gebruik te maken van de alarmcodes en een reservesleutel van voornoemde woning.”
21. Blijkens de op de gebezigde bewijsmiddelen gebaseerde bewijsoverweging steunt deze bewezenverklaring op de volgende feiten en omstandigheden:6.
“De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep (…) op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat de verdachte daarvan derhalve dient te worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe verschillende punten aangevoerd, die er in essentie op neer komen dat niet kan worden vastgesteld dat de diefstal heeft plaatsgevonden op een moment waarop verdachte in de woning aanwezig was, dan wel het alarm van de woning uitgeschakeld had (gelaten). Evengoed, zo meent de verdediging, kan de diefstal hebben plaatsgevonden ten tijde van een alarmmelding op 27 december 2010, een dag waarop verdachte niet in de buurt van de woning is geweest. Ter onderbouwing hiervan is verwezen naar diverse weerrapporten aan de hand waarvan de verdediging tot de conclusie is gekomen dat de verklaring van beveiligingsmedewerker [getuige 4] - die heeft verklaard dat ten tijde van een alarmmelding op 27 december 2010 in de sneeuw rondom de woning van aangever geen sporen zijn waargenomen - niet kan kloppen. Het hof zal onder andere dit bewijsverweer in het navolgende bespreken en gaat hierbij uit van de volgende - uit het dossier en de behandeling ter terechtzitting naar voren gekomen - feiten en omstandigheden.
Aangifte
Op 27 december 2010 heeft [betrokkene 2] namens [betrokkene 1] aangifte gedaan van diefstal in/uit de woning aan de [b-straat 1] te Wassenaar. Uit deze aangifte volgt dat de diefstal moet zijn gepleegd tussen donderdag 23 december 2010 te 16:00 a 16:30 uur en maandag 27 december 2010 te 01:16 uur. [betrokkene 2] zegt dat zij de betreffende woning op 23 december 2010 omstreeks 16:00 a 16:30 uur, nadat zij het alarm had ingeschakeld en de woning slotvast had afgesloten, heeft verlaten. Toen zij op 27 december 2010 omstreeks 09:00 uur de woning opnieuw betrad, nadat zij door [betrokkene 1] was gebeld dat het alarm van de woning 's nachts was afgegaan, zag zij dat er in de kleedkamer op de eerste etage allerlei spullen op de grond lagen. Zij zag tevens dat de kluis, die in een kast aan de muur vast zat, weg was en dat de kast waarin de horlogeverzameling van [betrokkene 1] zich bevond, openstond en was doorzocht.
Op 30 december 2010 heeft [betrokkene 1], de eigenaar van de woning aan de [b-straat 1] te Wassenaar tegenover de politie verklaard dat er bij de diefstal een groot aantal waardevolle horloges (zoals blijkt uit de bijlage gestolen goederen onder andere van de merken Oudemars Piguet (het hof leest: Audemars Piguet), Breitling, Cartier en TW-steel, special for Tom Coronel) zijn weggenomen. Daarnaast is de kluis met daarin onder andere persoonlijke documenten (zoals een testament en een echtscheidingsconvenant), aandelen aan toonder ter waarde van € 2.500.000,-, contant geld in de vorm van euro’s en buitenlandse valuta weggenomen. Op 12 januari 2011 heeft [betrokkene 1] verklaard dat zich in de kluis onder meer Dollars, Engelse ponden, Zwitserse franken, Hong Kong dollars, Chinese Tinhang en Libanese biljetten bevonden. Uit het onderzoek in de woning, dat op 28 december 2010 door de politie is ingesteld, blijkt dat er rondom de woning geen sporen van braak zijn aangetroffen en dat de woning derhalve zonder braak is betreden. Door de huishoudster waren behalve in het kantoor en de kleedkamer geen verstoringen aangetroffen die duidden op een doorzoeking.
Uit- en inschakelen alarm huis van aangever
Uit het overgelegde alarmlogboek betreffende het huis van aangever, gecombineerd met de verklaring van [betrokkene 3] - ondernemer in de beveiliging - dat van de vermelde tijdstippen een uur moet worden afgetrokken in verband met zomer/wintertijd, blijkt het navolgende:
- op 24 december 2010 om 17:59 uur is het alarm uitgeschakeld;- op 25 december 2010 om 00:38 uur is het alarm ingeschakeld;- op 25 december 2010 om 07:30 uur is het alarm uitgeschakeld;- op 25 december 2010 om 08:39 uur is het alarm ingeschakeld;- op 27 december 2010 om 01:02 uur is het alarm afgegaan.
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij de persoon is die op voormelde data en tijdstippen het alarm van de woning van aangever heeft uit- en ingeschakeld.
Weggenomen goederen in het bezit van [medeverdachte]
[betrokkene 4] heeft verklaard dat hij, toen hij in 2010 tussen kerst en oud en nieuw verbleef in een woning in Veghel, [medeverdachte] (verder: [medeverdachte]) daar ook heeft gezien. [medeverdachte] gaf [betrokkene 4] toen de opdracht om een stapeltje geld te tellen. [medeverdachte] zei dat hij een auto ging kopen. [betrokkene 4] had het vermoeden dat [medeverdachte] iets had geflikt, omdat [medeverdachte] opeens veel geld had en naar hele dure auto's keek. [medeverdachte] wilde een auto kopen die hij anders nooit had kunnen kopen. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] op 30 december 2010 een Mercedes CLS 320 CDI voor een bedrag van € 24.500,00 heeft aangeschaft. Dit bedrag heeft [medeverdachte] contant betaald. Uit het dossier blijkt voorts dat [medeverdachte] op 31 december 2010 een laptop heeft gekocht en deze contant heeft betaald met een coupure van € 500,00. [medeverdachte] beschikte derhalve kort na de diefstal over een groot geldbedrag in contanten waaronder een biljet van € 500,00, terwijl aangever heeft verklaard dat zich in de weggenomen kluis onder meer briefjes van € 500,00 bevonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke coupures in het dagelijks betalingsverkeer zelden worden gebruikt.
