Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt abusievelijk dat de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2015.
HR, 06-02-2024, nr. 21/04426
ECLI:NL:HR:2024:164
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-02-2024
- Zaaknummer
21/04426
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:164, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑02‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1228
ECLI:NL:PHR:2023:1228, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑12‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:164
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑08‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0021
NJ 2024/116 met annotatie van W.H. Vellinga
Uitspraak 06‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Witwassen van € 321.300, art. 420bis.1.b Sr. Kan in cassatie worden geklaagd over afwijzing van getuigenverzoek als samenstelling hof nadien is gewijzigd maar niet expliciet is medegedeeld dat onderzoek opnieuw is aangevangen? Afwijzing (op 3-6-2016) van een op regiezitting (van 20-5-2016) gedaan verzoek tot horen van drietal getuigen op de grond dat het onvoldoende is onderbouwd en ook overigens niet noodzakelijk is. Vervolgens heeft hof in andere samenstelling dan tijdens zitting van 3-6-2016 zaak behandeld op tz. in hoger beroep van 14-9-2021, 21-9-2021 en 4-10-2021. P-v van die tz. houdt niet in dat door voorzitter is medegedeeld dat onderzoek ttz. opnieuw is aangevangen. Arrest van hof houdt in dat het is gewezen n.a.v. onderzoek ttz. in eerste aanleg en “onderzoek op tz. in hoger beroep van dit hof”. Daarmee had hof, gelet op procesverloop, kennelijk het oog op tz. in h.b. van 14-9-2021, 21-9-2021 en 4-10-2021. Afwijzende beslissing van hof is beslissing in de zin van art. 328 en 331.1 jo. art. 315 Sv, welke bepalingen o.g.v. art. 415 Sv ook in h.b. van toepassing zijn. Op die beslissing heeft art. 322.4 Sv geen betrekking. Nu gelet op procesverloop ervan moet worden uitgegaan dat onderzoek ttz. van 14-9-2021 i.v.m. gewijzigde samenstelling van hof opnieuw is aangevangen en einduitspraak van hof niet mede berust op beslissing die hof op tz. van 3-6-2016 heeft genomen op verzoek tot horen van getuigen, is middel tevergeefs voorgesteld. N.a.v. gestelde in CAG merkt HR nog op dat, ook als niet (expliciet) in p-v van onderzoek ttz. is vermeld dat onderzoek na wijziging van samenstelling van gerecht a.b.i. art. 322.3 Sv opnieuw is aangevangen, uit concreet procesverloop kan blijken of onderzoek ttz. opnieuw is aangevangen (vgl. HR:1993:2). Van belang daarvoor is o.m. omstandigheid dat OM zaak opnieuw heeft voorgedragen. Volgt verwerping. CAG: Nu niet bevel is gegeven dat zaak opnieuw wordt aangevangen, kan in cassatie worden geklaagd over beslissingen die op tz. van 3-6-2016 zijn genomen. Samenhang met 21/04540, 21/04541 en 21/04544 en met 21/04476 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04426
Datum 6 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 oktober 2021, nummer 22-001509-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T.P. Schut, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot het als getuige horen van [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 1] .
2.2.1
De raadsman van de verdachte heeft op de regiezitting van 20 mei 2016 het verzoek gedaan tot het horen van [betrokkene 1] , [betrokkene 6] en [betrokkene 1] als getuige.
2.2.2
Het hof heeft dat verzoek van de verdediging op de terechtzitting van 3 juni 2016 als onvoldoende onderbouwd en overigens ook niet noodzakelijk afgewezen.
2.2.3
Vervolgens heeft het hof in een andere samenstelling dan tijdens de zitting van 3 juni 2016 de zaak behandeld op de terechtzitting in hoger beroep van 14 en 21 september en 4 oktober 2021. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt niet in dat door de voorzitter is medegedeeld dat het onderzoek ter terechtzitting opnieuw is aangevangen. Dit proces-verbaal vermeldt wel onder meer het volgende:
“De voorzitter doet de zaak tegen de hierna te noemen verdachte uitroepen.
(...)
De voorzitter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en wijst erop dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
(...)
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
(...)
De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.”
2.2.4
Het arrest van het hof houdt in dat het is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en “het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof.” Daarmee had het hof, gelet op het hiervoor weergegeven procesverloop, kennelijk het oog op de terechtzittingen in hoger beroep van 14 en 21 september en 4 oktober 2021.
2.3
De in het cassatiemiddel bedoelde afwijzende beslissing van het hof is een beslissing in de zin van artikel 328 en 331 lid 1 in samenhang met artikel 315 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), welke bepalingen op grond van artikel 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn. Op die beslissing heeft artikel 322 lid 4 Sv geen betrekking. Nu, gelet op het onder 2.2 weergegeven procesverloop, ervan moet worden uitgegaan dat het onderzoek op de terechtzitting van 14 september 2021 in verband met de gewijzigde samenstelling van het hof opnieuw is aangevangen en de einduitspraak van het hof niet mede berust op de beslissing die het hof op de terechtzitting van 3 juni 2016 heeft genomen op het verzoek tot het horen van de in het cassatiemiddel bedoelde getuigen, is het cassatiemiddel tevergeefs voorgesteld.
2.4
Naar aanleiding van het gestelde in de conclusie van de advocaat-generaal onder 17 merkt de Hoge Raad nog het volgende op. Ook als niet (expliciet) in het proces-verbaal van het onderzoek op de terechtzitting is vermeld dat dit onderzoek na een wijziging van de samenstelling van het gerecht – zoals bedoeld in artikel 322 lid 3 Sv – opnieuw is aangevangen, kan uit het concrete procesverloop blijken of het onderzoek ter terechtzitting opnieuw is aangevangen (vgl. HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:2, rechtsoverweging 5.3). Van belang daarvoor is onder meer de omstandigheid dat het openbaar ministerie de zaak opnieuw heeft voorgedragen.
3. Beoordeling van het zesde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 290 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2024.
Conclusie 12‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Witwassen van € 321.300, art. 420bis.1.b Sr. Kan in cassatie worden geklaagd over afwijzing van getuigenverzoek als samenstelling hof nadien is gewijzigd maar niet expliciet is medegedeeld dat onderzoek opnieuw is aangevangen? Afwijzing (op 3-6-2016) van een op regiezitting (van 20-5-2016) gedaan verzoek tot horen van drietal getuigen op de grond dat het onvoldoende is onderbouwd en ook overigens niet noodzakelijk is. Vervolgens heeft hof in andere samenstelling dan tijdens zitting van 3-6-2016 zaak behandeld op tz. in hoger beroep van 14-9-2021, 21-9-2021 en 4-10-2021. P-v van die tz. houdt niet in dat door voorzitter is medegedeeld dat onderzoek ttz. opnieuw is aangevangen. Arrest van hof houdt in dat het is gewezen n.a.v. onderzoek ttz. in eerste aanleg en “onderzoek op tz. in hoger beroep van dit hof”. Daarmee had hof, gelet op procesverloop, kennelijk het oog op tz. in h.b. van 14-9-2021, 21-9-2021 en 4-10-2021. Afwijzende beslissing van hof is beslissing in de zin van art. 328 en 331.1 jo. art. 315 Sv, welke bepalingen o.g.v. art. 415 Sv ook in h.b. van toepassing zijn. Op die beslissing heeft art. 322.4 Sv geen betrekking. Nu gelet op procesverloop ervan moet worden uitgegaan dat onderzoek ttz. van 14-9-2021 i.v.m. gewijzigde samenstelling van hof opnieuw is aangevangen en einduitspraak van hof niet mede berust op beslissing die hof op tz. van 3-6-2016 heeft genomen op verzoek tot horen van getuigen, is middel tevergeefs voorgesteld. N.a.v. gestelde in CAG merkt HR nog op dat, ook als niet (expliciet) in p-v van onderzoek ttz. is vermeld dat onderzoek na wijziging van samenstelling van gerecht a.b.i. art. 322.3 Sv opnieuw is aangevangen, uit concreet procesverloop kan blijken of onderzoek ttz. opnieuw is aangevangen (vgl. HR:1993:2). Van belang daarvoor is o.m. omstandigheid dat OM zaak opnieuw heeft voorgedragen. Volgt verwerping. CAG: Nu niet bevel is gegeven dat zaak opnieuw wordt aangevangen, kan in cassatie worden geklaagd over beslissingen die op tz. van 3-6-2016 zijn genomen. Samenhang met 21/04540, 21/04541 en 21/04544 en met 21/04476 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/04426
Zitting 12 december 2023
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 18 oktober 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens ‘witwassen’ veroordeeld tot 300 dagen gevangenisstraf, waarvan 200 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr, alsmede 120 uren taakstraf, subsidiair 60 dagen hechtenis. Het hof heeft daarnaast twee zaktelefoons verbeurd verklaard, de teruggave aan de verdachte gelast van geldbedragen van in totaal € 2.075,-, een laptop en een personenauto, en de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van een telmachine, een laptop en zes enveloppen met kasopbrengst van in totaal € 1.465,-.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/04540, 21/04541, 21/04544 en 21/04476. In de eerste drie zaken zal ik vandaag ook concluderen. In de zaak 21/04476 is op 7 november 2023 arrest gewezen door Uw Raad.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. T.P. Schut, advocaat te Amsterdam, heeft zes middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel betreft de afwijzing van getuigenverzoeken. Het tweede tot en met het vijfde middel betreffen de bewijsvoering. Het zesde middel bevat klachten met betrekking tot schendingen van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in hoger beroep en cassatie. Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer. Voorts geef ik het procesverloop met betrekking tot de getuigenverzoeken en delen van de pleitnota van de raadsman van de verdachte weer.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘1.
hij, in de periode van 10 februari 2011 tot en met 17 februari 2011, in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, toen en daar een groot geldbedrag overgedragen door een geldbedrag van EUR 321.300 over te dragen aan [betrokkene 1] , terwijl hij verdachte ten aanzien van dat grote geldbedrag wist dat dat onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf,’
6. De bijlage bij het bestreden arrest houdt het volgende in (met weglating van verwijzingen):
‘Het hof neemt uit het vernietigde vonnis over de inhoud van de in dat vonnis vermelde bewijsmiddelen 1 tot en met 15 met betrekking tot de overdracht van € 321.300 op 17 februari 2011 zoals vermeld op pagina 16 tot en met 22, alsmede - zulks in verband met de identificatie van zowel verdachte als zijn medeverdachte [medeverdachte] als gebruikers van de betreffende getapte telefoons - de bewijsmiddelen 1 en 2 op blz. 14 en 15 met uitzondering van bewijsmiddel 2 vanaf het onderdeel "13.03 uur".
Daarnaast neemt het hof in aanvulling op deze genoemde bewijsmiddelen op:
Het proces-verbaal identificatie, nummer 29706014 (…) van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, inhoudende als relaas van verbalisant KL005641:
[medeverdachte] heeft contact met een man die zich [bijnaam] noemt. Zij hebben dagelijks telefonisch contact. Uit deze onderlinge gesprekken en stemherkenning blijkt dat [bijnaam] gebruik maakt van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] .
Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] bleek afgegeven te zijn voor de volgende persoon:
[verdachte] , [a-straat 1] te [plaats] .
Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] bleek een prepaid telefoon te zijn.
Op het adres [a-straat 1] te [plaats] staat ingeschreven:
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] .’
7. De in het (vernietigde) vonnis van de rechtbank opgenomen bewijsmiddelen waarvan de inhoud door het hof is overgenomen, houden onder meer het volgende in (met weglating van verwijzingen):
‘1.
Een geschrift, te weten tapgesprek gegevens, voor zover inhoudende (…) - zakelijk weergegeven -:
Telefoongesprek van 3 februari 2011 om 11.39 uur.
