Vgl. HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6936, NJ 2012/117, rov. 3.5.
HR, 17-10-2017, nr. 16/02769
ECLI:NL:HR:2017:2634, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
17-10-2017
- Zaaknummer
16/02769
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:2634, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 17‑10‑2017; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1061, Contrair
ECLI:NL:PHR:2017:1061, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 04‑07‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2634, Contrair
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑10‑2016
- Vindplaatsen
AB 2018/61 met annotatie van J.G. Brouwer, C.E. Huls
SR-Updates.nl 2017-0427 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NbSr 2018/7
Uitspraak 17‑10‑2017
Inhoudsindicatie
Beletten handeling door ambtenaar belast met toezicht. Uitleg begrip beletten a.b.i. art. 184 Sr. Controle van de bepalingen gesteld bij of krachtens de APV Barneveld en de Drank- en Horecawet door toezichthouders bij het clubhuis van een motorclub, i.c. een openbare inrichting. Gelet op ’s Hofs vaststellingen geeft het oordeel dat verdachte de door de toezichthouders ondernomen handelingen - door het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk aangemerkt als het begin van de uitvoering van hun controlebevoegdheid - in de gegeven omstandigheden heeft 'belet' door te voorkomen dat de opsporingsambtenaren het clubhuis daadwerkelijk konden betreden, niet blijk van een onjuiste uitleg van die in de tenlastelegging gebezigde, aan art. 184 Sr ontleende, term. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
17 oktober 2017
Strafkamer
nr. S 16/02769
IV/CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 4 mei 2016, nummer 21/003517-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.G.C. Groenendaal, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het derde middel
3.1.
Het middel klaagt dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip 'beletten' als bedoeld in art. 184 Sr, althans dat de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.
3.2.1.
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 21 februari 2013 in de gemeente Barneveld toen de buitengewoon opsporingsambtenaren [verbalisant 1] (aktenummer [001]) en [verbalisant 2] (aktenummer [002]), belast met het toezicht houden op de naleving van de in de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld en in de Drank en Horecawet genoemde bepalingen aan hem, verdachte, te kennen hadden gegeven dat zij, die opsporingsambtenaren, ter controle van de bepalingen gesteld in de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld en de Drank en Horecawet de openbare inrichting, te weten het clubhuis van een motorclub, gevestigd op of aan de [a-straat 1], wilden betreden, deze door die opsporingsambtenaren ter uitvoering van het bepaalde in (de) artikel(en) 38 van de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld en/of artikel 5:15 Algemene wet Bestuursrecht en/of artikel 3 en/of 42 van de Drank en Horecawet ondernomen handeling(en) opzettelijk heeft belet, door opzettelijk aan die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] mede te delen: "Jullie komen er niet in, dit is enkel voor leden, zelfs onze familieleden komen hier nu niet in. Er is boven een landelijke vergadering gaande en daar mag niemand bij zijn en verder zitten er leden uit het hele land" en: "Ik begrijp dat jullie op jullie strepen willen gaan staan, maar dan komen we in een situatie waarin jullie niet in willen komen. Als jullie nu naar binnen gaan wordt het er niet gezelliger op, je komt er gewoon niet in. Er is een besloten vergadering gaande waar we niemand bij willen hebben" en aldus door opzettelijk die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de toegang tot die openbare inrichting te weigeren."
3.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 3 e.v. van het proces-verbaal, genummerd PL074J 2013056380) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten:
Op donderdag 21 februari 2013 gingen wij, [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Barneveld, werkzaam in domein Openbare Ruimte, standplaats Barneveld, aktenummer [001], en [verbalisant 2], buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Nijkerk, werkzaam in domein Openbare Ruimte, standplaats Nijkerk, aktenummer [002], ter controle van de bepalingen gesteld bij of krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld en de Drank- en horecawet, naar het perceel [a-straat 1] te Barneveld alwaar een clubhuis van een motorclub is gevestigd.
Ik, verbalisant [verbalisant 1], ben als toezichthouder aangewezen door burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 147 lid 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld. Ook ben ik door het genoemde college aangewezen als toezichthouder voor de Drank- en horecawet.
Wij belden aan bij het toegangshek van het clubhuis van de aldaar gevestigde motorclub. Het clubhuis betreft een openbare inrichting als bedoeld in artikel 37 lid a van de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld. Wij zagen dat er twee mannen naar buiten kwamen. Eén van die mannen opende de poort voor ons en liet ons binnen op een soort binnenplaats. Deze man gaf ons aan even te wachten. Kort daarna kwamen er met de man die ons binnen de poort liet vier andere mannen mee naar buiten. Toen één van de vier mannen ons aansprak heb ik, verbalisant [verbalisant 1], mij eerst gelegitimeerd als toezichthouder van de gemeente Barneveld en direct daarna hebben wij ons gelegitimeerd als buitengewoon opsporingsambtenaren. Wij gaven aan ter controle van de bepalingen gesteld in de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld de openbare inrichting te willen betreden. Wij kregen geen gelegenheid uit te leggen dat dit in het kader van de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld ter controle op de exploitatievergunning en de bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet betrof. Eén van de personen, naar later bleek [verdachte] gaf ons direct aan dat wij er niet in kwamen. Wij hoorden hem zeggen: "Jullie komen er niet in, dit is enkel voor leden, zelfs onze familieleden komen hier nu niet in. Er is boven een landelijke vergadering gaande en daar mag niemand bij zijn en verder zitten er leden uit het hele land." Daarna heb ik, verbalisant [verbalisant 1], nogmaals duidelijk aangegeven dat wij niet onder het "normale publiek" vallen maar dat wij ter controle van de bepalingen gesteld bij of krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld en de bepalingen gesteld in de Drank- en Horecawet het clubhuis wilden betreden. Ik, verbalisant [verbalisant 1], gaf [verdachte] aan dat hij mij niet mocht weigeren. Hierop hoorden wij [verdachte] zeggen: "Ik begrijp dat jullie op jullie strepen willen gaan staan maar dan komen we in een situatie waar jullie niet in willen komen." Daarna hoorden wij [verdachte] op krachtige en dreigende toon zeggen: "Als jullie nu naar binnen gaan wordt het er niet gezelliger op, je komt er gewoon niet in. Er is een besloten vergadering gaande waar we niemand bij willen hebben." Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb genoemde [verdachte] aangegeven dat het een strafbaar feit was ons niet binnen te laten. Ik hield hem staande. Tijdens het weglopen van [verdachte] hoorde ik, verbalisant [verbalisant 1], hem zeggen: "Ik begrijp dat jullie het recht hebben om naar binnen te willen maar jullie komen er niet in." Dit laatste werd ook met krachtige en dreigende toon gezegd. Vervolgens liepen de genoemde personen het pand weer in en sloten de deur. Een controle van de bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet kon dus op dat moment niet worden uitgevoerd.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 6 van het proces-verbaal, genummerd PL074J 2013056380) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten:
Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], buitengewoon opsporingsambtenaren, hadden sterke aanwijzingen dat er in het clubgebouw van de motorvereniging Barneveld alcoholhoudende drank aanwezig zou zijn. Bij de gemeente Barneveld waren aanvragen binnen gekomen voor een exploitatievergunning op grond van artikel 38 van de APV en een drank- en horecavergunning voor het verstrekken van alcoholhoudende drank.
