HR, 18-11-2011, nr. 10/03964
ECLI:NL:HR:2011:BS8796
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
18-11-2011
- Zaaknummer
10/03964
- Conclusie
Mr. M.H. Wissink
- LJN
BS8796
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BS8796, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 18‑11‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BS8796
ECLI:NL:PHR:2011:BS8796, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑09‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BS8796
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑11‑2011
18 november 2011
Eerste Kamer
nr. 10/03964
EV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. W. Römelingh,
t e g e n
1. [Verweerster 1],
2. [Verweerder 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser], [verweerster 1] en [verweerder 2].
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het verstekvonnis in de zaak 1013162\CV EXPL 09-32935 van 21 augustus 2009 en het verzetvonnis in de zaak 1037423\CV EXPL 09-46331 van 16 juli 2010, beide van de kantonrechter te Rotterdam.
Het vonnis van 16 juli 2010 van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen laatstvermeld vonnis van de kantonrechter heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster 1] en [verweerder 2] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van artikel 81 RO.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster 1] en [verweerder 2] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 18 november 2011.
Conclusie 09‑09‑2011
Mr. M.H. Wissink
Partij(en)
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
- 1.
[Verweerster 1]
- 2.
[Verweerder 2]
1.
Deze zaak komt in aanmerking voor een verkorte conclusie.
2.
[Verweerster 1] en [verweerder 2] hebben bij exploten van dagvaarding van 29 en 30 juli 2009 [eiser] en een medegedaagde gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam, sector kanton (hierna: de kantonrechter) en gevorderd hen te veroordelen aan [verweerster 1] en aan [verweerder 2] ieder afzonderlijk te betalen € 1.500,00 met rente vanaf de datum der dagvaarding, met veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure. De grondslag van de vordering was een onrechtmatige daad, bestaande uit het (medeplegen van) mishandelen van eisers en het wederrechtelijk binnendringen van hun woning, waarvoor gedaagden strafrechtelijk zijn veroordeeld.
3.
De kantonrechter heeft bij vonnis van 21 augustus 2009 gedaagden, tegen wie verstek was verleend, veroordeeld conform de eis van [verweerster 1] en van [verweerder 2].
4.
[Eiser] is in verzet gekomen van dit vonnis. De kantonrechter heeft bij (verzet)vonnis van 16 juli 2010 het (verstek)vonnis van 21 augustus 2009 bekrachtigd, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding. Uit rov. 2.2 t/m 2.5 van het bestreden vonnis blijkt, dat door [eiser] achtereenvolgens verschillende formele verweren zijn aangevoerd die alle ertoe leiden dat [eiser] geen inhoudelijk verweer tegen de vordering heeft gevoerd. In rov. 2.6 overweegt de kantonrechter:
‘[verweerster 1] en [verweerder 2] hebben zowel in de conclusie van antwoord alsook in de bij die conclusie behorende producties voldoende onderbouwd waarop hun vordering in de inleidende dagvaarding gebaseerd was, zodat [verweerster 1] en [verweerder 2] [bedoeld is: [eiser]; A-G] wisten waartegen zij zich in deze verzetprocedure dienen te verweren. De kantonrechter ziet dan ook geen gegronde reden voor [eiser] om bij conclusie van repliek in oppositie en tijdens de comparitie van partijen niet inhoudelijk te reageren. Nu [eiser] geen inhoudelijke verweren tegen de oorspronkelijke vordering heeft aangevoerd dient het vonnis waartegen verzet is ingediend in stand te blijven.’
5.
Bij dagvaarding van 27 juli 2010 heeft [eiser] tijdig cassatie ingesteld tegen het vonnis van 16 juli 2010. Tegen [verweerster 1] en [verweerder 2] is verstek verleend. [Eiser] heeft het middel niet schriftelijk toegelicht.
6.
Uit het verstekvonnis blijkt dat [verweerster 1] en [verweerder 2] bij één dagvaarding elk afzonderlijk een vordering hebben ingesteld, welke vorderingen afzonderlijk onder de in artikel 332 lid 1 Rv genoemde grens van € 1.750,00 blijven. Voor de beoordeling of het vonnis waarbij de beide vorderingen zijn afgedaan vatbaar is voor hoger beroep, mogen die vorderingen niet bij elkaar worden opgeteld (HR 25 maart 1994, LJN AD2072, NJ 1994, 392). Tegen het in eerste en hoogste ressort gewezen vonnis van 16 juli 2010 staat daarom op de voet van artikel 78 lid 5 RO en artikel 398 onder 1 Rv beroep in cassatie open, zij het slechts op de in artikel 80 lid 1 RO bedoelde gronden.
7.
Voor zover het middel in onderdeel 1 klaagt over verzuim van vormen als bedoeld in artikel 80 lid 1 onder a RO, faalt het omdat het niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het middel verzuimt met bepaaldheid en precisie te vermelden welke beslissing of overweging onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is en waarom (zie onder meer HR 5 november 2010, LJN: BN6196, RvdW 2010, 1328).
8.
Voor zover het middel in onderdeel 2 klaagt dat de kantonrechter het recht heeft geschonden, stuit het af op het bepaalde in artikel 80 lid 1 RO. Voor zover het middel een beroep wil doen op de in HR 16 maart 2007, LJN AZ1490, NJ 2007, 637 m.nt. H.J. Snijders, aanvaarde grond voor cassatie (te weten: ‘dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, zoals het geval is bij het niet inachtnemen van het contradictoire beginsel, waartoe behoort hoor en wederhoor, en van het recht op gelijke behandeling (equality of arms)’), faalt het eveneens omdat het niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het middel verzuimt met bepaaldheid en precisie te vermelde welke beslissing of overweging in de bestreden uitspraak onjuist is en waarom door die beslissing of overweging het recht is geschonden (zie onder meer het hoger genoemde arrest van 5 november 2010).
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van artikel 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G