[medeverdachte] [001] ( [medeverdachte] ) wordt gebeld door [verdachte] (= [bijnaam] ) ( [bijnaam] ) [telefoonnummer 2]
[medeverdachte] : ja? [bijnaam] : Broer! U praat niet... Waar een keertje mij had gebracht, daar ontmoeten toch? [medeverdachte] : Is het niet mogelijk, dat u zelf naar de mensen van Ossenwagen gaat en daar ontmoeten. [bijnaam] : Het is goed. [medeverdachte] : Ja toch? [bijnaam] : Het is goed. [medeverdachte] : Wij kunnen ook achter(kant) van u komen.... Uw werk. [bijnaam] : Oke, Komt u maar op mijn werk. [medeverdachte] : Achter kant... wanneer ik daar ben, zal ik bellen. [bijnaam] : Het is goed.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 29-702085 (…) van Korps landelijke politiediensten politie, inhoudende als relaas van de verbalisanten KL008547, KL006373, KL006312, KL005637 en KL005730 of één van hen:
Observeren 3 februari 2011
Wij, verbalisanten, KL008547, KL006373, KL006312, KL005637 en KL005730, opsporingsambtenaar,
In het kader van het opsporingsonderzoek met codenaam YOX, is ons een informatieset verstrekt, waarin alle beschikbare relevante gegevens, zoals foto's, contacten, contactadressen, voertuigen en dergelijke, zijn opgenomen.
In opdracht van de teamleider van het onderzoeksteam 4 van de Dienst Nationale Recherche hebben wij, in het kader van het opsporingsonderzoek Yox, ter uitvoering van het bevel ex artikel 126g/ 1260 van het Wetboek van Strafvordering, afgegeven door de officier van justitie mr. Bos te Rotterdam met het parketnummer 10/960231-10, navolgende waarnemingen gedaan en/of het volgende ondernomen:
12.49 uur
Een zwarte Saab [kenteken 1] , stopt kort naast de grijze Kia Sorento en rijdt vervolgens door.
12.50 uur
De grijze Kia Sorento, [kenteken 2] , rijdt weg in de richting van de [b-straat ] , achter de Saab aan. 12.51 uur
De grijze Kia Sorento parkeert in de van Renselaerstraat nabij de [b-straat ] . [verdachte] komt aan lopen en heeft contact met [medeverdachte] die als passagier in de Kia Sorento zit.
12.52 uur
[verdachte] loopt met een zwarte plastic tas met het opschrift "Pour Vous". Richting de winkel [A] .
12.55 uur
[verdachte] gaat de winkel [A] binnen. [medeverdachte] loopt richting [A] en gaat ook naar binnen.
(…)
Overdracht € 321.300 op 17 februari 2011
1.
Een getapt telefoongesprek van dinsdag 15 februari 2011, omstreeks 11:40 uur, (…) voor zover inhoudende:
In/Uit: U
Bronnummer: [telefoonnummer 2]
Tegennummer: [telefoonnummer 3]
dinsdag 15 februari 2011 11:40:00
[bijnaam] ( [bijnaam] ) bun NNman [telefoonnummer 3] (=N)
[bijnaam] : ik ben bij hem/hen, ze/hij zeggen, 'morgen wordt het 100% afgeleverd/afgegeven.’
N: ja wordt het morgen afgeleverd.
[bijnaam] : morgen wordt het afgeleverd, 100%
N: is goed dan. Ik geef het aan hem door.
2.
Een getapt telefoongesprek van woensdag 16 februari 2011, omstreeks 13:48 uur, (…) voor zover inhoudende:
In/Uit: U
Bronnummer: [telefoonnummer 2]
Tegennummer: [telefoonnummer 3]
woensdag 16 februari 2011 13:48:36
[bijnaam] ( [bijnaam] ) bun NNman [telefoonnummer 3] (=N)
[bijnaam] : ja, broer, wat, hebt u verteld?
N: die zei dat het drie honderd (300) is, die heeft het aan hem overhandigd en die is weggegaan.
[bijnaam] : ja
N: die had het vlakbij zijn woning afgegeven.
[bijnaam] : ja. N: hij had snel die pakjes geteld. Hij had tegen die gezegd, 'volgens de pakjes van jou is het
twee vijfennegentig'
[bijnaam] : had hij het gelijk aan die verteld.
N: ja, hij heeft al met die gebeld.
[bijnaam] : en heeft die gezegd dat het goed is?
N: hij heeft tegen die gezegd, ‘je mag het komen checken, jouw 'samaan' ligt gewoon, je mag het
komen checken. Je mag bij me komen.'
[bijnaam] : wat heeft hij gezegd dan?
N: die zei, 'het is geen probleem, ik kijk het wel, ik kan het checken, het is geen probleem.’
[bijnaam] : is goed dan.
N: is het goed?
[bijnaam] : is goed. Goed, u mag die man gereed maken dan.
N: ja, het is goed, ik zal het doen.
3.
Een getapt telefoongesprek van woensdag 16 februari 2011, omstreeks 14:35 uur, (…) voor zover inhoudende:
In/Uit: U
Bronnummer: [telefoonnummer 2]
Tegennummer: [telefoonnummer 3]
woensdag 16 februari 2011 14:35:34
[bijnaam] ( [bijnaam] ) bun NNman [telefoonnummer 3] (=N).
[bijnaam] : U moet me dit vertellen, wanneer gaat die jongen mij ontmoeten, vandaag of morgenochtend vroeg?
N: u mag het zeggen wat u wilt? Ik probeer wel dat die vandaag kan ontmoeten. Er moet nog even van die dat.., wat zal door het lezen (telling) komt.
[bijnaam] : u mag tegen hem zeggen dat hij goed mag lezen. Hij mag alles doen en morgenochtend moet hij mij voor 10.00 uur ontmoeten, om 10.00 uur.
4.
Een getapt telefoongesprek van woensdag 16 februari 2011, omstreeks 17:07 uur, (…) voor zover inhoudende:
In/Uit: U
Bronnummer: [telefoonnummer 2]
Tegennummer: [telefoonnummer 3]
woensdag 16 februari 2011 17:07:27
[bijnaam] ( [bijnaam] ) bun NNman [telefoonnummer 3] (=N).
N: U wordt in een halfuur gebeld.
5.
Een getapt telefoongesprek van woensdag 16 februari 2011, omstreeks 18:03 uur, (…) voor zover inhoudende:
In/Uit: I
Bronnummer: [telefoonnummer 2]
Tegennummer: [telefoonnummer 4]
woensdag 16 februari 2011 18:03:14
[bijnaam] ( [bijnaam] ) wgd NNMan [telefoonnummer 4]
Begroeting.
NN wil [bijnaam] is zien.
[bijnaam] zal hem met 5 minuten een adres sturen.
NN vraagt of het in de stad ('city'), grote stad is.
Ja, zegt [bijnaam] .
Oh, oke, stuur maar, zegt NN.
Oke, zegt [bijnaam] .
6.
Een sms-bericht van woensdag 16 februari 2011, omstreeks 18:06 uur, (…) voor zover inhoudende:
In/Uit: U
Bronnummer: [telefoonnummer 2]
Tegennummer: [telefoonnummer 4]
woensdag 16 februari 2011 18:06:10
SMS [b-straat 1]
7.
Een getapt telefoongesprek van woensdag 16 februari 2011, omstreeks 18:08 uur, (…) voor zover inhoudende:
In/Uit:U
Bronnummer: [telefoonnummer 2]
Tegennummer: [telefoonnummer 4]
Woensdag 16 februari 2011 18:06:31
[bijnaam] ( [bijnaam] ) bun NNman [telefoonnummer 4]
N: ja [bijnaam] : ja vriend N: ja [bijnaam] : en hebt u het nu ontvangen?
N: ja ja, ik heb het ontvangen.
[bijnaam] : is goed. Hoelang gaat het duren dat u er bent.
N: broer, ik ben nu ongeveer anderhalf uur op afstand van mijn stad.
[bijnaam] : ja
N: ja nadat ik daar bent en dan ga ik kijken, ik ga het regelen. En als het vandaag donker wordt en
dan zal ik u morgenochtend om 08.00 uur ontmoeten.
[bijnaam] : geef me een tijdstip, want morgen voor 09.00 uur hebben we alles nodig. N: nee, dat kan morgen wel. Als ik kom en dan zal ik om 08.00 uur bij u zijn. N: Ik ben een beetje voorzichtig in het donker, ’s avonds. Verder is er niets aan de hand. Uw 'samaan' is ook geen probleem.
[bijnaam] : en zullen we voor morgenochtend om 08.00 uur afspreken?
N: het is goed dan.
[bijnaam] : is het goed?
N: ja, gaat uw telefoon aan zijn?
[bijnaam] : ja
N: u moet wel even op uw telefoon opletten, ik zal u rond 7 uur bellen.
8.
Een getapt telefoongesprek van donderdag 17 februari 2011, omstreeks 6:57 uur, (…) voor zover inhoudende:
In/Uit: I
Bronnummer: [telefoonnummer 2]
Tegennummer: [telefoonnummer 4]
donderdag 17 februari 2011 6:57:02
[bijnaam] ( [bijnaam] ) wgd NNman [telefoonnummer 4]
[bijnaam] : hallo
N: broer, ik zie je over een uur, ik wil zo vertrekken.
9.
Een getapt telefoongesprek van donderdag 17 februari 2011, omstreeks 8:16 uur, (…) voor zover inhoudende:
In/Uit: I
Bronnummer: [telefoonnummer 2]
Tegennummer: [telefoonnummer 4]
donderdag 17 februari 2011 8:16:30
[bijnaam] ( [bijnaam] ) wgd NNman [telefoonnummer 4] (=N)
[bijnaam] : ja meneer
N: ja waar bent u?
[bijnaam] : voor de deur.
N: he?
[bijnaam] : voor de deur
N: ik ben wel daar in de straat.
[bijnaam] : waar bent u ongeveer, wat is er geschreven enz.
N: 224, het is een grote kantoor bij het water. Ik heb een bocht genomen en gelijk ben ik gestopt.
[bijnaam] : komt u maar verder op.
N: ja, op welke nummer bent u?
[bijnaam] : komt u maar, u zult me zien.
N: is goed.
10. Een ambtsedig proces-verbaal d.d. 17 februari 2011, PV-nummer: 29-710446, (…) opgemaakt door KL005730, KL006373, KL004440, KL005641, KL008547, KL005637 en KL005109, opsporingsambtenaren, werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:
Wij hebben op donderdag 17 februari 2011 geobserveerd en de navolgende waarnemingen gedaan en/of het volgende ondernomen:
Aanleiding
Uit een lopend opsporingsonderzoek bleek dat de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] op donderdag 17 februari 2011 een zeer groot geldbedrag zou gaan overdragen. Met betrekking tot deze overdracht zou er een ontmoeting plaats vinden in de omgeving van perceel [b-straat 1] te [plaats] .
Uitleg opmaak
In dit proces-verbaal is per waarneming het dienstnummer ingevuld van diegene die de waarneming verricht.
08:10 uur KL5730
Aanvang observatie op de [b-straat ] ter hoogte van perceel [002] .
08:15 uur KL5637
[verdachte] ( [verdachte] is bekend bij het onderzoeksteam) staat op de [b-straat ] ter hoogte van [003] en voert een kort telefoongesprek.
08.17
uur KL5637 en KL8547
[verdachte] zwaait naar de bestuurder van een zwarte Mercedes Benz die aan komt rijden. De Mercedes Benz is voorzien van het kenteken [kenteken 3] . De bestuurder parkeert deze auto op de [b-straat ] ter hoogte van perceel [004-005] . Uit de Mercedes stapt een manspersoon uit met een Indisch/Pakistaans uiterlijk (Nnman1) Nnman1 haalt een zwarte sporttas uit de kofferbak. [verdachte] gaat binnen bij [A] . ( [b-straat 2] ) Nnman1 loopt van zijn auto naar [A] . In zijn rechterhand heeft hij een zwarte tas. Op de zijkant van de tas zit een klein wit embleem. Nnman1 gaat ook [A] binnen.