In de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Barneveld is vastgelegd in artikel 147, tweede lid, dat personen aangewezen kunnen worden door college van burgemeester en wethouders voor het toezicht op de naleving van de APV. Op grond van artikel 41, eerste lid, onder b van de Drank- en horecawet heeft de burgemeester ons aangewezen voor het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Drank- en horecawet.
Artikel 5:15 Algemene Wet Bestuursrecht geeft ons de bevoegdheid met medeneming van de benodigde apparatuur elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner voor het toezicht op de naleving van de APV en de Drank- en horecawet. Daarnaast geeft artikel 42 van de Drank- en horecawet ons de verdergaande bevoegdheid om binnen te treden in een woning, zelfs tegen de wil van de bewoner.
3. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 3 juni 2014 van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - de verklaring van verdachte:
Op 21 februari 2013 was ik in de gemeente Barneveld. Daar heb ik twee opsporingsambtenaren de toegang tot het clubhuis van de motorvereniging geweigerd. Van tevoren zijn er soortgelijke dingen gezegd als die in de tenlastelegging staan. Ik heb gezegd: "Ik begrijp dat jullie op jullie strepen willen gaan staan, maar dan komen we in een situatie waarin we niet willen komen." Ik heb gezegd dat ze niet welkom waren."
3.2.3.
Het Hof heeft voorts het volgende overwogen, voor zover van belang:
"Het hof is van oordeel dat de verbale uitingen van verdachte jegens de betreffende opsporingsambtenaren aan duidelijkheid niets te wensen over laten. Verdachte heeft op krachtige en dreigende toon bedreigende taal geuit. Klip en klaar is dat hij niet wilde dat de opsporingsambtenaren het clubhuis van de motorclub zouden betreden. Uiteindelijk ging verdachte (met een aantal andere personen) het clubhuis weer binnen waarbij de deur van het clubhuis voor de ogen van de opsporingsambtenaren werd gesloten. Dit optreden van verdachte maakte het hen op dat moment onmogelijk om het clubhuis van de motorclub te betreden. Het hof is daarom - anders dan de raadsman - van oordeel dat verdachte de opsporingsambtenaren heeft belet (zoals bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht) om het clubhuis binnen te gaan. Voorts deelt het hof de opvatting van de raadsman niet dat de situatie in de onderhavige zaak zich niet laat vergelijken met de situatie zoals aan de orde in het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 maart 2010 (LJN: BN4072), nu in beide zaken op een dreigende manier bedreigende taal werd geuit door de verdachte in de richting van de opsporingsambtenaren ter voorkoming van handelen door de opsporingsambtenaren.
Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het hof van oordeel dat verdachte de opsporingsambtenaren opzettelijk heeft belet om het clubhuis te betreden. Daartoe overweegt het hof dat verdachte de opsporingsambtenaren in niet mis te verstane bewoordingen te kennen heeft gegeven dat zij niet binnen mochten komen. De door verdachte gebezigde verbale uitlatingen zijn niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Het hof leidt het opzet van verdachte af uit voornoemde uitlatingen.
Het hof verklaart aldus bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde."
3.3.
Art. 184, eerste lid, Sr luidt:
"Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie."
3.4.1.
Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof het volgende vastgesteld. Nadat de beide toezichthouders zich ter controle van de bepalingen gesteld bij of krachtens de APV Barneveld en de Drank- en Horecawet hadden begeven naar het perceel Oostvenerweg 2 te Barneveld, alwaar het clubhuis van de motorclub was gevestigd, zij aldaar hadden aangebeld aan het toegangshek en zij, toen de poort door een van de twee naar buiten gekomen mannen was geopend, waren binnengelaten op een soort binnenplaats en hun te verstaan was gegeven aldaar te wachten, hebben zij zich gelegitimeerd als toezichthouder/buitengewoon opsporingsambtenaar en aan de verdachte, die deel uitmaakte van een groep van vier mannen die met degene die de poort geopend had naar buiten gekomen was, meegedeeld dat zij het clubhuis wilden betreden ter controle op de naleving van bepalingen gesteld bij of krachtens de APV Barneveld. De verdachte heeft vervolgens direct op krachtige en dreigende toon meermalen en met bedreigende woorden duidelijk gemaakt dat de toezichthouders "er gewoon niet in" zouden komen. Nadat een van de toezichthouders de verdachte had staande gehouden, is de verdachte weggelopen en heeft op dreigende toon gezegd: "Ik begrijp dat jullie het recht hebben om naar binnen te willen maar jullie komen er niet in". Vervolgens zijn ook de andere personen weggelopen, zijn zij het pand binnengegaan en hebben zij de deur van het clubhuis voor de ogen van de opsporingsambtenaren gesloten, waardoor de controle geen verdere doorgang kon vinden.
3.4.2.
Het vorenstaande in aanmerking genomen, geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte de door de toezichthouders ondernomen handelingen - die door het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk zijn aangemerkt als het begin van de uitvoering van hun controlebevoegdheid - in de gegeven omstandigheden heeft 'belet' door te voorkomen dat de opsporingsambtenaren het clubhuis daadwerkelijk konden betreden, niet blijk van een onjuiste uitleg van die in de tenlastelegging gebezigde, aan art. 184 Sr ontleende, term. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.
3.5.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-presidentW.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2017.
Conclusie 04‑07‑2017
Inhoudsindicatie
Beletten handeling door ambtenaar belast met toezicht. Uitleg begrip beletten a.b.i. art. 184 Sr. Controle van de bepalingen gesteld bij of krachtens de APV Barneveld en de Drank- en Horecawet door toezichthouders bij het clubhuis van een motorclub, i.c. een openbare inrichting. Gelet op ’s Hofs vaststellingen geeft het oordeel dat verdachte de door de toezichthouders ondernomen handelingen - door het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk aangemerkt als het begin van de uitvoering van hun controlebevoegdheid - in de gegeven omstandigheden heeft 'belet' door te voorkomen dat de opsporingsambtenaren het clubhuis daadwerkelijk konden betreden, niet blijk van een onjuiste uitleg van die in de tenlastelegging gebezigde, aan art. 184 Sr ontleende, term. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders.
Nr. 16/02769 Zitting: 4 juli 2017 | Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] |
De verdachte is bij arrest van 4 mei 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, zittingsplaats Zwolle, wegens “opzettelijk enige handeling, door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, beletten” veroordeeld tot een geldboete van € 500,00 subsidiair tien dagen hechtenis.
Mr. E.G.C. Groenendaal, advocaat te Amsterdam, heeft namens de verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld. Het gaat in onderhavige zaak om een overtreding van art. 184 Sr waarbij de verdachte ervan beschuldigd wordt een controle door twee ambtenaren van de naleving van de Drank- en Horecawet en de APV Barneveld in het clubhuis van de motorclub in Barneveld te hebben belet. Deze ambtenaren hebben de verdachte gevraagd om binnengelaten te worden, hetgeen de verdachte heeft geweigerd. De eerste twee middelen richten zich tegen de wijze waarop het hof de verweren die door de verdediging zijn gevoerd met betrekking tot de rechtmatigheid van het optreden van de betrokken ambtenaren heeft verworpen. In het derde middel wordt betoogd dat het hof het begrip beletten in de zin van art. 184 Sr onjuist heeft uitgelegd.
Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen weer.
3.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 21 februari 2013 in de gemeente Barneveld toen de buitengewoon opsporingsambtenaren [verbalisant 1] (aktenummer [001]) en [verbalisant 2] (aktenummer [002]), belast met het toezicht houden op de naleving van de in de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld en in de Drank en Horecawet genoemde bepalingen aan hem, verdachte, te kennen hadden gegeven dat zij, die opsporingsambtenaren, ter controle van de bepalingen gesteld in de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld en de Drank en Horecawet de openbare inrichting, te weten het clubhuis van een motorclub, gevestigd op of aan de [a-straat 1], wilden betreden, deze door die opsporingsambtenaren ter uitvoering van het bepaalde in (de) artikel(en) 38 van de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld en/of artikel 5:15 Algemene wet Bestuursrecht en/of artikel 3 en/of 42 van de Drank en Horecawet ondernomen handeling(en) opzettelijk heeft belet door opzettelijk aan die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] mede te delen: "Jullie komen er niet in, dit is enkel voor leden, zelfs onze familieleden komen hier nu niet in. Er is boven een landelijke vergadering gaande en daar mag niemand bij zijn en verder zitten er leden uit het hele land" en: "Ik begrijp dat jullie op jullie strepen willen gaan staan, maar dan komen we in een situatie waarin jullie niet in willen komen. Als jullie nu naar binnen gaan wordt het er niet gezelliger op, je komt er gewoon niet in. Er is een besloten vergadering gaande waar we niemand bij willen hebben" en aldus door opzettelijk die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de toegang tot die openbare inrichting te weigeren.”
3.2. Deze bewezenverklaring steunt op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 3 e.v. van het proces-verbaal, genummerd PL074J 2013056380) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten:
Op donderdag 21 februari 2013 gingen wij, [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Barneveld, werkzaam in domein Openbare Ruimte, standplaats Barneveld, aktenummer [001], en [verbalisant 2], buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Nijkerk, werkzaam in domein Openbare Ruimte, standplaats Nijkerk, aktenummer [002], ter controle van de bepalingen gesteld bij of krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld en de Drank- en horecawet, naar het perceel [a-straat 1] te Barneveld alwaar een clubhuis van een motorclub is gevestigd.
Ik, verbalisant [verbalisant 1], ben als toezichthouder aangewezen door burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 147 lid 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld. Ook ben ik door het genoemde college aangewezen als toezichthouder voor de Drank- en horecawet.
Wij belden aan bij het toegangshek van het clubhuis van de aldaar gevestigde motorclub. Het clubhuis betreft een openbare inrichting als bedoeld in artikel 37 lid a van de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld. Wij zagen dat er twee mannen naar buiten kwamen. Eén van die mannen opende de poort voor ons en liet ons binnen op een soort binnenplaats. Deze man gaf ons aan even te wachten. Kort daarna kwamen er met de man die ons binnen de poort liet vier andere mannen mee naar buiten. Toen één van de vier mannen ons aansprak heb ik, verbalisant [verbalisant 1], mij eerst gelegitimeerd als toezichthouder van de gemeente Barneveld en direct daarna hebben wij ons gelegitimeerd als buitengewoon opsporingsambtenaren. Wij gaven aan ter controle van de bepalingen gesteld in de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld de openbare inrichting te willen betreden. Wij kregen geen gelegenheid uit te leggen dat dit in het kader van de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld ter controle op de exploitatievergunning en de bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet betrof. Eén van de personen, naar later bleek [verdachte] gaf ons direct aan dat wij er niet in kwamen. Wij hoorden hem zeggen: “Jullie komen er niet in, dit is enkel voor leden, zelfs onze familieleden komen hier nu niet in. Er is boven een landelijke vergadering gaande en daar mag niemand bij zijn en verder zitten er leden uit het hele land.” Daarna heb ik, verbalisant [verbalisant 1], nogmaals duidelijk aangegeven dat wij niet onder het “normale publiek” vallen maar dat wij ter controle van de bepalingen gesteld bij of krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld en de bepalingen gesteld in de Drank- en Horecawet het clubhuis wilden betreden. Ik, verbalisant [verbalisant 1], gaf [verdachte] aan dat hij mij niet mocht weigeren. Hierop hoorden wij [verdachte] zeggen: “Ik begrijp dat jullie op jullie strepen willen gaan staan maar dan komen we in een situatie waar jullie niet in willen komen.” Daarna hoorden wij [verdachte] op krachtige en dreigende toon zeggen: “Als jullie nu naar binnen gaan wordt het er niet gezelliger op, je komt er gewoon niet in. Er is een besloten vergadering gaande waar we niemand bij willen hebben.” Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb genoemde [verdachte] aangegeven dat het een strafbaar feit was ons niet binnen te laten. Ik hield hem staande. Tijdens het weglopen van [verdachte] hoorde ik, verbalisant [verbalisant 1], hem zeggen: “Ik begrijp dat jullie het recht hebben om naar binnen te willen maar jullie komen er niet in.” Dit laatste werd ook met krachtige en dreigende toon gezegd. Vervolgens liepen de genoemde personen het pand weer in en sloten de deur. Een controle van de bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet kon dus op dat moment niet worden uitgevoerd.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 6 van het proces-verbaal, genummerd PL074J 2013056380) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten:
Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], buitengewoon opsporingsambtenaren, hadden sterke aanwijzingen dat er in het clubgebouw van de motorvereniging Barneveld alcoholhoudende drank aanwezig zou zijn. Bij de gemeente Barneveld waren aanvragen binnen gekomen voor een exploitatievergunning op grond van artikel 38 van de APV en een drank- en horecavergunning voor het verstrekken van alcoholhoudende drank.
In de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Barneveld is vastgelegd in artikel 147, tweede lid, dat personen aangewezen kunnen worden door college van burgemeester en wethouders voor het toezicht op de naleving van de APV. Op grond van artikel 41, eerste lid, onder b van de Drank- en horecawet heeft de burgemeester ons aangewezen voor het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Drank- en horecawet.
Artikel 5:15 Algemene Wet Bestuursrecht geeft ons de bevoegdheid met medeneming van de benodigde apparatuur elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner voor het toezicht op de naleving van de APV en de Drank- en horecawet. Daarnaast geeft artikel 42 van de Drank- en horecawet ons de verdergaande bevoegdheid om binnen te treden in een woning, zelfs tegen de wil van de bewoner.
3. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 3 juni 2014 van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - de verklaring van verdachte:
Op 21 februari 2013 was ik in de gemeente Barneveld. Daar heb ik twee opsporingsambtenaren de toegang tot het clubhuis van de motorvereniging geweigerd. Van tevoren zijn er soortgelijke dingen gezegd als die in de tenlastelegging staan. Ik heb gezegd: “Ik begrijp dat jullie op jullie strepen willen gaan staan, maar dan komen we in een situatie waarin we niet willen komen.” Ik heb gezegd dat ze niet welkom waren.”
3.3. Daarnaast bevat het bestreden arrest de volgende overwegingen met betrekking tot het bewijs:
“Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.