[getuige 5] heeft verklaard dat [medeverdachte] hem in 2010 op eerste of tweede kerstdag, in de ochtend, heeft benaderd met de vraag of hij een tas met papieren en een tas met horloges voor hem wilde bewaren. De horloges zaten in een rood stoffen tasje met een touwtje. Op 15 april 2011 heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij een aantal van zulke tasjes in zijn kledingkast heeft liggen. [medeverdachte] vroeg aan [getuige 5] of hij iemand wist die de horloges zou willen kopen. De avond van de dag waarop [medeverdachte] hem had benaderd is [getuige 5] met de tas horloges naar het sportcafé gegaan en heeft hij de horloges laten zien aan [getuige 1]. Op 14 september 2011 heeft [getuige 5] als getuige in de strafzaak van [medeverdachte] tegenover de rechter-commissaris verklaard dat het ging om horloges van verschillende merken, waaronder Cartier, Pique (het hof leest: Audemars Piguet), Breitlings en TW-steel. Deze merken komen overeen met de merken zoals genoemd in voornoemde bijlage gestolen goederen. Voorts heeft [getuige 5] tegenover de rechter-commissaris verklaard dat [medeverdachte] in de periode van 23 december 2010 tot en met uiterlijk 26 december 2010 een keer of drie heeft geslapen in de woning aan [a-straat] en dat hij daar nadien een tas met documenten op naam van [betrokkene 5] en [betrokkene 1] heeft aangetroffen. Uit zijn verklaring tegenover de politie van 14 april 2011 blijkt dat het onder andere ging om aandelen, een testament en een inboedelverdeling. Aangever heeft deze documenten later herkend als zijnde zijn eigendommen.
Uit een opgenomen tapgesprek van 30 december 2010 tussen [medeverdachte] en [getuige 5] blijkt dat [medeverdachte] op zoek was naar de "Special Edition". Hij miste deze nadat hij ze had geteld. In een later gesprek verzoekt [medeverdachte] [getuige 5] te gaan kijken, omdat "hij ‘m die dag in het sportcafé had". In datzelfde gesprek zegt [medeverdachte] dat hij er 25 had geteld en dat er nu één weg is. [getuige 5] heeft verklaard dat [medeverdachte] met de "Special Edition" een horloge bedoelde. [betrokkene 1] heeft verklaard dat er ongeveer 25 horloges zijn weggenomen bij de diefstal, waaronder een "Special Edition".
[getuige 1] heeft verklaard dat [medeverdachte] hem in 2010 op tweede kerstdag in café "de Sportcentrale" in Nijmegen heeft verteld dat hij horloges te koop had. [medeverdachte] heeft vervolgens de horloges, die zich bevonden in een rood tasje dat je met een veter kan dichtstrikken, aan [getuige 1] laten zien.
[getuige 2] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat [medeverdachte] hem op kerstavond of op eerste of tweede kerstdag had verteld dat hij mooie klokjes had. [medeverdachte] heeft de klokjes vervolgens aan [getuige 2] getoond.
[medeverdachte] heeft op 1 januari 2011 tegenover de politie verklaard dat hij op tweede kerstdag (het hof begrijpt: in 2010) aanwezig is geweest in het sportcafé te Nijmegen.
Tussenconclusie
Op basis van het vorenstaande - in onderlinge samenhang bezien - kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat [medeverdachte] op 26 december 2010 in het bezit was van (in ieder geval enkele van) de goederen die zijn weggenomen uit de woning aan de [b-straat 1] te Wassenaar. Hieruit kan vervolgens worden geconcludeerd dat de diefstal niet kan hebben plaatsgevonden op 27 december 2010 ten tijde van de alarmmelding, zoals door de verdediging betoogd, maar - gelet op bovengenoemde gegevens uit het alarmlogboek - reeds daarvoor. Op 23 december 2010 omstreeks 16:00 a 16:30 uur had er volgens de huishoudster nog geen diefstal plaatsgevonden. Daarom kan worden vastgesteld dat de diefstal moet hebben plaatsgevonden in de periode van 23 december 2010 tot en met 26 december 2010. Aangezien in deze periode geen alarmmeldingen hebben plaatsgevonden en er dus mag worden aangenomen dat niemand in die periode de woning ongeautoriseerd heeft betreden, moet de diefstal hebben plaatsgevonden in de periode waarin het alarm door verdachte was uitgeschakeld. Dat is de periode van 24 december 2010 om 17:59 uur tot 25 december 2010 om 00:39 uur of de periode van 25 december 2010 om 7:30 uur tot 8:39 uur. Aldus worden alle door de verdediging gevoerde bewijsverweren verworpen.
Betrokkenheid verdachte bij de diefstal
Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, heeft verdachte in de periode waarin de diefstal heeft plaatsgevonden op verschillende momenten het alarm van de woning van aangever uit- en ingeschakeld. Het hof ziet daarin een eerste aanwijzing dat verdachte bij deze diefstal betrokken is. Maar er is meer.
Uit de hiervoor al weergegeven bevindingen van de huishoudster leidt het hof af dat de persoon of de personen die de kluis en de horloges hebben meegenomen in de woning zonder veel omzwervende doorzoekingen naar de kleedkamer is/zijn gegaan. Behalve het kantoor was volgens de huishoudster immers alleen de kleedkamer doorzocht. Kennelijk was bekend waar men moest zijn. Verdachte wist dat de kluis zich in de kleedkamer bevond.
Daar komt bij dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit een relatie had met [medeverdachte], de persoon die op tweede kerstdag is gezien met (in ieder geval enkele van) de gestolen goederen. Uit het dossier blijkt dat verdachte en [medeverdachte] in de periode van het ten laste gelegde feit verbleven in een huisje in Center Parcs, om daar met hun kinderen de kerst te vieren. Verdachte en [medeverdachte] zijn in die periode dus samen geweest.
Het dossier bevat daarnaast specifieke aanwijzingen dat verdachte en [medeverdachte] ook op 24 december 2010 samen in Wassenaar en omgeving waren. Deze aanwijzingen ziet het hof in het volgende.