08.30
uur KL5637
NN1 loopt de winkel uit en heeft dezelfde zwarte tas in zijn handen. NNman1 stopt de zwarte tas in de kofferbak van de voornoemde Mercedes.
08.31
uur KL5637 en KL8547
Uit [A] komen [verdachte] en [betrokkene 3] (beide subjecten zijn bekend bij het onderzoeksteam) [verdachte] heeft een groene tas in zijn hand en stopt deze in de kofferbak van zijn personenauto. [betrokkene 3] heeft een zwarte schoudertas over zijn schouder hangen. Deze tas is gevuld.
08.40
uur KL4440
[verdachte] parkeert zijn auto aan de achterzijde van de flat aan de [a-straat ] te [plaats] . [verdachte] en [betrokkene 3] zijn uitgestapt en gaan de flat binnen via de zij entree (Westzijde) [verdachte] draagt een groene tas in zijn hand en [betrokkene 3] de zwarte schoudertas.
08.41
uur KL 5109 en KL 8547
[verdachte] en [betrokkene 3] gaan met de tassen perceel [a-straat 2] binnen.
08.46
uur KL5109
[verdachte] en [betrokkene 3] verlaten de woning met dezelfde tassen in hun handen.
09.40
uur Allen
Er komt een man uit de woning, [a-straat 3] (NNman3) NNman3 heeft zijn haar in een knot, hij loopt over de balustrade in de richting van de hoofd-entree. De man heeft een blauwe Albert Heijn tas (plastic) in zijn rechterhand. De tas is geheel gevuld.
11.
Een ambtsedig proces-verbaal d.d. 21 februari 2011, PV-nummer: 29-710563 (...), opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie en werkzaam als rechercheur bij het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:
Op donderdag, 17 februari 2011, heeft de rechter-commissaris een doorzoeking verricht van de woning [a-straat 2] te [plaats] .
Tijdens de doorzoeking werden 36 voorwerpen in de woning [a-straat 2] te [plaats] aangetroffen en in beslag genomen, zoals vermeld op de bijgevoegde lijst van in beslaggenomen voorwerpen. Na de doorzoeking werden de in beslag genomen voorwerpen door de rechter-commissaris voor nader onderzoek overgedragen aan het onderzoeksteam van de Nationale Recherche.
12.
Een (…) lijst van inbeslaggenomen goederen (…) voor zover inhoudende:
Behoort bij object [a-straat 2] te [plaats] , Datum 17-02-2011
IBN — CODE OMSCHRIJVING GOEDEREN
MARI325.E.1.1. — Briefje met opschrift o.a. 321.250
13.
Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2011, PV-nummer: 29715305 (…), opgemaakt door [verbalisant 2] , hoofdagent van politie en werkzaam als tactisch rechercheur bij het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:
In het onderzoek Bowls zijn meerdere goederen in beslaggenomen.
Onder nummer MARI325.E.1.1 is onderstaande notitie veiliggesteld.
(BFK: handgeschreven tekst)
105 → 1.0890 → 114
295 → 1.0890
→ 321.250
Het gaat hier vermoedelijk om een berekening waarbij 1.0890 vermoedelijk de wisselkoers betreft. De bedragen 105 en 295 zijn vermoedelijk de bedragen in Britse ponden. Het geld dat [betrokkene 1] in de Albert Heijn tas bij zich had tijdens zijn aanhouding bleek na telling 321.300 euro te zijn.
14.
Een ambtsedig proces-verbaal d.d. 17 februari 2011, PV-nummer: 29710516 (…), opgemaakt door KL006373 en KL004440, werkzaam als tactisch rechercheurs bij het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:
Op 17 februari 2011, omstreeks 9:40 uur, hebben wij op heterdaad als verdachte van een overtreding van artikel 420 bis Wetboek van Strafrecht aangehouden:
[betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] , wonende [a-straat 4] te [plaats] . De verdachte werd aangehouden in het portaal van de flat van zijn woonadres te weten [a-straat ] te [plaats] . De verdachte droeg zichtbaar een blauw wit roodkleurige Albert Heijn tas met zich mee. Wij namen dit voorwerp in beslag.
15.
Een ambtsedig proces-verbaal d.d. 12 september 2011, PV-nummer: 29-727767 (...), opgemaakt door [verbalisant 3] , inspecteur van politie en als dossiervormer werkzaam binnen het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:
[betrokkene 1] had tijdens zijn aanhouding twee mobiele telefoons, een portemonnee, zijn rijbewijs en zijn huissleutels bij zich. In de plastic Albert Heijn boodschappentas zat onder zijn vuile was een geldbedrag wat na telling € 321.300,- bleek te zijn.’
8. Het hof heeft in verband met de bewezenverklaring – voor zover van belang voor de beoordeling van de middelen – voorts het volgende overwogen:
‘Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1
Naar het oordeel van het hof kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - het witwassen van een geldbedrag van € 321.300,-. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking.
Telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 2]
Het hof neemt de bewijsoverweging van de rechtbank onder het kopje 'telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 2] ' zoals vermeld op pagina 4 van het vernietigde vonnis over met uitzondering van de zin "de verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij weleens zo wordt genoemd, maar niet door veel mensen."
De overdracht van voornoemd geldbedrag op 17 februari 2011
Het hof neemt de bewijsoverweging van de rechtbank onder het kopje 'overdracht van € 321.300,- op 17 februari 2011' zoals vermeld op pagina 5 en 6 van het vernietigde vonnis over.
Van misdrijf afkomstig
Het hof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Voorafgaand aan de overdracht van het geldbedrag van € 321.300,- door de verdachte op 17 februari 2011 is sprake geweest van gesprekken met een versluierd, voor buitenstaanders dikwijls cryptisch karakter waarin herhaalde patronen optreden en getallen een prominente rol spelen. Daarnaast is bij het op 17 februari 2011 bij [betrokkene 1] aangetroffen contante geld in een Albert Heijntas sprake van ongebruikelijk vervoer van een groot geldbedrag in kleine coupures hetgeen gepaard gaat met aanzienlijke veiligheidsrisico's. De overdracht heeft daarbij zeer snel plaatsgevonden, hetgeen de conclusie rechtvaardigt dat het verifiëren van de herkomst en de authenticiteit van het geld, de identiteit van de betrokken personen en de precieze omvang van het afgeleverde geldbedrag kennelijk van ondergeschikt belang was.
Voorts overweegt het hof dat door de rechtstreekse, fysieke overdracht van zo'n groot geldbedrag aan een persoon - en buiten het officiële bancaire circuit om - dit wordt onttrokken aan het voor dit soort geldtransacties gebruikelijke (overheids)toezicht, waardoor de werkelijke aard en de herkomst van het geldbedrag kunnen worden verhuld. Daar komt bij dat op geen enkel moment na de inbeslagname van voornoemd geldbedrag een persoon zich als eigenaar of rechthebbende heeft gemeld, hetgeen onwaarschijnlijk is bij een legale herkomst van een geldbedrag van dergelijke omvang.
Op grond van het voorgaande acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het geldbedrag in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig is, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is.
Het hof is van oordeel dat de verdachte niet zo'n verklaring heeft gegeven.
Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp (geldbedrag) onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is (was).
Gezien de hiervoor al geschetste omstandigheden waaronder het geld werd overgedragen, het feit dat er versluierde taal werd gesproken en het gebrek aan aanknopingspunten voor het tegendeel, moet verdachte hebben geweten, althans daarop voorwaardelijk opzet hebben gehad, dat het om uit misdrijf verkregen geld ging.’
9. De in het (vernietigde) vonnis opgenomen bewijsoverwegingen ten aanzien van het ‘Telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 2] ' en de ‘Overdracht van € 321.300,- op 17 februari 2011' die door het hof zijn overgenomen, luiden als volgt:
‘Telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 2]
In het dossier is het telefoonnummer [telefoonnummer 2] gekoppeld aan de verdachte als gebruiker. Door de raadsman is aangevoerd dat de verdachte niet de gebruiker is van dit telefoonnummer. Dit verweer wordt verworpen. In de tapgesprekken wordt de gebruiker van het telefoonnummer regelmatig [bijnaam] genoemd. (…) In zaaksdossier 3 zitten tapgesprekken waarbij de gebruiker van genoemd telefoonnummer belt naar [betrokkene 4] en hem het adres [b-straat 1] doorgeeft. Zij spreken daar af voor donderdagochtend 17 februari 2011. Omstreeks 8.15 uur op 17 februari werd in de omgeving [b-straat 1] te [plaats] de verdachte waargenomen. Om 8.16 uur vindt er een telefoongesprek plaats waarbij de gebruiker van genoemd telefoonnummer tegen [betrokkene 4] zegt dat hij in de straat is. Vervolgens komt [betrokkene 4] aanrijden en zwaait de verdachte naar hem. Verder is er in het deel van het voorgeleidingsproces-verbaal dat ziet op de overdracht van € 125.000,- een tapgesprek aangetroffen tussen de gebruiker van genoemd nummer en [medeverdachte] op 3 februari 2011 om 11.39 uur waarin deze persoon tegen [medeverdachte] zegt "komt u maar naar mijn werk". Vervolgens wordt in een observatie gezien dat [medeverdachte] om 12.51 uur aan komt bij [A] aan de [b-straat ] , de winkel van de verdachte. De verdachte heeft op dat moment ook contact met [medeverdachte] . Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat de verdachte de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] en de bijnaam ‘ [bijnaam] ’ heeft.
(…)
Overdracht van € 321.300, op 17 februari 2011
De verdachte heeft in een telefoongesprek op 16 februari 2011, 13.48 uur met een onbekend gebleven man (hierna: NN) contact gehad over ‘300' dat bij telling 295 bleek te zijn. In dat gesprek is ook sprake van ‘samaan’ dat er gewoon ligt. De verdachte zegt daarop dat NN man “de man gereed mag maken", wat NN man zal doen. In een gesprek dat daar na korte tijd op volgt, zegt NN man dat de verdachte gebeld gaat worden. Vervolgens wordt de verdachte gebeld door [betrokkene 4] , die hem bevestigt dat hij "het" nu heeft ontvangen. De verdachte geeft aan [betrokkene 4] het adres [b-straat 1] door en ze spreken af voor donderdagochtend 17 februari 2011. Omstreeks 8.15 uur wordt in de omgeving van de [b-straat 1] te Amsterdam de verdachte waargenomen. Omstreeks 8.17 uur arriveert [betrokkene 4] en de verdachte zwaait naar hem. [betrokkene 4] rijdt in een zwarte Mercedes voorzien van het kenteken [kenteken 4] . De verdachte loopt zijn winkel [A] binnen. [betrokkene 4] pakt een zwarte tas uit de kofferbak van zijn auto en gaat ook [A] binnen. Een kwartier later komt [betrokkene 4] uit de winkel, hij legt de tas weer in de kofferbak van zijn auto en vertrekt. Een minuut later komen de verdachte en [betrokkene 3] uit [A] en gaan met tassen naar de [a-straat 2] . Daar gaan ze samen de woning binnen. Zij hebben beiden een tas bij zich. Even later komen zij met dezelfde tassen weer naar buiten en rijden weg. Omstreeks 9.40 uur komt [betrokkene 1] uit de woning op de [a-straat 2] . Hij wordt aangehouden en in de tas blijkt een geldbedrag van € 321.300,- te zitten. In de woning is een aantekening aangetroffen met de cijfers ‘295 → 1,0890 → 321250’ die de conclusie wettigt dat het geldbedrag waarmee [betrokkene 1] wordt aangehouden rechtstreeks te relateren is aan de inhoud van het gesprek dat de verdachte met NN man voerde, waarna [betrokkene 4] in aansluiting daarop contact met de verdachte legt. In dat gesprek is immers sprake van 300 die bij telling 295 bleek. Uit de aantekening wordt afgeleid dat 295 naar de tevens daarbij vermelde wisselkoers omgerekend 321.250 oplevert, wat nagenoeg het bedrag is waarmee [betrokkene 1] de woning aan de [a-straat ] op 17 februari 2011 verliet. De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de overdracht van € 321.300,-. De verklaring van de verdachte dat zijn bezoek aan de woning in gezelschap van een ander uitsluitend een levering van kleding betrof, acht de rechtbank op grond van hetgeen hiervoor is overwogen niet geloofwaardig.’