In de eerste plaats dient verdachte vrijgesproken te worden omdat op hem geen verplichting rustte om de betreffende opsporingsambtenaren toe te staan het clubhuis binnen te treden.
In de tweede plaats dient vrijspraak te volgen omdat niet kan worden gesproken van “beletten”, “belemmeren” of “verijdelen” zoals bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. De door verdachte geuite mededelingen, zoals deze in de tenlastelegging zijn opgenomen, zijn onvoldoende om van “beletten”, “belemmeren” dan wel “verijdelen” in voornoemde zin te kunnen spreken.
In de laatste plaats dient verdachte vrijgesproken te worden omdat niet kan worden bewezen dat hij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het “beletten”, “belemmeren” of “verijdelen” in voornoemde zin.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt als volgt.
Het hof gaat uit van de inhoud van de ter zake door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] opgemaakte processen-verbaal en heeft geen reden aan de juistheid daarvan te twijfelen.
Het hof stelt allereerst vast dat verdachte wordt verweten dat hij de in de tenlastelegging genoemde opsporingsambtenaren heeft tegengewerkt. Verdachte wordt niet verweten dat hij niet heeft meegewerkt met de opsporingsambtenaren. Om die reden treft het eerste verweer van de raadsman, zoals hierboven is vermeld, geen doel.
Het hof is van oordeel dat de verbale uitingen van verdachte jegens de betreffende opsporingsambtenaren aan duidelijkheid niets te wensen over laten. Verdachte heeft op krachtige en dreigende toon bedreigende taal geuit. Klip en klaar is dat hij niet wilde dat de opsporingsambtenaren het clubhuis van de motorclub zouden betreden. Uiteindelijk ging verdachte (met een aantal andere personen) het clubhuis weer binnen waarbij de deur van het clubhuis voor de ogen van de opsporingsambtenaren werd gesloten. Dit optreden van verdachte maakte het hen op dat moment onmogelijk om het clubhuis van de motorclub te betreden. Het hof is daarom - anders dan de raadsman - van oordeel dat verdachte de opsporingsambtenaren heeft belet (zoals bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht) om het clubhuis binnen te gaan. Voorts deelt het hof de opvatting van de raadsman niet dat de situatie in de onderhavige zaak zich niet laat vergelijken met de situatie zoals aan de orde in het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 19 maart 2010 (LJN: BN4072), nu in beide zaken op een dreigende manier bedreigende taal werd geuit door de verdachte in de richting van de opsporingsambtenaren ter voorkoming van handelen door de opsporingsambtenaren.
Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het hof van oordeel dat verdachte de opsporingsambtenaren opzettelijk heeft belet om het clubhuis te betreden. Daartoe overweegt het hof dat verdachte de opsporingsambtenaren in niet mis te verstane bewoordingen te kennen heeft gegeven dat zij niet binnen mochten komen. De door verdachte gebezigde verbale uitlatingen zijn niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Het hof leidt het opzet van verdachte af uit voornoemde uitlatingen.
Het hof verklaart aldus bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.”
4. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de rechtmatigheid van het optreden van de ambtenaren.
4.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende aangevoerd:
“In de eerste plaats dient vrijspraak te volgen omdat op mijn cliënt niet de verplichting rustte om de betreffende opsporingsambtenaren toe te staan het clubhuis binnen te treden. De betreffende ambtenaren hadden weliswaar een controlebevoegdheid, maar uit niets blijkt dat mijn cliënt verplicht was hen toegang te verschaffen tot het clubhuis. Een dergelijke verplichting zou ook in strijd zijn met het nemo-tenetur-beginsel.”
4.2. Het hof heeft, zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven, overwogen dat dit verweer geen doel treft, aangezien de verdachte wordt verweten dat hij de in de tenlastelegging genoemde opsporingsambtenaren heeft tegengewerkt en hem niet wordt verweten dat hij niet heeft meegewerkt met de opsporingsambtenaren. Gelet op deze overweging berust de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, voor zover er al van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan worden gesproken, mijns inziens op een verkeerde lezing van het bestreden arrest, zodat het middel feitelijke grondslag mist.
5. Volgens het tweede middel is het hof bij de bewezenverklaring uitgegaan van een onjuiste uitleg van het begrip “ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift”, althans kunnen de bewijsmiddelen die bewezenverklaring niet dragen.
5.1. In de toelichting op het middel wordt de stelling ingenomen dat het hof ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of sprake was van rechtmatig optreden van de ambtenaren en dat indien een dergelijk onderzoek was verricht, gebleken zou zijn dat dit niet het geval was omdat de ambtenaren ervan uit zijn gegaan dat het clubhuis van de motorclub een openbare inrichting betrof, terwijl de bestuursrechter bij uitspraak van 25 juni 2015 had bepaald dat dit niet het geval was.
5.2. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang, die ten tijde van het bewezenverklaarde feit als volgt luidden:
i. Art. 184 lid 1 Sr:
“Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”
ii. Art. 37 lid 1 Algemene plaatselijke verordening Barneveld (hierna: APV Barneveld):
“Onder openbare inrichting wordt in deze paragraaf verstaan: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder openbare inrichting worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere aanhorigheden.”
iii. Art. 38 lid 1 APV Barneveld:
“Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.”
iv. Art. 147 APV Barneveld:
“1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de ambtenaren van politie.
2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.”
v. Art. 3 lid 1 Drank- en horecawet:
“Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.”
vi. Art. 25 Drank- en horecawet:
“Het is degene die, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het slijtersbedrijf of horecabedrijf, een ruimte voor het publiek geopend houdt, verboden:
a. in die ruimte alcoholhoudende drank aanwezig te hebben, tenzij dit geschiedt ten dienste van het rechtmatig in die ruimte bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse, mits deze drank zich bevindt in een verpakking die voldoet aan de bij artikel 17 gestelde eis;
b. in de voor het publiek niet toegankelijke delen van die ruimte alcoholhoudende drank in voorraad te hebben, tenzij het betreft:
1°. het in voorraad hebben van zwak-alcoholhoudende drank ten dienste van het in de rechtmatige uitoefening van een ander bedrijf dan het slijtersbedrijf bedrijfsmatig aan particulieren verstrekken van deze drank voor gebruik elders dan ter plaatse, mits deze drank zich bevindt in een verpakking die voldoet aan de bij artikel 17 gestelde eis;
2°. het in voorraad hebben van alcoholhoudende drank ten dienste van het uitoefenen van een bedrijf, waarin waren uit onder meer alcoholhoudende drank plegen te worden vervaardigd.
2. Het is degene die, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het horecabedrijf, een ruimte voor publiek geopend houdt, verboden toe te laten dat in die ruimte alcoholhoudende drank wordt genuttigd. Dit verbod geldt niet, indien er sprake is van de uitzondering bedoeld in artikel 13, tweede lid.
(…)”
vii. Art. 41 lid 1 Drank- en horecawet:
“Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast:
a. in geheel Nederland: de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
b. in een gemeente: de door de burgemeester van die gemeente aangewezen ambtenaren.”
viii. Art. 42 Drank- en horecawet:
“De in artikel 41 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner, waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank aan particulieren wordt verstrekt of waar naar hun redelijk vermoeden zodanige verstrekking plaatsvindt.”
ix. Art. 5:11 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb):
“Onder toezichthouder wordt verstaan: een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.”
x. Art. 5:13 Awb:
“Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.”
xi. Art. 5:15 Awb:
“1. Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.
2. Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm.
3. Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.”
5.3. Het beletten, belemmeren of verijdelen van handelingen van ambtenaren in de zin van art. 184 lid 1 Sr is slechts strafbaar als die handelingen ‘ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift’ zijn ondernomen. Dat hiervan sprake is moet in het vonnis of arrest tot uitdrukking zijn gebracht.1.
5.4. In de onderhavige zaak heeft het hof bewezenverklaard dat de handeling, het verkrijgen van toegang tot het clubhuis, geschiedde “ter uitvoering van het bepaalde in (de) artikel(en) 38 van de Algemene plaatselijke verordening Barneveld en/of artikel 5:15 Algemene wet bestuursrecht en/of artikel 3 en/of 42 van de Drank- en horecawet”. Daarmee heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het betreden van het clubhuis is ondernomen ter uitvoering van een of meer van de genoemde wetsartikelen.
5.5. Art. 38 APV Barneveld en art. 3 Drank- en horecawet kunnen naar mijn mening niet worden aangemerkt als wettelijke voorschriften ter uitvoering waarvan ambtenaren als bedoeld in art. 184 Sr handelingen kunnen ondernemen. Het zijn immers verbodsbepalingen die als zodanig geen bevoegdheden scheppen. Ambtenaren kunnen de naleving van deze bepalingen wel controleren, maar in dat geval moeten hen in wettelijke voorschriften controlebevoegdheden zijn toegekend. Deze kunnen in het onderhavige geval niet aan art. 42 Drank- en horecawet worden ontleend, aangezien het clubhuis van een motorclub niet als een woning kan worden aangemerkt. Dan resteert art. 5:15 Awb op grond waarvan een toezichthouder bevoegd is, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner. Die grondslag sluit ook aan bij de bewijsmiddelen. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben daarin gesteld dat art. 5:15 Awb hen de bevoegdheid geeft om, voor het toezicht op de naleving van de APV en de Drank- en horecawet, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.
5.6. De volgende vraag is of de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als toezichthouders kunnen worden aangemerkt. In dat verband blijkt uit de bewijsmiddelen dat verbalisant [verbalisant 1] op grond van art. 147 lid 2 APV Barneveld was belast met het toezicht op de naleving van de APV Barneveld en dat beide verbalisanten op grond van art. 41 lid 1 onder b Drank- en Horecawet in de gemeente Barneveld waren belast met het toezicht op de naleving van de Drank- en horecawet. Zij konden daarom worden aangemerkt als toezichthouders in de zin van art. 5:11 Awb, zodat zij op grond van art. 5:15 lid 1 in verbinding met art. 5:13 Awb bevoegd waren elke plaats te betreden voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig was, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.
5.7. In de toelichting op het middel wordt daarnaast nog gesteld dat het optreden van de betrokken ambtenaren ook onrechtmatig was, omdat zij ervan uit zijn gegaan dat het clubhuis van de motorclub Barneveld een openbare inrichting is, terwijl de rechtbank Gelderland van 25 juni 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:4144, ten aanzien van ditzelfde clubhuis heeft vastgesteld dat dit niet het geval is. Ik meen dat nu de verdachte zich op deze uitspraak ten overstaan van het hof niet heeft beroepen, hierop niet voor het eerst in cassatie een beroep kan worden gedaan. Maar ook in het geval dat, zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld, het hof hiernaar ambtshalve een nader onderzoek had moeten instellen, dan had dit niet tot een ander oordeel van het hof kunnen leiden.
5.8. De uitspraak waarop in het middel een beroep wordt gedaan houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:
“uitspraak van de enkelvoudige kamer (…)
in de zaak tussen
[A], te Barneveld, eiseres,
en
de burgemeester van de gemeente Barneveld te Barneveld, verweerder.
(…)
14. Op 9 januari 2014 heeft de toezichthouder van de gemeente Barneveld een inspectie verricht in en nabij het clubhuis van eiseres. Tijdens dit bezoek heeft de toezichthouder in het clubhuis en in een afgesloten container alcoholhoudende drank aangetroffen. (…)
Op 13 maart 2014 heeft de toezichthouder van de gemeente Barneveld een inspectie verricht in en nabij het clubhuis van eiseres. Tijdens dit bezoek heeft de toezichthouder in het clubhuis en in een afgesloten container alcoholhoudende drank aangetroffen. (…)
15. Ingevolge artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW is het degene die, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het slijtersbedrijf of horecabedrijf, een ruimte voor het publiek geopend houdt, verboden in die ruimte alcoholhoudende drank aanwezig te hebben, tenzij dit geschiedt ten dienste van het rechtmatig in die ruimte bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse, mits deze drank zich bevindt in een verpakking die voldoet aan de bij artikel 17 gestelde eis.
(…)
18. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat bij de bezoeken op 9 januari 2014 en 13 maart 2014 alcoholhoudende drank in het clubhuis van eiseres is aangetroffen. Het geschil beperkt tot de vraag of het clubhuis een voor het publiek geopende ruimte is. De rechtbank is van oordeel dat hier geen sprake van is en overweegt daartoe als volgt.
19. Het gebouw wordt gebruikt als clubgebouw van de motorvereniging. De vereniging bestaat uit 14 leden en 2 aspirant-leden. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat het clubhuis wordt gebruikt om één keer per week bij elkaar te komen. Eiseres erkent dat er bij vergaderingen mogelijk af en toe leden van andere chapters aanwezig zijn, maar stelt dat dat alleen leden zijn die door eiseres zijn uitgenodigd en van wie eiseres dus de identiteit reeds voorafgaand aan het bezoek kent. Er worden geen onbekenden tot het terrein of het clubhuis toegelaten.
Verweerder heeft aangegeven dat in het verleden sprake is geweest van een bruiloft in het clubhuis, een optreden van een band, een open dag en een jaarvergadering. Deze activiteiten maken naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat sprake is van een ruimte die voor publiek geopend is. Afgezien van het feit dat alleen de jaarvergadering heeft plaatsgevonden na de opgelegde last onder dwangsom, is reeds gelet van de lage frequentie van de activiteiten door verweerder onvoldoende aangetoond dat het clubhuis voor publiek geopend is. Daarbij is door verweerder zowel ten aanzien van de jaarvergadering als ten aanzien van het optreden van de band niet aannemelijk gemaakt dat ook anderen dan de leden van de vereniging aanwezig waren. Verweerder heeft voorts niet aangetoond dat eiseres geen grip heeft op de bezoekers van het clubhuis of dat sprake is van een onbepaalde groep bezoekers. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres ter zitting heeft erkend dat er mogelijk af en toe ook niet-leden de vereniging bezoeken, maar dat eiseres weet wie die personen zijn en dat die personen alleen op uitnodiging van eiseres komen. Dit wijst op een grote mate van beslotenheid. Derhalve heeft verweerder onvoldoende aangetoond dat het clubhuis voor publiek geopend is. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 1986, nr. RO3.84.2306.”