Ten eerste heeft getuige [getuige 6], vriendin van getuige [getuige 7], verklaard dat [verdachte] (dat is de roepnaam van verdachte) en [medeverdachte] op 24 december 2010 samen omstreeks 18:00 uur bij haar in Leiden op bezoek zijn geweest, waarna zij samen weer tussen 21:00 en 21:30 uur zijn vertrokken. Verdachte heeft dit aanvankelijk ontkend, klaarblijkelijk omdat zij het belangrijk vond dat niet bekend zou worden dat [medeverdachte] wel met haar in Leiden is geweest. Dit laatste ontleent het hof aan een afgeluisterd telefoongesprek van 13 mei 2011 waarin zij tegen een zekere [betrokkene 4] zegt: " Ik heb toch ben effe langs Leiden geweest om uh verhaal om uh te zeggen: luister joh zeg gewoon de waarheid en zeg gewoon dat [medeverdachte] niet aanwezig was daar. (...)".
Eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte - spontaan en niet desgevraagd - verklaard dat zij samen met [medeverdachte] in Leiden bij vrienden was, dat zij daar niet samen naartoe zijn gegaan en dat zij na het bezoek ieder huns weegs zijn gegaan. Het hof stelt vast dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over de aan- en afwezigheid van [medeverdachte] in Leiden, reden voor het hof om op dit punt uit te gaan van de juistheid van de verklaring die getuige [getuige 6] heeft afgelegd.
Daarnaast blijkt uit de telefoongegevens die zich in het dossier bevinden dat:
- verdachte op 24 december 2010 om 18:1[4] uur en 18:2[6] uur in Wassenaar was (op deze tijden straalde zij met haar telefoon de zendmast op de [d-straat] in Wassenaar aan);
- verdachte op 24 december 2010 vanaf 16:4[7] uur veelvuldig telefonisch contact heeft gehad met het telefoonnummer 06-[001]. De persoon met dit telefoonnummer kwam vanuit de richting van Bodegraven en was om 18:14 uur en 18:25 uur aanwezig op de [d-straat] in Wassenaar (verdachte was op dat tijdstip ook aanwezig in Wassenaar);
- verdachte op 24 december 2010 een aantal malen contact heeft gehad met het telefoonnummer 06-[002]. De persoon met dit telefoonnummer was om 15:31 uur aanwezig op de [c-straat 1] in Veghel, om 18:34 uur op de [d-straat] in Wassenaar en op 25 december 2010 om 00:14 uur op de [e-straat] te Den Haag. Vervolgens begaf deze persoon zich om 15:47 uur richting Malden en Wijchen;
- de verdachte op 24 december 2010 tussen 12:29 uur en 15:55 uur meermalen telefonisch contact heeft gehad met [betrokkene 4].
De [d-straat] is in de nabije omgeving van de [b-straat 1] te Wassenaar, de straat waar de woning van aangever staat. [betrokkene 4] is later aangehouden als verdachte in een woning aan de [c-straat 1] te Veghel. In die woning werden buitenlandse valuta aangetroffen waaronder coupures uit eurolanden, Amerika, China, Zwitserse franken, Hong Kong dollars, Chinese [Y]inhang en Libanese biljetten. Deze valuta komen overeen met de valuta die zijn weggenomen uit de woning van aangever. De gebruiker van het telefoonnummer 06-[002] kwam zoals hierboven blijkt vanuit de richting van de [c-straat 1] te Veghel. Deze persoon is voorts aanwezig geweest op de [e-straat] te Den Haag, de straat waar de woning van de zus van de verdachte is gelegen en waar verdachte mag verblijven. Ten slotte vertrekt deze persoon in de richting van Malden en Wijchen, liggend in de richting van Heijen, alwaar verdachte en [medeverdachte] destijds verbleven in een huisje van Center Parcs. Het hof acht derhalve aannemelijk dat de gebruiker van het telefoonnummer 06-[002] [medeverdachte] is geweest en stelt vast dat verdachte rond het tijdstip van de diefstal contact heeft gehad met nog een persoon - [betrokkene 4] - die later is aangehouden in de nabijheid van buitenlandse valuta waarvan aannemelijk is dat die uit de woning van aangever afkomstig zijn.
Voorts blijkt uit het dossier dat bij de doorzoeking in het huisje in Center Parcs, verblijfplaats van de verdachte ten tijde van haar aanhouding, een laptop werd aangetroffen. Deze laptop is in beslag genomen en onderzocht. Uit de map "vorige week" bleek dat er diverse sites waren bezocht, zoals autoscouts24.nl. Er was gezocht naar verschillende types Mercedes, waaronder de Mercedes CLS-klasse, het type auto dat [medeverdachte] op 30 december 2010 heeft aangeschaft. Uit de geschiedenismap "vrijdag", waarmee bedoeld wordt vrijdag 31 december 2010, bleek dat was gezocht op de site "2dehansje.nl" naar horloges, onder andere was bezocht een advertentie van een "Breitling Chronomatic B01" (ultimate versie). Voorts was er gezocht naar partijhandel van horloges. Ook op andere websites was gezocht naar (onder andere Breitling) horloges. De verdachte heeft verklaard dat zij de enige persoon is die deze laptop gebruikt. Het hof stelt aldus vast dat verdachte kort na de diefstal van onder meer horloges en geld op internet heeft gezocht naar horloges en (dure) auto's.
Conclusie
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen - in onderlinge samenhang bezien - is het hof van oordeel dat verdachte bewust en in nauwe samenwerking met een ander of anderen heeft meegewerkt aan het welslagen van de haar verweten diefstal. Uit het vorenstaande leidt het hof immers af dat verdachte de diefstal heeft mogelijk gemaakt door het alarm uit te schakelen en voor, tijdens en/of na de diefstal telefonisch contact te onderhouden met personen die hebben beschikt over wat bij de diefstal is buitgemaakt, of daarbij anderszins betrokken zijn geweest. De nauwe betrokkenheid van verdachte bij de diefstal volgt voorts uit het feit dat zij heeft geprobeerd een getuige te beïnvloeden die belastend over haar partner - een medeverdachte - had verklaard en aansluitend op de diefstal informatie heeft gezocht op internet, gericht op - naar het hof aanneemt - het te gelde maken van een deel van de buit. Haar inconsistente ontkennende en - aanvankelijk - leugenachtige verklaringen kan het hof in dit licht niet anders opvatten dan bedoeld om te verhullen dat de diefstal met haar medeweten en in nauwe samenwerking met haar heeft plaatsgevonden.”
