Einde inhoudsopgave
RvdW 2013/920
Bopz. Voor verzoekster wordt een voorlopige machtiging gevraagd. Na afloop van de zitting wordt de procedure aangehouden. Enige dagen later legt de Officier van Justitie een nieuw medisch rapport over en verzoekt om een observatiemachtiging. Zonder verzoekster opnieuw te horen wijst de rechtbank het eerste verzoek af en het tweede toe. In cassatie stelt verzoekster dat art. 5 lid 1 onder e EVRM alleen de vrijheidsbeneming na een diagnose toestaat en dat zij eerst (weer) gehoord had moeten worden alvorens op het tweede verzoek beslist had mogen worden. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat de machtiging inmiddels is verlopen. Ten overvloede stelt de Hoge Raad vast dat observatiemachtigingen alleen zijn toegestaan bij een medisch onderbouwd ‘ernstig vermoeden’ en dat ze daarmee binnen de grenzen van het EVRM vallen. Over de hoorplicht merkt de Hoge Raad op dat de BOPZ vooraf horen of afzien van horen niet mogelijk maakt. EHRM: Artikel 5 EVRM staat ook de vrijheidsbeneming toe van degenen met ‘a sufficient indication that they may be of unsound mind’(r.o. 37) De klacht dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaarde, plaatst het Hof onder art. 5 lid 4 EVRM. Dat er voor verzoekster andere manieren open hebben gestaan om de vrijheidsbeneming aan een rechter voor te leggen, doet er voor het Hof niet aan af dat het zal moeten beoordelen of het arrest van de Hoge Raad voldoet aan het recht op een oordeel over de rechtmatigheid. Onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie stelt het Hof dat iemand op zichzelf nog altijd belang kan hebben bij een inhoudelijk rechtmatigheidsoordeel, maar dat in dit geval de overwegingen ten overvloede van de Hoge Raad in elk geval volstaan. Latere rechters zullen de overwegingen van de Hoge Raad over de hoorplicht onmogelijk kunnen negeren. Dat maakt de klacht kennelijk ongegrond en daarmee niet-ontvankelijk.
EHRM 18-09-2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0918DEC001383707 (S.R./Nederland)
- Instantie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
- Datum
18 september 2012
- Magistraten
J. Casadevall, E. Myjer, C. Bîrsan, A. Gyulumyan, L. López Guerra, N. Tsotsoria, K. Pardalos
- Zaaknummer
13837/07
- LJN
BY3195
- Roepnaam
S.R./Nederland
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Onbekend (V)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Openbare orde en veiligheid / Bijzondere onderwerpen
Personen- en familierecht / Bescherming meerderjarige
Internationaal belastingrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:CE:ECHR:2012:0918DEC001383707, Uitspraak, Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 18‑09‑2012
- Wetingang
Art. 5 lid 1 onder e, art. 5 lid 4 EVRM; art. 14h BOPZ (vervallen per 01-01-2009)
Essentie
S.R. tegen Nederland
Bopz. Voor verzoekster wordt een voorlopige machtiging gevraagd. Na afloop van de zitting wordt de procedure aangehouden. Enige dagen later legt de Officier van Justitie een nieuw medisch rapport over en verzoekt om een observatiemachtiging. Zonder verzoekster opnieuw te horen wijst de rechtbank het eerste verzoek af en het tweede toe. In cassatie stelt verzoekster dat art. 5 lid 1 onder e EVRM alleen de vrijheidsbeneming na een diagnose toestaat en dat zij eerst (weer) gehoord had moeten worden alvorens op het tweede verzoek beslist had mogen worden. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.