Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/258:258 Onvoldoende belang: geen of geen redelijk processueel belang
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/258
258 Onvoldoende belang: geen of geen redelijk processueel belang
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS453445:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
A-G Huydecoper in zijn conclusie voor HR 24 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4980.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gevallen waarin ofwel geheel geen processueel belang ofwel geen redelijk processueel belang bestaat, vallen naar mijn mening onder ‘point d’intérêt, point d’action’. Onder art. 3:303 BW vallen derhalve alle gevallen in het spectrum met als ene uiterste ‘geen enkel belang’ en als andere uiterste ‘net niet voldoende belang’. Als vaststaat dat de verzoeker geen enkel processueel belang heeft, wordt aan een beoordeling van andere belangen dan die van de verzoeker niet toegekomen. Zodra echter de verzoeker enig processueel belang bij zijn verzoek kan hebben, zal moeten worden beoordeeld of de verzoeker een redelijk processueel belang heeft. Of de verzoeker een redelijk processueel belang heeft bij zijn verzoek moet worden afgewogen tegen het belang van de proceseconomie, immers, de ratio van het vereiste van voldoende belang is daarin gelegen. Een redelijk processueel belang bij een voorlopig getuigenverhoor ontbreekt als de vast te leggen getuigenverklaringen hoogstwaarschijnlijk niet ten nutte van de vordering in de hoofdzaak kunnen worden gebruikt. De kans dat de rechter nutteloos werk zal verrichten is dan zo groot, dat proceseconomische redenen rechtvaardigen dat een verzoekwordt afgewezenwegens onvoldoende belang. Huydecoper wijst erop dat de overheid en de wederpartij in beginsel de belasting van een voorlopig getuigenverhoor moeten dulden, “maar dat betekent niet dat iedere belasting, ongeacht omvang en gewicht daarvan, door ieder (potentieel) rechtsbelang aan de kant van de verzoeker wordt gerechtvaardigd.”1 Hoewel hij hierbij niet expliciet doelt op de afwijzingsgrond onvoldoende belang, benadrukt hij wel dat proceseconomische redenen een rol moeten spelen bij de beoordeling of een voorlopig getuigenverhoor moet worden bevolen.