Procesverloop
10. Namens de verdachte is op 9 april 2014 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 27 maart 2014. Namens het openbaar ministerie is op 10 april 2014 hoger beroep ingesteld.
11. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 20 mei 2016 houdt onder meer het volgende in:1.
‘Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsman mede dat hij onderzoekswensen heeft die vrijwel gelijk zijn aan de onderzoekswensen van de verdediging in eerste aanleg.
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld, licht de raadsman de onderzoekswensen toe als volgt:
Ik verzoek allereerst om het horen van [betrokkene 1] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] als getuige.
In eerste aanleg is voor het horen van deze getuigen een rechtshulpverzoek uitgegaan naar Groot-Brittannië. Ik vraag me af of daar een reactie op is ontvangen. In juni 2013 was er nog geen reactie en is men ermee gestopt, terwijl er nog tijd genoeg was. Ik verzoek uw hof deze getuigen alsnog te doen horen.
(…)
De voorzitter deelt mede dat het hof in het dossier geen appelschriftuur van de verdediging heeft aangetroffen.
De raadsman deelt mede dat dit juist is.
(…)
Na hervatting van het onderzoek stelt de voorzitter de advocaat-generaal in de gelegenheid op de verzoeken van de verdediging te reageren.
(…)
De advocaat-generaal deelt vervolgens haar standpunten ten aanzien van de verzoeken van de raadsman mede als volgt:
Ik weet niet wat er met de ook in eerste aanleg door de raadsman verzochte getuigen is gebeurd. Ik heb geen rechtshulpverzoek aan Groot-Brittannië gezien. Ik neem aan dat de getuigen niet zijn gehoord. Het is voor mij ondoenlijk dat nu ter terechtzitting verder uit te zoeken.
De noodzaak van deze verzoeken kan ik op basis van de motivering die de raadsman ter terechtzitting van heden heeft gegeven niet beoordelen.
(…)
De voorzitter stelt de raadsman in de gelegenheid op het standpunt van de advocaat-generaal te reageren. De raadsman voert daartoe het woord als volgt:
[betrokkene 1] was bij de overdracht van het geld aan de [a-straat ] betrokken, [betrokkene 5] en [betrokkene 6] waren in de woning waar nog twee ton is aangetroffen. Als u dat meeneemt is het mijns inziens noodzakelijk de getuigen te horen.’
12. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 juni 2016 houdt onder meer in:
‘Tegenwoordig zijn:
mrs. C.G.M. van Rijnberk, voorzitter,
E. van Die en H.C. Plugge, leden
en
C.B. Jans, griffier.
(…)
De voorzitter deelt de navolgende beslissingen van het hof mede.
Getuigenverzoeken
Het hof wijst af de verzoeken strekkende tot het horen als getuige van de volgende personen:
[betrokkene 1] ,
[betrokkene 5] ,
[betrokkene 6] .
Mede in het licht van de inhoud van het dossier, is het hof uit de door de verdediging aan het verzoek ten grondslag gelegde motivering de noodzakelijkheid van de gevraagde verhoren niet gebleken. Het hof acht zich voldoende ingelicht. Het horen van voornoemde getuigen acht het hof derhalve niet noodzakelijk.’
13. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 en 21 september 2021 en 4 oktober 2021 houdt onder meer het volgende in:
‘14 september 2021:
Tegenwoordig zijn:
mr. C.G.M. van Rijnberk, voorzitter,
mr. J.A. van Dorp en mr. K. Versteeg, leden, en
mr. M.M. Dijk, griffier.
(…)
Alvorens de advocaat-generaal de zaak voordraagt deelt de raadsman mede:
Het openbaar ministerie dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen de schending van de redelijke termijn en de omstandigheid dat de hele procedure veel impact op mijn cliënt heeft gehad en nog steeds heeft. Zo was er bijna sprake geweest van een echtscheiding. Daarnaast ziet het aandeel van cliënt slechts op 2 incidenten. De zaak van mijn cliënt had daardoor veel eerder kunnen worden afgedaan.
In reactie daarop deelt de advocaat-generaal mede:
Er is geen reden om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. De overschrijding van de redelijke termijn kan wellicht wel een rol spelen in het kader van de strafmaat.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Het hof realiseert zich dat de behandeling van de zaak in hoger beroep waanzinnig lang heeft geduurd en dat dit geen goede gang van zaken betreft. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd leidt echter niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Het hof houdt wel rekenschap met de omstandigheid dat de procedure zo lang heeft geduurd. Voor zover het zal komen tot een strafoplegging zal dat daarop invloed hebben.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor. (…)
De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
(…)
De voorzitter houdt mij voor dat de rechtbank de overdracht van een geldbedrag van € 321.300,- op 17 februari 2011 bewezen heeft verklaard.
Ik weet niets van geld. Ik weet dat ik daar kleding leverde. Ik woon ook in die flat, en heb daar een heleboel klanten.
De voorzitter vraagt of ik toen wel een tas bij mij had op dat moment.
Ik draag altijd tassen. Ik weet niet welke tas u bedoelt. Als ik een tas bij me zou hebben zegt dat nog niet dat ik daar met geld heb gelopen. Er kunnen ook andere dingen in hebben gezeten. Het is niet waar wat de politie beweert.
[betrokkene 1] kan nadere vragen beantwoorden, nu hij is aangehouden met een tas met geld.
(…)
De verdachte legt op vragen van de oudste raadsheer een verklaring af, inhoudende:
De oudste raadsheer vraagt wat de rol van [betrokkene 3] was bij het afleveren van de kleding. Hij is mijn neefje. Wij zijn altijd samen. Hij kwam ook vaak op de [b-straat ] . Daar is een tempel, waar hij bad en vervolgens naar mij kwam. Zakelijk gezien hebben wij geen relatie. Hij is gewoon mijn neefje en we hebben altijd een goede band gehad.
De verdachte legt op vragen van de jongste raadsheer een verklaring af, inhoudende:
De jongste raadsheer houdt voor dat ik ter zitting in eerste aanleg heb verklaard dat het telefoonnummer dat door de politie aan mij wordt gekoppeld, niet van mij is.
Ik weet niet over welk telefoonnummer dit gaat. Ik heb sinds lang een telefoonnummer en dat nummer heb ik nog steeds. De jongste raadsheer houdt voor dat dit het telefoonnummer is eindigend op - [telefoonnummer 2] . Ik weet het niet.
De jongste raadsheer houdt mij voor dat in het dossier een tapgesprek zit van 17 februari 2011 en een proces-verbaal van observatie waarin de politie beschrijft dat ik een telefoongesprek voer. Dat klopt niet. Dat telefoonnummer is ook niet van mij.
De politie heeft ook gezegd dat ik ‘ [bijnaam] ’ ben. Mijn korte naam is [bijnaam] , maar er zijn heel veel [bijnaam] . Zelfs mijn boekhouder wordt [bijnaam] genoemd. De jongste raadsheer houdt mij voor dat met datzelfde telefoonnummer een dag daarvoor een gesprek is gevoerd over 300. Die tapgesprekken kloppen niet.
(…)
21. september 2021
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Daarop aanvullend deelt hij mede:
- Alinea 21: Ik heb de advocaat-generaal horen zeggen dat bij het vervoeren van geld op deze manier het onmogelijk is dat het geld geteld wordt. Daar ben ik het mee eens. Hoe kan een bedrag van € 321.300,- geteld worden in minder dan 5 minuten.
- Alinea 23: De advocaat-generaal heeft in haar requisitoir benadrukt dat vertrouwen belangrijk is. Maar als je iemand niet goed kent, wordt dat lastig.’
14. De pleitnota houdt onder meer het volgende in:
‘9. De observaties en telefoontaps leveren onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op ten aanzien van de ten laste gelegde feiten jegens [verdachte] en waar voor [verdachte] is veroordeeld.
10. Blijkens het dossier vangt het onderzoek aan met een brief van 18 juli 2008, waaruit zou moeten blijken dat [medeverdachte] handelt in geld en heeft het onderzoek zich dan ook met name gericht op [medeverdachte] en diens contacten, in het bijzonder gericht op de telefonisch contacten met een veelheid aan mensen. Blijkens het dossier is er in de periode 3 november 2010 tot en met 14 juni 2011 een veelheid aan telefoongesprekken opgenomen, die [medeverdachte] heeft gevoerd met heel veel mensen. Uit deze gesprekken valt over het algemeen niet meer af te leiden dan dat [medeverdachte] telefonisch contacten heeft gehad, hetgeen, gezien het feit dat [medeverdachte] een ondernemer is, niet uitzonderlijk vreemd is te noemen. Bij nadere beschouwing van de contacten blijkt er overigens in het geheel geen contact te zijn geweest met [verdachte] , dan wel uitgaande van het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 2] , als dat wel in gebruik zou zijn geweest bij [verdachte] , dan nog is het contact minimaal geweest. Daaruit blijkt al wel dat er van aansturing aan het adres van [verdachte] in het geheel geen sprake is geweest. Hierbij merk ik nog op dat het gebruik van dat nummer [telefoonnummer 2] uitdrukkelijk is ontkend door [verdachte] , en een sluitend bewijs dat dit anders zou zijn ben ik niet tegengekomen.
DE VERMEENDE TRANSACTIE VAN EEN BEDRAG VAN € 125.000,00
11. De bewijsmiddelen ten aanzien van het bedrag van € 125.000,- dat mijn cliënt [verdachte] van [medeverdachte] zou hebben ontvangen zijn ondeugdelijk. Een telefoongesprek op 3 februari 2011 tussen [medeverdachte] en ene [bijnaam] , met een telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 2] . Door cliënt is overigens uitdrukkelijk ontkend dat het zijn nummer is en dat [bijnaam] een bijnaam is die veel voorkomt in India. Daarbij een observatie op 3 februari 2011 en nog een telefoongesprek.
(…)
DE VERMEENDE OVERDRACHT VAN EEN BEDRAG VAN € 321.300,00.
17. Blijkens het dossier bestaan de bewijsmiddelen ten aanzien van de overdracht van een bedrag van € 321.300,00 op 17 februari 2011 uit een aantal telefoontabs en een observatie, waarop te zien is dat een onbekende man met een Mercedes aankomt rijden en de winkel van [verdachte] binnen gaat met een zwarte tas en later weer de met dezelfde tas naar buiten komt. Deze man is later geïdentificeerd als [betrokkene 4] .
18. Voorafgaande aan de observatie zijn er een paar telefoongesprekken geweest tussen deze anonieme man en ene [bijnaam] , en deze [bijnaam] zou volgens het OM [verdachte] moeten zijn, en dat is overgenomen door de Rechtbank zo blijkt uit het vonnis. Wat betreft de bijnaam [bijnaam] is al eerder opgemerkt dat deze bijnaam in India veel voorkomt. De betreffende telefoongesprekken zijn verre van duidelijk, en slechts eenmaal wordt er gesproken over een bedrag, althans over 300. Verder een SMS berichtje met een adres [b-straat 1] , hetgeen niet correspondeert met het adres van de winkel van [verdachte] . Vervolgens zou [verdachte] hebben gezwaaid naar de man in de Mercedes en ook min of meer gelijktijdig telefonisch contact hebben gehad met de man van de Mercedes, hetgeen zou moeten blijken uit te telefoontabs en de observatie. Toch valt niet uit te sluiten dat een ander dan [verdachte] telefonisch contact heeft gehad met de man van de Mercedes, bijvoorbeeld [betrokkene 3] of een onbekend gebleven derde.