22. De steller van het middel voert allereerst aan dat de tussenconclusie van het hof dat de diefstal vóór 26 december 2010 moet hebben plaatsgevonden omdat [medeverdachte] op die datum in het bezit was van (enkele) gestolen goederen, niet (zonder meer) uit de gebezigde bewijsmiddelen valt af te leiden en onbegrijpelijk is.
23. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de diefstal in de woning van [betrokkene 1], de vader van verdachte, aan de [b-straat 1] te Wassenaar is gepleegd tussen het vertrek van de huishoudster op donderdag 23 december 2010 om 16.00 a 16.30 uur en de alarmmelding op maandag 27 december 2010 om 1.02 uur. De diefstal is niet vergezeld gegaan van braak en in de woning is alleen de kleedkamer op de eerste etage doorzocht. Uit die kleedkamer is een collectie van ongeveer 25 waardevolle horloges en een kluis met daarin allerhande papieren bescheiden en contant geld in verschillende valuta weggenomen.
Het logboek van het alarmsysteem laat zien dat het alarm van de woning op 24 en 25 december 2010 een aantal keren is uit- en ingeschakeld. Verdachte heeft verklaard dat zij telkens degene is geweest die dit heeft gedaan. Zij is op 24 december 2010 bij de woning gearriveerd, nadat zij eerder die dag meermalen had gebeld met [betrokkene 4], en is in de kamer geweest waar de kluis staat. Bovendien heeft verdachte die dag veelvuldig telefonisch contact gehad met twee personen die, afkomstig uit Bodegraven en Veghel, zich naar de omgeving van de [b-straat 1] verplaatsten. In het tijdsbestek tussen 18.00 en 18.45 uur straalden zowel de telefoon van verdachte als de telefoons van deze twee contacten één of meerdere malen de zendmast aan de [d-straat] te Wassenaar aan. Uit de omstandigheden dat de persoon die zich in eerste instantie op de straat [c-straat 1] te Veghel bevond, zich na middernacht verplaatste naar de [e-straat] te Den Haag, een straat waar de zus van verdachte een appartement heeft waarvan verdachte gebruik mag maken, en de volgende dag naar Malden en Wijchen, in de buurt van Heijen waar verdachte en haar gezin in een huisje van Center Parcs verbleven, heeft het hof niet onbegrijpelijk afgeleid dat deze persoon de toenmalige vriend van verdachte was, [medeverdachte]. Dat [medeverdachte] in de avond van 24 december 2010 in de buurt van de woning van [betrokkene 1] is geweest, kan bovendien worden afgeleid uit het feit dat hij samen met verdachte en hun kinderen een bezoek heeft gebracht aan vrienden in Leiden.
Gedurende de tijd dat verdachte en [medeverdachte] weg waren, was het alarm van de woning uitgeschakeld. Pas na terugkomst heeft verdachte het alarm weer ingeschakeld. De volgende dag, eerste kerstdag 25 december 2010, heeft verdachte het alarm om 7.30 uur uitgeschakeld en het bij het verlaten van de woning om 8.39 uur weer ingeschakeld.
De bewijsmiddelen houden verder in dat [medeverdachte] na de kerstdagen ineens over veel contant geld beschikte en naar hele dure auto’s keek die hij anders nooit had kunnen kopen. Verdachte heeft in de week tussen kerst en nieuwjaar op internet gezocht naar auto’s van het merk Mercedes, onder andere het type CLS. Op 30 december 2010 heeft [medeverdachte] een Mercedes CLS van €24.500 aangeschaft en contant betaald. Bovendien heeft hij een dag later een laptop aangeschaft waarvoor hij betaalde met een biljet van €500, een coupure die aanwezig was in de gestolen kluis van [betrokkene 1]. Het hof heeft niet onbegrijpelijk overwogen dat zo een coupure niet gangbaar is. Bovendien zijn bij de aanhouding van [betrokkene 4] op 7 januari 2011 op het adres [c-straat 1] te Veghel twee bundels met geld aangetroffen in allerhande valuta die overeenkwamen met de valuta die bij [betrokkene 1] waren gestolen.
[getuige 5] heeft verklaard dat [medeverdachte] hem op eerste of tweede kerstdag vroeg een tas met papieren en een tas met horloges te bewaren. De horloges zaten in een rood stoffen tasje met een touwtje, een tasje zoals [betrokkene 1] in zijn kledingkast heeft liggen, en waren van merken die bij [betrokkene 1] waren gestolen. Bovendien heeft [getuige 5] in de slaapkamer van een woning waar [medeverdachte] rond de kerst een aantal nachten had overnacht, voor het laatst uiterlijk 26 december 2010, een tas gevonden die [getuige 5] nooit eerder had gezien en waarin allerhande gestolen papieren van [betrokkene 1] zaten.
De avond volgend op de ochtend dat [medeverdachte] aan [getuige 5] vroeg de horloges en papieren te bewaren, is [getuige 5] met de horloges naar het sportcafé gegaan en heeft hij ze laten zien aan [getuige 1]. Volgens [getuige 1] was dat op tweede kerstdag [dus 26 december 2010, AG] en was ook [medeverdachte] erbij. Dit vindt steun in de verklaring van [medeverdachte] dat hij op tweede kerstdag met vrienden heeft gefeest in het sportcafé te Nijmegen en in telefoongesprekken van 30 december 2010 tussen [medeverdachte] en [getuige 5] waaruit volgt dat [medeverdachte] op zoek was naar de Special Edition die hij “die dag in het sportcafé” nog had. Volgens [getuige 5] bedoelde [medeverdachte] hiermee een horloge, terwijl uit de verklaring van [betrokkene 1] blijkt dat één van de gestolen horloges een exemplaar betrof met de inscriptie special edition.
24. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het oordeel van het hof dat het tweede kerstdag 2010 was waarop [medeverdachte] horloges aanbood en dat die horloges de uit de kluis van [betrokkene 1] gestolen horloges betroffen waardoor de diefstal daarvoor moet hebben plaatsgevonden, ook zonder nader onderzoek naar de reden waarom het alarm (pas) op 27 december 2010 is afgegaan en de exacte datum waarop de tas met gestolen papieren is achtergelaten in de woning van [getuige 5], niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
25. Ten tweede wordt in de schriftuur betoogd dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake is van medeplegen.
26. Het hof heeft in aanmerking genomen dat de diefstal moet zijn gepleegd in (één van) de periodes dat het alarm uit stond en dat verdachte daarbij een essentiële rol heeft gespeeld doordat zij degene was die telkens het alarm uit- en inschakelde. Uit het feit dat alleen de kleedkamer was doorzocht heeft het hof niet onbegrijpelijk afgeleid dat kennelijk bekend was waar men moest zijn, terwijl verdachte wist dat de kluis zich in de kleedkamer bevond en zij volgens haar eigen verklaring op 24 december 2010 ook daadwerkelijk in die kamer is geweest. Bovendien heeft verdachte voor, tijdens en na de diefstal telefonisch contact onderhouden met personen die hebben beschikt over wat bij de diefstal is buitgemaakt. Een van deze personen was verdachtes toenmalige vriend [medeverdachte], wiens telefoon in de dichte nabijheid van de woning van [betrokkene 1] is gedetecteerd en met wie verdachte de avond van 24 december 2010 heeft doorgebracht. [medeverdachte] beschikte na kerst 2010 plotseling over veel contant geld en kocht toen een type auto waarnaar verdachte op internet heeft gezocht. Ook heeft verdachte naar horloges gezocht, volgens het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof kennelijk met de bedoeling een deel van de buit te gelde te maken. Ten slotte heeft het hof gewezen op het feit dat verdachte heeft geprobeerd een getuige te beïnvloeden en op verdachtes inconsistente en leugenachtige verklaringen die naar het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof waren bedoeld om te verhullen dat de diefstal met medeweten van en in nauwe samenwerking met verdachte heeft plaatsgevonden.
27. Het oordeel van het hof, dat erop neerkomt dat uit verdachtes gedragingen voor, tijdens en na de diefstal kan worden afgeleid dat verdachte niet slechts behulpzaam is geweest bij de diefstal maar zij op basis van een gezamenlijk plan zo nauw en bewust heeft samengewerkt met in ieder geval [medeverdachte] dat sprake is van medeplegen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd is.
28. De bewezenverklaring is voldoende met redenen omkleed.
29. Het middel faalt.
30. Het derde middel klaagt dat het hof een verklaring van medeverdachte [medeverdachte] heeft gedenatureerd, omdat het hof uit die verklaring kennelijk maar ten onrechte heeft afgeleid dat waar [medeverdachte] sprak over “het sportcafé in Nijmegen” hij het door de betrokkenen [getuige 1] en [getuige 5] genoemde café “de Sportcentrale” te Nijmegen bedoelde.
31. Het middel ziet op het door het hof gebezigde bewijsmiddel 31, dat luidt:
“Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 januari 2011 van de politie Haaglanden met nr. PL1571 2010262288-26. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 103):
als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [medeverdachte]:
Tweede kerstdag (het hof begrijpt: in 2010) heb ik met wat vrienden gefeest in het sportcafé in Nijmegen.”
32. Het hof heeft op basis van de aan hem voorbehouden selectie- en waarderingsvrijheid van het bewijsmateriaal kennelijk en niet onbegrijpelijk uit de inhoud van deze verklaring en de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 5] afgeleid dat zij allen over café de Sportcentrale te Nijmegen spraken. Door deze interpretatie heeft de verklaring van [medeverdachte] niet een wezenlijk andere betekenis gekregen dan hij daaraan kennelijk wilde geven,7.getuige ook het feit dat niet blijkt dat op enig moment door of namens [medeverdachte] is aangevoerd dat hij een ander café bedoelde. Van denaturering is dus geen sprake.
33. Het middel faalt.
34. Alle voorgestelde middelen falen. Het tweede en derde middel kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.
35. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
36. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑03‑2014
HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007, 626 m.nt. Mevis.
Dubelaar a.w. p. 122 e.v.
Zie bijvoorbeeld HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7058 en HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3297 en ook M.J. Alink en P.D.J. van Zeben, Getuigen in het Nederlands strafproces, 2006, p. 25
Door te overwegen: “ten aanzien van welke punten (die niet reeds eerder in onderhavige procedure aan de orde hadden kunnen worden gesteld) hij de getuigen nader wenst te bevragen.”
Omwille van de leesbaarheid zijn de in het arrest vermelde voetnoten niet overgenomen. De in de aanvulling op het verkort arrest vermelde misslagen in de bewijsoverweging zijn hersteld op de wijze als in de aanvulling aangegeven.
Vgl. G.J.M. Corstens / M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 7e druk 2011, p. 683-684 en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 7e druk 2012, p. 186.
Beroepschrift 29‑04‑2013
CASSATIESCHRIFTUUR
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te 's Gravenhage
Schriftuur van cassatie inzake: [verdachte] ca O.M.
Zaaknummer: S 13/00717
Parketnummer Gerechtshof te 's‑Gravenhage: 22-003583-11
Geeft eerbiedig te kennen:
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] ([geboorteland]), wonende te [woonplaats], te dezer zake domicilie kiezende te Utrecht, Croeselaan 244 (3521 CL), ten kantore van haar raadsman mr. A. Boumanjal die door haar bepaaldelijk is gevolmachtigd dit schriftuur te ondertekenen en in te dienen;
dat zij beroep in cassatie heeft ingesteld van het haar betreffende arrest van het Gerechtshof te 's‑Gravenhage de dato 8 augustus 2012;
dat in eerste aanleg de Rechtbank te 's‑Gravenhage requirante heeft veroordeeld terzake van diefstal tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 82 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de tijd van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis;
dat het Gerechtshof te 's‑Gravenhage bij hiervoor genoemd arrest requirante eveneens heeft veroordeeld terzake van diefstal, zulks tot een gelijke straf als die de rechtbank heeft opgelegd;
dat zij de volgende middelen van cassatie voordraagt:
Middel 1
Er is sprake van schending van het recht en / of van verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO, waarvan de niet naleving nietigheid met zich meebrengt. Het oordeel van het hof, inhoudende de afwijzing van de door de raadsman ter terechtzitting gedane verzoek tot het horen van de getuigen, is onbegrijpelijk, althans heeft het hof die afwijzing niet zonder meer begrijpelijk gemotiveerd.
