RvdW 2026/122:Onderzoek Verdejo. Medeplegen uitvoer van 44,58 kilogram amfetamine en 1,06 kilogram cocaïne (art. 2 onder A Opiumwet), medeplegen uitvoer van 144,73 kilogram hasj (art. 3 onder A Opiumwet), medeplegen aanwezig hebben van hennep, meermalen gepleegd (art. 3 onder C Opiumwet) en deelname aan criminele organisatie die gericht is op grootschalige handel in en uitvoer van hennep en hasj (art. 11b lid 1 jo. 11 lid 3 en 11 lid 5 Opiumwet). 1. Kon hof vordering tot nadere omschrijving van tll. a.b.i. art. 314a Sv, waarmee deelname aan criminele organisatie aan tll. is toegevoegd, ‘accepteren’ gelet op verweer dat eerdere dagvaarding een definitieve tll. betrof? 2. Verweer dat Rb na toewijzing van vordering conform art. 314 lid 2 Sv tot schorsing van onderzoek had moeten overgegaan. 3. Kon hof oordelen dat procedure in haar geheel voldoet aan recht op eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM, aangezien sprake is van schending van ondervragingsrecht, nu medeverdachte zich bij zijn verhoor door Rh-C heeft beroepen op zijn verschoningsrecht? 4. Afwijzing van bij appelschriftuur gedaan, ttz. in hoger beroep gehandhaafd en op nadere tz. in h.b. herhaald verzoek tot horen van (andere) medeverdachten als getuigen, op de grond dat verdediging niet in enig belang is geschaad door afwijzing van verzoek (ttz. in h.b.) en noodzaak daartoe niet is gebleken (bij arrest in reactie op herhaald verzoek). 5. Kon hof oordelen dat machtiging ex art. 126g Sv niet was vereist, nu geen sprake was van stelselmatige observatie? HR: art. 81 lid 1 RO. Samenhang met RvdW 2026/123, RvdW 2026/124, RvdW 2026/125 en RvdW 2026/128.