Einde inhoudsopgave
Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen en inzake de voorkoming en beheersing van oppervlaktewaterverontreiniging, tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad
Artikel 3 Milieukwaliteitsnormen
Geldend
Geldend vanaf 10-05-2026
- Bronpublicatie:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/805 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/805)
- Inwerkingtreding
10-05-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/805 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/805)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Bijzondere onderwerpen
1.
1 bis.
Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de op 13 januari 2009 van kracht zijnde versie van deze richtlijn en met name onverminderd het realiseren van een goede chemische toestand van het oppervlaktewater ten aanzien van de in die richtlijn vermelde MKN, implementeren de lidstaten de in deel A van bijlage I vermelde MKN met betrekking tot:
- i)
de stoffen met nummer 2, 5, 15, 20, 22, 23, 28 in deel A van bijlage I, waarvoor met ingang van 22 december 2015 herziene MKN zijn vastgesteld, met de bedoeling tegen 22 december 2021 ten aanzien van deze stoffen een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken door middel van maatregelenprogramma's die zijn opgenomen in de stroomgebiedbeheerplannen van 2015 die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG, en
- ii)
de nieuw geselecteerde stoffen met nummer 34 tot en met 45 in deel A van bijlage I, met ingang van 22 december 2018 met de bedoeling tegen 22 december 2027 ten aanzien van die stoffen een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken en te voorkomen dat de chemische toestand van de oppervlaktewaterlichamen ten aanzien van die stoffen verslechtert. Daartoe stellen de lidstaten tegen 22 december 2018 een aanvullend monitoringprogramma en een voorlopig maatregelenprogramma voor die stoffen vast en leggen zij die voor aan de Commissie. Tegen 22 december 2021 wordt een definitief maatregelenprogramma overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 2000/60/EG vastgesteld en wordt dat programma zo spoedig mogelijk na die datum en uiterlijk op 22 december 2024 uitgevoerd en volledig operationeel gemaakt
- iii)
de stoffen met nummer 5, 9, 13, 15, 17, 21, 23, 24, 28, 30, 34, 37, 41 en 43 in deel A van bijlage I, waarvoor herziene MKN zijn vastgesteld die ingaan op 22 december 2027 met de bedoeling uiterlijk op 22 december 2033 ten aanzien van die stoffen een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken en te voorkomen dat de chemische toestand van de oppervlaktewaterlichamen ten opzichte van die stoffen verslechtert, door middel van maatregelenprogramma's die zijn opgenomen in de overeenkomstig artikel 13, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG vastgestelde stroomgebiedbeheerplannen voor 2027;
- iv)
de nieuw geselecteerde stoffen met nummer 46 tot en met 70 in deel A van bijlage I, met ingang van 22 december 2027 met de bedoeling uiterlijk op 22 december 2039 ten aanzien van die stoffen een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken en te voorkomen dat de chemische toestand van de oppervlaktewaterlichamen ten opzichte van die stoffen verslechtert; daartoe stellen de lidstaten voor die stoffen uiterlijk op 22 december 2027 een aanvullend monitoringprogramma en uiterlijk op 22 december 2030 een voorlopig maatregelenprogramma vast; een definitief maatregelenprogramma overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 2000/60/EG wordt opgenomen in het overeenkomstig artikel 13, lid 7, van die richtlijn opgesteld stroomgebiedbeheerplan voor 2033.
Artikel 4, leden 4 tot en met 9, van Richtlijn 2000/60/EG zijn mutatis mutandis van toepassing op de stoffen opgesomd in de punten i) en ii) van de eerste alinea van dit lid.
Artikel 4, leden 4 tot en met 9, van Richtlijn 2000/60/EG zijn mutatis mutandis van toepassing op de stoffen opgesomd in de punten iii) en iv) van de eerste alinea van dit lid. Voor zover de in artikel 4, lid 4, van die richtlijn vastgelegde verlengingen van termijnen worden bedoeld, worden deze beperkt tot maximaal één bijwerking van het stroomgebiedbeheerplan, behalve wanneer de natuurlijke omstandigheden van dien aard zijn dat de doelstellingen niet binnen de termijn van dat stroomgebiedbeheerplan kunnen worden bereikt.
1 ter.