Ter toelichting:
1.
Het hof heeft in dit verband allereerst overwogen dat de getuigen reeds eerder uitgebreid zijn gehoord in de onderhavige zaak. Wat het hof met deze overweging bedoelt, is voor requirante een raadsel. De getuigen, met uitzondering van getuige [getuige 4], zijn uitsluitend door de politie gehoord. Verhoor van deze getuigen bij de rechter-commissaris is in casu niet geschied. Het feit dat deze getuigen uitgebreid bij de politie zijn gehoord, kan geen omstandigheid zijn waarop de weigering kan berusten, daar de verdediging niet bij het verhoor bij de politie aanwezig is geweest en evenmin daartoe in de gelegenheid is gesteld.
Het tweede argument van het hof, te weten dat de getuigen hun verklaring grotendeels hebben bevestigd tegenover de rechter-commissaris, kan evenmin de afwijzende beslissing dragen.
Allereerst is het hof, door aldus te oordelen, vooruitgelopen op de inhoud van de verklaringen van die getuigen1..
Ten tweede volgt uit de verklaringen van de getuigen, zoals afgelegd bij de rechter-commissaris, niet slechts een bevestiging van hetgeen door de getuigen is verklaard bij de politie, doch zijn er ook tegenstrijdigheden te vinden en meer relevant worden nieuwe feiten en omstandigheden gerelateerd. Zo wordt bij de rechtercommissaris door de getuige [medeverdachte 3] met betrekking tot de specifieke dag van aanbod van de horloges voor het eerst gesproken over de data 22 of 23 december 20102.. Voorts wordt door de getuige [medeverdachte 3], voor het eerst bij de rechter-commissaris, gesproken over de merknamen van de aangeboden horloges en het moment waarop de tas met papieren door [medeverdachte 1] in zijn woning zou zijn achtergelaten, hetgeen het hof kennelijk van belang heeft geacht voor de bewezenverklaring, meer speciaal de vaststelling dat de aangeboden horloges en de inhoud van de tas, kennelijk dezelfde zouden zijn als die zijn ontvreemd3..
Ook getuige [getuige 1], legt op cruciale punten een ietwat andere verklaring af. Zo verklaart hij bij de rechter-commissaris dat4.: ‘alles is geweest tussen kerst en oud en nieuw’. Ook voor de andere getuigen geldt dat waar het aankomt op de dag van aanbod van de horloges, de verklaring bij de rechter-commissaris niet, althans niet zonder meer, de verklaringen zoals afgelegd bij de politie bevestigt5..
Gezien het voormelde in onderling verband en samenhang bezien en voorts het belang van de verdediging waar het aankomt op de vraag wanneer exact de horloges zijn aangeboden en of de horloges dezelfde zijn als die zijn ontvreemd, zulks uiteraard in het licht gezien van het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, dient geconcludeerd te worden dat de afwijzing van het hof tot het horen van de getuigen niet, althans niet zonder meer, begrijpelijk is.
Hierbij indachtig dat onder de gegeven omstandigheden, meer speciaal de niet voor en aan de verdediging te voorziene respectievelijk te wijten ontwikkeling dat de processen-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris eerst daags voor de inhoudelijke behandeling aan de verdediging zijn overgelegd, de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk mag verschillen van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt6., terwijl het belang van de verdediging evident is.
Middel 2
Er is sprake van schending van het recht en / of van verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO, waarvan de niet naleving nietigheid met zich meebrengt. De bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit kan niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid, althans is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed, respectievelijk niet begrijpelijk.
Ter toelichting:
2.
Aleer in te gaan op het aspect van het medeplegen, wenst de verdediging eerst stil te staan bij de door het Hof genomen tussenconclusie, inhoudende dat [medeverdachte 1] op 26 december 2010 in het bezit was van (enkele) goederen die zijn weggenomen uit de betreffende woning en deswege de diefstal niet kan hebben plaatsgevonden op 27 december 2010 ten tijde van de alarmmelding, doch reeds daarvoor.
Voorop zij gesteld dat deze conclusie niet, althans niet zonder meer, uit de gebezigde bewijsmiddelen valt af te leiden. Opmerkelijk is evenwel dat het hof het door het OM geschetste scenario als uitgangspunt neemt, zulks terwijl het door de verdediging geschetste scenario gebaseerd is op ondubbelzinnig en onomstotelijk (direct) bewijs, zulks in tegenstelling tot dat van het OM dat gebaseerd is op indirect bewijs.
Blijkens de verklaring van [getuige 3], zoals afgelegd bij de rechter-commissaris7., kan het niet anders zijn geweest dan dat de deur is open gegaan op 27 december 2010. Hij verklaart voorts dat een alarm alleen wordt gegeven wanneer er een deur opengaat en niet wanneer de deur al openstaat.
Als gezegd deze verklaring spreekt boekdelen. Nu gesteld noch gebleken is van een andere reden dat de deur is opengegaan en het hof in dit verband geen uitsluitsel heeft gegeven dan wel daarnaar onderzoek heeft laten verrichten, is het onbegrijpelijk te noemen dat het hof niet uitgaat van het feit dat op 27 december 2010 de inbraak heeft plaatsgevonden. Er is in casu sprake van een concrete aanwijzing dat de inbraak is gepleegd op 27 december 2010.