5.9. Uit deze uitspraak blijkt dat de rechtbank weliswaar van oordeel was dat het clubhuis niet een voor het publiek geopende ruimte als bedoeld in art. 25 lid 1 onder a van de Drank- en horecawet was, maar dat laat onverlet dat het clubhuis wel als een openbare inrichting in de zin van art. 37 lid 1 APV Barneveld kan worden aangemerkt. Art. 37 lid 1 APV vermeldt met zoveel woorden dat onder een openbare inrichting in ieder geval (onder andere) een clubhuis wordt verstaan. In bewijsmiddel 1 kan worden gelezen dat de betrokken ambtenaren hier ook vanuit zijn gegaan door in hun proces-verbaal te vermelden: “Het clubhuis betreft een openbare inrichting als bedoeld in artikel 37 lid a van de Algemene Plaatselijke Verordening Barneveld.”
5.10. Afrondend kom ik ten aanzien van dit middel tot het volgende standpunt. In de bewezenverklaring ligt als oordeel van het hof besloten dat het betreden van het clubhuis door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] nodig was voor de vervulling van hun taak. De bewijsmiddelen houden daarover in dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] het clubhuis wilden betreden ter controle op de naleving van de bepalingen gesteld bij of krachtens de APV Barneveld en de bepalingen gesteld in de Drank- en horecawet, dat zij sterke aanwijzingen hadden dat er in het clubgebouw van de motorvereniging Barneveld alcoholhoudende drank aanwezig was en dat bij de gemeente Barneveld aanvragen waren binnengekomen voor een exploitatievergunning als bedoeld in art. 38 APV Barneveld en een Drank- en horecavergunning voor het verstrekken van alcoholhoudende drank. Deze vergunningen waren kennelijk (nog) niet verleend. Onder deze omstandigheden getuigt het kennelijke oordeel van het hof dat het betreden van het clubhuis door de verbalisanten redelijkerwijs nodig was voor de vervulling van hun toezichthoudende taak waartoe zij op grond van art. 5:15 Awb bevoegd waren, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is bovendien niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
5.11. Het middel faalt.
6. Het derde middel klaagt dat het hof bij de bewezenverklaring is uitgegaan van een onjuiste uitleg van het begrip “beletten”, althans de bewijsmiddelen die bewezenverklaring niet kunnen dragen.
6.1. In de toelichting wordt gesteld dat art. 184 lid 1 Sr het beletten, belemmeren of verijdelen van handelingen van ambtenaren bij de uitvoering van hun wettelijke taak strafbaar stelt en het in deze zaak bij een conversatie tussen de ambtenaren en de verdachte is gebleven, waarop de verbalisanten zijn weggegaan zonder te pogen het clubhuis te betreden. Daarom kon het hof ook niet tot de vaststelling komen dat het hen onmogelijk is gemaakt om het clubhuis te betreden, aldus de steller van het middel. Aan het middel ligt de vraag ten grondslag wat onder ‘een handeling’ en het ‘beletten’ daarvan in de zin van art. 184 lid 1 Sr moet worden verstaan.
6.2. Volgens HR 2 december 1901, W 7694, is beletten het voorkomen van de voltooiing van de ondernomen handeling, terwijl onder belemmeren het bemoeilijken van die ondernomen handeling wordt verstaan. Van het verijdelen van een handeling is sprake wanneer een reeds volbrachte handeling krachteloos wordt gemaakt of mislukt doordat daaraan het beoogde gevolg wordt ontnomen.
6.3. In het arrest van 2 december 1901 is ook aan de orde gekomen wanneer sprake is van een ondernomen handeling in de zin van art. 184 lid 1 Sr. In deze zaak was bewezenverklaard dat de kastelein, nadat in zijn bierhuis twee agenten in burger zich bekend hadden gemaakt, een opsporingsonderzoek naar overtredingen van de Drankwet had verijdeld door:
“twee ten deele met vocht, naar de ambtenaren vermoedden met sterken drank, gevulde borrelglaasjes, die bij het binnenkomen van genoemde ambtenaren op de toonbank hadden gestaan en toen onmiddellijk door beklaagde waren weggenomen en in zijn broekzak gestoken ondanks herhaald bevel van die ambtenaren om ze tot onderzoek aan hen over te geven, in den spoelbak schoon te wasschen”.
De Hoge Raad overwoog dat het bewezenverklaarde niet kon worden gekwalificeerd als verijdelen, aangezien door de ambtenaren nog geen handeling was volbracht. Vervolgens overwoog de Hoge Raad dat het bewezenverklaarde evenmin kon worden gekwalificeerd als het beletten of belemmeren van een ondernomen handeling, omdat om een ondernomen handeling te beletten of belemmeren aan die handeling ten minste enig begin van uitvoering moet zijn gegeven, terwijl daar in dat geval geen sprake van was.
6.4. Wat als een ondernomen handeling kan worden aangemerkt is vervolgens in verschillende zaken aan de orde gekomen. Zo oordeelde de Hoge Raad dat:
- de inbeslagneming van een glaasje door een politieagent was ondernomen toen hij zijn hand uitstrekte naar dat glaasje;2.
- in een zaak waar de dagvaarding inhield dat de in het koffie- en bierhuis binnengetreden veldwachter het tafeltje naderde waaraan drie personen waren gezeten met ieder een glaasje gevuld met helder vocht voor zich, teneinde te onderzoeken of die glaasjes sterke drank inhielden, voldoende was ten laste gelegd dat de door de veldwachter beoogde handeling, het opsporen van een overtreding van de Drankwet, reeds een begin van uitvoering had verkregen en dus in de zin van art. 184 Sr was ondernomen;3.
- het noteren van het kenteken van een motorfiets die een stopteken negeerde, was begonnen toen de verbalisant aanstalten maakte om het kenteken in zijn zakboekje te noteren;4.
- de monsterneming door een keurmeester van de Keuringsdienst van Waren een begin van uitvoering had gekregen en dus in de zin van art. 184 Sr was ondernomen toen de keurmeester, voorzien van een lepel, trechter en fles, zich op een erf begaf naar een op dat erf ter aflevering gereed staande bus met melk.5.
6.5. Uit deze jurisprudentie kan worden afgeleid dat er pas sprake kan zijn van beletten, in de zin van art. 184 lid 1 Sr, als de handeling is aangevangen. Een voorgenomen handeling kan dus niet worden belet of belemmerd in de zin van deze bepaling zolang dat voornemen zich niet heeft geuit in een begin van uitvoering. Wel kan het beletten van een nog niet aangevangen handeling onder omstandigheden als ambtsdwang in de zin van art. 179 Sr worden aangemerkt.6.
6.6. In de onderhavige zaak heeft het hof overwogen dat het optreden van de verdachte het de verbalisanten onmogelijk maakte om het clubhuis van de motorclub te betreden en dat de verdachte de verbalisanten daardoor heeft belet in de zin van art. 184 lid 1 Sr om het clubhuis binnen te gaan. Daarmee heeft het hof het beletten als bedoeld in art. 184 lid 1 Sr uitgelegd als het onmogelijk maken van een handeling.7.Die uitleg bergt naar mijn mening echter een risico in zich. Als moet worden aangenomen dat beletten het voorkomen van de voltooiing van een handeling impliceert, dan moet de handeling zijn aangevangen door op zijn minst een begin van uitvoering. Dat hoeft bij het onmogelijk maken van een handeling echter niet het geval te zijn. Onmogelijk maken kan ook plaatsvinden zonder dat aan de handeling een begin van uitvoering is gegeven. In dat laatste geval kan het onmogelijk maken van de handeling mijns inziens echter niet als het beletten van een ondernomen handeling in de zin van art. 184 lid 1 Sr worden aangemerkt.