Op Unie-niveau overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Richtlijn 2000/60/EG vastgestelde MKN voor stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen die zijn opgenomen in deel C van bijlage II bij deze richtlijn, of aanvullende stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen en overeenkomstige MKN die lidstaten conform artikel 8 quinquies, lid 1, van deze richtlijn hebben vastgesteld, worden van kracht vanaf het begin van de looptijd van het volgende stroomgebiedbeheerplan na de datum waarop de MKN is vastgesteld, met de bedoeling tegen het einde van de periode van het stroomgebiedbeheerplan een goede chemische toestand van het oppervlaktewater ten aanzien van die verontreinigende stoffen te bereiken en te voorkomen dat de chemische toestand van de oppervlaktewaterlichamen ten opzichte van die verontreinigende stoffen verslechtert.
Artikel 4, leden 4 tot en met 9, van Richtlijn 2000/60/EG zijn mutatis mutandis van toepassing op de verontreinigende stoffen waarnaar wordt verwezen in de eerste alinea van dit lid. Voor zover de in artikel 4, lid 4, van die richtlijn vastgestelde verlengingen van termijnen worden bedoeld, worden deze beperkt tot maximaal één bijwerking van het stroomgebiedbeheerplan, behalve wanneer de natuurlijke omstandigheden van dien aard zijn dat de doelstellingen niet binnen de termijn van dat stroomgebiedbeheerplan kunnen worden bereikt.
2.
Met betrekking tot stoffen waarvoor in deel A van bijlage I een MKN voor biota of sediment is vastgelegd, passen de lidstaten die MKN voor biota of sediment toe.
Met betrekking tot de andere dan in de eerste alinea bedoelde stoffen passen de lidstaten de in deel A van bijlage I vastgelegde MKN voor water toe.
3.
De lidstaten kunnen ervoor kiezen om ten aanzien van een of meer categorieën oppervlaktewateren een MKN toe te passen voor een andere matrix dan die vermeld in lid 2, of wanneer relevant, voor een andere biotataxon dan die vermeld in deel A van bijlage I.
Lidstaten die gebruikmaken van de in de eerste alinea bedoelde mogelijkheid, passen de relevante MKN toe die zijn vastgesteld in deel A van bijlage I, of stellen, indien voor de matrix of biotataxon geen MKN is opgenomen, zelf een MKN vast die minstens hetzelfde beschermingsniveau biedt als de MKN die in deel A van bijlage I is vastgesteld.
De lidstaten kunnen alleen van de in de eerste alinea bedoelde mogelijkheid gebruikmaken indien de voor de gekozen matrix of biotataxon toegepaste analysemethode voldoet aan de in artikel 4 van Richtlijn 2009/90/EG vastgestelde minimale prestatiekenmerken. Wanneer voor geen enkele matrix aan deze kenmerken wordt voldaan, zorgen de lidstaten ervoor dat de monitoring wordt uitgevoerd met behulp van de beste beschikbare technieken die geen buitensporige kosten met zich brengen en dat de analysemethode minstens even goed presteert als die welke beschikbaar is voor de in lid 2 van dit artikel vermelde matrix voor de desbetreffende stof.
3 bis.
Indien er een potentieel risico voor of via het aquatische milieu door acute blootstelling is vastgesteld op basis van gemeten of geraamde concentraties of emissies en indien een MKN voor biota of sediment wordt gebruikt, zorgen de lidstaten er voor dat de monitoring van het oppervlaktewater ook wordt uitgevoerd en passen zij de MAC-MKN zoals vastgesteld in deel A van bijlage I bij de onderhavige richtlijn toe, voor zover zulke MKN zijn vastgesteld.
3 ter.
Indien ingevolge artikel 5 van Richtlijn 2009/90/EG de berekende gemiddelde waarde van een meetresultaat, uitgevoerd met behulp van de best beschikbare techniek die geen buitensporige kosten met zich meebrengt, aangemerkt wordt als ‘lager dan de bepalingsgrens’, en de ‘bepalingsgrens’ van die techniek de MKN overschrijdt, wordt het resultaat voor de stof die wordt gemeten, niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van de algemene chemische toestand van dat waterlichaam.
4.
Voor stoffen waarvoor een MKN voor sediment en/of biota wordt toegepast, monitoren de lidstaten de stof gedurende ten minste één keer per jaar in de betrokken matrix, tenzij de technische kennis en het oordeel van deskundigen een ander interval rechtvaardigen.
5.