Hetgeen het hof daartegenover legt, is onvoldoende om van voornoemd uitgangspunt af te wijken. Immers, niet onomstotelijk staat vast dat de heer [medeverdachte 1] daadwerkelijk de gestolen horloges op 26 december 2010 heeft aangeboden. Het hof bedient zich ter zake van gewaagde gevolgtrekkingen. Geen van de getuigen spreken expliciet en ondubbelzinnig, althans zonder enige aarzeling, van 26 december 2010 als zijnde de dag van aanbod van de horloges en hebben in dit verband ook geen referentiekader genoemd. Evenmin spreken de getuigen van het feit dat het zou gaan om dezelfde horloges, terwijl zulks evenmin uit een ander bewijsmiddel kan worden afgeleid.
Het één en ander geldt ook voor de dag waarop de heer [medeverdachte 1] de tas zou hebben achtergelaten in de woning van medeverdachte [medeverdachte 3]. Het hof verwijst naar de verklaring van de heer [medeverdachte 3], zoals afgelegd bij de rechter-commissaris, doch uit deze verklaring kan niet worden afgeleid dat de getuige [medeverdachte 3] met stelligheid heeft verklaard dan wel kan verklaren wanneer de tas daadwerkelijk is achtergelaten.
De overige door het hof gerelateerde omstandigheden, te weten de koop van de laptop, de koop van de CLS en het tapgesprek waarin wordt gesproken over ‘special edition’ spelen zich af na 27 december 2010 en logenstraffen dan ook niet het door de verdediging geschetste alternatieve scenario.
De tussenconclusie van het hof is dan ook in het licht van het vorenstaande onbegrijpelijk te noemen.
4.
In het veronderstelde geval de tussenconclusie van het hof stand zou houden, dan kan uit de gebezigde bewijsmiddelen, noch uit de nadere bewijsoverweging worden afgeleid dat verdachte zo bewust en nauw heeft samengewerkt met een ander dat er sprake is van medeplegen.
5.
Het hof heeft kennelijk de telefooncontacten tussen enerzijds requirant en anderzijds [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van belang geacht. Echter bij gebrek aan wetenschap van de inhoud van de gesprekken en voorts het feit dat de betrokkenheid van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als (mede)plegers niet is komen vast te staan en evenmin door het hof is vastgesteld8., kan het door het hof gelegde, doch niet nadere gemotiveerde verband tussen het contact en het medeplegen niet (zonder meer) begrijpelijk worden geacht.
Hierbij is nog eens van belang dat het contact, voor zover dit als belastend kan worden beschouwd, hooguit van belang is voor de vaststelling van medeplichtigheid. Voor medeplegen is simpelweg meer vereist.
In een arrest van uw Raad9. is — met name door A-G Knigge — op treffende wijze het onderscheid tussen medeplegen en medeplichtigheid uiteengezet:
‘12.
In onderhavige zaak was de verdachte niet lijfelijk aanwezig bij de uitvoering van de misdrijven. De stellers van het middel onderkennen dat dit niet aan het aannemen van medeplegen in de weg hoeft te staan. Wel betogen zij met een beroep op literatuur en jurisprudentie dat de lijfelijke afwezigheid gecompenseerd moet worden door andere omstandigheden. Dat komt mij juist voor. Ik teken daarbij aan dat lijfelijke afwezigheid niet hoeft te betekenen dat iedere vorm van directe betrokkenheid bij de uitvoering van het misdrijf ontbreekt.
De moderne communicatiemiddelen maken dat ook op afstand leiding kan worden gegeven en noodzakelijke informatie doorgespeeld.(1) In gevallen evenwel waarin van directe betrokkenheid bij de uitvoering geen sprake is, zal de compensatie als regel gevonden moeten worden in een grote rol bij de voorbereiding van het misdrijf.
13.
Het belangrijkste argument om afwezigheid bij de uitvoering niet aan het aannemen van medeplegen in de weg te laten staan, is dat anders de drijvende kracht achter de schermen buiten schot blijft zodat het strafrecht zich alleen richt op de onnozelaars die bereid worden gevonden het vuile werk op te knappen.
Dat pleit ervoor om de hier bedoelde vorm van ‘medeplegen bij afwezigheid’ te beperken tot gevallen waarin sprake is van een actieve — initiërende, organiserende of coördinerende — rol in de voorfase. Er zal tenminste moeten blijken van een rol die gelijkwaardig is aan die van de andere deelnemers.
Ik wijs er daarbij op dat anders het onderscheid met de medeplichtigheid geheel verloren dreigt te gaan. Ook voor de medeplichtige geldt immers dat hij zich niet van de plannen distantieert, maar zich daarbij aansluit door het leveren van een bijdrage.
14.
Uit de bewijsmiddelen in de onderhavige zaak blijkt niet dat de verdachte een actieve rol heeft gespeeld bij de plannenmakerij’.
6.
Zonder nadere motivering, deze ontbreekt, is de overweging van het Hof niet begrijpelijk. Immers, wil het Hof tot de conclusie kunnen komen, dat verdachte een (actieve) rol heeft gespeeld (bij de plannenmakerij), dan moet zulks zonder meer uit de bewijsmiddelen kunnen worden gedestilleerd.
In dit verband zij verwezen naar het arrest van uw Raad10., waarin de A-G als volgt overweegt:
‘4.8.
Mogelijk heeft het Hof geoordeeld dat sprake was van een gezamenlijk plan (waarvan de verdachte op de hoogte was en waarin hij participeerde) en dat het wegnemen van de geluidsapparatuur het kader van het gezamenlijke streven niet te buiten ging.
Dat was dan mogelijk voor het aannemen van voorwaardelijk opzet voldoende geweest.(2) Over de vraag of en in hoeverre van een gezamenlijk streven sprake was, geven de bewijsmiddelen echter geen uitsluitsel.
Het enkele feit dat de verdachte, zoals het Hof oordeelde, ‘uit baldadigheid’ naar binnen is gegaan, lijkt mij onvoldoende om aan te nemen dat sprake was van een gezamenlijk streven dat mede het wegnemen van kostbare spullen omvatte’.
7.
Het is hier waar de schoen wringt. De gebezigde bewijsmiddelen geven ten enenmale geen uitsluitsel aangaande de vraag of er sprake was van een gezamenlijk plan, laat staan dat deze uitsluitsel geven aangaande de vraag of requirante betrokken is geweest bij de opmaak van de plannen. De door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden zijn onvoldoende om de conclusie dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking te kunnen dragen.