19. Maar afgezien daarvan is hetgeen wat werkelijk van belang is is hetgeen [betrokkene 4] dus heeft gebracht op 17 februari 2011. Immers [verdachte] heeft al verklaard dat hij in kleding doet en dat hij tevens in nep kleding heeft gehandeld en dat de betreffende man kleding heeft gebracht die dag. Uit de observatie valt op geen enkele wijze op te maken of [betrokkene 4] iets heeft gebracht dan wel of hij iets heeft afgeleverd of iets heeft opgehaald en al helemaal niet wat hij zou hebben gebracht of opgehaald en dus valt het niet uit te sluiten dat het kleding betrof.
20. Blijkens de observatie komen dan [verdachte] en [betrokkene 3] uit de winkel en [verdachte] heeft daarbij een groene tas in zijn hand en stopt deze in de kofferbak van zijn auto. [betrokkene 3] heeft een zwarte schoudertas over zijn schouder hangen. Deze tas is, door de manier van dragen, vermoedelijk gevuld, aldus de observatie.
21. De observatie vervolgt dan bij het moment dat [verdachte] zijn auto parkeert in de [a-straat ] en samen met [betrokkene 3] is uitgestapt en de flat binnengaan, althans blijken de foto staan ze voor de deur. Helaas ontbreken er bewegende beelden van het moment dat beide daadwerkelijk de flat binnen gaan. Blijkens de foto van observatie staan beide om 8.41 uur voor de deur en blijkens het proces verbaal komen beide om 8.46 weer naar buiten. Al met al zijn beide minder dan 5 minuten binnen geweest en komen ze beide weer met dezelfde tassen naar buiten. Echter helaas zijn de tassen niet zichtbaar, noch op de bewegende beelden noch op het moment dat ze voor de deur staan noch op het moment dat ze haar buiten komen. Wel een melding dat ze met dezelfde tassen naar buiten komen.
22. Vervolgens: komt een man naar buiten om 9.40 uur en deze man blijkt [betrokkene 1] te zijn en heeft een geheel gevulde tas bij zich waar € 321.300 in blijkt te zitten, een volle Albert Heijn tas dus. De geheel gevulde tas correspondeert absoluut niet, qua omvang, met de groene tas die [verdachte] bij zich heeft bij het naar binnen gaan op het adres [a-straat ] . Overigens is dat op de beelden en ook op de foto's niet goed te zien helaas, maar het proces verbaal maakt geen melding van een geheel gevulde groene tas, maar wel van een gevulde zwarte schoudertas die [betrokkene 3] draagt.
23. Onvoldoende wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van de feiten die [verdachte] hem ten laste zij gelegd waar hij voor is veroordeeld. Te veel is onduidelijk gebleven en de Rechtbank heeft geheel ten onrechte een telefoongesprek, in de middag op 3 februari 2011 tussen [medeverdachte] en een onbekende man over iets dat die morgen zou zijn gebeurd, gekoppeld aan de ontmoeting vroeg in de middag. Ook de inhoud van dat telefoongesprek is vaag en verre van duidelijk en een directe link naar de ontmoeting vroeg die middag ontbreekt volledig en ook blijft volstrekt onduidelijk of [verdachte] en [betrokkene 3] iets zouden hebben afgeleverd bij [B] . Laat staan dat ze een dergelijk, door het OM genoemd bedrag, daar zouden hebben afgeleverd, althans ook daaromtrent ontbreekt ook maar een begin van enig bewijs. (…) Daarbij dient nog in aanmerking te worden genomen dat [verdachte] heeft verklaard dat hij [medeverdachte] wel kent maar enkel op afstand, althans dat het geen kennis of vriend van hem is.
24. Uit het dossier blijkt ook niet dat er verdere contacten zijn geweest tussen [verdachte] en [medeverdachte] en waarom zou [medeverdachte] dan [verdachte] en [betrokkene 3] hebben ingeschakeld, mensen die ook hij slechts zijdelings kent om grote bedragen af te leveren, terwijl hij dat ook zelf had kunnen doen op 3 februari 2011. Hetzelfde geldt voor [betrokkene 4] , dat als er sprake zou zijn geweest van het afleveren van een groot bedrag dan zou dat toch veel eenvoudiger zijn geweest dat hij dat zelf had afgeleverd aan de [a-straat ] . Daar komt nog bij dat volgens het OM [medeverdachte] de grote organisator/regisseur zou zijn geweest in deze zaak, maar van enige betrokkenheid ten aanzien van een overdracht op 17 februari 2011 is niets gebleken.
25. Ondanks dat zou volgens het OM datzelfde bedrag, de € 321.300,00, door [verdachte] zijn afgeleverd aan de [a-straat ] , waarbij het OM blijkens het proces verbaal, kennelijk aan de hand van de beelden, eerder van mening was dat het bedrag door [betrokkene 3] in de zwarte schoudertas is afgeleverd. [betrokkene 3] is door de Rechtbank vrijgesproken, vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, maar gezien het dossier geldt voor [verdachte] hetzelfde, gezien het steeds samen zijn van [verdachte] en [betrokkene 3] en had [verdachte] eveneens moeten worden vrijgesproken. Het enige verschil zit wellicht in de telefoontabs, maar daar is geen sluitend bewijs voor dat het [verdachte] , dan wel enkel [verdachte] , is geweest die het nummer eindigend op [telefoonnummer 3] heeft gebruikt. Dan is er ook nog de mogelijkheid dat [betrokkene 3] bij de door het OM genoemde transacties betrokken is geweest en dat [verdachte] enkel facilitair betrokken is geweest voor wat betreft vervoer naar de [c-staat] en de [a-straat ] , hetgeen niet uit hoeft te sluiten dat er ook kleding is afgeleverd. En indien er slechts sprake is geweest van facilitaire ondersteuning dan behoefde [verdachte] in het geheel niet op hoogte te zijn geweest dat er ook bedragen werden overgedragen, laat staan dat hij dan geweten zou hebben dat het om grote bedragen zou gaan. Van een vermoeden dat deze dan van enig misdrijf afkomstig zijn kan dan ook geen sprake zijn geweest.
26. Onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde feiten waar hij voor is veroordeeld en ik verzoek het Hof dat ook [verdachte] vrij te spreken, van de hem ten laste gelegde feiten waar hij voor is veroordeeld.’
Bespreking van het eerste middel
15. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft afgewezen het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 1] . Aangevoerd wordt dat het verzoek om deze getuigen te horen in eerste aanleg is toegewezen, maar dat daaraan geen uitvoering is gegeven omdat zij niet binnen aan aanvaardbare termijn zouden kunnen worden gehoord. Daarmee zou het verdedigingsbelang voldoende kenbaar zijn gemaakt. Het hof zou de getuigenverzoeken zonder verdere motivering hebben afgewezen. De afwijzing zou te kort schieten, naar ik begrijp mede in het licht van reacties vanuit het Verenigd Koninkrijk naar aanleiding van een rechtshulpverzoek in de zaak van een medeverdachte en nu de processen-verbaal van ‘de aanhouding van [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 1] ’ zouden ontbreken. Mogelijk doelt de steller van het middel daarmee op stukken waaruit blijkt dat er pogingen zijn gedaan om de getuigen te horen.
16. De getuigenverzoeken die de raadsman op de terechtzitting van 20 mei 2016 heeft gedaan zijn verzoeken uit hoofde van art. 328 jo. art. 331, eerste lid, Sv om toepassing te geven aan de bevoegdheid van art. 315, eerste lid, dan wel art. 316, eerste lid, Sv. Deze artikelen zijn in hoger beroep van toepassing ingevolge art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf is het noodzakelijkheidscriterium. Op de afwijzende beslissingen van het hof op die verzoeken heeft artikel 322, vierde lid, Sv geen betrekking.2.
17. De samenstelling van het hof was op 14 september 2021 gewijzigd. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 14 en 21 september 2021 en 4 oktober 2021 blijkt niet expliciet of het onderzoek is hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting op 3 juni 2016 bevond of dat het onderzoek opnieuw is aangevangen. Materieel is het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen: het proces-verbaal houdt in dat de raadsman een preliminair verweer heeft gevoerd; daarna heeft de advocaat-generaal de zaak (opnieuw) voorgedragen. De rechtbank heeft evenwel niet het bevel gegeven dat de zaak opnieuw wordt aangevangen (art. 322, derde lid, Sv). Ik leid uit een arrest van 3 oktober 2023 af dat Uw Raad aan dat bevel grote waarde hecht in verband met het al dan niet vervallen van de mogelijkheid in cassatie over eerdere beslissingen te klagen.3.Tegen die achtergrond ga ik ervan uit dat, nu niet het bevel is gegeven dat de zaak opnieuw wordt aangevangen, in cassatie kan worden geklaagd over de beslissingen die op de terechtzitting van 3 juni 2016 zijn genomen.
18. De raadsman van de verdachte heeft op 20 mei 2016 ter onderbouwing van de getuigenverzoeken slechts aangevoerd dat [betrokkene 1] bij de overdracht van het geld aan de [a-straat ] was betrokken en dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] in de woning waren waar nog twee ton is aangetroffen. Gelet op deze zeer summiere onderbouwing van de getuigenverzoek en de omstandigheid dat het hof (net als de rechtbank) geen verklaringen van de verzochte getuigen voor het bewijs heeft gebruikt, is ’s hofs oordeel dat uit de door de verdediging aan het verzoek ten grondslag gelegde motivering de noodzakelijkheid van de gevraagde verhoren niet is gebleken, dat het hof zich voldoende ingelicht acht en dat het hof het horen van deze personen derhalve niet noodzakelijk acht, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
19. Het eerste middel faalt.
Bespreking van het tweede en het derde middel
20. Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. In de toelichting wordt aangevoerd dat niet uit te sluiten is dat de getapte telefoongesprekken gaan over kleding: de hoeveelheid kleding en hoeveel dat moet gaan kosten. De conclusie dat het bij [betrokkene 1] aangetroffen geldbedrag is te relateren aan de notitie met de cijfers ‘295 → 1,0890 → 321250’ zou onbegrijpelijk en onjuist zijn omdat volstrekt onduidelijk zou blijven welke vreemde valuta [betrokkene 4] zou hebben overgedragen aan de verdachte en er geen andere valuta is aangetroffen bij [betrokkene 1] of in de woning. Het derde middel klaagt eveneens over de bewijsvoering. In de toelichting wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte een bedrag van € 321.300,- heeft overgedragen en ook niet aan wie. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
21. Het hof heeft overwogen dat de verdachte op 16 februari 2011 een telefoongesprek heeft gevoerd met een NN-man man ‘over ‘300’ dat bij telling 295 bleek te zijn’ en dat de NN-man ‘de man gereed mag maken’. In een gesprek kort nadien zegt de NN-man tegen de verdachte dat hij gebeld gaat worden, waarna de verdachte wordt gebeld door [betrokkene 4] , die hem bevestigt dat hij ‘het’ nu heeft ontvangen. Hierop heeft de verdachte een afspraak gemaakt met [betrokkene 4] voor 17 februari 2011 op het adres [b-straat 1] . Op 17 februari 2011 is, aldus nog steeds het hof, waargenomen dat [betrokkene 4] op de [b-straat ] arriveert, dat de verdachte naar hem zwaait, dat de verdachte zijn winkel [A] binnenloopt en dat [betrokkene 4] met een zwarte tas de winkel van de verdachte binnen loopt. Vervolgens is de verdachte, nadat [betrokkene 4] een kwartier later weer is vertrokken, samen met [betrokkene 3] met tassen naar de [a-straat 2] gegaan, waar zij samen naar binnen zijn gegaan en later, met dezelfde tassen, weer zijn vertrokken. Hierna komt [betrokkene 1] naar buiten met een tas waarin, nadat hij wordt aangehouden, een geldbedrag van € 321.300,- bleek te zitten. In de woning is een aantekening aangetroffen met de cijfers ‘295 → 1,0890 → 321250’. Het hof heeft geoordeeld dat deze feiten en omstandigheden de conclusie wettigen ‘dat het geldbedrag waarmee [betrokkene 1] wordt aangehouden rechtstreeks te relateren is aan de inhoud van het gesprek dat de verdachte met de NN-man voerde’, dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de overdracht van € 321.300,- en dat de verklaring van de verdachte dat zijn bezoek aan de woning uitsluitend een levering van kleding betrof niet geloofwaardig is. Die feitelijke oordelen van het hof zijn niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat niet is vastgesteld of en zo ja welke vreemde valuta [betrokkene 4] zou hebben overgedragen.