6.7. De bewijsmiddelen houden in dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben kenbaar gemaakt dat zij het clubhuis wilden betreden, maar houden niet in dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] daadwerkelijk hebben gepoogd hieraan uitvoering te geven. Ik leid uit de bewijsmiddelen af dat de verbalisanten hebben afgezien van hun voornemen om binnen te treden als gevolg van de weigering van de toegang tot het clubhuis door de verdachte en de daarbij door de verdachte bewezenverklaarde gedane uitlatingen. Een blik achter de papieren muur bevestigt in mijn beeld, aangezien het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal het volgende inhoudt:
“Wij, verbalisanten, hebben nadat ons de toegang geweigerd was telefonisch contact opgenomen met de ambtenaar openbare orde en veiligheid van de gemeente Barneveld. Hij verzocht ons om ter plaatse te blijven. Deze ambtenaar had in de tussentijd contact met de politie regio Oost Nederland en met de burgemeester van de gemeente Barneveld. Besloten werd niet verder op te schalen, gelet op het tijdstip (opschaling zou minimaal 2 uur duren) en de aard van de controle.
Een controle van de bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank en Horecawet, kon dus op dat moment niet worden uitgevoerd.”
6.8. Op grond van art. 5:15 lid 1 Awb waren de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bevoegd het clubhuis te betreden. Zij hoefden daarvoor niet de toestemming van de verdachte te verkrijgen en hadden zich ook tegen de wil van de verdachte, desgewenst met behulp van de sterke arm, de toegang tot het clubhuis kunnen verschaffen. De verbalisanten hebben daarvan echter afgezien.
6.9. Hieruit leidt ik af dat het bij een voornemen om het clubhuis te betreden is gebleven en dat daaraan niet een begin van uitvoering is gegeven, zodat er (nog) geen sprake is geweest van een ondernomen handeling in de zin van art. 184 lid 1. Gelet daarop getuigt het oordeel van het hof dat de verdachte een ondernomen handeling heeft belet in de zin van art. 184 lid 1 Sr mijns inziens van een onjuiste rechtsopvatting.
6.10. Het middel slaagt.
7. Het eerste en het tweede middel falen en kunnen met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan. Het derde middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑07‑2017
HR 18 maart 1907, W 8511.
HR 7 december 1908, W 8779.
HR 15 november 1926, NJ 1926, p. 1363.
HR 13 november 1933, NJ 1934, p. 170.
Vgl. HR 31 januari 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6189, NJ 1978/597. In die zaak had het hof bewezenverklaard dat de verdachte ‘op 10 maart 1976, te Leeuwarden, toen de belastingdeurwaarder [A] zich in zijn, verdachtes, woning, aldaar, bevond, ten einde een dwangbevel te betekenen aan de eveneens in zijn, verdachtes, woning wonende [B], opzettelijk die ambtshandeling heeft belet, door voornoemde deurwaarder gewelddadig aan te vatten en buiten de deur te zetten’. Het hof kwalificeerde dit als ‘door geweld een ambtenaar dwingen tot het nalaten ener rechtmatige ambtsverrichting' in de zin van art. 179 Sr.
In de literatuur wordt beletten ook wel aangeduid als onmogelijk maken. Zie bijv. Lindenberg, T&C Strafrecht, art. 184 Sr, aant. 8f, en G.H. Meijer, A. Seuters & R. ter Haar, Leerstukken Strafrecht, Deventer: Kluwer 2013, 4.24.
Beroepschrift 14‑10‑2016
MIDDELEN VAN CASSATIE
parketnummer: 21/003517-14
Arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 4 mei 2016
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
[appellant], met als adres [adres] te [woonplaats], in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn raadsvrouwe mr. E.G.C. Groenendaal, Dekens & Groenendaal Strafrechtadvocaten, Bronckhorststraat 16 te (1071 WR) Amsterdam, die bepaaldelijk gemachtigd is deze schriftuur in te dienen, wenst aan u de navolgende middelen van cassatie tegen bovengenoemd arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor te stellen:
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid meebrengt.
In het bijzonder zijn de artikelen 359 jo 415 Sv geschonden doordat het hof is afgeweken van het nadrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging ten aanzien van de rechtmatigheid van het optreden van de ambtenaren, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot die afwijzing hebben geleid.
Middel II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid meebrengt.
In het bijzonder zijn de artikelen 184 van het wetboek van strafrecht en 350 en 359 juncto 415 van het wetboek van strafvordering geschonden doordat het hof heeft bewezen verklaard dat appellant zich heeft schuldig gemaakt aan het beletten van een ambtenaar belast met toezicht, terwijl het hof daarbij is uitgegaan van een onjuiste uitleg van het begrip‘ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift’, althans de bewijsmiddelen die bewezenverklaring niet kunnen dragen. De bewezenverklaring is dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Toelichting bij beide middelen gezamenlijk:
Appellant is veroordeeld ter zake overtreding van art. 184 Sr. Het ging om twee ambtenaren die naar het clubhuis van de motorclub in Barneveld kwamen ter controle van de Drank en Horecawet en vroegen om binnengelaten te worden. Appellant heeft hen te woord gestaan, maar gezegd dat zij niet binnen konden komen.
Door de politierechter is appellant vrijgesproken, omdat in de ogen van de politierechter geen sprake is geweest van ‘beletten’ in de zin van art. 184 Sr. Het hof dacht hier echter anders over, en heeft appellant alsnog veroordeeld.
De bewijsmiddelen:
- 1.
Proces-verbaal van buitengewoon opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], inhoudende — kort gezegd — dat zij op 21 februari 2013 naar het clubhuis van de motorclub in Barneveld gingen, welk clubhuis een openbare inrichting betreft. Dat zij aanbelden bij het toegangshek, dat er twee mannen naar buiten kwamen, dat zij werden binnengelaten op een soort binnenplaats, dat zij zich hebben gelegitimeerd en hebben uitgelegd dat zij de openbare inrichting wilden betreden ter controle van de bepalingen in de APV en de drank en Horecawet. Dat [appellant] direct zei dat ze er niet in kwamen, dat zij zeiden dat hij ze niet mocht weigeren, dat [appellant] toen zei ‘als jullie nu naar binnen gaan wordt het er niet gezelliger op, jullie komen er gewoon niet in’. Dat [verbalisant 1] [appellant] staande hield en zei dat het strafbaar was hen niet binnen te laten. Dat [appellant] wegliep en de deur sloot.
- 2.
Een proces-verbaal van dezelfde opsporingsambtenaren waarin zij uitleggen van welke wettelijke bevoegdheden zij gebruik maakten
- 3.
De verklaring van appellant, afgelegd ter zitting van de politierechter, inhoudend dat hij op 21 februari 2013 twee ambtenaren de toegang tot het clubhuis heeft geweigerd, dat hij heeft gezegd dat ze niet welkom waren.