Hier komt nog eens bij dat de overige door het hof genoemde omstandigheden, zich met name afspelen na het door het hof vastgestelde pleegmoment. Echter achteraf geboden hulp dan wel belastende gedragingen, kunnen niet, althans niet zonder meer medeplegen met zich meebrengen.
Zij verwezen naar overweging 11 van A-G Knigge11.:
‘11.
De achteraf geboden hulp bevestigt in elk geval dat de verdachte zich op geen enkel moment van de plannenmakerij, waarvan ze op de hoogte was, heeft gedistantieerd. Dat evenwel levert op zich zelf nog geen medeplegen op. Ik wijs in dit verband op HR 18 maart 2008, NJ 2008, 209. Het ging daarin om het gooien van een stoeptegel vanaf een viaduct waardoor een automobiliste dodelijk werd getroffen. De verdachte werd vrijgesproken van medeplegen van moord, waarbij het Hof in aanmerking nam dat de verdachte (die in de auto was blijven zitten toen zijn kameraden een stoeptegel gingen gooien) geen uitvoeringshandelingen had verricht en niet met het gooien had ingestemd. In cassatie voerde het Openbaar Ministerie aan dat het Hof voorbij was gegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat (kort gezegd) de verdachte geweten had wat er stond te gebeuren en zich daarvan desondanks niet had gedistantieerd. De Hoge Raad overwoog onder meer het volgende.
‘In 's Hofs overweging ligt als zijn oordeel besloten dat het de door de Advocaat-Generaal bij het Hof genoemde omstandigheid dat de verdachte, ondanks de volgens het Openbaar Ministerie bij de verdachte aanwezige wetenschap over hetgeen stond te gebeuren, zich daarvan niet heeft gedistantieerd, in de gegeven omstandigheden onvoldoende is om de vereiste bewuste en nauwe samenwerking op te kunnen opleveren.
Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip ‘medeplegen’, terwijl daarmee, anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, niet wordt miskend dat zodanige bewuste en nauwe samenwerking ook ‘stilzwijgend’ kan geschieden.’
Ik begrijp dit aldus dat het zich niet (tijdig) distantiëren van een misdrijf waarvan men tevoren op de hoogte is, niet — of in elk geval niet steeds — voldoende is om medeplegen aan te nemen. Dat geldt ook als de verdachte lijfelijk op de plaats van het misdrijf aanwezig is. Dat zal des te sterker gelden als de verdachte niet aanwezig is’.
Voornoemde overweging, later nog eens bevestigt door uw Raad12., maakt dat het aanwezig zijn, op de hoogte zijn van de plannen, instemmen en niet distantiëren, niet — zonder meer — voldoende is om medeplegen aan te nemen.
Er dient dan ook meer te zijn dan sec de door het hof gerelateerde gedragingen. Dit is ook verdedigbaar, daar voor een medeplichtige ook geldt dat hij op de hoogte was van de plannen, heeft ingestemd, zich niet heeft gedistantieerd en behulpzaam is geweest. Kortom, ook kwade opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm, is vereist bij het aannemen van medeplichtigheid. Wil men derhalve medeplegen kunnen aannemen, moet de rol van de verdachte meer omvatten dan slechts de gelegenheid hebben geboden om de diefstal te kunnen plegen, hetgeen het hof heeft miskend.
Middel 3
Er is sprake van schending van het recht en / of van verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO, waarvan de niet naleving nietigheid met zich meebrengt. Het hof heeft een verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] gedenatureerd en deswege is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Ter toelichting:
Het hof heeft de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1], zoals afgelegd bij de politie13. gebezigd als bewijs, doch uit deze verklaring heeft het hof — gezien in de context van het arrest — kennelijk afgeleid dat [medeverdachte 1] zou hebben verklaard dat hij op tweede kerstdag aanwezig is geweest in de door de getuige [getuige 1] en [medeverdachte 3] genoemde café ‘de Sportcentrale’ te Nijmegen, zulks terwijl [medeverdachte 1] in zijn verklaring slechts spreekt over het Sportcafè. Het hof heeft derhalve uit de verklaring van [medeverdachte 1] niet kunnen afleiden dat verdachte op tweede kerstdag in het cafè ‘de Sportcentrale’ aanwezig is geweest, zodat het het hof niet was toegestaan, hetgeen in dit verband in het proces-verbaal is gerelateerd, weer te geven op de wijze zoals in het arrest is vermeld. Deswege is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed14..
Het is op vorenstaande grond dat requirant tot cassatie de eer heeft te concluderen dat het Uw Raad moge behagen het arrest a quo te vernietigen met zodanige verdere beslissing als Uw Raad moge vermenen te behoren.
Utrecht, 29 april 2013
't welk doende enz.,
advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 29‑04‑2013
Zie o.a. HR 18 oktober 1994, NJ 1995/80 en HR 18 november 2008, LJN BF3297
Zie verklaring van [medeverdachte 3], zoals afgelegd bij de rechter-commissaris (pt. 3)
Zie p. 7 van het arrest; voetnoot 13
Zie verklaring van [getuige 1], zoals afgelegd bij de rechter-commissaris (pt. 8)
Zie pt. 4 van de verklaring van [getuige 2] en pt. 2 van de verklaring [getuige 5], beide afgelegd bij de rechter-commissaris
HR 19 juni 2007, NJ 2007, 626
Zie verklaring van [getuige 3], zoals afgelegd bij de rechter-commissaris op 26 mei 2011 (pt. 21)
[medeverdachte 1] is door het Hof vrijgesproken als zijn medepleger. Hij is veroordeeld voor heling. [medeverdachte 2] is niet vervolgd voor de diefstal.
Zie HR 9 maart 2010, LJN: BJ7275
HR 13 september 2011, LJN BQ4677
Zie voetnoot 9
HR 22 december 2009, LJN BK3356
Bewijsmiddel 31
HR d.d. 23 december 2008 (LJN: BG3664).