22. Het tweede middel faalt.
23. Dat uit de vaststellingen van het hof niet blijkt dat gezien is dat de verdachte op 17 februari 2011 een geldbedrag bij zich had, in hoeverre de door hem gedragen groene tas wel of niet gevuld was, en dat de verdachte het geldbedrag in handen heeft gesteld van [betrokkene 1] , doet evenmin af aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel dat op grond van de feiten en omstandigheden die wel uit de bewijsvoering blijken kan worden vastgesteld dat de verdachte die dag een bedrag van € 321.300,- aan [betrokkene 1] heeft overgedragen.
24. Ook het derde middel faalt.
Bespreking van het vierde middel
25. Het vierde middel bevat de klacht dat het hof een door de verdediging aangevoerd alternatief scenario dat niet strijdig zou zijn met de bewezenverklaring zou hebben gepasseerd, terwijl het hof het passeren van dat alternatieve scenario niet dan wel onbegrijpelijk zou hebben gemotiveerd. Uit de toelichting leid ik af dat dit door het hof gepasseerde alternatieve scenario inhoudt dat de verdachte ‘enkel facilitair betrokken is geweest voor wat betreft vervoer naar de [a-straat ] ’ en dat hij ‘in het geheel niet op hoogte (behoeft) te zijn geweest dat er ook bedragen werden overgedragen, laat staan dat hij dan geweten zou hebben dat het om grote bedragen zou gaan.’
26. Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten.4.Indien de weerlegging van een aangevoerd scenario besloten ligt in de gebezigde bewijsmiddelen, is het hof niet gehouden hierop uitdrukkelijk te reageren.
27. Zoals weergegeven heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op 16 februari 2011 een telefoongesprek heeft gevoerd met een NN-man man over ‘300’ dat bij telling ‘295’ bleek te zijn en geoordeeld dat het geldbedrag dat bij [betrokkene 1] is aangetroffen rechtstreeks te relateren is aan dat telefoongesprek. Dat telefoongesprek is onder de bewijsmiddelen opgenomen (vonnis, bewijsmiddel 2 onder kopje ‘Overdracht € 321.300 op 17 februari 2011’). Daarmee ligt de weerlegging van het alternatieve scenario zowel besloten in de gebezigde bewijsmiddelen als in de niet onbegrijpelijke bewijsoverwegingen van het hof.
28. Het vierde middel faalt.
Bespreking van het vijfde middel
29. Het vijfde middel luidt als volgt:
‘MIDDEL V
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder zijn de artikelen 6 EVRM, 350, 359, 415 Sv. geschonden, alsmede de beginselen van een behoorlijke procesorde en wel om het navolgende. Althans blijkens het arrest stelt het Hof dat verdachte geen verklaring heeft afgegeven dat het geld niet van een misdrijf afkomstig is.
Toelichting
5.1
Blijkens de stukken is er bij verdachte in het geheel geen geldbedrag aangetroffen en is er dan ook niet om een verklaring verzocht. Nu er geen geldbedrag bij verdachte is aangetroffen en hij samen met [betrokkene 3] in de woning aan de [a-straat 2] is geweest blijft het onduidelijk wie er een bedrag heeft overgedragen, en daarbij de observatie volgende zou de verdenking eerder in de richting gaan van [betrokkene 3] . Maar ook als zou verdachte een bedrag hebben overgedragen dan nog blijft de vraag welke bedrag hij heeft overgedragen en of dat dan een groot bedrag is geweest, waarbij nog wordt opgemerkt dat de tabs daaromtrent ook weinig houvast bieden, mocht dat al gaan over de onderhavige overdracht.
5.2
De man bij wie het bedrag is aangetroffen [betrokkene 1] zou desgevraagd een verklaring over het bedrag kunnen afgeven, dan wel heeft wellicht een verklaring afgegeven, maar die is in de onderhavige procedure niet overlegd door het OM om door het OM moverende redenen. Ook de bewoners van de woning [a-straat 2] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , zouden een verklaring kunnen afleggen dan wel hebben ook een verklaring afgelegd. Ook deze verklaringen zijn de verdediging onbekend.
5.3
Blijkens het arrest stelt het Hof dat op geen enkel moment na inbeslagname van het geldbedrag van € 321.300,00 een persoon zich als eigenaar of rechthebbende heeft gemeld, hetgeen onwaarschijnlijk is bij een bedrag van een dergelijke omvang. Ten eerste blijft het volstrekt onduidelijk wat er, nadat [betrokkene 1] is aangehouden met de AH tas, met het geld is gebeurd. Wel is door het OM kenbaar gemaakt dat [betrokkene 1] nadat er een schikking is getroffen hij is heengezonden, maar de inhoud van de schikking is onbekend gebleven bij de verdediging. Ook is verder onbekend gebleven hoe de kwestie met de genoemde bewoners van de woning aan de [a-straat 2] is afgehandeld, stukken ontbreken, althans het OM heeft steeds geweigerd deze stukken af te geven, die wellicht ontlastend zijn voor verdachte.’
30. Van een cassatiemiddel is sprake bij ‘een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen’.5.Bij dit middel is mij uit de combinatie van middel en toelichting niet duidelijk geworden waar de steller van het middel over klaagt. Het middel houdt in dat het hof ‘stelt’ dat verdachte geen verklaring heeft afgegeven dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. In de toelichting wordt evenwel niet aangevoerd dat en waarom dat oordeel van het hof onjuist of onbegrijpelijk zou zijn. In de toelichting wordt gesteld dat ‘onduidelijk’ is wie (verdachte of [betrokkene 3] ) een bedrag heeft overgedragen, maar geklaagd wordt niet dat en waarom ’s hofs bewijsvoering, waarin besloten ligt dat verdachte (die het contact met [betrokkene 4] legt) het bedrag heeft overgedragen, tekortschiet.
31. Het middel moet derhalve onbesproken blijven.
Bespreking van het zesde middel
32. Het zesde middel bevat de klacht dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn. Aangevoerd wordt dat de stukken van het geding ruim 19 maanden na de datum waarop het cassatieberoep is ingesteld ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. Voorts wordt aangevoerd dat de zaak van de verdachte een zaak van eenvoudige aard betrof en dat deze zaak ‘veel te lang heeft geduurd ook voor wat betreft het ingestelde hoger beroep’. Derhalve zou ‘niet-ontvankelijkheid’, bedoeld is kennelijk niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, dan wel strafvermindering moeten volgen.
33. Namens de verdachte is op 26 oktober 2021 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 22 mei 2023 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met meer dan tien maanden is overschreden. Voor zover het middel aanvoert dat deze overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting.6.Strafvermindering ligt wel in de rede.
34. Voor zover de klacht ziet op schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in de fase van het hoger beroep merk ik op dat het hof in het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden en daarom heeft bepaald dat het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf niet hoger is dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en hem aanvullend een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uren heeft opgelegd. Het middel bevat geen klacht inzake deze beslissing van het hof.
35. Dat brengt mee dat de klacht faalt voor zover deze ziet op de gevolgen die het hof aan de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep heeft verbonden.
36. Het zesde middel slaagt.
Afronding
37. De eerste vier middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Het vijfde middel moet onbesproken blijven. Het zesde middel slaagt. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren sinds het instellen van cassatieberoep zijn verstreken. Ook dat dient tot strafvermindering te leiden. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
38. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑12‑2023
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.27.
HR 3 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1340, rov. 2.3.1 en 2.3.2.
HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314, m.nt. Buruma, rov. 2.5.
Vgl. HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:41. Zie ook A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 270.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.21.
Beroepschrift 21‑08‑2023
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Betekening aanzegging: 22 juni 2023
CASSATIESCHRIFTUUR
Inzake,
[verdachte]
Geboren op [geboortedatum] 1972
Verzoeker tot cassatie van het te zijnen laste gewezen arrest van het Gerechtshof te Den Haag, d.d. 18 oktober 2021 in de zaak onder parketnummer 22/001509-14
Advocaat: Mr T.P. Schut
Inleiding
Ondergetekende, als daartoe door verdachte bijzonder gevolmachtigd, Mr T.P. Schut advocaat te Amsterdam, heeft hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van Cassatie ten gevolge van het door [verdachte] ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 18 oktober 2021 en alle beslissingen die door het Hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
Rekwirant, dan wel verdachte, [verdachte] is bij vonnis van 27 maart 2014 veroordeeld tegen welk vonnis verdachte hoger beroep heeft ingesteld en vervolgens is verdachte bij arrest van 18 oktober 2021 het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en veroordeeld het onder 1 ten laste gelegde feit, als zijnde wettig en overtuigend bewezen, en is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk, alsmede tot een taakstraf van 120 uur. De aanzegging als bedoeld in artikel 435, eerste lid Sv is op donderdag 22 juni 2023 betekend.
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 6 EVRM, 263, 264, 287, 288, 410, 414, 415, 418 Sv. geschonden, nu het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft afgewezen het verzoek tot het horen van de genoemde getuigen, in het navolgende.
In de zaak van verdachte [verdachte] is onder andere verzocht om als getuige te doen horen [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 1], vanwege het feit dat deze getuigen cruciaal zijn in de zaak van verdachte [verdachte].
Immers blijkens de stukken gaat verdachte [verdachte] samen met [betrokkene 3] de woning binnen aan de [a-straat 01]. In deze woning verbleven de eerst genoemde twee getuigen en in deze woning is een bedrag van € 199.345,00 aangetroffen.
Uit de woning komt later getuige [betrokkene 1] met een tas met daarin een bedrag van € 321.300. De Rechtbank heeft het verzoek om andere deze getuigen te doen horen toegewezen blijkens het proces-verbaal van 10 februari 2012 en is de zaak verwezen naar de Rechter-commissaris voor het horen van diverse getuigen, waaronder [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 1]. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2013 zijn voornoemde getuigen opgeroepen en gedagvaard om op 25 juni 2012 te verschijnen, echter de getuigen zijn niet verschenen. Bij nader onderzoek bleek dat deze getuigen in Groot Brittanie zouden verblijven, net als de opgeroepen getuigen [getuige 1] en [getuige 2], in de zaak tegen verdachte [medeverdachte 1]. En [medeverdachte 2], parketnummers 10/960231-10 en 10/960009-11.
Op 12 oktober 2012 is een rechtshulpverzoek gezonden naar de UK Central Authority en op 22 januari 2013 heeft de griffier een e-mail gezonden naar de heer [contactpersoon 1], een van de contactpersonen bij de UJ Central Authority, waarop vervolgens een telefonische reactie volgende dat niet hij maar mevrouw [contactpersoon 2] de contactpersoon is voor de zaak. Nog diezelfde dag is er een e-mail gezonden naar mevrouw [contactpersoon 2] met het verzoek haar te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de rechtshulpverzoeken. Blijkens het proces-verbaal van 9 juli 2013 is er geen reactie ontvangen naar aanleiding van voornoemde e-mail en ook is er geen reactie ontvangen op de mails nadien en is er afgezien van verdere pogingen dienaangaande, aangezien de betreffende getuigen niet binnen een aanvaardbare termijn zouden kunnen worden gehoord. Echter de mails die nadien verzonden zijn ontbreken en het blijft dan ook onduidelijk welke inspanningen er zijn verricht om de betreffende getuigen te doen horen.