Uw raad heeft in meerdere uitspraken bepaald dat voor een veroordeling ter zake van art. 184 Sr is vereist dat komt vast te staan dat sprake is geweest van een rechtmatig bevel of rechtmatig optreden van de betreffende ambtenaar1..
Volgens de bewezenverklaring van het gerechtshof was het optreden van de ambtenaren in deze zaak gebaseerd op art. 38 van de APV Barneveld en/of art. 5:15 Algemene wet Bestuursrecht en/of art. 3 en 42 van de Drank en Horecawet.
Art. 38 van de APV zoals dat destijds gold, zag op een exploitatievergunning. De artikelen 42 Drank en Horecawet en 5:15 Algemene wet bestuursrecht zien beiden op het betreden van een woning ter controle.
Allereerst geldt dat het hof op geen enkele manier blijk geeft te hebben onderzocht of sprake was van rechtmatig optreden van de ambtenaren. Dat had het hof — gelet op de rechtspraak van uw raad — ambtshalve moeten doen. Er is bovendien door de raadsman expliciet verweer op gevoerd, hetgeen een extra reden voor het hof had moeten zijn de rechtmatigheid van het optreden te onderzoeken. De raadsman heeft immers, blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep d.d. 22 april 2016 naar voren gebracht:
‘In de eerste plaats dient vrijspraak te volgen omdat op mijn cliënt niet de verplichting rustte om de betreffende opsporingsambtenaren toe te staan het clubhuis te betreden. De betreffende opsporingsambtenaren hadden weliswaar een controlebevoegdheid, maar uit niets blijkt dat mijn cliënt verplicht was hen toegang te verschaffen tot het clubhuis.’
Reeds vanwege het ontbreken van enig onderzoek op dit punt en het daarmee (ook) niet responderen op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging, dient het arrest van het hof te worden vernietigd.
Daarnaast geldt dat, indien een dergelijk onderzoek wel zou zijn of alsnog wordt verricht, blijkt dat de ambtenaren niet rechtmatig optraden. De ambtenaren zijn er namelijk vanuit gegaan dat het clubhuis van de motorclub waar het hier om gaat een openbare inrichting betrof. Terwijl de bestuursrechter al bij uitspraak van 25 juni 2015 had bepaald dat dit niet het geval was.
‘Rechtbank Gelderland 25-06-2015, RBGEL:2015:4144:
Het geschil beperkt zich tot de vraag of het clubhuis een voor publiek geopende ruimte is. De rechtbank is van oordeel dat hier geen sprake van is en overweegt daartoe als volgt (…)’
Deze uitspraak heeft betrekking op specifiek het clubhuis ‘van’ appellant, namelijk het clubhuis van de motorclub in Barneveld. Het ging hier om incidenten gerelateerd aan hetgeen aan de orde is in de zaak die nu aan uw raad voorligt; het overtreden van de Drank en Horecawet en de APV van Barneveld door alcohol te schenken in het clubhuis. Het oordeel van de bestuursrechter dat het clubhuis van de motorclub in Barneveld geen voor het publiek geopende ruimte is, is dus van rechtstreeks belang ook voor de onderhavige zaak tegen appellant. Deze uitspraak is van juni 2015. Het hof had hiermee rekening moeten houden.
Om al deze redenen kan het arrest van het hof niet in stand blijven.
Middel III
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid meebrengt.
In het bijzonder zijn de artikelen 184 van het wetboek van strafrecht en 350 en 359 juncto 415 van het wetboek van strafvordering geschonden doordat het hof heeft bewezen verklaard dat appellant zich heeft schuldig gemaakt aan het beletten van een ambtenaar belast met toezicht, terwijl het hof daarbij is uitgegaan van een onjuiste uitleg van het begrippen ‘beletten’, althans de bewijsmiddelen die bewezenverklaring niet kunnen dragen. De bewezenverklaring is dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Toelichting:
De raadsman van appellant heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aangevoerd dat appellant weliswaar heeft gezegd dat de ambtenaren niet binnen machten komen, maar hen niet daadwerkelijk heeft belet in de zin van art. 184 Sr. De ambtenaren hebben niet daadwerkelijk getracht om ondanks de woorden van appellant toch naar binnen te gaan, en evenmin heeft appellant de ambtenaren daadwerkelijk op enige manier (fysiek) tegengehouden. Er is slechts sprake geweest van een conversatie, waarin de ambtenaren zeiden dat zij naar binnen wilden en appellant zei dat hij dit geen goed idee vond.
Wat is beletten in de zin van art. 184 Sr precies?
Hoge Raad 2008:BB4108:
Het oordeel van het Hof dat de onderhavige vordering kan worden gebaseerd op art. 2 Politiewet 1993, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Art.184 eerste lid, Sr eist een ‘krachtens wettelijk voorschrift’ gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Art. 2 Politiewet 1993 bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184 eerste lid, Sr moet worden voldaan. Daarbij verdient echter opmerking dat art. 2 Politiewet 1993 wel als een wettelijk voorschrift kan worden aangemerkt ter uitvoering waarvan de in art. 184 Sr bedoelde ambtenaren handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten, belemmeren of verijdelen overtreding van art. 184, eerste lid, Sr kan opleveren.
Uw raad spreekt hier over handelingen die kunnen worden belet, belemmerd of verijdeld.
Was hier sprake van handelingen? Blijkens het onder 1 gebruikte bewijsmiddel niet. Zoals gezegd was er een conversatie en hebben de ambtenaren gezegd dat ze naar binnen wilden. Ze hebben op geen enkele manier fysiek geprobeerd naar binnen te gaan. De ambtenaren zijn toegelaten tot de binnenplaats en zijn daar ook gebleven zonder zich verder naar de deur of naar binnen te (trachten te) begeven. Uit het proces-verbaal volgt dat de deur werd ‘gesloten’. Maar niet blijkt dat de ambtenaren naar de deur zijn toegegaan, laat staan dat zij hebben geprobeerd de deur weer te openen. Uit niets blijkt dus ook dat de deur op slot was, of dat zij op een andere manier fysiek werden tegengehouden. Het hof stelt2.: ‘Dit optreden van verdachte maakte het voor hen op dat moment onmogelijk om het clubhuis van de motorclub te betreden’. Die redenering kan appellant niet volgen. Het is niet geprobeerd, dus die onmogelijkheid is ook niet vastgesteld. De ambtenaren zijn weggegaan, zonder verder een poging te doen daadwerkelijk binnen te komen.
Van ‘beletten’ in de zin van art. 184 Sr is geen sprake geweest. De overweging van het hof dat appellant de ambtenaren heeft ‘belet’ door te zeggen dat zij er niet in mochten en de deur voor hun neus dicht te doen, gaat uit van een onjuiste uitleg van het begrip beletten in de zin van art. 184 Sr. Althans dat oordeel is onbegrijpelijk. Ook om die reden dient het arrest van het hof te worden vernietigd.
Conclusie
Het arrest dient om bovengenoemde redenen te worden vernietigd. Appellant verzoek u de zaak terug te wijzen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dan wel een ander hof, om opnieuw recht te doen met inachtneming van uw beslissing(en).
Amsterdam, 14 oktober 2016
Raadsvrouw en gemachtigde
E.G.C. Groenendaal