Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/257
257 Redelijk processueel belang
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS454652:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6809, NJ 2005, 442, m.nt.W.D.H. Asser en JBPr 2005, 21, m.nt. E.F. Groot (Frog/Floriade). De Hoge Raad overweegt in deze uitspraak: “Voorts bestaat geen aanleiding een verzoek als bedoeld in art. 186 Rv. onttrokken te achten aan de in art. 3:303 BW neergelegde regel dat zonder belang niemand een rechtsvordering toekomt.”
Gras 2001, p. 107. Zie ook Ras 1971, p. 797, die meent dat het voor de hand ligt om de regels ‘point d’intérêt, point d’action’ en ‘de minimis non curat praetor’ onder één noemer te brengen als het vereiste van voldoende belang wordt gezien als een beginsel van proceseconomie.
Van Nispen 1978, nr. 103.
In art. 3:303 BW staat: “Zonder voldoende belang…”, terwijl bedoeld is de regel ‘geen belang, geen actie’ vast te leggen. Overigens hanteert de Hoge Raad niet steeds de letterlijke bewoordingen van art. 3:303 BW en laat hij het woord ‘voldoende’ soms weg.1
Gras is van mening dat door het in de wet opnemen van het woord ‘voldoende’ zaken met een zeer gering materieel belang ook onvoldoende processueel belang opleveren. Als voorbeeld noemt hij een vordering van nog geen € 10: “Maar hij [eiser, EG] mag zich toch voor deze kwestie niet tot de rechter wenden, niet op de grond dat deze dan verstoord raakt omdat hij kleinigheden te klein vindt, maar – wederom – omdat de rechter hoort tot een overheidsdienst die tijd en middelen op verantwoorde wijze moet besteden. De eis van processueel belang omvat dus, zou ik denken, het ‘de minimis non curat praetor’-geval, omdat niet alleen volledig ondoelmatig, maar ook onvoldoende doelmatig procederen door de rechter moet kunnen worden tegengegaan.”2
In deze opvatting kan ik mij niet vinden. Ten eerste ziet het vereiste van voldoende belang, zoals hierboven beargumenteerd in par. 7.3, alleen op processueel belang. Materiële belangen, hoe klein ook, dienen daarvan gescheiden te blijven. Ten tweede is het niet aan de rechter maar aan de wetgever om een (en dan: welke?) ondergrens in te stellen voor vorderingen. Ten derde lijkt het mij een slecht signaal naar de samenleving als schuldenaren lage bedragen ongestraft onbetaald kunnen laten, omdat immers schuldeisers geen executoriale titel kunnen verkrijgen als met succes een beroep kan worden gedaan op een onvoldoende belang van de eiser bij kleine vorderingen.
Het woord ‘voldoende’ moet anders worden gelezen. Volgens Van Nispen draagt het vereiste van voldoende belang een normatief karakter; met het woord ‘voldoende’ heeft de wetgever deze normatieve lading in art. 3:303 BW willen verwoorden. Hij meent dat de eiser een redelijk processueel belang moet hebben, waarbij “behalve de eisen van een behoorlijke procesvoering en het belang der rechtspleging in het algemeen m.i. ook de processuele belangen van de wederpartij in de overwegingen worden betrokken”.3 De verzoeker die getuigen wenst te doen horen in een voorlopig getuigenverhoor, terwijl hij (vrijwel) hetzelfde resultaat (het verkrijgen van bewijs van de te onderzoeken feiten) kan bereiken op een wijze die voor de rechter, de wederpartij en de getuigen beduidend minder belastend is, heeft onvoldoende belang. Een dergelijk geval zal zich niet snel voordoen, omdat niet (vrijwel) hetzelfde resultaat kan worden bereikt met het andere bewijs(middel) of omdat het verschil in belasting niet groot genoeg is. In die gevallen speelt de factor van een minder belastend bewijsmiddel een rol in de belangenafweging op grond van de goede procesorde (zie nr. 373).