Ter gelegenheid van de regiezitting van 20 mei 2016, hetgeen ter zitting is herhaald, is verzocht om alsnog als getuigen te horen [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 1], hetgeen door het Hof zonder verdere motivering is afgewezen.
I. Toelichting.
1.1
In eerste aanleg is verzocht om als getuigen te worden gehoord [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 1], welke verzoek is toegewezen. Vervolgens is uit de stukken gebleken, onder meer uit het proces-verbaal van 9 juli 2013 dat de Rechter-commissaris een aantal pogingen zou hebben gedaan om contact te krijgen met mevrouw [contactpersoon 2] ten aanzien van de rechtshulp verzoeken en is vervolgens besloten om af te zien van verdere pogingen, aangezien de betreffende getuigen niet binnen een aanvaardbare termijn zouden kunnen worden gehoord. Echter van een aantal pogingen zoals er gesteld is nimmer gebleken, althans in de onderhavige procedure zijn geen mails of telefoon notities overlegd. Onbegrijpelijk is de stelling dat de getuigen niet binnen aan aanvaardbare termijn zouden kunnen worden gehoord, vanwege het ontbreken van de verzonden mails.
1.2
Ter gelegenheid van de regie zitting van 20 mei 2016 heeft de raadsman van verdachte nogmaals het verzoek gedaan om de betreffende getuigen te doen horen en daarbij gewezen op het feit dat het verzoek in eerste aanleg was toegewezen. Gezien het eerdere verzoek van de verdediging en de toewijzing daarvan is het verdedigingsbelang voldoende kenbaar gemaakt, tevens ook voor het Hof, althans het belang bij het horen van de genoemde getuigen heeft nimmer ter discussie gestaan. Echter het Hof heeft dat verzoek afgewezen zonder verdere motivering, aldus dient deze afwijzing te worden gelezen als een weigering de betreffende getuigen te horen die cruciaal zijn voor de verdediging van verdachte.
1.3
Van de mede verdachte [medeverdachte], (parketnummer 10-960231-10) dan wel van diens raadsman heeft verdachte vernomen dat er nagenoeg, dan wel in het geheel geen, pogingen zijn gedaan om getuigen in het UK te doen horen. Het betreft het rechtshulpverzoek naar aanleiding ter gelegenheid van de regiezitting van 20 mei 2016, waarbij door de verdediging van [medeverdachte] is verzocht om getuigen in de UK te horen. Blijkens hetgeen de raadsman van [medeverdachte] heeft gesteld bij cassatieschriftuur is er vanuit het UK is wel degelijk een reactie verzonden maar daar is verder niets mee gedaan, ondanks de herhaalde reacties vanuit het UK. Gezien deze gang van zaken valt het niet uit te sluiten dat ook naar aanleiding van het rechtshulpverzoek in eerste aanleg in de onderhavige zaak vanuit Nederland niet is gereageerd op de reacties vanuit het UK. Althans de verdediging van verdachte had en heeft nog steeds een aanzienlijk verdedigingsbelang bij het horen van de betreffende getuigen en is dan ook van mening dat het Hof dat had moet toewijzen.
1.4
Aldus dient de afwijzing van het Hof om alsnog de getuigen te doen horen te worden gelezen als een weigering om de getuigen te horen omdat het Hof dit niet noodzakelijk acht. In het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd schiet deze afwijzing te kort, te meer gezien de hierboven vermelde reacties vanuit het UK naar aanleiding van het rechtshulpverzoek, naar aanleiding van de verdediging van [medeverdachte]. En te meer nu de PV's van de aanhouding van [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 1] ontbreken. De afwijzing van het verzoek is zodoende onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed, en is verdachte ernstig geschaad in zijn verdediging. Om die reden wordt verzocht het bestreden arrest te vernietigen.
Middel II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder zijn de artikelen 6 EVRM, 6 EVRM, 350, 359, 415 Sv. geschonden, alsmede de beginselen van een behoorlijke procesorde en wel om het navolgende.
Blijkens de stukken zou verdachte telefonisch een paar gesprekken hebben gehad, die door verdachte overigens zijn ontkend. Ter zitting in eerste aanleg en tevens in hoger beroep is verweer gevoerd tegen het door het OM gepresenteerde bewijs de telefoontabs zoals weergegeven op pagina 16 tot en met 20 van de uitspraak van de Rechtbank.
Blijkens het arrest van 18 oktober 2021 heeft het Hof zich beperkt tot het overnemen van de rechtsoverweging van de Rechtbank zoals vermeld op pagina 5 en 6. Een uiterst summiere weergave van gesprekken, waarbij het OM het een en ander zelf heeft ingevuld, derhalve is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting.
2.1
Volgens de bewijsoverweging van de Rechtbank heeft er op 17 februari een overdracht plaats gevonden van een bedrag van € 321.30,00, pagina 5 van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam. Blijkens pagina 16 tot en met 19 is een weergave van telefoongesprekken tussen NNman en ene [bijnaam], deze laatste met telefoonnummer eindigende op [telefoonnummer 2] en die in de weergave steeds wordt aangemerkt als [bijnaam] Onduidelijke conversaties, die volgens het OM betrekking heeft op een overdracht van geld, maar gezien de onduidelijkheid, valt niet uit te sluiten dat het daarbij om kleding gaat, waar verdachte in handelt. Verdachte handelde in kleding en ook wel in nep kleding, zoals hij heeft verklaard, en zijn onderneming was gevestigd op de [b-straat 01] onder de naam [A].
2.2
NNman maakt blijkens de tabs de opmerking dat het 300 is, die heeft het aan hem overhandigd en die is weggegaan. Vervolgens de opmerking van Nnman, volgens de pakjes van jou is het 295. Dan nog een opmerking over ‘samaan’ dat er gewoon ligt en nog een paar algemene opmerkingen. Het valt absoluut niet uit te sluiten dat de telefoon gesprekken gaan over kleding de hoeveelheid kleding en hoeveel dat moet gaan kosten. Dan wordt er een man aangehouden die uit de woning komt aan de [a-straat 01], waar verdachte samen met [betrokkene 3] net is geweest, die een geheel gevulde AH bij zich heeft waar een bedrag van € 321.300 in zit.
2.3
Dan blijkt dat men in de woning aan de [a-straat 01] nog een bedrag van € 199.345,00 aantreft. Echter de overdracht van voornoemd bedrag is niet wettig en overtuigend bewezen. In de woning is daarbij nog een aantekening aangetroffen met de cijfers ‘295→1,0890→321250’. Deze aantekening wettigt de conclusie dat het geldbedrag waarmee [betrokkene 1] wordt aangehouden rechtstreeks te relateren is aan de inhoud van het gesprek dat verdachte met NNman voerde, waarna [betrokkene 4] in aansluiting daarop contact met verdachte legt. In dat gesprek is immers sprake van 300 die bij telling 295 bleek. Uit de aantekening wordt afgeleid dat 295 naar de tevens vermelde wisselkoers omgerekend 321.250 oplevert, wat nagenoeg het bedrag is waarmee [betrokkene 1] de woning aan de [a-straat] verliet. Een onbegrijpelijk en onjuiste conclusie, immers de betreffende conclusie volgende zou [betrokkene 4] een geld bedrag in een vreemde valuta hebben overgedragen aan verdachte, welke valuta dat dan zou zijn geweest blijft volstrekt onduidelijk en er is ook geen andere valuta aangetroffen bij [betrokkene 1] of in de woning. Een onnavolgbare onbegrijpelijke conclusie waarbij het OM ook hier het een en ander zelf heeft ingevuld, derhalve is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed. Om die reden wordt verzocht het bestreden arrest te vernietigen.
Middel III
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder zijn de artikelen 6 EVRM, 350, 359, 415 Sv. geschonden, alsmede de beginselen van een behoorlijke procesorde en wel om het navolgende.
Blijkens het dossier gaat verdachte vervolgens op 17 februari 2011 samen met [betrokkene 3] met tassen naar de [a-straat 01] en daar gaan ze samen naar binnen op dat adres en ze hebben beiden een tas bij zich. Even later komen zij met dezelfde tassen weer naar buiten en rijden weg. Blijkens de observatie is er gesteld dat verdachte een groene tas in zijn handen had en [betrokkene 3] een zwarte schoudertas over zijn schouder en deze tas is gevuld, aldus de observatie. Blijkens de observatie op de [b-straat] wordt er gesteld dat [betrokkene 3] een zwarte schoudertas over zijn schouder heeft hangen en dat deze tas door de manier van dragen vermoedelijk is gevuld. Over de groene tas die verdachte draagt en waarmee hij de woning aan de [a-straat 01] binnen gaat geen enkele opmerking over dat deze al dan niet gevuld zou zijn en uit de screenshots valt dit niet op te maken. Om 8.41 gaan beide het betreffende adres binnen met de tassen en verlaten de woning met dezelfde tassen om 8.46 uur. Door de raadsman zijn de beelden opgevraagd van deze observatie maar deze waren niet meer beschikbaar, enkel nog de screenshots. Blijkens de screenshots draagt verdachte een groene tas, maar of deze gevuld is blijft onduidelijk, althans blijkens de observatie wordt er niets over opgemerkt.
Toelichting.
3.1
Volgens de bewijsoverweging van de Rechtbank heeft er op 17 februari een overdracht plaats gevonden van een bedrag van € 321.30,00, pagina 5 van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam. Blijkens pagina 16 tot en met 19 is een weergave van telefoongesprekken tussen NNman en ene [bijnaam], deze laatste met telefoonnummer eindigende op [telefoonnummer 2] en die in de weergave steeds wordt aangemerkt als [bijnaam] Onduidelijke conversaties, volgens het OM betrekking op een overdracht van geld, maar gezien de onduidelijkheid, valt niet uit te sluiten dat het daarbij om kleding gaat, waar verdachte in handelt. Verdachte handelde in kleding en ook wel in nep kleding en zijn onderneming was gevestigd op de [b-straat 01] onder de naam [A].
3.2
Vervolgens heeft er op 17 februari 2011 een ontmoeting plaats gevonden tussen verdachte en een man die later blijkt te zijn [betrokkene 4] bij de onderneming van verdachte aan de [b-straat]. Deze [betrokkene 4] haalt een zwarte tas uit de kofferbak en gaat bij [A] naar binnen en 13 minuten later komt hij weer naar buiten en stopt de zwarte tas in de kofferbak van zijn auto.
3.3
Zoals ter zitting bij de Rechtbank is aangevoerd, komt, blijkens de observatie, [verdachte] met [betrokkene 3] uit de winkel en [verdachte] heeft daarbij een groene tas in zijn hand en stopt deze in de kofferbak van zijn auto.
[betrokkene 3] heeft een zwarte schoudertas over zijn schouder hangen. Deze tas is gevuld, aldus de observatie. De observatie vervolgt dan bij het moment dat [verdachte] zijn auto parkeert in de [a-straat] en samen met [betrokkene 3] is uitgestapt en de flat binnengaat. [verdachte] draagt een groene tas en [betrokkene 3] de zwarte schoudertas. Vijf minuten later verlaten [verdachte] en [betrokkene 3] de woning met dezelfde tassen, die ze vervolgens in de kofferbak van de auto leggen.
3.4
Beide zijn nagenoeg vijf minuten binnen geweest [verdachte] met een groene tas en [betrokkene 3] met een gevulde schoudertas. Over het naar buiten komen geen melding meer over de tassen, althans niet of deze leeg of nog gevuld zouden zijn. Als [verdachte] geld zou hebben afgeleverd dan zou het toch logisch zijn geweest dat hij de tas, die er uitziet als een plastic tas, zou hebben afgegeven en dan zou [verdachte] met lege handen naar buiten zijn gekomen.