De lidstaten nemen de volgende informatie in de overeenkomstig artikel 13, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG opgestelde stroomgebiedbeheerplannen op:
- a.
een tabel waarin de bepalingsgrenzen van de toegepaste analysemethode worden weergegeven en informatie over de prestaties van die methoden ten aanzien van de in artikel 4 van Richtlijn 2009/90/EG vastgestelde minimale prestatiekenmerken;
- b.
voor de stoffen waarvoor de mogelijkheid in lid 3 van dit artikel is gebruikt:
- i.
de redenen en de basis voor het gebruik van die mogelijkheid;
- ii.
waar relevant, de vastgestelde alternatieve MKN, het bewijs dat die MKN een even hoog beschermingsniveau bieden als de MKN in deel A van bijlage I, met inbegrip van de gegevens en de methode waarmee de MKN zijn afgeleid en de categorieën van oppervlaktewateren waarvoor die MKN zouden gelden;
- iii.
ter vergelijking met onder a) van dit lid bedoelde informatie, de bepalingsgrenzen van de analysemethoden voor de in deel A van bijlage I bij deze richtlijn vastgestelde matrices, met inbegrip van informatie over de prestaties van die methoden ten aanzien van de in artikel 4 van Richtlijn 2009/90/EG vastgelegde minimale prestatiekenmerken;
- c.
de rechtvaardiging voor de in overeenstemming met lid 4 toegepaste meetfrequentie, indien de monitoringsintervallen meer dan een jaar bedragen.
5 bis.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te verzekeren dat de overeenkomstig artikel 13, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG bijgestelde stroomgebiedbeheerplannen met de resultaten en het effect van de genomen maatregelen ter voorkoming van chemische verontreiniging van oppervlaktewater en het tussentijdse verslag over de vorderingen bij de uitvoering van het geplande maatregelenprogramma overeenkomstig artikel 15, lid 3, van Richtlijn 2000/60/EG, beschikbaar worden gesteld via een centraal portaal dat elektronisch toegankelijk is voor het publiek overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie (1).
6.
De lidstaten treffen regelingen voor de analyse van langetermijntendensen met betrekking tot de concentraties van de in deel A van bijlage I vermelde prioritaire stoffen die de neiging hebben te accumuleren in sediment of biota, op basis van monitoring in sediment of biota als onderdeel van de monitoring van de oppervlaktewatertoestand, uitgevoerd overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG. De lidstaten nemen, met inachtneming van artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG, maatregelen die erop gericht zijn dat dergelijke concentraties niet significant toenemen in sediment of biota.
De lidstaten stellen de meetfrequentie in sediment en/of biota zodanig vast dat zij voldoende gegevens voor een betrouwbare analyse van langetermijntendensen oplevert. Als richtsnoer geldt dat de monitoring elke drie jaar wordt uitgevoerd, tenzij technische kennis en het oordeel van deskundigen een ander interval rechtvaardigen.
7.
Vervallen.
8.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 9 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om punt 3, van deel B in bijlage I aan te passen aan de wetenschappelijke of technische vooruitgang.
8 bis.
Om de implementatie van dit artikel te vergemakkelijken, worden, als onderdeel van de bestaande uitvoering van Richtlijn 2000/60/EG, voor zover mogelijk uiterlijk op 22 december 2014 technische richtsnoeren ontwikkeld met betrekking tot monitoringstrategieën en analysemethoden voor stoffen, waaronder monsterneming en monitoring in biota.
In het bijzonder moeten de richtsnoeren betrekking hebben op:
- a.
de monitoring van stoffen in biota overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel;
- b.
voor nieuw geselecteerde stoffen (nummers 34 tot en met 45 in deel A van bijlage I) en stoffen waarvoor strengere MKN worden vastgesteld (nummers 2, 5, 15, 20, 22, 23 en 28 in deel A van bijlage I): analytische methoden die voldoen aan de minimumprestatiekenmerken in artikel 4 van Richtlijn 2009/90/EG.
8 ter.
Voor stoffen waarvoor uiterlijk op 22 december 2014 geen technische richtsnoeren zijn vastgesteld, worden de in lid 1 bis, onder i), genoemde termijn van 22 december 2015, verlengd tot 22 december 2018 en de in dat punt i) genoemde termijn van 22 december 2021, verlengd tot 22 december 2027.
Voetnoten
PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26