3.5
Middels pleidooi in hoger beroep heeft [verdachte] het een en ander als volgt herhaald. De observatie vervolgt dan bij het moment dat [verdachte] zijn auto parkeert in de [a-straat] en samen met [betrokkene 3] is uitgestapt en de flat binnengaan, althans blijkens de foto staan ze voor de deur. Helaas ontbreken er bewegende beelden van het moment dat beide daadwerkelijk de flat binnen gaan. Blijkens de foto van observatie staan beide om 8.41 uur voor de deur en blijkens het proces verbaal komen beide om 8.46 uur weer naar buiten. Al met al zijn beide minder dan 5 minuten binnen geweest en komen ze beide weer met dezelfde tassen naar buiten. Echter de tassen zijn niet goed zichtbaar, noch op het moment dat ze voor de deur staan noch op het moment dat ze naar buiten komen. Wel een melding dat ze met dezelfde tassen naar buiten komen.
3.6
Ten tijde van de behandeling bij het Hof Den Haag is gebleken dat er geen bewegende beelden meer ter beschikking waren, doch enkel screenshots en uit de screenshots valt enkel af te leiden dat verdachte samen met [betrokkene 3] het appartement aan de [a-straat] binnen gaat en weer naar buiten komen met dezelfde tassen
3.7
Vervolgens komt een man naar buiten om 9.40 uur en deze man blijkt [betrokkene 1] te zijn en heeft een geheel gevulde tas bij zich waar € 321.300 in blijkt te zitten, een volle Albert Heijn tas dus. De geheel gevulde tas correspondeert absoluut niet, qua omvang, met de groene tas die [verdachte] bij zich heeft bij het naar binnen gaan op het adres [a-straat]. Overigens is dat op de foto's niet goed te zien helaas, maar het proces verbaal maakt geen melding van een geheel gevulde groene tas, maar wel van een gevulde zwarte schoudertas die [betrokkene 3] draagt.
3.8
Verdachte komt even later naar buiten met [betrokkene 3] en verdachte heeft een groene tas in zijn hand en stopt deze in de kofferbak. [betrokkene 3] heeft een zwarte schoudertas over zijn schouder hangen en deze tas is gevuld.
3.9
Blijkens de stukken komt uit de betreffende woning een persoon die later blijkt te zijn [betrokkene 1] en die worden aangehouden met een gevulde tas en in de tas blijkt een bedrag te zitten van € 321.300,00 te zitten. Van deze aanhouding en een proces-verbaal van het verhoor van de heer [betrokkene 1] ontbreken de stukken, althans het OM heeft geweigerd deze stukken te overleggen. Met de heer [betrokkene 1] zou een schikking zijn getroffen volgens het OM waaromtrent het OM verder geen mededeling wenst te doen, dan wel weigert verdere mededelingen.
3.10
Blijkens de uitspraak van het Hof heeft het Hof zich beperkt tot het overnemen van de rechtsoverweging van de Rechtbank zoals vermeld op pagina 5 en 6. Derhalve het bewijs dat verdachte samen met [betrokkene 3] een bedrag van € 321.200,00 heeft afgeleverd aan het adres [a-straat 01]. Echter blijkens de stukken aangaande de observatie is er geen enkel bewijs dat verdachte het bedrag van € 321.300,00 heeft overgedragen en ook niet aan wie verdachte een bedrag zou hebben overgedragen, immers er bevonden zich meerdere personen in de woning aan de [a-straat 01]. Een onnavolgbare onbegrijpelijke conclusie waarbij het OM ook hier het een en ander zelf heeft ingevuld, derhalve is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed. Ook om die reden wordt verzocht het bestreden arrest te vernietigen.
Middel IV
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder zijn de artikelen 6 EVRM, 350, 359, 415 Sv. geschonden, alsmede de beginselen van een behoorlijke procesorde en wel om het navolgende.
Blijkens de observatie is er gesteld dat verdachte een groene tas in zijn handen had en [betrokkene 3] een zwarte schoudertas over zijn schouder en deze tas is gevuld, aldus de observatie. Blijkens de observatie op de [b-straat] wordt er gesteld dat [betrokkene 3] een zwarte schoudertas over zijn schouder heeft hangen en dat deze tas door de manier van dragen vermoedelijk is gevuld.
Toelichting.
4.1
Middels pleidooi heeft verdachte het volgende al aangevoerd. Dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is ten aanzien van de feiten die [verdachte] ten laste zijn gelegd en waar hij voor is veroordeeld. Te veel is onduidelijk gebleven en de Rechtbank heeft geheel ten onrechte een telefoongesprek, in de middag op 3 februari 2011 tussen [medeverdachte] en een onbekende man over iets dat die morgen zou zijn gebeurd, gekoppeld aan de ontmoeting vroeg in de middag. Het betrof de overdracht van een bedrag van € 125.000,00. De vermeende en door het OM geconstrueerde overdracht van een bedrag van € 125.000,00 is ook verre van logisch.
Immers waarom zou [medeverdachte] twee mensen inschakelen om een bedrag van de [b-straat] naar de [c-straat] te brengen, terwijl het toch veel eenvoudiger zou zijn, en dat zou ook voor de hand liggen, dat hij hetgeen moest worden afgeleverd zelf aflevert. Hetzelfde geldt dan ook ten aanzien van de overdracht van het bedrag van € 321.300,00 op 17 februari.
4.2
Uit het dossier blijkt ook niet dat er verdere contacten zijn geweest tussen [verdachte] en [medeverdachte] en waarom zou [medeverdachte] dan [verdachte] en [betrokkene 3] hebben ingeschakeld, mensen die ook hij slechts zijdelings kent om grote bedragen af te leveren, terwijl hij dat ook zelf had kunnen doen op 3 februari 2011. Hetzelfde geldt voor [betrokkene 4], dat als er sprake zou zijn geweest van het afleveren van een groot bedrag dan zou dat toch veel eenvoudiger zijn geweest dat hij dat zelf had afgeleverd aan de [a-straat]. Daar komt nog bij dat volgens het OM [medeverdachte] de grote organisator/regisseur zou zijn geweest in deze zaak, maar van enige betrokkenheid ten aanzien van een overdracht op 17 februari 2011 is niets gebleken.
4.3
Ondanks dat zou volgens het OM datzelfde bedrag, de € 321.300,00, door [verdachte] zijn afgeleverd aan de [a-straat], waarbij het OM blijkens het proces verbaal, kennelijk aan de hand van de beelden, eerder van mening was dat het bedrag door [betrokkene 3] in de zwarte schoudertas is afgeleverd. [betrokkene 3] is door de Rechtbank vrijgesproken, vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, maar gezien het dossier geldt voor [verdachte] hetzelfde, gezien het steeds samen zijn van [verdachte] en [betrokkene 3] en had [verdachte] eveneens moeten worden vrijgesproken. Het enige verschil zit wellicht in de telefoontabs, maar daar is geen sluitend bewijs voor dat het [verdachte], dan wel enkel [verdachte], is geweest die het nummer eindigend op [telefoonnummer 3] heeft gebruikt. Dan is er ook nog de mogelijkheid dat [betrokkene 3] bij de door het OM genoemde transacties betrokken is geweest en dat [verdachte] enkel facilitair betrokken is geweest voor wat betreft vervoer naar de [a-straat], hetgeen niet uit hoeft te sluiten dat er ook kleding is afgeleverd. En indien er slechts sprake is geweest van facilitaire ondersteuning dan behoefde [verdachte] in het geheel niet op hoogte te zijn geweest dat er ook bedragen werden overgedragen, laat staan dat hij dan geweten zou hebben dat het om grote bedragen zou gaan. Van een vermoeden dat deze dan van enig misdrijf afkomstig zijn kan dan ook geen sprake zijn geweest.
4.4
Aldus is er sprake van een alternatief scenario hetgeen niet strijdig is met de gestelde bewezenverklaring zoals vermeld op pagina 5 en 6 van de uitspraak van de Rechtbank en waar door het Hof naar is verwezen. Geheel ten onrechte heeft het Hof, ten aanzien van het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario, niet gemotiveerd waarom het Hof dat heeft gepasseerd. Onbegrijpelijk, althans niet gemotiveerd of met redenen omkleed, en is verdachte ernstig geschaad in zijn verdediging. Om die reden wordt verzocht het bestreden arrest te vernietigen.
Middel V
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder zijn de artikelen 6 EVRM, 350, 359, 415 Sv. geschonden, alsmede de beginselen van een behoorlijke procesorde en wel om het navolgende. Althans blijkens het arrest stelt het Hof dat verdachte geen verklaring heeft afgegeven dat het geld niet van een misdrijf afkomstig is.
Toelichting
5.1
Blijkens de stukken is er bij verdachte in het geheel geen geldbedrag aangetroffen en is er dan ook niet om een verklaring verzocht. Nu er geen geldbedrag bij verdachte is aangetroffen en hij samen met [betrokkene 3] in de woning aan de [a-straat 01] is geweest blijft het onduidelijk wie er een bedrag heeft overgedragen, en daarbij de observatie volgende zou de verdenking eerder in de richting gaan van [betrokkene 3]. Maar ook als zou verdachte een bedrag hebben overgedragen dan nog blijft de vraag welke bedrag hij heeft overgedragen en of dat dan een groot bedrag is geweest, waarbij nog wordt opgemerkt dat de tabs daaromtrent ook weinig houvast bieden, mocht dat al gaan over de onderhavige overdracht.
5.2
De man bij wie het bedrag is aangetroffen de heer [betrokkene 1] zou desgevraagd een verklaring over het bedrag kunnen afgeven, dan wel heeft wellicht een verklaring afgegeven, maar die is in de onderhavige procedure niet overlegd door het OM om door het OM moverende redenen. Ook de bewoners van de woning [a-straat 01], [betrokkene 5], [betrokkene 6], zouden een verklaring kunnen afleggen dan wel hebben ook een verklaring afgelegd. Ook deze verklaringen zijn de verdediging onbekend.
5.3
Blijkens het arrest stelt het Hof dat op geen enkel moment na inbeslagname van het geldbedrag van € 321.300,00 een persoon zich als eigenaar of rechthebbende heeft gemeld, hetgeen onwaarschijnlijk is bij een bedrag van een dergelijke omvang. Ten eerste blijft het volstrekt onduidelijk wat er, nadat [betrokkene 1] is aangehouden met de AH tas, met het geld is gebeurd. Wel is door het OM kenbaar gemaakt dat de heer [betrokkene 1] nadat er een schikking is getroffen hij is heengezonden, maar de inhoud van de schikking is onbekend gebleven bij de verdediging. Ook is verder onbekend gebleven hoe de kwestie met de genoemde bewoners van de woning aan de [a-straat 01] is afgehandeld, stukken ontbreken, althans het OM heeft steeds geweigerd deze stukken af te geven, die wellicht ontlastend zijn voor verdachte.
Middel VI
Schending van het recht en/of verzuim waarvan de niet-naleving dient te leiden tot strafvermindering. In het bijzonder is artikel 6 lid 1 EVRM geschonden, doordat de behandeling van de zaak niet heeft plaats gevonden binnen een redelijke termijn.
Toelichting
6.1
Het Hof heeft arrest gewezen op 18 oktober 2021 en tegen deze uitspraak is cassatie ingesteld. Op 22 mei 2023 zijn de stukken ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Tussen de datum waarop het cassatieberoep is ingesteld en de datum waarop de stukken van het geding ter griffie zijn ontvangen is een periode van ruim 19 maanden verstreken, terwijl niet is gebleken omstandigheden die dit tijdsverloop kunnen rechtvaardigen.
6.2
Daarbij merkt verdachte nog op dat zijn zaak een zaak betrof van eenvoudige aard die veel te lang heeft geduurd ook voor wat betreft het ingestelde hoger beroep. Gelet op de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangpunten is hier sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Redenen waarom verdachte verzoekt de niet-ontvankelijkheid uit te spreken, dan wel de hem opgelegde straf te verminderen.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door Mr T.P. Schut, advocaat te Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan de Overschiestraat 186 E en die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant in cassatie.
Amsterdam, 21 augustus 2023
Advocaat: Mr T.P. Schut